De openbaring van den Heere Fezus aan het meer van Liberias
1
De Heere Jezus heeft Zich aan de discipelen geopenbaard als Dengene, Die van de dooden s opgewekt. Hij heeft Zijn belofte vervuld, dat Hij hen geen weezen zou laten, maar tot hen komen zou. Het was Hem er om te doen, dat dj daarvan vast verzekerd zouden zijn, opdat zij in Hem hun gerechtigiieid en het eeuwige leven zouden hebben, en daaraan niet twijfelen. Zoo was Hij op den dag der opstanding Zelf aan hen verschenen en toen weder acht dagen daarna, ioen Thomas bij hen was. De Heere heeft hen iegelijk voorbereid voor hun toekomstigen dienst en hun den Heiligen Geest beloofd, want zonder Hem konden zij hun dienst niet volbrengen. Wij zullen nu heden zien, hoe Hij ook in hun tijdelijke behoeften voorziet en hen met een wonderbare, /errassende liefde bejegent, en daaruit leerden zij i'erstaan, dat Hij het Zelf is. Die Zich hun openbaart. Dit is ook voor ons zeer leerzaam, want Zijn liefde bewijst Hij aan Zijn Kerk en aan allen, die in waarheid in Hem gelooven.
Laat ons opslaan: JOH. 21 : 1—14:
Laat ons Ie deze woorden overdenken en 2e eenige opmerkingen daaraan toevoegen.
Het Paaschfeest, dat acht dagen duurde, was afgeloopen, en de discipelen waren weder naar Galilea teruggekeerd. De Heere had hun immers gezegd, dat zij Hem aldaar zouden zien. Zij waren wel traag geweest om dit bevel op te volgen, want zij waren er nog niet toe gekomen om Zijn bevel zoo hoog te houden, dat zij de wet der ceremoniën daaraan ondergeschikt maakten. O, de mensch heeft een langen strijd met zichzelven noodig, eer hij alles laat varen, wat niet Christus is. Maar daar zij nu in Galilea 89 waren, hield de Heere Zijn Woord en openbaarde Zich hun ten derden male, nadat Hij van de dooden was opgestaan.
Het was aan het meer van Tiberias, waar Kapernaüm aan lag. Daar waren 7 discipelen bijeen, een beeld van de gemeente, want ook later sprak de Heere door Johannes tot de 7 gemeenten in Azië. Het getal 7 beteekent immers de zevenvoudige werking des Heiligen Geestes.
De eerste discipel, die genoemd wordt, was Simon Petrus. Er staat hier niet Simon, toegenaamd Petrus, want Johannes wil hem dien naam geven, omdat de Heere zijn zonde weggenomen heeft. Hij heet nu Simon Petrus en „Petrus" wil zeggen : rotssteen, niet omdat hij eenige kracht of sterkte in zichzelven bezat, maar naar genadige toerekening. Ook moeten wij er op letten, dat er staat: „Er waren te samen". Dat te samen zijn van de discipelen was een vrucht van de opstanding van JezusChristus, een vruchtZijnergoddelijke genade, want o ! hoe verstrooid waren zij niet, een iegelijk naar het zijne, toen de duivel getracht had hen te ziften als de tarwe. Hoe weinig samenwerking is er anders tusschen de leden eener gemeente onderling! Een ieder gaat zijn eigen weg. Hoe weinig band is er anders tusschen degenen zelfs, die hetzelfde geloof belijden I Men zoekt zichzelven, doet wat goed is in zijn oogen en er is geen vertrouwen onder elkander. Maar hier is de aanvankelijke verhooring van het Hoogepr'esterlijk gebed : „en ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, gelijk als wij één zijn". Hier zien wij de waarheid van den heerlijken 133en Psalm: „Ziet! hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook te samen wonen !" Onder de broeders wordt Simon Petrus het eerst genoemd, omdat de Heere Zich van hem bediende om Zich aan de discipelen op die heerlijke wijze te openbaren, als wij in dit hoofdstuk beschreven vinden. Het is natuurlijk niet, omdat Petrus in zichzelven méér was dan de anderen, zooals de Paus van Rome beweert, dat op Petrus de gemeente van Christus is gegrondvest. Niet op den mensch Petrus, maar op de belijdenis van Petrus: „Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods" is de gemeente gegrondvest. En als de Paus beweert Petrus' opvolger te zijn is dat ook niet waar, want de Heere heeft nooit eenig menschenkind tot Petrus' opvolger gesteld. Ook kan men Petrus niet een menschelijken voorrang toekennen, want wij weten, dat de apostel Paulus overvloediger gearbeid heeft dan Petrus. Petrus wordt hier veeleer het eerste genoemd, omdat hij méér nog dan anderen genade behoefde, genade, die hem alle beenderen verbrijzelen zou, opdat hij in dien weg geschikt en toebereid zou worden om andere verbrijzelden en gebrokenen van hart te troosten met den troost, dien hij zelf in zijn druk had ontvangen. Want wie het oprecht meent, maar nog niet is, waar hij wezen moet, is een bizonder voorwerp van 's Heeren trouw, liefde en tucht, zooals wij dit aan het slot van ons hoofdstuk nog nader zien. Wij kunnen daaruit reeds nu leeren, dat, zoo de Heere ons verootmoedigt, ja, als in het stof terneerdrukt, zulks ons niet moet bevreemden, want de Heere handelt zoo met ons uit louter liefde en trouw, gelijk ook David sprak : .,door Uw verootmoedigingen hebt Gij mij groot gemaakt" (11 Sam. 22 : 36) en : „Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw inzettingen leerde. De wet Uws monds is mij beter, dan duizenden van goud of zilver. Uw handen hebben mij gemaakt en bereid ; maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden leere. Die U vreezen zullen mij aanzien en zich verblijden, omdat ik op Uw Woord gehoopt heb. Ik weet, Heere ! dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn, en dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hetït" (Ps. IIQ : 71—75).
De tweede discipel, die hier na Petrus genoemd wordt, is Thomas. Johannes stelt hem naast Petrus, want ook zijn zonde van twijfel en ongeloof was weggenomen. Johannes noemt hem : „Didymus" of tweeling, want in hem, zooals in ieder geloovige, is er een tweelings-natuur, zooals Paulus in Rom. 7 : 26 die beschrijft: „Zoo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de Wet Gods, maar met het vleesch de wet der zonde".
De derde discipel was Nathanaël, dat is hetzelfde woord als Theodoor en beteekent: Gods gave. Nathanaël was van Kana in Galilea en van hem had de Heere gezegd : „Zie waarlijk een Israëliet, in welken geen bedrog is". Dat wil niet zeggen, dat hij iemand was, waarop, om zoo te zeggen, niets aan te merken was, want zulke menschen zijn er niet, maar het beteekent, dat hij zich voor God en menschen gaf, zóóals hij was ; dat hij uitsprak, wat hij voelde en dacht.
De 4e en 5e discipelen waren de zonen van Zebedeüs: Jacobus en Johannes. Johannes de Evangelist verzwijgt hier zijn eigen naam en den naam van zijn broeder Jacobus ; hij wil met zijn eigen naam den schoonen naam „Jezus" niet in het licht staan, en dat mag de naam van zijn broeder evenmin. Hij heeft er echter een vermaak in, den naam van hun vader op den voorgrond te plaatsen : Zebedeüs, dat beteekent: „milde gever", want met vreugde gaf hij zijn kinderen over tot den dienst des Heeren Jezus, ofschoon hij een bejaard man was en deze twee zonen zijn steun in dit aardsche leven en bij zijn handwerk waren. De Heere beloonde hem echter daarvoor met een wonderbaar rijke vischvangst, en zoo was zijn huis van den Heere rijk gezegend, en het woord werd aan hem vervuld : „Welgelukzalig is de man, die den Heere vreest, die grooten lust heeft in Zijn geboden, in zijn huis zal have en rijkdom zijn, en zijn zaad za' geweldig zijn op de aarde". De Heere gaf aan de twee zonen van Zebedeüs den bijnaam van „Boanerges", dat beduidt: „zonen des donders".
Deze discipelen en nog twee ongenoemden wachtten op de openbaring van den Heere Jezus, den Heiland, Die hen uit de benauwdheid in de ruimte zet. Maar de Heere Jezus vertoefde te komen. En zij waren nog niet vervuld met den Heiligen Geest, om van Hem te getuigen voor de wereld. Men kan voor zichzelven gelooven, maar om voor een vijandige wereld van Christus te getuigen, daartoe is men nog niet in staat.
Intusschen hadden de discipelen gebrek aan brood. En honger is een scherp zwaard. De discipelen gingen nu niet rond om te bedelen, zij werden geen menschenvisschers op eigen gezag, zij liggen niet loom en lui in hun huizen te slapen, zeggen niet: wij hebben een andere, een hoogere roeping en dus mogen en moeten onze geestverwanten en geloofsgenooten ons een tijdlang aan de kost en verder levensonderhoud helpen, maar eerlijk en vlijtig nemen zij, op Oods zegen hopend, hun beroep weder op, ten einde niemand lastig behoeven te vallen en ook iets te hebben om den nooddruftigen mede te deelen. Zij toonen alzoo in de vreeze Gods te gedenken aan het Woord des Heeren : „in het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten" en zoo arbeiden zij met hun eigen handen. De discipelen schrijven den Heere niet eigenwillig den weg voor, waarin Hij hen aan de kost moet helpen, maar blijven stil en eenvoudig in den weg van hun alledaagsch beroep en handwerk. Zij stelden ook bij hun dagelijksch werk hun hoop op den levenden Ood en Diens zegen en togen welgemoed en vroolijk aan den arbeid.
Simon Petrus zeide : „Ik ga visschen". Dit was zijn vroeger beroep, en dit nam hij weder op. Hij schaamt zich zijn eerlijk beroep niet. De andere discipelen zeiden: „Wij gaan met u". De meesten van hen waren immers ook visschers geweest. Welk een kostelijk en broederlijk samengaan bij zooveel verschil van inborst en karakter! Wie had dat bewerkt? Dat was wederom de vrucht van 's Heeren gebed : „opdat zij één mogen zijn" ; dat was de vrucht van het gebed van Hem, Die het zoo koninklijk verstaat, de verst uiteenloopende karakters tot één doel te vereenigen, tot één voornemen, tot één daad.
„Zij gingen uit en traden terstond in het schip. Maar in dien nacht vingen zij niets". Dit was zeer teleurstellend, wat moesten zij nu eten ? Zoolang de Heere Jezus bij hen geweest was, hadden zij geen gebrek geleden. En daar Hij nu opgestaan was van de dooden, beginnen zij gebrek te lijden ! Hoe komt dat? Heeft de Heere hen verlaten? De mensch hier op aarde moet toch te eten hebben. Zoo kwam dan weder de aanvechting en nood over hen. De morgenstond brak aan ; hoe dikwijls hadden zij het net uitgeworpen, maar nog altijd tevergeefs.
Waarom vingen zij niets ? Waarom gelukt het ons dikwijls niet ? Omdat Hij Zich wil openbaren in Zijn gansche macht en heerlijkheid, daarom had Hij eiken visch geboden niet in het uitgeworpen net te komen. Hij is echter op den weg en Zijn doorboorde voeten spoeden zi h ter uwer hulp, o Zion ! dat denkt: „de Heere heeft mij begeven en de Heere heeft mij verlaten". En wie helpt zóó, als Hij ? Neen, nochtans is er loon voor uw arbeid, en uw bloed, uw lijden, uw tranen, ze zijn door Hem niet vergeten. Hij vinde ons echter, als Hij komt, op de rechte plaats, en dat was voor deze visschers hun schip, bij hun netten.
Toen het morgenstond geworden was, zagen de discipelen een man aan den oever. Zij wisten niet, wie het was. Hij roept hun vriendelijk toe : „Kinderkens! hebt gij niet eenige toespijs?" Zoo noemde men den visch, dien men bij het brood at. Hij roept hun toe, alsof Hij hun vader was en zij nog geheel jonge kinderen waren.
Maar Hij vraagt hen, alsof Hij honger had en alsof zij Hem toespijs moesten geven. De Heere vraagt niet veel, slechts „eenige toespijs". Hij wil ons brengen tot de kennis, dat wij niels hebben. Ziet daar de wijze, waarop de Heere handelt. Hoe dwaas is het toch, dat wij zoo blind zijn, en er ons niet van harte over verheugen, dat Hij alles voor ons wil zijn. Want omdat Hij alles voor ons wil zijn, richt Hij zulke vragen tot ons, opdat onze oogen op Hem zouden zijn temidden van alles, wat ons nood veroorzaakt en voor het oogenblik terneerdrukt. Hij doet ons zulke vragen, omdat Hij ons alles rijkelijk wil verleenen. Als Hij ons dus temidden onzer angst en benauwdheid aantreft en ons zoo vriendelijk vraagt: hebt gij werkelijk niets gevangen ?, dan behoorden wij vroolijk en getroost te antwoorden : ja Heere ! wij hebben U, en als wij U hebben, vragen wij naar hemel noch naar aarde, en o, hoe spoedig zouden wij ervaren en begrijpen: Hij zal ons vervullen uit de volheid Zijner schatkameren, en ons oog zou gesloten zijn voor alle armoede en gebrek naar lichaam en ziel.
Zoo handelt de Heere met ons Als wij in nood en aanvechting zijn, komt Hij tot ons als een mensch, die misschien in nog grooteren nood verkeert, en vraagt, of wij Hem niet te eten kunnen geven en vertroosten. Komt Hij niet dikwijls in de gestalte van een armen, behoeftigen mensch tot ons en wij kennen Hem niet ? En toch kwam de Heere tot ons, dat ons hart begint te branden. Want Hij grijpt het hart aan met het woord : „Kinderkens !" Indien wij Hem niet kennen, zoo kent Hij toch ons. De discipelen antwoordden : „Neen ! wij hebben niets". Tot zulk een „neen" moet het ook met ons, arme menschenkinderen, komen en welgelukzalig de oprechten van hart, die het van Hem leeren uit te roepen: „ach, Heere Jezus ! ik heb niets". Wij moeten het in elk opzicht in de ervaringen des levens leeren verstaan, wat de Heere bedoelt, als Hij zegt: „zonder Mij kunt gij niets doen". Wanneer wij daaronder verbroken worden, dan zal de Heere ons ook geven te ervaren en het ook met onzen wandel te bevestigen, wat Paulus zeide: „ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft". Maar nog eens, de kinderen Gods, die in nood en aanvechting zijn, hebben werkelijk niets, ze zijn zelf zoo behoeftig. Wel u, wanneer gij dan maar oprecht zijt, zonder bedrog, en zegt: ik heb niets, ik ben zelf zoo behoeftig. Maar er zijn velen, die dat voor de grootste schande achten niets te hebben, vooral in geestelijk opzicht, zij roemen hun geloof, hun liefde, hun vroomheid, hun goede werken, en als het er op aankomt, hebben zij niets. De Heere Jezus toont nu, dat Hij rijk is in
De Heere Jezus toont nu, dat Hij rijk is in ontferming, om den verlorene te redden. Hij zeide : „Werpt het net aan de rechterzijde van het schip, en gij zult vinden". Hoe dikwijls hadden zij het niet uitgeworpen ! Hoe kan de Heere het hun nog eens zeggen ? Omdat Hij de Zoon des menschen is, aan Wien alles onderworpen is, ook de visschen der zee. Wij lezen in Ps. 8:7: „Gij doet Hem, den Zoon des menschen, heerschen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder Zijn voeten gezet,... vs Q: het gevogelte des hemels, en de visschen der zee, hetgeen de paden der zeeën doorwandelt". Deze macht en heerlijkheid gebruikt de Heere om Zijn kinderkens, die gebrek hebben, te voeden. Daar, aan de rechterzijde heeft Hij een menigte visschen vergaderd. De discipelen behoefden niet naar een andere plaats te varen. Dit is Zijn Vaderlijke barmhartigheid, die in al hun behoeften voorziet, ook in de uitwendige, zoodat men brood en toespijs genoeg krijgt en nog veel overhoudt. „De discipelen wierpen het net uit en zij konden het niet meer trekken vanwege de menigte der visschen". Nu was hun nood voorbij. En de discipelen vraagden zich af, wie het toch mocht zijn, die hen zoo geholpen had. De discipel dan, welken Jezus liefhad, zeide tot Petrus: „Het is de Heere", hij heeft Hem herkend aan Zijn woord : „Kinderkens" en aan die almachtige barmhartigheid.
Hoe lang staat de Heere aan den oever, in onze nabijheid, terwijl wij met stormen en met allerlei nood en gebrek te worstelen hebben ! En wij herkennen Hem niet, ofschoon Hij ons door Zijn Woord toeroept. Eindelijk is het hart verootmoedigd, wanneer wij geen heil van ons werken en ons doen verwachten en ons aan Hem overgeven. Dan herkennen wij Hem in Zijn barmhartigheid ! Nu klonk de stem ook in het hart van Petrus: „Het is de Heere". Zoodra hij het van Johannes gehoord had, geloofde hij het ook, en hij omgordde zich met zijn opperkleed, want om beter te kunnen werken had hij het afgelegd. Dit is een teeken, dat hij nu niet meer behoefde
Dit is een teeken, dat hij nu niet meer behoefde te werken, maar den Heere te aanbidden. En hij wierp zich in de zee om des te sneller bij den Heere te zijn. Zoozeer werd hij tot Hem getrokken. Waardoor worden wij méér tot den Heere getrokken, dan doordat Hij Zich in Zijn liefde en barmhartigheid aan ons, verlorenen, openbaart ? Dan vallen die banden van dit moeten doen en dat moeten doen van ons af, en wij kunnen niet 92 snel genoeg tot den Heere komen om Hem te roemen en dank te zeggen, dat Hij ons verlost heeft. Simon Petrus had daartoe bizondere oorzaak, omdat hij zich geheel zondaar en den Heere onwaardig gevoelde.
De andere discipelen kwamen nu ook met het scheepke en sleepten het net met de visschen. Zij waren niet ver van het land, slechts omtrent 200 ellen. Zij konden niet allen doen zooals Petrus, want wat zou er dan van het schip en de netten zijn terechtgekomen ? Maar zij zullen wel allen den Heere hebben gedankt.
Maar nu was dit niet de eenige weldaad, die de Heere hun bewees. Hij wilde ook met hen verkeeren. Zij zagen een kolenvuur liggen en visch daarop liggen om te braden en brood. Ook beval hun de Heere: „Brengt van de visschen, die gij nu gevangen hebt". En Simon Petrus stond op, en trok het net op het land, vol groote visschen, tot 153, en hoewel er zoovele waren, zoo scheurde het net niet. Dit was ook een wonder. Daarna zeide de Heere Jezus : „Komt herwaarts, houdt het middagmaal". Wie weet, of zij 's avonds te voren wel iets gebruikt hadden I Zóó voorzag dan de Heere geheel in hunne behoefte. Toen kwam Hij, nam het brood en gaf het hun en de visch desgelijks. Toen de Heere hen tot het middagmaal noodigde, wisten zij allen, wie Hij was; niemand vraagde Hem : „wie zijt Gij ?" Zij herkenden Hem aan Zijn woorden en aan Zijn daden, en zoo werd hun hart van nieuws overtuigd, dat Hij alles in Zijn macht had, en dat Hij Zijn macht uitoefende, om de Zijnen te voeden, te versterken en in al hun nood te voorzien, gelijk Hij gezegd heeft: „Mij is gegeven alle macht in den hemel en op de aarde". Wanneer zij dan uitgingen om menschen te vangen, moesten zij om hun spijze niet bekommerd zijn, de Heere zal daarin voorzien.
In het bizonder wil de Heere ook de geestelijke spijze Zijner discipelen zijn. Het is opmerkelijk, dat er maar visch en brood genoemd wordt. Dit is een heenwijzing, dat Christus voor onzen geest de eenige spijze is, die ons voedt, en dat zij ons waarachtig voedt. Waar zullen wij heengaan, wanneer wij, afgetobd van onzen arbeid, hongerig zijn naar een enkele bete broods, die onze ziel laaft? De Heere Jezus kan ons alleen spijzigen met Zijn wonderbaar Woord, dat onze zonden uitdelgt en Zich onzer ontfermt, ofschoon wij Hem met onze zonden en ongeloof getergd hebben.
II
Laat ons nu nog eenige algemeene opmerkingen aan de overdenking van deze openbaring des Heeren Jezus toevoegen. Wij hebben reeds in het begin er op gewezen,
Wij hebben reeds in het begin er op gewezen, dat de Heere Jezus Zich na Zijn opstanding geopenbaard heeft om Zijn discipelen vast in het geloof te maken, dat zij in Hem hunne gerechtigheid en het leven hebben. De openbaring des Heeren bij het meer van Tiberias is nu bizonder geschikt om ons te doen zien, wat Hij in Joh. 14 gezegd heeft: „In dien dag zult gij bekennen, dat Ik in Mijn Vader ben, en gij in Mij en Ik in u". Want toen de Heere het wonder van de menigte der visschen verrichtte, was toen niet Zijn Vader, de almachtige Schepper des hemels en der aarde, in Hem ? En wanneer Hij Zijn discipelen noemde: „Kinderkens" en Hij hun aanwees, wat zij doen moesten, was dit niet de ontferming des Vaders, die zich in den Zoon openbaart ? En tevens, waren zij niet in Hem, lagen hun namen niet gegraveerd in Zijn hart,om hen uit al hun nood te redden? Is het niet datgene, wat de Heere bij Jer. 31 : 20 zeide : „Is niet Efraïm Mij een dierbare zoon, is hij Mij niet een troetelkind ? want sinds Ik tot hem gesproken heb, denk Ik nog ernstig aan hem ; daarom rommelt Mijn ingewand over hem ; Ik zal Mij zijner zekerlijk ontfermen, spreekt de Heere". In Zijn liefde waren Zijn discipelen in Hem. En daar Hij hun deze Zijn liefde bewijst, verwekt Hij ook hun liefde jegens Hem, zoodat Hij kon zeggen : „en Ik in u". Want Simon Petrus kon niet nalaten door het water heen tot Hem te komen. Ingelijks kenden Hem ook alle discipelen. En toen Hij hun brood en visch uitdeelde, hadden zij toen niet met Hem gemeenschap ? Daarom droegen zij ook veel vrucht. De eersteling daarvan is de dankbaarheid. En zoo zouden zij later nog meer vrucht dragen in de getuigenis, dat door Hem Gods genade geopenbaard is. Daarin wordt dan ook de Vader van onzen Heere Jezus Christus verheerlijkt. En waar zij Hem in dankbaarheid liefhadden, is het daar niet openbaar, dat zij door den Vader geliefd werden, en dat de Vader en de Zoon woning bij hen maakten, om in den Oeest altijd bij hen ;e blijven ?
Zo is dan hetgeen de Heere Jezus gedaan heeft aan Zijn discipelen de openbaring Zijner liefde, en deze bracht voort, dat zij Hem liefhadden en Zijn geboden bewaarden. En dit zijn Zijn geboden: dat zij alleen in Hem hun heil, hun gerechtigheid en het leven zagen, en dat zij dit alles niet meer zagen in de werken der Joodsche en Farizeesche vroomheid. Want dit is een zwaar stuk, om in Christus alléén ons heil te zien. Heeft niet Paulus tot de Galaten gezegd, dat hij arbeidt, opdat Christus een gestalte in hen zou verkrijgen ; dat zij echter alleen voor de leus Christenen werden, wanneer zij in hun hart op hun eigen werk vertrouwden" (Gal. 4: IQ). Daarom wordt ook ons het Evangelie verkondigd, opdat wij niet meer op ons/elven zouden vertrouwen, maar veeleer ons wegwerpen als tot niets deugend, en dat Christus ons eenig heil zij. O, dat kost ons een harden strijd, die ons leven lang duurt, dat wij Christus kennen als onzen eenigen Heiland. Hij laat het dan daarbij niet, dat wij slechts Zijn Woord hooren.
Bij den een en ander is allerlei nood en bekominernis gekomen, en hij heeft dikwijls vruchteloos en zonder zegen moeten werken, en hij heeft ook dikwijls als in den nacht gearbeid, of hij het heil kon verkrijgen. Maar de Heere heeft hem alles afgesneden. Dan is Hij Zelf gekomen en heeft hem gered uit zijn bitteren nood.
Zoo alleen komen wij tot Christus en zullen wij ondervinden, dat het louter genade is, dat wij behouden worden, en dat het geenszins ons eigen werk is. Daarom vraag ik u : „hebt gij afstand gedaan van uw eigen werk, of leeft gij er nog in ?" Wie er nog in leeft, leeft niet in den Heere Jezus en is dood. Maar zijt gij verloren en heeft u Jezus gevonden, dan zult gij Hem kennen, en Hij kent u, en Hij en de Vader zullen bij u wonen. AMEN.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 9 juni 1951
Kerkblaadje | 8 Pagina's