De Oecumene
De oecumene als werkelijkheid in het heden
Het begrip oecumene magi als bekend worden verondersteld. Het duidt op de Kerk over de gehele wereld verbreid. Wanneer Petrus zijn Meester, Jezus van Nazareth, belijdt als de Christus, de Zoon van de levende God, dan spreekt Deze hem. zalig, als om hem te betuigen dat in hem de Kerk presente werkelijkheid is. Hij onderstreept dat door Zijn woord: „Op deze petra zal Ik Mijn Ekklesia, Mijn Kerk, Mijn Gemeente, bouwen". Waar ook ter wereld deze belijdenis klinkt als het loflied van de discipel, die anders niet zou weten, hoe rust voor zijn ziel te vinden, ontmoet men de Kerk van Christus. Er is onder de hemel geen andere naam dan die van Jezus Christus aan de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden. De Geloofsbelijdenis van Nicea spreekt met nadruk van één heilige, algemene en apostolische Kerk, als om aan te geven, dat het geloof in de drieënige God, die in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, geen andere dan deze éne ongedeelde Kerk veronderstellen kan. De Nederlandse Geloofsbelijdenis getuigt van „een enige katholieke of algemene Kerk, dewelke is een heilige vergadering der ware Christ-gelovigen". Sinds dat genadevolle ogenblik bij Caesaréa
Sinds dat genadevolle ogenblik bij Caesaréa Philippi, waarop het Petrus in het hart gegeven werd zijn Heiland te belijden, door Wie deze belijdenis aanvaard werd als de vertrouwensvolle overgave van een mens, die zich alleen bij Hem geborgen weet, mag er bij ons geen twijfel over bestaan, wat de Kerk is. Christus heeft het ons, als zovele andere dingen, geleerd. Aan niets anders denken wij, wanneer we spreken over de oecumene in het heden.
De Wereldraad van Kerken
Er is dus geen sprake van dat de oecumene, zoals wij haar op grond van Schrift en belijdenis mogen zien, nog om verwezenlijking vraagt. Iets anders is echter, of die oecumene zich in de wereld ook werkelijk als eenheid in Christus openbaart. Waar mensen aan het werk zijn, treden zo licht tegenstellingen op. Dat leert ons reeds de geschiedenis van het oudste christendom. Paulus waarschuwt de ge- .neente te Corinthe tegen scheuringen. Zijn eigen naam en die van Apollos, van Cephas en •^elfs die van Christus worden daar misbruikt om het eigen geestelijke merk van wat men daar in verschillende kringen onder het ware ;hristen-zijn verstaat, aan te duiden. Paulus voelt zich geroepen daartegenover stelling te aemen en met zijn „Is Christus gedeeld?" deze verabsolutering van het eigen geloofsdenken '•-e veroordelen.
De geschiedenis van het christendom is sindsdien een geschiedenis van geestelijke verdeeldheid. Dit geeft haar ongetwijfeld een boeiend karakter. Ook mag niet ontkend worden, dat de vraag naar duidelijkheid zich telkens weer opdrong en prikkelde tot een zich grondig rekenschap geven van wat men eigenlijk geloofde. Anderzijds echter blijft het betreurenswaardig, dat het veelal autonome (onafhankelijke) denken een hinderpaal bleek om elkaar in Christus te leren kennen. Ja men kwam er zelfs toe elkaar in Christus' naam te verdoemen. Kerken en sekten gingen een eigen leven leiden, zich weinig om elkaar bekommerend, en aanvaardden deze situatie tenslotte als normaal en vanzelfsprekend. Als men zich maar in eigen kring geestelijk thuis voelde! Een gedwongen overgaan naar een andere kerk werd in het algemeen ervaren als een zich begeven in geestelijke ballingschap.
Nu is er gelukkig ook een geschiedenis van de oecumenische beweging. Het is ondoenlijk thans in details te treden. We mogen in ieder geval stellen, dat er de eeuwen door een oecumenisch streven is geweest. Zeer sterk treedt dat streven aan de dag in onze eeuw van integratie op alle gebied. De wereld van vandaag met haar heugenis aan twee wereldoorlogen en een zich bedreigd voelen door een zo mogelijk nog grotere wereldbrand, deze wereld met haar acute ideologische, politieke, sociale en racistische spanningen, die zich telkens weer in explosies ontladen, is krampachtig uit op toenadering en samenwerking om uit de impasse te geraken en voor de toekomst vrede, veiligheid en een menswaardig bestaan te waarborgen. Men is zich zeer wel bewust, dat men elkaar niet kan blijven afstoten. Maar men zoekt de oplossing nog te veel in de vorming van machtsblokken, omdat men elkaar niet vertrouwt en dus meent zich tegenover elkaar te moeten beveiligen.
Dat de kerken zich gedrongen voelen het hunne bij te dragen om het welzijn van de wereld te bevorderen, laat zich verstaan. In de naam van Hem, die hun aller Hoofd en Heer is, willen zij getuigen van verzoening, gerechtigheid en vrede, juist die evangelische waarden, welke zij allereerst in zichzelf tot gelding zullen moeten brengen om zich de naam van kerken waardig te maken. Dat betekent voor hen, dat zij niet aan hun eigen integratie mogen gaan werken, omdat de tijdgeest dat nu eenmaal met zich brengt. Zij dienen te handelen uit een hoger motief. Zo vaak worden uit Christus' Hogepriesterlijk gebed de woorden aangehaald: „opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt". Ernst maken met deze bede heft het streven naar de éénwording der kerken ver uit boven het opportunisme, dat aan zovele andere integratiepogingen in onze tijd ten grondslag ligt. Dit streven behoort zich altijd en overal te openbaren. Door Christus Zelf is aan de kerken de nood opgelegd. Deze zouden hun roeping tegenover de wereld niet naar behoren kunnen vervullen, indien zij in gebreke bleven elkaar in Christus te erkennen en daarin hun eenheid te beleven.
In dat licht zullen we dan ook de oprichting van de Wereldraad van Kerken in 1948 te Amsterdam hebben te bezien. Deze Raad verklaarde toen te willen zijn „een broederschap van kerken die onze Heer Jezus Christus als God en Heiland aanvaarden". Dat was al heel wat gewonnen. Er was althans een broederschap van kerken, wel niet van alle kerken, maar dan toch van verschillende kerken in het leven geroepen. Het toen uiterst bereikbare scheen daarmee bereikt. Toch was niet alles goud wat zo blonk. De basisformule, die reeds bij vroegere oecumenische pogingen dienst had gedaan, voldeed eigenlijk niet. Er was namelijk te veel mogelijkheid opengelaten voor een eigen uitlegging van „het aanvaarden van Jezus Christus als God en Heiland". Men kon er verschillende kanten mee uit. Stephen Neill schrijft: „Ten slotte zegevierde voorzichtig overleg. Men nam een zeer ongevaarlijke resolutie aan, . . ." 1). Ongevaarlijk, maar niet bevredigend! Men dient immers tegenover elkaar te weten, waar men aan toe is. Op de vergadering te New Delhi in 1961 ech
Op de vergadering te New Delhi in 1961 echter onderging de basisformule een uitbreiding, die inderdaad een verbetering was te achten. Daar stelde men vast: „De Wereldraad van Kerken is een gemeenschap van kerken, dia de Heer Jezus Christus overeenkomstig de Heilige Schrift als God en Heiland belijden 3n daarom gemeenschappelijk in vervulling trachten te brengen datgene waartoe zij geroepen zijn tot eer van God de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest". Laat ons hierbij op twee dingen goed letten:
Laat ons hierbij op twee dingen goed letten: 1. het „overeenkomstig de Heilige Schrift" noopt tot een voortdurend zich oriënteren naar de Schrift; 2. de belijdenis van Jezus Christus als God en Heiland vloeit blijkens de verdere uitbreiding van de basisformule kennelijk voort uit het geloof in de drieënige God. Met minder kan de oecumene het niet stellen om waarlijk oecumene, d.i. Kerk van Jezus Christus, te zijn.
De oecumene en de protestantse kerken
De Wereldraad heeft, aldus dr. H. van der Linde, „allereerst de vernieuwing van de hele Kerk van Christus op het oog". Het klinkt goed reformatorisch, wanneer hij daarbij de nadruk legt op het „ernstige geloofsgesprek van de Kerken met elkaar rondom de Heilige Schrift" en op het gezamenlijke gebed „dat nog meer gemeenschappelijk licht moge doorbreken over de vraag wat de volle en zuivere inhoud is van Gods openbaring" 2). We hebben geen reden om aan te nemen, dat dr. Van der Linde na zijn overgang naar de rooms-katholieke kerk daar anders over is gaan denken, maar menen toch wel in aanmerking te moeten nemen, dat voor de r.k. kerk de volle en zuivere inhouc van Gods openbaring eigenlijk geen probleem is. Voor haar valt er met aan te tornen dal ZIJ er reeds over beschikt in haar leer. In haai ogen kan dan ook een ernstig geloofsgesprek rondom de Heilige Schrift slechts leiden to'. een toegroeien naar Rome. We komen daai straks op terug.
Het gaat thans om het gesprek tussen de protestantse^ kerken onderging. Men hoort 'trouwens meer dan eens de opmerking maken: la ten eerst de protestanten het onder elkaar eeiis zien te worden, voordat zij met Rome beginnen. Al te gemakkelijk beschouwen we in he, algemeen de kerkelijke gescheidenheid al.- een gegeven, waarmee we nu eenmaa leven moeten; we zijn er bij opgegroeid en ei mee vertrouwd. Op de meesten onzer maak. het niet zoveel indruk dat Karl Barth vei klaart: „Ik begrijp niet waarom er in Nedei land twee grote reformatorische kerken nc • dig zijn!
Vóór men zich werkelijk met Rome zou wi • len verstaan, moest men eerst maar liever or • derling als gereformeerden en protestante (Barth bedoelt natuurlijk „hervormden", K. meer tot eenheid komen. Waarom zouden bi„ • voorbeeld Berkouwer en Miskotte niet in éé kerk kunnen zitten?
Maar ik weet het wel, en misschien mag i. het wel zeggen: wanneer er drie Hollander, bijeen zijn, kan men zeggen, stichten ze twéc kerken" 3).
De kerkelijke situatie in Nederland, waarto, ik me wel moet beperken, is daarmee zee juist getypeerd. De verzuiling, teweeggebracl door geestelijke tegenstellingen in de negen tiende eeuw, begunstigd bovendien door hc voor de Nederlandse volksaard zo kenmerkeisde individualisme, heeft doorgewerkt op pol - tiek, sociaal en cultureel terrein, als om ö zaak eerst recht ingewikkeld te maken. Voo al sinds de laatste wereldoorlog begon me.i daar echter genoeg van te krijgen. Men za% er het nut niet meer van in, mede of misschien wel voornamelijk doordat nieiuwe tegenstellingen de oude kwamen doorkruisen, waardo< men zich voor geheel andere problemen da vroeger gesteld zag. De situatie is onoverzic} - telijk geworden. Voeg daarbij de lauwheid e • de toenemende onkerkelijkheid, de devaluerin-' van geestelijke waarden bij de massa en de daat - mee gepaard gaande gerichtheid op ideologieëx^ (begrippenstelsels), waarvan het zeer te bezien staat, of ze wel met christendom te rijmen zijn, dan laat het zich verstaan dat ernstigdenkenden zich verontrust gevoelen.
Wanneer wij op al deze dingen letten, dan valt het voor ons eigenlijk niet eens mee voor de oecumene te gaan ijveren. Deze moet immers haar draagvlak hebben in de kerken, waartoe wij protestanten van zoveel verschillende denommaties behoren. Wanneer in die kerken zelf zoveel te wensen overlaat, hoe zullen we daar dan een behoorlijke oecumene op baseren? Ik ben het geheel eens met „Nieuw Land", dat vernieuwing als voorwaarde voor de eenwording stelt. Daar wordt natuurlijk niet mee bedoeld, dat we het met allerlei nieuwigheden zullen moeten proberen. Er wordt al genoeg geëxperimenteerd. Straks zal ook wel veel als niet doelmatig weer worden uitgeschift, waarmee nog geen kwaad woord over het experiment op zich gezegd behoeft te zijn. Waar het thans echter om gaat is, dat wat men doet in de kerk zijn eigenUjke motief behoort te vinden in een vernieuwing, die de kerk niet van zichzelf kan creëren, maar die zij als mogelijkheid kan en zal moeten aangrijpen. Ik citeer: „Vernieuwing van onze kerken houdt in, dat de heiligheid van Jezus Christus opnieuw te voorschijn zal komen. Men zal het aan ons gewaar moeten worden, dat Hij de heilige Gods is, die nee zegt tegen wat strijdt met de heilswil Gods en ja tegen wat God voor zijn mensen is en doet en gedaan wil hebben" 4). Wat geldt voor de verhouding tussen gerefor
Wat geldt voor de verhouding tussen gereforneerden en hervormden, geldt natuurlijk ook voor die tussen alle protestantse kerken in Nederland. Vernieuwing door heiliging is nodig om te komen tot een aanvaarden van elkander, tot een wezenlijke broederschap. We raken hier wel aan een zeer moeilijk punt. Want wanneer wij samen gaan praten rondom de Heilige Schrift, dan blijken er maar al te vaak ernstige meningsverschillen onder ons te bestaan, niet alleen wat betreft de schriftbeschouwing in het algemeen, maar in het bijzonder met betrekking tot Hem, van Wie de Schrift getuigt. De s'raag „Wat dunkt u van de Christus?" herinnert ons telkens weer aan het skandalon (erf^ernis, aanstoot). In de eerste eeuwen van het christendom is de kerk over deze vraag in een ^ware strijd gewikkeld geweest. Zij heeft tenslotte haar antwoord vastgelegd in een christologisch dogma. Maar wat blijkt nu? Onder pro- 'estanten heerst daarover nog steeds grote onenigheid, terwijl het gesprek tussen echt relormatorisch-gezinden en rooms-katholieken op .iit punt op hoegenaamd geen moeilijkheden ^tuit. Beiden onderschrijven het Apostolicum en de Geloofsbelijdenis van Nicea. Dat is niet alleen verheugend, maar verplicht ons zelfs tot een gesprek met Rome.
De oecumene en de roomskatholieke kerk
We hebben het dus weer over Rome. Ik citeer nu uit het Kerkblaadje: „In de kerk van Rome kraakt het overal. Zij is m erger krisis dan ooit ons protestantisme was. Waar gaat dat heen? Ten dode? Ten leven? Geen, die het zeggen kan! Wel zien wij, dat de nood van de tijd en de nood van de kerk allen, die zich naar Christus noemen, dichter bij elkander drijft. Dat is ook dichter bij Christus. Hij is het hoofd der kerk. Haar hoofd en haar stem. „Roma locuta est, causa finita". „Rome heeft gesproken, de zaak is beslist". Zal het worden: Christus spreekt, en Hij beslist? Noordmans zag in de geest de pauselijke stoel te Rome onbezet. Dat is een negatieve werkelijkheid. Maar wat zal de positieve zijn? Wij weten het niet. We weten alleen, dat Christus een eeuwig Koning is, die niet zonder onderdanen kan zijn. En in Hem is de ware heiligheid. Die was eens werkelijkheid te Corinthe, niet door de Corinthiërs, maar door Hem" 5).
Wat we hier lezen is, in weerwil van de geschetste hachelijke situatie waarin de r.k. kerk verkeert, toch nog moedgevend. Immers: Christus is een eeuwig Koning, die niet zonder onderdanen kan zijn. In Hem is ook de ware heiligheid. Hij deelt die mede aan allen die in Zijn naam geloven. Met een vrijmoedigheid, die wij niet van onszelf bezitten, maar als een gave van Christus in ons hart mogen meedragen, spreken wij het uit dat de Kerk — en wij met haar als haar leden — heilig is. Het verwondert me niets, dat „Nieuw Land" het oog gericht houdt op de heiligheid van Christus. „Heilig hen in Uw waarheid", heeft Christus voor de zijnen gebeden. Hij voegde daaraan toe: „Uw woord is de waarheid". Woord, waarheid en heiligheid zijn nauw samenhangende begrippen.
Er is in de r.k. kerk een hartstochtelijk streven naar vernieuwing op gang gekomen. Wezenlijke vernieuwing kan ook daar slechts die tot heiligheid zijn. Een door rooms-katholieken gaarne gebezigde aanduiding voor Christus' kerk op aarde is „Gods volk onderweg". Een vergelijking met Israël, door de woestijn op weg naar het beloofde land, ligt voor de hand. Dit volk was naar afkomst en geboorte uit het land der Kanaanieten (Ez. 16 : 3), maar God ging onder ede een verbond ermee aan (Ez. 16 : 8). Een menigte van allerlei slag was meegetrokken (Ex. 12 : 38), waaronder zelfs een samenraapsel, dat met gulzig begeren vervuld werd (Num. 11 : 4), maar God hield hen in Zijn verkiezende liefde bijeen en maakte hun Zijn woorden, inzettingen en verordeningen bekend. Wanneer wij ons nu allen tezamen als Gods volk onderweg willen beschouwen, dan zullen wij ook tezamen moeten optrekken, hen verdragend die ons geestelijk niet liggen, want ook zij delen in Gods verkiezende liefde, en daarbij dan bovenal bedenken dat wij ons hebben te stellen onder Gods woorden, inzettingen en verordeningen, om aldus te beantwoorden aan onze bestemming „een heilige natie, een volk Gode ten eigendom" (1 Petr. 2 : 9) te zijn.
Zolang we ons nu als Gods volk onderweg beschouwen, liggen de dingen betrekkelijk eenvoudig. Zodra we echter gaan spreken over de kerk als institutaire gemeenschap, stuiten we op barrières. Een kerk kenmerkt zich immers door een eigen structuur, een eigen leefklimaat en een eigen dogma, die de toenadering ernstig kunnen belemmeren. Daarvan zijn we ons sterk bewust tegenover de rooms-katholieken.
De eeuwenlange vervreemding van elkaar heeft haar stempel gedrukt op ons kerkelijk en politiek denken. Tegenover het pausdom met zijn machtsaanspraken en in de traditie wortelend leergezag en tegenover de roomse geloofspraktijk met haar hang naar magie stonden wij ten enenmale afwijzend en doen dat nog. Een en ander blijkt nu aan het veranderen. We zijn wat milder tegenover elkaar komen te staan. De r.k. kerk zelf is in beweging gekomen. Progressieve groepen, die met veel traditie wensen te breken, zijn op drift geraakt. Er is onder hen een zekere toenadering tot het protestantisme merkbaar. We vragen ons echter af: tot welk protestantisme? Protestantisme is een ruim en vaag begrip geworden. Tenslotte: waar zal het conflict dat op het ogenbhk in de r.k. kerk zoveel deining veroorzaakt, op uitlopen? Wie zullen het winnen, de progressieven of de conservatieven? Of zal het lot een synthese komen? En wat zal er dan voor de oecumene in zitten? Maar in geen geval mag het gesprek met Rome worden afgebroken. Daarbij zal het dan vóór alles moeten gaan om duidelijkheid. Want het moet komen vast te staan, in hoeverre de scheiding nog langer verantwoord is. Want er spruiten moeilijkheden uit voort en men heeft er hoe langer hoe minder vrede mee. Rome zou intussen Rome niet zijn, als het zélf
Rome zou intussen Rome niet zijn, als het zélf de scheiding verantwoord achtte. Het heeft daarvoor zijn speciale reden, die zozeer verankerd ligt in het eigen kerkbegrip, dat het ontrouw zou worden aan zichzelf, indien het die niet langer liet gelden. Rudolf Ehrlich bespreekt in zijn boek „Rome tegenstander of metgezel" de opvatting van Joseph Klein, dat debatteren met roomse theologen eigenlijk' zinloos is. Uiteindelijk zien dezen hun kerk als „het door God gewilde bastion der onfeilbare waarheid" en haar leergezag als „de laatste mstantie van appèl" 6). Wordt in het Nieuwe Testament Christus ons gepredikt als het „skan-dalon": Hij is „een steen des aanstoots en een rots der ergernis" (Rom. 9 : 33), die gesteld IS tot een val en opstanding van velen in Israël (Luc. 2 : 34), voor de rooms-katholiek ii dat „skandalon" de representatie van de eeuwig levende Christus in de zichtbare kerk. Op grond hiervan meent Rome zijn aanspraak op het absolute gezag van zijn onfeilbare leer te kunnen doen gelden. De ergernis en dwaa^ heid van het kruis worden hierbij gesteld in de schaduw van een leer, waarin het aan de kerk toevertrouwde geloof {depositum fidei) op formule is gebracht en onder controle van mensen staat. Voor Luther, die slechts kon zwichten voor het evangelische skandalon, was deze absoluutheid in deze zin een aanstoot, dat hij haar onmogelijk met een goed geweten kor aanvaarden en daarmee zijn breuk met Rome als onherstelbaar beschouwde. De conciliebe sluiten van Trente en de pauselijke uitspraker ex cathedra hebben de tegenstelling eer toegespitst dan verzacht. Bij alle waardering, di^ Rome tegenwoordig voor Luther opbrengt, za het hem dan ook niet heilig kunnen verklaren. Daarvoor hebben Rome en Luther elkaar tt goed begrepen.
Wanneer we met Rome van gedachten wisse len, kunnen wij zaken als het pauselijk pri maatschap, de Trentse rechtvaardigingsleer ei' de mariologie niet buiten beschouwing laten Rome zal hiervan niets kunnen terugnemer Wel zal het er een uitlegging aan kunnen geven, die wat meer aangepast is bij het huidige theologische denken. Ja het kan zelfs hetgeen het op genoemde punten leert op een andere wijze dan voorheen in de kerk laten func tioneren. Maar het zal voet bij stuk moetei houden om zichzelf niet te verloochenen.
De protestant, die voor zich de Schrift allee' wil laten spreken, zal veel in Rome moeten af wijzen. Hij maakt scheiding tussen Schrift P'"- traditie en beschouwt de laatste niet als gezaghebbend. Rome daarentegen maakt slechionderscheid tussen Schrift en tra ditie, en kent aan de laatste als voortzettin;, van de schriftopenbaring evenveel gezag tot als aan de Schrift zelf. Dat maakt het gespre'- moeilijk. Het behoeft echter niet zinloos U zijn. We kunnen zelfs nog van elkaar lerer Joseph Klein noemt het d eb at teren met roomse theologen zinloos. En daarin zou hij wel eens gelijk kunnen hebben.
Oecumenisch perspectief
Er wordt in onze tijd nogal wat oecumene bedreven. Rooms-katholieken, gereformeerden on hervormden vinden elkaar daarin, zij het dsn nog slechts op plaatselijk niveau. Men viert gf^zamenlijk eucharistie en avondmaal, doopt oecumenisch en zegent gemengde huwelijken oecumenisch in. Voor zover mij bekend, kan de predikant daarbij op evenveel soepelheid bij df* priester rekenen als hijzelf bereid is op te bren-gen, met dien verstande dat de oudere pastoor in de regel wat voorzichtiger is dan de vooruitstrevende jonge kapelaan. De vraag is nu: zijn we hiermee op weg naar de eenheid? Betekenen deze diensten een werkelijke vernieuwing? Mijn bedoeling is niet een domper te zetten op wat met toewijding en meestal na zorgvuldig overleg ondernomen wordt. Maar het betreft hier sacramentele handelingen, waar de respectievelijke geloofsgemeenschappen achter behoren te staan, willen zij werkelijk oecumenisch heten. En daar blijken die geloofsgemeenschappen om begrijpelijke redenen nog niet aan toe te zijn.
Zit er oecumenisch perspectief in, wanneer wij zoveel mogelijk samen doen? Perspectief betekent verschiet, vergezicht. De kerkorde spreekt in artikel 10 van een zich strekken naar de toekomst van Jezus Christus. Wij leven toe naar aen nieuwe en betere werkelijkheid, welke voor ons oecumenisch besef geen andere kan zijn dan de openbaring van de Una Sancta. En nu moeten wij vooral niet doen alsof. Het zal pas goed zijn, wanneer de heiligheid van Jezus Christus opnieuw te voorschijn komt 7). Dat betekent van onze kant: vernieuwing. Of liever: bekering!
Prof. Haitjema ziet een ontzaglijk grote distantie tussen de empirische Ned. Herv. Kerk en de Una Sancta. „Deze Hervormde Kerk, zoals zij empirisch thans onder ons volk verschijnt, kan •loogstens op weg heten naar dit openbaring- 'iijn van deze éne, heilige, katholieke, christe- 'ijke Kerk. Zij i s nog geen openbaring van de- '.e Una Sancta als geloof sob j eet. Zij moet iet nog worden" 8). Hij voegt daaraan oe: „Dat zulk een Nederl. Hervormde Kerk, \Is Christusbelijdende geloofsgemeenschap, .deelneemt aan de oecumenische arbeid in Nelerland en in de wereld" (K. XXV-1), spreekt 'an zelf. Sloot zij zich daarvan af, dan zou zij al heel weinig als „openbaring van de ene heiige katholieke of algemene christelijke Kerk"' dtkomen" 9).
R.k. theologen nemen een geheel ander standpunt in. Prof. Van de Pol heeft dat al heel duideiijk en ondubbelzinnig onder woorden gebracht. Hij acht de Una Sancta „zichtbaar, aanwijsbaar en kenbaar door haar gemeenschap met St. Petrus en diens opvolgers op de Stoel van Rome". Volgens hem bereikt Gods openbaring in Christus ons niet alleen door het Woord, zoals de reformatie het stelt, maar op een andere wijze ook door de kerk van Rome, die de openbaring in het heden actualiseert. De schriftipenbaring zet zich naar het algemeen r.k. gevoelen in de kerk van Rome voort. De 16-de feuwse reformatie is daarmee als beweging buiten de Una Sancta hier en nu veroordeeld. Zijn conclusie kan slechts zijn: „Daarom is voor iedere christen de volheid van het christen-zijn en van het geloof alleen mogelijk binnen de Kerk van Rome omdat alleen deze kerk de ene katholiek© en apostolische kerk is zoals «Christus deze heeft gesticht. Hereniging van christenen kan dan ook nooit iets anders betekenen dan terugkeer tot de volle gemeenschap met de Kerk van Rome" 10).
De standpunten lopen wel zeer uiteen. Toch wanhopen wij niet. Wat bij mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God. Eenmaal zal de Una Sancta in volle heerlijkheid aan ons geopenbaard worden. Want Hij, die op de troon gezeten is, zeide: Zie, Ik maak alle dingen nieuw (Openb. 21 : 5).
1) Stephen Neill, De groei der oecumenische beweging, Utrerht-Antwerpen 1962. biz 148v. 2) Prof. dr. I. Waterink e.a., Cultuurgeschiedenis van
2) Prof. dr. I. Waterink e.a., Cultuurgeschiedenis van het Christendom, II, Amsterdam-Brussel 1957, hl?. 1860v. Hierin : Dr. H van der Linde, De oecumenische beweging (bIz. 1846-1890). 212
3) Drs. G. Puchinger, Gesprekken over Rome-Reformatie, Delft z.j., blz. 228v. Zie ook achterzijde omslag van De Achttien, Nieuw Land, Amsterdam 1965.
4) Nieuw Land, blz. 140.
5) Kerkblaadje, LX. 7 (4 april 1969), blz. 55. Geciteerd uit: Ds. W. A. Hoek, Heiligheid en Coelibaat.
6) Rudolf J Rhrlich, Rome tefjensfander of metgezel Utrecht z. j , blz. 177. Ehrlich verwijst naar : Joseph Klein| Skandalon um das Wesen des Katholizismus. Tubingen 1958, p. Vl-Vll. ^
7) Zie voetnoot 4.
8) Prof. dr. Th. L. Haitjema, Nederlands Hervormd Kerkrecht, Niikerk 1951, bl7. 113v.
9) Haitjema, t.a.p., blz. 11.5.
10) Prof. dr. W. H. van de Pol, Het einde van het conventionele christendom, Roermond-Maaseik 1967, blz. 346v. De r.k. theoloog Michael Schmaus citeert in zijn artikel „Het ene christendom en de vele kerken" (Hans Urs von Balthasar e.a., Brandpunten van de hedendaagse theologie, Amsterdam 1962, blz. 184—206) met instemming de protestant Skydsgaard : „Wanneer Rome beweert, dat de eenheid van de Kerk geen voor ons liggend doel is, maar iets, dat in de rooms-katholieke Kerk zelf reeds grijpbaar is geworden, omdat deze alleen de heilige, katholieke Kerk is en daarom alleen de Kerk van Jezus Christus, en wanneer zij verder beweert, dat een ware hereniging slechts in deze vorm kan geschieden, dat de andere kerken zich weer voegen binnen haar eenheid, dan is dat van haar kant geen uitdrukking van een soort geestelijk imperialisme, maar uitdrukking van een bijzondere voorstelling over het wezen van de Kerk en haar eenheid" (Brandpunten, blz.204)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 december 1969
Kerkblaadje | 20 Pagina's