De prediking van Kohlbrugge,
De gebeurtenis van 2Q Juni 1856 is waard om na honderd jaar herdacht te worden. Nu na een eeuw is Dr Kohibrugge bijna elke zondag op iedere kansel van de Hervormde Kerk. Een paar jaar geleden zeide Ds Wolfensberger, de vroegere praeses der Synode, tot mij: Wij vrienden van Kohibrugge komen in de mode ; dat is het ergste wat er met Kohibrugge gebeuren kon. Hier is wel waarheid in. Maar toch mogen wij onze dankbaarheid niet onderdrukken. Het Herderlijk Schrijven der Synode over Christen-zijn in de moderne samenleving is bijvoorbeeld zonder de prediking van Kohibrugge gewoon ondenkbaar. Nu is mij verzocht heden te spreken over de Prediking van Kohibrugge. Ik vat dit zó op dat ik zal spreken over die prediking, die hij töèn gehouden heeft, nu precies honderd jaar geleden op deze zelfde kansel. Niet alleen omdat anders het onderwerp voor één avond te omvattend is. Maar ook omdat déze preek over Genesis 3 de héle en de echte Kohibrugge geeft. Al had ge nooit een woord van hem gelezen of gehoord, in déze preek hebt ge hem ten voeten uit. Ik geloof niet, dat dit toevallig kan zijn. Kohibrugge had hier voor het eerst de kans in de Hervormde Kerk te spreken en hij kon niet weten, of dit niet tegelijk de allerlaatste keer zou zijn. Daarom gaf hij zijn hele leer, samengevat in één preek. En het is hierom, dat ik — gevraagd om over de prediking van Kohibrugge te spreken — de keus kon doen om over déze preek te spreken. Wie deze kent, kent ze om zo te zeggen allemaal. Wegaan eerst de omstandigheden van die prediking samen na. Het was een avonddienst. Des morgens had de pastor loei, een der predikanten van Vianen zelf de dienst vervuld en Kohibrugge was bij hem ter kerk geweest. De mensen waren de kerk binnengestroomd, terwijl de voorlezer heel Genesis 3 voorlas. „Terwijl gij de een na den ander in de kerk kwaamt, zo zegt hij, las uw eerwaarde Voorlezer het derde kapittel van het Boek Genesis. Gij hebt het geheel of ten deele gehoord". Ik lees in deze woorden een klacht. Zulk een gewoonte was ook kort gezegd goddeloos. Dr Kohibrugge verzuimde dan ook niet bij het begin van zijn preek tot de gemeente te zeggen : „Terwijl wij verzoeken dat een ieder, die een Bijbel voor zich heeft, bij de behandeling het geschreven woord naga, overwegen wij de volgende stukken". Dit was trouwens zijn gewoonte, ook in Elberfeld, om daarop aan te dringen, dat de mensen met een bijbel gewapend in de kerk zouden komen. En als ze dan hem aanzagen, zeide hij zo terloops en vol humor: Ge moet mij niet aankijken, ge moet in het Boek kijken, want niet van mij, maar uit het Boek moet het vandaan komen. De preek zelf is verschrikkelijk lang, 58 zeer
De preek zelf is verschrikkelijk lang, 58 zeer 124 grote bladzijden met een heel kleine letter gedrukt. Al is het waar, dat op het titelblad staat: „Later opgeschreven en uitvoeriger bewerkt", het kan toch niet zo heel veel korter zijn geweest, toen hij de preek uitsprak. En er is zó oneindig veel in samengeperst, dat wij de aandacht en de vatbaarheid van de gemeente bewonderen moeten; wat een geweldige bijbelkennis kon Kohibrugge toen nog bij zijn gehoor veronderstellen ! Nu is er niet een tiende deel meer van over. Zó hebben wij het na honderd jaren gemaakt. Het is beschamend. Opmerking verdient voorts, dat Kohibrugge begint met een gezang te laten zingen en wel: Evangelisch Gezang nr 42, vers 3 en 4. Het is geen mooi gezang, in onze nieuwe bundel ontbreekt het gelukkig. Maar het is de moeite waard er de aandacht op te vestigen, omdat latere „Kohlbruggiaanse" dominees het gezang, da't over Jezus' offer spreekt, dikwijls lieten vallen en 50 jaar later iemand, die met een gezang de dienst begon, voor driekwart vrijzinnig werd versleten. Als ik dan nu tot de beschouwing van de preek
Als ik dan nu tot de beschouwing van de preek zelf overga, wil ik beginnen met enige algemene opmerkingen.
Eerst dit: dat hij het uit de bijbel zelf putte van a tot z. De gemeente moest, zoals reeds gezegd, de open bijbel vóór zich hebben. Want de prediker hield haar aanstonds voor: „Wie een Christen wil zijn en geen Mahomedaan of ander ongeloovige, bewijze dit allereerst daarmede, dat hij Gods Woord geheel voor Gods Woord houde". Dit is een der scherpste trekken van Kohlbrugge's boodschap zijn ganse leven lang. En wat ons vooral ook in deze preek opvalt is de ontzaglijke kennis van de grondtalen der Schrift en de nauwkeurigheid, waarmee hij de tekst gelezen blijkt te hebben. Zó b.v. als hij nagaat, dat de slang naar het Hebreeuws „arom" wordt genoemd, listig, maar eigenlijk : kaal en naakt en arm ; of wanneer hij er op wijst dat in dit hele hoofdstuk God niet maar God genoemd wordt, maar: „de Heere God" en wat dat voor de gemeente te betekenen heeft; of wanneer hij volhoudt, dat het gehele eeuwige Evangelie in de vloekwoorden tot de slang totaal tot de slang alleen gezegd is ; en wederom wanneer hij een klemtoon gelegd wil zien op het woordje : Tóén in vers 22 : „Tóén zeide de Heere God : Ziet, de mens is geworden als onzer één, kennende het goed en het kwaad", want als we dèèrop de nadruk laten vallen is het niet moeilijk meer te verstaan, dat de Heere God ernstig meende wat Hij sprak. Ik houd op met voorbeelden aan te voeren voor de uitlegkundige nauwkeurigheid, die in ai Kohlbrugge's werk aan het licht komt, en ook in deze prediking telkens treft.
Ten tweede valt ons op dat, vooral in de inleiding tot de preek, zo bevindelijk gesproken wordt. Hij vermeldt, dat de pastor loei ook 's morgens de gemeente toegeroepen heeft: „Wij hebben antwoord te geven op de gewichtige vraag: Heb ook ik daar deel aan, is het ook voor mij, voor mij ? al hel a.idete is, ijdelheid". Maar zelf gebruikt hij de woorden : ondervinding en ondervindelijk niet minder dan tienmaal in de inleiding alleen al. Ja, Kohlbrugge's prediking is bevindelijk en persoonlijk, op de man af. Niet alsof hij voor de fout van het onderwerpelijke bezweken is, zoals een geleerde, die op zijn prediking promoveerde — Dr van Lonkhuyzen — hem later heeft nagegeven. Hij preekt niet subjectief in die verwerpelijke zin, dat alle heil alleen vastgelegd wordt en het anker alleen uitgeworpen wordt binnen in de gevoelens der eigen ziel. Hij predikt juist omgekeerd zó voorwerpelijk, zó objectief het heil alleen buiten onszelf, in Jezus Christus, dat de ziekelijke bevindelijkheid zich aan hem tot de huidige dag toe geërgerd heeft. Maar bij Kohlbrugge blijkt, dat de ware objectiviteit de ware subjectiviteit tengevolge heeft, m.a w. dat wie buiten zichzelf in Christus alleen alle vastigheid zoekt, de echte ondervindelijke zekerheid in zijn hart ontvangen zal. Het meest voorwerpelijke stempel der prediking, zoals men het bij niemand anders vinden zal, is de waarborg voor de volle onderwerpelijkheid en bevindelijkheid. Zó wordt het in deze preek te Vianen uit de stukken duidelijk.
Ten derde: de preek is van het begin tot het einde toepassing. Die wordt er niet op het eind aan vastgeknoopt, maar die is er zodra hij zijn mond opendoet. Wij worden hier midden in het leven gezet. Het eerste woord van de prediking luidt: „De Heilige Geest boekstaaft geen geschiedenis als geschiedenis, maar opdat wij er onze geschiedenis in lezen en erkennen", leder moet het verhaal van Genesis zó lezen dat hij „Adam uit het Paradijs zet en zichzelven er in plaatst". Hij spreekt de gehuwden aan, de mannen en de vrouwen afzonderlijk ieder op hun eigen zonden, de jonge mannen en de jonge meisjes apart, de rentmeesters en de ambtenaren, de kruideniers, de dienstmeisjes, de monniken, de regenten van het weeshuis, hij spreekt zeer in het bijzonder telkens weer de kinderen in de kerk aan met verhaaltjes en voorbeelden, die zij kunnen begrijpen. Van kinderen die weglopen als ze kwaad hebben gedaan en niet begrijpen, dat die man met die stok in zijn handen hen niet achterna zit om ze te slaan, maar hun juist iets goeds wil geven, of van kinderen, die iets hebben gebroken en dan zeggen : mijn zusje heeft mij gestoten of: de hond sprong tegen mij op, daardoor kwam het dat het stuk ging. In het kort: het is toepassing van meet af aan en gedurig door alles heen.
Wij willen thans de voornaamste punten van de preek op de rij af nagaan. Er zijn zeven punten in deze preek, niet drie, maar zeven. Kohlbrugge verlaat dikwijls de sleur der gewoonte. De tekst zelf zal uitwijzen, hoeveel punten, en öf er zelfs wel punten zullen zijn. Dit keer heeft hij er niet minder dan zeven nodig.
Punt 1.
Dit handelt over: Des mensen diepe val en moedwillige overtreding. En het omvat vers 1 tot 7 van Genesis 3.
Hier rijst aanstonds de vraag bij het gesprek lussen de slang in de boom en de vrouw van Adam, of die slang werkelijk spreken kon. Kohlbrugge vindt, dat de slang niet behoefde te kunnen spreken. De duivel kon het en bediende zich van de slang, die alleen maar een arm en glad, naakt dier was, maar op zichzelf niets boosaardigs had, om tot de vrouw te spreken. Op dat spreken van de duivel komt het aan en op zijn toeleg om met zijn vragen de eenvoudigheid van het blijven in Gods gebod te ondermijnen en Gods Woord op losse schroeven te zetten.
Wij hebben hier bij het eerste punt der prediking reeds één der voornaamste kenmerken van Kohlbrugge's boodschap voor ogen : de vreugde aan de Thora, de Wet, of beter: het heilig Onderricht Gods. „In Gods gebod ligt ons leven, ons geheele
„In Gods gebod ligt ons leven, ons geheele leven, met allen overvloed van tijdelijke en eeuwige gelukzaligheid".
De zonde daarentegen is dat Eva „zich het gebod uit de hand liet spelen, en vergat dat daarin al haar heil lag". Het is de begeerte om boven het gebod Gods te staan, om „meer te willen bezitten dan wij hebben bij het bewaren van Gods gebod". In Gods gebod te blijven zou te onnozel, te eenvoudig wezen. „Gij kunt toch niet altijd zoo onnoozel blijven, zoo onder de plak gehouden worden. Gij kunt niet altijd kind blijven". Aldus spreekt de duivel.
En zó is de vreugde der Wet, de simchat thora verdwenen, en wat overblijft is alleen vrees voor de straf. Déze overmoed nu is — naar Kohlbrugge's kenmerkende taal: „de greep in het pek der hel, dat ons niet van de hand gaat, totdat de 'wormen ze verteren". „En de tak van den boom der goddeloosheid, dien wij met 's duivels hulp plantten, geeselt ons ons leven lang".
Dit nu houdt Kohlbrugge altijd vol. Het staat volgens hem bij alle godgeleerden van naam vast, dat de eerste drie hoofdstukken van Genesis de gehele Schrift behelzen, dat de profeten en apostelen door den Geest daaruit de gehele leer der zaligheid gehaald hebben en op het daarin vervatte telkens weer terugkomen. Zijn vader had hem trouwens als kind reeds geleerd : de vijf boeken van Mozes, jongen, als je die goed kent, dan ken je eigenlijk de ganse waarheid van het Evangelie.
Het is dit wat mij persoonlijk via Kohlbrugge tot Israël gebracht heeft. De Joden hebben immers diezelfde liefde tot de Thora, tot de vijf boeken van Mozes. De schoolkinderen in Israël lezen allemaal elke dag op school in de bijbel, maar de vijf boeken van Mozes hebben zij als een klein boekje in kartonnen kaft altijd bij zich In hun schooltas. In de synagoge zijn trouwens déze
boeken van de bijbel op allerlei manier veel hoger gewaardeerd dan de rest vap liet „Oude Testament". De Joden hebben weliswaar een ijver tot God zonder verstand, zoals Paulus zegt, maar het is dan toch maar een ijver tot God en wel tot zijn gebod.
Kohlbrugge is hier altijd vol van. Zijn hele prediking draait steeds om de vraag, niet: hoe kom ik in de hemel?, maar: hoe houd ik de Wet? hoe wandel ik in Gods wegen hier op aarde ? Hij gaat dus van dezelfde grondvraag uit als Israël, maar hij geeft het antwoord alleen in Christus. Deze grondvraag vergeet Kohlbrugge nimmer. Mijn moeder vroeg mij laatst: Is het waar, dat Kohlbrugge gezegd heeft, dat je zelfs om een spijker tot God mag bidden ? Ik heb gezegd : ja, maar u moet er op letten, dat hij er dan bij voegt: Wij mogen bij God aanhouden om een spijker of een speld, indien wij maar in Zijn wegen gaan.
Indien wij maar in Zijn wegen gaan ... Dit is van Kohlbrugge's prediking het begin en het eind. Alle misverstanden van zijn theologie rijzen hieruit op, dat men niet ziet, hoe bij Kohlbrugge de liefde tot het heilig gebod Gods de sleutel is tot zijn ganse denken. Nooit vergat hij wat hij hier van Eva zegt: „Zij vergat dat het geluk haars levens in het houden van Gods gebod en de dood in de overtreding van dat gebod zat, en dacht dat het in den boom zat".
Punt 2.
Dit gaat over Oods opzoekende liefde. Kohlbrugge begint met te zeggen dat dit zoeken een vroeg zoeken is. God is altijd de eerste. Zoals een vrouw elke dag vroeger opstond om de zon te zien opgaan over de bergen, maar de zon stond altijd reeds te stralen wanneer ze wakker werd, zó is God altijd de eerste. Een mens had vroeger moeten opstaan, als hij de boodschap van de genade had willen bedenken. De stem Gods was er al, wandelende in de hof, toen Adam en Eva voor het eerst gewaar werden dat ze naakt waren.
En die liefde Gods zet door. Ondanks de angst van de mens en ondanks zijn valse schaamte — net als kleine kinderen, zegt Kohlbrugge — zet God Zijn liefde door. „Adam, waar zijt gij? zegt de Heere. De Heere God deed toen niet anders, dan Hij nog doet. Hij arresteert met Zijn Woord". Dit is het tweede punt der prediking. God in alles de eerste. Van óns is er niets bij. Onze liefde tot God is op zijn best slechts een antwoord-liefde.
En wat die mens dan doet, komt nu in Punt 3 ter sprake: Het heilig gebod en des mensen onvatbaarheid voor hetzelve.
Die mens wil wel allerlei zonden bekennen, ook zelf nog wel dat hij geheel en al zondaar is, en zonde is van de hoofdschedel af tot de voetzool toe, maar niet die éne zonde, waar het in het speciale geval om gaat. „Gij noemt duizend zon- den om de eene hoofdzonde te bedekken, en zoO' die aan de hand te houden". „Wordt men er metterdaad niet op betrapt, men zal alle zonden hebben, maar omtrent die ééne zonde, zoolang men ze verborgen waant, zijn onschuld zoeken te handhaven". Dè zonde moet echter beleden, de bepaalde zonde. „Want dat is de weldaad van Gods Wet, van het heilig gebod, dat de kwaat wordt opengelegd, waaraan de mens bloedt". Dit is de korte inhoud van Punt 3. Het gaat om het heel concrete, om de existentie zelf, zoals men het tegenwoordig zegt. Ook dit is een der hoofdpunten van Kohlbrugge's prediking. Geen algemene dogmatische vaagheid, 'maar verantwoording van mijn staan tegenover God, hier en nu. Met iets anders dan het hier en nu heb ik op dit ogenblik niet te maken. Elke vrome algemene taal over „onze algehele verdorvenheid en verlorenheid" is maar een uitvlucht. God betrapt een zondaar op heterdaad en arresteert hem hier en nü.
Dan volgt Punt 4, waarin de hoofdzaak van de hele preek staat te lezen. De titel luidt : Het eeuwig Evangelie, en het behandelt de twee verzen van het zogenaamde protevangelie, het allereerste evangelie uit de bijbel. Genesis 3 : 14 en 15. De verkondiging van Christus als het Zaad der vrouw, dat de slang de kop zal vermorzelen, terwijl Hemzelf de verzenen, de hielpees vermorzeld wordt. Maèr dit evangelie begint — Kohlbrugge legt er sterk de nadruk op — met de verkondiging van vijandschap tussen de duivel en de mens. Het is niet enkel zo als in het verhaal van die oude doorgeleide vrome, die een jong-bekeerde gelukwenste met het woord : Welkom in de strijd, broeder. Maar de bekering zelf is reeds de vijandschap van de duivel. Daar begint het mee. Het is strijd van het begin af aan.
Daarom zegt Kohlbrugge hier ook : „De woorden : «Ik zal vijandschap zetten», bevatten alles in zich wat de apostelen «heiligmaking des Geestes» noemen". Alle geestelijk leven kan men samenvatten onder dat éne hoofd : strijd der heiligmaking. Daar is Kohlbrugge altijd mee bezig. Het is eenvoudig een leugen wat men hem heeft nagegeven, dat in zijn prediking de heiligmaking te kort zou komen. Het omgekeerde is waar: dat hij eigenlijk nooit ergens anders over bezig is. In de inleiding tot de preek had hij al gezegd : dat de mens „ondervindelijke kennis moet bekomen van deze drie stukken : de hoegrootheid zijner zonde en ellende, — het hoe zijner verlossing van al zijn zonde en ellende, — en hoe het gelegen is met het leven des geloofs en der heiligmaking of met de waarachtige dankbaarheid". Wat wij noemen het derde stuk, namelijk van de Catechismus, omvat dus volgens Kohlbrugge alles wat over het geloof en de heiligmaking te zeggen zou zijn; het stuk der dankbaarheid omvat dat alles in énen. Want dat is voor Kohlbrugge feitelijk hetzelfde. Om die reden legt hij er ook zo de nadruk op, dat lieel dat protevangelie in één adem gezegd is tot de slang en tot de slang alleen. Het gaat nog helemaal buiten ons om. De allereerste Christus-boodschap wordt tot de slang en niet tot de mens gesproken, opdat wij goed zouden weten, ^at óns geloof en alles wat er bij ons van binnen omgaat, al onze dierbare geestelijke overleggingen, in geen enkel opzicht de oorzaak zijn van ons heil.
Alles in Christus, alles buiten ons. Want ook het geloof is geen oorzaak van onze zaligheid. Het is veeleer zó dat „de mens van honger en kommer der ziele wel gelooven móét, en worstelt om te gelooven, waar hij onmogelijk gelooven kèn". Hij kan het niet geloven, en toch kan hij niets anders dan het geloven. Er is geen uitweg, en geen keus, en toch: er is geen andere uitweg en geen andere keus. Door dat nauwe gaatje kan hij niet heenkruipen en toch moet hij er doorheen kruipen, want er is geen ander gaatje. Het onmogelijke wordt mogelijk. Maar het blijft een onmogelijke mogelijkheid, zoals in onze dagen Karl Barth het heeft uitgedrukt. Dit nu, ditzelfde, is de heiligmaking zelf. Want Christus is alles in énen. En zó komt de Wet aan haar trekken, tot haar recht. Zó wordt „het recht der Wet vervuld".
In Punt 5 en 6 spreekt hij verder over dat wezen des geloofs zelf, die onmogelijke mogelijkheid. Het is (Punt 5) enkel De Vaderlijke Kastijding, die een mens brengt op Oolgotha en bij het kruis. Anders zou hij er wel nooit komen. En A^/^e/oo/ en de aan hetzelve toegerekende rechtvaardigheid (Punt 6) is niet een zien. Te zien viel er bij Adam niets, alleen maar dat hij stof was en tot stof zou wederkeren. Te zien was alleen het: Midden in het leven zijn wij door den dood omvangen. Maar temidden van deze eerste begrafenis-liturgie
Maar temidden van deze eerste begrafenis-liturgie — om het zo te noemen — spreekt Adam nochtans zijn geloof uit, als hij zijn vrouw Eva noemt: leven, of: de levende; want zij tou de moeder van alle levenden worden.
Zo is het dus een zaak des geloofs. Des geloofs zelf. Niet een zaak van ht\ praten over het geloof. Adam zégt niet, dat hij gelooft. Het geloof ziet zichzelf niet en heeft geen aandacht voor zichzelf. Er wordt den mens trouwens geen tijd toe gelaten, diep over dat geloof te mediteren en er een hele theologie aan op te hangen. Want het geloof is onmiddellijk op het existentiële betrokken, op de concrete dingen van het ogenblik zelf. Hier op het huwelijk van deze mens en van deze vrouw ; hij is met haar medeërfgenaam van de genade des levens, niet omgekeerd dus. Adam die gelooft, handelt daarom als een.die zelf overschiet. Hij ziet zijn vrouw aan als degene, in wier zaad het leven, en het recht ten leven en de erfenis des levens ook voor hém is. Zo brengt het geloof mee dat de huwelijksknoop opnieuw gelegd wordt. Buiten deze concrete dingen bestaat het geloof überhaupt niet. Het is op het huwelijk betrokken en op alles wat vaadadg maar voor onze ogen en op onze weg komt. Het geloof heeft te maken met de concrete dingen van vandaag en op déze plaats. Het praat niet over zichzelf. Het beschouwt zichzelf niet. Maar het handelt ogenblikkelijk, zodra het wordt geboren in de situatie van de mens op dat ogenblik. Het is levensnoodzaak. Het is er — op eens — net als de schreeuw van het kind op het moment zelf, dat het geboren is.
Dit geloof nu — het is weinig aanwijsbaar, zodat je het niet eens in de hand kunt nemen en er naar kijken —, dit geloof nu, dat hij zijn vrouw Eva noemt: het leven of: de levende, in plaats van, wanneer hij niet geloofd had, haar de dood te noemen —, dit geloof nu wordt den mens tot gerechtigheid gerekend. Ood bedekt dan ook Adam en zijn vrouw met rokken van vellen. Hij bedekt ons en onze zonden tegelijk. En dan is er geen letter meer in de bijbel over die schorten van vijgebladeren, die ze voor zichzelf gemaakt hadden. „Die waren afgevallen, of afgeplukt en verscheurd door den mensch zelf". Het doet er niets meer toe, waar die vijgeblaren gebleven waren : ze zijn weg, dat is genoeg.
En nu is de weg vrij tot Punt 7: Het leven des geloofs, of, hoe het met de voortzetting der heiligmaking en met de waarachtige dankbaarheid gelegen is.
Nu de heiligmaking dus, die met geloof en dankbaarheid één geheel uitmaakt, en daarvan, en ook van de rechtvaardigmaking, wél in ons begrip, maar nooit in het léven te onderscheiden is. Die heiligmaking bestaat daarin, dat wij „als Christus zijn", want Ood had gezegd : „als onzer één". Wij dragen het beeld des hemelsen, gelijk wij het beeld des aardsen gedragen hebben. Maar daartoe moet nu eerst Adam uit het Paradijs weg, anders kon hij niet in het geloof alleen blijven bestaan, anders zou er in die hof der heerlijkheid toch telkens weer geweest zijn een zoeken van eigen heiligheid en volmaaktheid, een nemen van het leven in eigen hand. Daarom moet Adam uitgedreven, en die uitdrijving z^//is genade. God beschermt hem tegen zichzelf. Heiligmaking kan alleen buiten het Paradijs gebeuren. Vandaar dat er die Cherub staat, waarin het Woord, Christus Zelf is afgebeeld. Hij hanteert het vlammend zwaard der Wet om ons af te schrikken en tegen te houden, opdat wij in het genadeverbond, in het gelóóf-alleen blijven. Kohlbrugge is doodsbang voor het zien der geestelijke dingen. Het geloven-zonder-zien moet tot iedere prijs gehandhaafd blijven. Daarom geen Paradijs meer op aarde. En geen zichtbare heerschappij van Christus in deze wereld. Dan zou er iets te zien komen en dat mag niet, want de mens zal door het geloof alleen leven, en dat is het tegendeel van zien. Het is pal tegen het zichtbare en regelrecht tegen de schijn van het tegendeel in. En hier is voor wie goed verstaan kan reeds opgesloten, hoe Kohlbrugge over de leer der laatste dingen denken moet. Persoonlijk volg ik hem hierin niet. Hij kan enkel nog maar in beeldspraak gewagen van een nieuw, herwonnen Paradijs. En dat doet hij dan ook aan het slot der preek. Hij herinnert dan aan het antwoord van Jezus aan de mens, die mede gekruisigd is: „Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn". En dan vervolgt Kohlbrugge: „Dat antwoord geeftstervenstroost, en — nog een weinig geduld, lieve ziel, — al worden de beenderen ook verbroken, — de laatste slag, — de laatste snik, — en Adam is binnen eer hij het weet — hij is er, en hij had niet gedacht, dat hij er komen zou". Om dan daarna zijn prediking te besluiten met de zaligspreking: „Zalig zijn zij, die de geboden doen — (de geboden doen, hoort ge Kohlbrugge tof hef laatst toe ?) — die de geboden doen van Hem, die is de Alpha en de Omega, opdat hun macht zij aan den boom des levens en zij door de poorten mogen ingaan in de stad". En hier zegt Kohlbrugge : Amen.
En onze dankbare harten herhalen de echo van dat Amen.
Toespraak, gehouden te Vianen op Zaterdag 30 Juni 1956.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 14 juli 1956
Kerkblaadje | 8 Pagina's