De nood der prediking *)
WIJ plegen zo gemakkelijk over de prediking te spreken Zij is voor ons een duidelijke en vanzelfsprekende zaak het Evangelie m het openbaar verkondigen
Daartegenover wil ik nu met nadruk stellen, dat de prediking een verborgenheid is, die vanuit de mens en zijn vermogens niet begrepen kan worden Zij is het werk van Christus en van de Heilige Geest Denkt U maar aan vraag en antwoord 65 van de Heidelberger Catechismus „Vanwaar komt zulk geloof? Van den Heiligen Geest, die het geloof in onze harten werkt door de verkondiging des heiligen Evangelies " Daarom is de prediking op het allernauwste verbonden met de opstanding van Christus en de uitstorting van de Heilige Geest Wat zou ZIJ zijn zonder de levende Christus en het werk van Zijn Geest"? Prediking is tegenwoordigheid de tegenwoordigheid van Christus door de Heilige Geest Is dat geen heilige verborgenheid "^ Wij lezen m I Timotheus 3 16 , Buiten elke twijfel, groot is het geheimenis der godzaligheid die geopenbaard is m het vlees gerechtvaardigd door den Geest, verschenen aan de engelen, is verkondigd onder de heidenen, en geloofd m de wereld". In die tekst IS de prediking opgenomen m de reeks der grote heilsdaden Gods
Om nu de verborgenheid van de prediking zo mm mogelijk te laten ontwijden door het heerszuchtig verstand, dat zo vaak de theologie overheerst, willen WIJ over de prediking spreken, zoals ZIJ vanuit het Nieuwe Testament tot ons komt Ik neem daartoe mijn uitgangspunt m Johannes 20 19—23, omdat daar de prediking als het werk van Christus en van de Heilige Geest m het middelpunt staat Hoe wij daar dan bij betrokken worden, zal vanzelf wel duidelijk worden
Zoals altijd m het Evangelie van Johannes, worden ook m dit gedeelte de historische en locale bijzonderheden naar de achtergiond verschoven Slechts wat geestelijk belangrijk is, wordt vermeld Wij worden niet afgeleid door details, maar onmiddellijk gericht op het wezenlijke Gods werk'
Zo begint dit Schriftgedeelte „En als het dan avond was op dien eersten dag der week, en als de deuren gesloten waren, waar de discipelen vergaderd waren, om de vreze der Joden " Met die woorden is de situatie van de discipelen getekend vóór en aleer er nog prediking is Zij zijn op die zondag naar het graf van de Here Jezus geweest en hebben dat leeg gevonden Zij hebben op die dag ook de boodschap van Maria Magdalena gehoord, dat zij eerst twee engelen had gezien en daarna de levende Heer ontmoet, namens wie zij de discipelen ae tijding van Zijn opstanding had gebracht. Men zou toch zeggen: Wat een rijke en geze
Men zou toch zeggen: Wat een rijke en gezegenae zonaag!
Maar desalniettemin: „De deuren waren gesloten om de vreze der Joden". Ondanks al het goede van die zondag overheerste in de krmg der discipelen tocli de vrees!
MenseiijK en zielkundig gesproken was dat niet vreemd. iNa alles wat zien de laatste dagen had afgespeeld, waren de discipelen ontwricht en zat ae vrees diep in hun hart. Zij hadden de macht van de wereld ontdekt; de wereld als een wenselijkheid, die er aanspraak op maakt alles te zijn en het laatste woord te hebben. Zij hadden ae triomf van de wereld gezien over alles, wat zij door Jezus Christus als openbaring van God hadden leren kennen en liefhebben. Meedogenloos had de wereld met haar geweld hun geloof en hun verwachtingen vernietigd. En zo waren zij in de wereld achtergebleven als erbarmelijke wezen, die zich armzalig en verlaten wisten tegenover die overmacht. Wat was er over van hun geloof, hun zekerheid, hun liefde en trouw, hun aanhankelijkheidsbetuigingen? Wiets!
Nog maar kort geleden hadden zij met Christus het Avondmaal gevierd, de lofzang gezongen. Zij hadden in diepe ontroering Zijn afscheidswoorden en hogepriesterlijk gebed gehoord. Zij hadden in hun hart Petrus nagezegd: „Wij zullen U geenszins verlaten!" Wat was ervan terechtgekomen? Wie van hen was als een held, een martelaar, een geloofsgetuige staande gebleven? Zo zaten zij daar in schuldige armzaligheid en
Zo zaten zij daar in schuldige armzaligheid en geestelijke onmacht als een verslagen groepje in een overmachtige en triomfantelijke wereld. De deuren van hun hart en leven zijn door de angst toegegrendeld. Zij zijn de weerloze gevangenen van hun ongeloof, hun schuld, hun vrees, hun wanhoop.
Dat is nu de situatie van de discipelen, van de gemeente, zonder de prediking. Maar misschien zult u mij tegenwerpen: Zij hadden toch de tijding van Maria Magdalena gehoord, dat de Here Jezus was opgestaan. Zij wisten toch, dat het graf leeg was, en dat Jezus leefde. Is dat dan niet genoeg? Is dat dan geen prediking?
Hier constateren wij nu toch duidelijk, dat de prediking méér is dan een menselijk getuigenis; méér is dan een getrouwe overlevering van een historisch gebeuren, hoe werkelijkheidsgetrouw en in persoonlijke waarachtigheid en zuiverheid ook gebracht. Zulk een overlevering of getuigenis is nog niet de verborgenheid der prediking. Zulk een mededeling is niet opgewassen tegen werkelijke zielenood. Dat blijkt het duidelijkst „in de avond", als de opgedane indrukken van de dag in het hart bezinken. Dan overwint toch weer de vrees, de schuld, de huiver voor de wereld.
Neen, prediking is geen mensenwerk. Zij is een verborgenheid van méér dan menselijke afmetingen. Zij is tegenwoordigheid van God Zelf! Dat blijkt uit het vervolg van deze geschiedenis.
Wij lezen vervolgens: „En Jezus kwam, stond in het midden, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden!" Dit zijn woorden om lang en diep over na te denken, omdat zich hier het mysterie der prediking onthult.
Er staat: „Jezus kwam". Dat is de opgestane, de ten hemel varende, de verheerlijkte Christus. Hij kwam door de gesloten deuren, dat wil dus zeggen: in geest en kracht. Hij openbaarde zich aan hen in hun afgesloten leefruimte in Zijn overmachtige opstandingskracht. Hij wentelde door Zijn komst de steen van hun wereldse graf af, en opende hun aardse bestaanskerker voor de bevrijdende werkelijkheid van de genade.
Zó stond Hij in hun midden en zeide tot hen: „Vrede zij ulieden!" Als de opgestane en verheerlijkte trok Hij hen uit de innerlijke gevangenschap van hun vrees, en richt hun hart op Zijn goddelijke, geestelijke aanwezigheid. Hoe doet Hij dat? Hoe zet Hij hen over uit hun duisternis in Zijn licht? Door de woorden, die Hij tot hen spreekt: „Vrede zij ulieden!" En dat is nu de prediking. Prediking is het wonder van de tegenwoordigheid van de opgestane.
Om die verborgenheid ten volle te verstaan, moeten wij echter volle aandacht geven aan de inhoud van de woorden, waarin de Here Jezus Zijn tegenwoordigheid kenbaar maakt. Zijn prediking heeft een heel bijzonder karakter. Zij luidt namelijk niet: „Jezus leeft en is de opgestane", of: „Hij heeft de dood overwonnen". Zó luidde het getuigenis van Maria Magdalena. Maar de inhoud van Jezus' tegenwoordigheid is veel rijker, dieper en voller: „Vrede zij ulieden!"
Wij mogen niet te haastig en oppervlakkig over die woorden heenlopen. Zij behelzen een zegen, zoals niemand anders dan een priesterlijk bevolmachtigde die geven kan en mag. Zij hangen samen met een volbracht offer, waarin de verstoorde verhouding tussen God en mens verzoend en hersteld is. Er is in de hele Bijbel nooit sprake van een priesterlijke vredesgroet buiten de samenhang met het zoenoffer. Dat wil niet zeggen, dat in het oude Israël het woord „vrede" niet ook veelvuldig gebruikt werd als onderlinge begroeting. Maar die groet was dan altijd gegrond op het vooronderstelde priesterlijke offer, waarin alle volksgenoten deelden.
Dat nu de Here Jezus zich met deze vredesgroet in het midden van de discipelkring stelde, betekende, dat Hij de heilstijding van Zijn opstanding niet bracht als een historische mede-deling of een persoonlijk levensgetuigenis, maar als de zegengroet van een goddelijk bevolmachtigde priester. Hij bracht de tijding van Zijn verrijzenis als een priester, die door Zijn offerdood de verhouding tot God hersteld had. Hij bracht haar als het Evangelie der volbrachte verzoening.
Christus' tegenwoordigheid in het midden der discipelen was dus blijkens die woorden de boodschap der herstelde Godsverhouding. Zijn aanwezigheid was de openbaring van de vergeving, de genade, de liefde Gods. Zij was „vrede in het bloed des kruises" (Col. 1 : 20). Dat deze uitleg dier woorden geen overlading van hun betekenis is, blijkt uit wat er op volgt: „En na dit gezegd te hebben, toonde Hij hun Zijn handen en Zijn zijde". Die handen en die zijde dragen immers de littekenen van Christus' priesterlijk lijden en sterven. Zij zijn tot in de eeuwigheid de blijvende herinnering aan het volbrachte zoenoffer, dat de grondslag is van de herstelde Godsgemeenschap. Daarom draagt Christus die tekenen ook als de opgestane en neemt Hij ze mee in de hemel als de verheerlijkte. Met die doorstoken zijde zit Hij aan de rechterhand van de Vader. Met die doorboorde handen houdt Hij niet op voor ons te pleiten en te bidden. Op grond van het lijden, dat in die zijde en die handen ligt uitgedrukt, is Hij priester tot in eeuwigheid en draagt Hij als middelaar de vrede tussen God en mens.
Er is dus een innerlijke eenheid tussen de woorden, waarin Christus Zijn tegenwoordigheid kenbaar maakt aan de discipelen, èn het volbrachte kruisoffer. In de uitspraak: „Vrede zij ulieden" draagt Hij de priesterlijke zegen van Zijn zoenoffer het leven der jongeren binnen.
Wij hebben nu al gezien, dat de verborgenheid, het wonder van de prediking is, dat de Here Jezus de kring der discipelen binnentreedt en er de vrede met God door het bloed des kruises brengt.
Om de prediking recht te verstaan, moet daar nu echter op grond van het Evangelie een belangrijk ding aan worden toegevoegd. Er staat namelijk niet: „En Hij zeide: Vrede!", maar veel direkter en persoonlijker: „En Hij zeide tot hen: Vrede zij ulieden!"
Wij hebben hier dus niet te maken met een zakelijke en neutrale mededeling omtrent de vrede door het bloed des kruises. Prediking is niet een zuivere, waarheidsgetrouwe proclamatie, die over de hoofden van de enkeling heengaat, omdat zij de veelheid en algemeenheid bedoelt. Neen, tot de verborgenheid der prediking hoort juist het strikt persoonlijke karakter. Zij zoekt in de veelheid de enkeling, in de massa de eenling. Wie nauwkeurig deze geschiedenis leest, neemt die persoonlijke ge- 4richtheid in het hele verhaal waar. De boodschap van Maria Magdalena droeg nog een algemeen en zakelijk karakter. Maar als het gaat om de openbaring van Christus zelf, spitst alles zich toe in de richting van enkelingen. Dan lezen wij van „komen", van „staan in hun midden", van „tot hen zeggen", en tenslotte van „vrede zij ulieden".
Wat dus eerst een objectieve, historische, algemene waarheid was, wordt in de prediking een onmiddellijke, persoonlijke werkelijkheid. Dan gaat het niet meer „over" Christus, naaar Hij staat Zelf oog in oog voor ons, en draagt met Zijn woord het volbrachte heilswerk ons hart binnen door een priesterlijke zegengroet. Dan maakt Hij de verzoening met de Vader tot een persoonlijk geschenk door het in ons hart te dragen.
Omdat dat element in de prediking zeer wezenlijk is, kunnen wij er nauwelijks genoeg nadruk op leggen. Het Evangelie, als de prediking van Christus en als het werk van de Heilige Geest, is nooit algemeen, nooit massaal, nooit objectief en onpersoonlijk. Het heeft altijd enkelingkarakter. Het stelt de mens altijd in de verhouding van de persoonlijke ontmoeting. Het is nooit anoniem, maar altijd op naam. Dat enkeling-karakter breekt al door bij de
Dat enkeling-karakter breekt al door bij de Kerstboodschap aan de herders als de engel spreekt: „U is heden geboren de Zaligmaker, Christus, de Here" (Lucas 2 : 11). Het is er nadrukkelijker bij Jezus' rondwandeling op aarde. Elke ontmoeting resulteert bij wijze van spreken in het woord: „Ik moet heden in uw huis zijn" (Lucas 19 : 5). En het ontplooit zich ten volle in de verschijningen van de opgestane. Wie dus het Evangelie zó niet heeft verstaan, heeft ook de prediking als het werk van Christus en van de Heilige Geest nog niet verstaan. Prediking is de persoonlijke toereiking van de genade door de priester, die ons de genade verworven heeft. Prediking is, dat Christus „inachtig gemaakt wordt" (Joh. 14 : 26). Maar juist daarin is nu de prediking geen
Maar juist daarin is nu de prediking geen mensenwerk, geen automatische vanzelfsprekendheid, doch een verborgenheid. Want „niemand kan iets aannemen, tenzij het hem uit de hemel gegeven wordt" (Joh. 3 : 27). Wie is in staat om een mens van deze goddelijke dingen, die voor hem een onbegrijpelijke dwaasheid zijn, te overtuigen? Alleen Christus Zelf en Zijn plaatsvervanger de Heilige Geest kunnen dit hemelse werk aan ons volbrengen.
En als dus nu prediking die persoonlijke inleiding en innerlijke overtuiging is van het priesterlijke heilswerk van Christus, dan kan het niet anders, of dan moet die prediking een omkeer betekenen in onze gedachten en gevoelens. Daarom verwondert het ons niet, als wij in het bewuste tekstgedeelte lezen: „En de discipelen werden verblijd, als zij den Here zagen. Als de opgestane Christus door Zijn priesterlijke vredesgroet de hemelse werkelijkheid van de verzoende Godsverhouding in ons hart brengt, dan valt daarmee het licht van Gods liefde in het hart. En dat licht heeft (evenals „in den beginne" ten opzichte van „de woestheid en ledigheid") een scheppende, helende, vervullende werking. Het bant de macht van de angst, de schuld, de verlatenheid, de wanhoop, de dood uit. „De volmaakte liefde drijft de vrees uit" (I Joh. 4 : 18), zegt de apostel Johannes. Zou dat woord misschien een herinnering zijn aan deze ontmoeting van Johannes met de opgestane, toen de liefde Gods in zijn hart werd uitgestort?
Welk een omzetting van hart en leven, als Christus ons in de gemeenschap raet de verzoende God opneemt, en ons die uiterst persoonlijke benaming van God in het woord „Abba" (Rom. 8 : 15) op de lippen legt! Dan is alles anders geworden. Daarom kan er door de ware prediking zo ontzaggelijk veel in een leven veranderen. Daarom is de prediking zulk een machtig gebeuren in de wereld. Wij menen dan misschien wel eens, dat er in onze eeuw zo weinig wonderen en tekenen meer geschieden. En met een heimwee zien wij dan terug naar de bijbelse tijd. Maar zó denken en spreken betekent, dat wij van de prediking weinig of niets meer verstaan. Want al wat in het Oude en Nieuwe Testament aan grote daden Gods geschiedde, zet zich nadien voort in en door de prediking. Daarom immers stelt Paulus in zijn brief aan Timotheüs de prediking op één lijn met de heilsfeiten uit het verleden (I Tim. 3 : 16). Hij, die eertijds geopenbaard is in het vlees, wordt thans verkondigd onder de heidenen. Gods werk zet zich ononderbroken voort.
De prediking is dus thans de gestalte, waarin wij het mysterie van de genade-openbaring in ons midden hebben. En daarin zijn wij niet armer dan zij, die leefden in de tijd van de aartsvaders, de profeten, de apostelen. Maar dan moeten wij de prediking ook mysterie, verborgenheid laten zijn, en er geen kerkelijk beroep of theologisch vakwerk van maken. Zij is het eigen werk van Christus en van de Heilige Geest, en daarom — wonder, levend wonder.
De in hun vrees gevangen discipelen werden van hun vrees bevrijd toen zij de Here zagen. Hier blijkt, dat de priesterlijke vredesgroet tegelijk een koninklijke werkelijkheid is. De hemelse hogepriester, die ons opneemt in de verzoende Godsverhouding, is ook degene, die ons binnenleidt in het rijk der genade. En er is geen heerlijker ruimte om in te wonen dan dat rijk, omdat het geheel openligt naar de hemel en naar de troon Gods. Het licht dat van die troon afstraalt, neemt de duisternis weg. Wij kunnen weer zingen, weer lachen, weer danken. Want zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? In het oudgeworden en neergedrukte hart ontwaakt een nieuwe vrijheid en een nieuw uitzicht, die ons op doen staan tot een nieuw leven in onverwelkelijkheid. Dat zijn de wonderen der prediking, waarin
Dat zijn de wonderen der prediking, waarin Gods werk zich ononderbroken voortzet, ook in onze tijd.
Wij hebben gesproken over de prediking als het werk van Christus en de Heilige Geest. Maar nu willen wij ons afvragen, hoe wij daar als gemeente en als ambtsdragers bij betrokken worden. Want wij kennen de prediking toch ook als functie van de kerk, als opdracht aan de kerk. Denkt u maar aan het slotwoord van Mattheüs: „Onderwijst al de volken".
Welnu, ook daarover gaat het in Johannes 20. Wij lezen immers: „Jezus dan zeide wederom tot hen: Vrede zij ulieden! Gelijkerwijs de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook ulieden". Merkwaardig hoe hier het één in het ander overgaat. Eerst was er het woord: „Vrede zij ulieden!" Daarna wordt het herhaald en vergezeld van een opdracht. Wat de discipelen in de prediking van het Evangelie ontvangen hebben, moeten zij verder brengen. In deze opdracht voelen wij de priesterlijke ont
In deze opdracht voelen wij de priesterlijke ontroering en herderlijke zorg van Christus voor de wereld. Wij herkennen erin, wat Hij eertijds uitsprak: „Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn. Die moet Ik ook toebrengen, opdat het zal worden één kudde en één Herder" (Joh. 10 : 16). Vanuit deze gesloten binnenkamer in Jeruzalem opent Christus het uitzicht op de wijde volkenwereld. Hij weet, dat nu en in de toekomst er zo velen, zo velen zullen zijn, die in hun kerker opgesloten zitten als gevangenen van de schuld, de angst, de vertwijfeling, de dood. Hij weet ook, dat er vcor hen geen uitweg, geen redding mogelijk is, dan de redding van de vrede, die Hij aan het kruis voor hen bewerkt heeft. Geen uitzicht op aards heil, geen sociale of politieke vrijheid, geen psychologische doorbraak zal hen baten. Alleen een vernieuwing van de diepste levenswortel door de verzoende Godsverhouding kan hen redden en genezen. Wat zij behoeven is vrede door het bloed des kruises.
Daarom moet er gepredikt worden in de wereld. Daarom is de prediking onvervangbaar. Vandaar die opdracht.
Maar tegelijk beseffen wij de ontilbare zwaarte, de menselijke onmogelijkheid van deze opdracht. ,,Gelijkerwijs de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook ulieden". Dus niet als menselijk beroep en vakwerk, maar als goddelijke opdracht en als geestelijke werkelijkheid.
Niets mogen wij van de verborgenheid en het wonder van de prediking afdoen, als zij hier door Christus aan de discipelen wordt overgedragen. Het moet wezenlijk prediking zijn, die door gesloten deuren en harten heendringt. Het moet een hemels werk zijn, dat hart en ziei innerlijk aanraakt en overtuigt. Het moet een doorbraak zijn van het rijk der genade in de harde en oppermachtige wereldwerkelijkheid. Dat immers is pas prediking als verborgenheid en wonder. Uit zulk een prediking komt het geloof voort. (Heid. Cat. vr. en antw. 65). Zó was de prediking van Petrus op de Pinksterdag en van Paulus in Corinthe. Onwillekeurig rijst nu de vraag, of dit niet
Onwillekeurig rijst nu de vraag, of dit niet betekent de opdracht der prediking overspannen. Reiken wij hiermee niet boven het menselijk mogelijke uit? Houdt dit niet in: een overspanning van de gemeente en van het ambt? Maar die vragen verstommen, als wij lezen wat er onmiddellijk als woord van Christus op volgt: „Wien gij hun zonden kwijtscheldt, dien zijn zij kwijtgescholden. Wien gij ze toerekent, dien zijn ze toegerekend". Daarmee is toch gezegd, dat die prediking hemelse volmacht en hemelse realiteit is. Als het in de prediking om zulke grote dingen gaat, dan is het niet mogelijk meer om haar alleen te bezien in menselijke verhoudingen en afmetingen. Een prediking, die zó werkzaam is, is een hemelse werkelijkheid. Zij is, ook als menselijke opdracht, een verborgenheid, een wonder. Wie immers kan zonde vergeven dan God Zélf?
Wij staan hier voor een onoplosbare moeilijkheid. Het is onmiskenbaar, dat de prediking een opdracht is aan de gemeente. Het is even onmiskenbaar, dat de prediking een hemels mysterie, een verborgenheid is.
O, wachten wij ons er voor deze impasse theologisch op te lossen! Dat zou fataal zijn voor de prediking. De prediking in de ware zin des woords is er alleen bij gebaat, dat wij deze onoplosbare moeilijkheid onderkennen en ervaren. De gemeente moet er van weten, als zij met velerlei verwachtingen zondags naar de kerk gaat en zich in de banken schaart onder de onderwijzing in het Woord. De predikant moet er van weten, als hij zich vóór de zondag zet aan de taak om de prediking voor te bereiden. Niets is hier vanzelfsprekend. Niets is hier gewoon. Niets is hier vast en zeker. Beseffen wat de prediking als opdracht èn als
Beseffen wat de prediking als opdracht èn als verborgenheid is, houdt in, dat èn gemeente èn prediker zich elke zondag weer heel klein, heel afhankelijk, heel arm weten. Ja, dat zij elke keer opnieuw iets beleven van Paulus' woorden: „Ik kwam in zwakheid, met veel vrezen en beven" (I Cor. 2:3). Hoe immers zijn ooit de menselijke vermogens in staat te volbrengen, wat in die hoge opdracht van de prediking als Gods werk op onze schouders is gelegd? Het is om onder te bezwijken. Alleen door ernst te maken met de beklem
Alleen door ernst te maken met de beklemming, die in die opdracht besloten ligt, gaan wij iets verstaan van de rijkdom van de woorden, 6 die er door Christus aan worden toegevoegd. „En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en zeide tot hen: Ontvangt den Heiligen Geest".
Wat dat precies inhoudt, zullen wij nooit geheel begrijpen. Maar dit beseffen wij wel: op deze woorden rust de kerk, het ambt, de prediking! Dat de kerk wat is, dat het ambt wat is, dat de prediking wat is, — het is niet omdat de mensen, die er voor staan, wat zijn. Het is alléén omdat Christus die woorden gesproken heeft en ze waar maakt. De Heilige Geest wil er bemoeienis mee hebben. Daarom is de kerk, het ambt, de prediking niet alleen maar mensenwerk, doch hemelse tegenwoordigheid. Daarom geschieden er nog wonderwerken Gods. Nog eens: wat dat precies inhoudt, kunnen wij niet bevatten en doorgronden. Maar ook dit is duidelijk: dat die Heilige Geest dit alléén doet om Christus' wil. Wij lezen in Johannes 16 over het werk van de Heilige Geest: „Hij zal het uit het Mijne nemen en Mij verheerlijken". Het gaat de Heilige Geest om Christus, om Zijn offer, om Zijn volbrachte verzoening en vrede. Daar heeft Hij alles voor over. En daarom is nu ook die Heilige Geest bereid om af te dalen, zoals eertijds de Zoon is afgedaald naar de aarde. Hij is bereid om ter wille van het werk van Christus Zijn heerlijkheid prijs te geven, zich te vernederen, en een gestalte van een slaaf aan te nemen. En dat doet Hij nu in de kerk, m het ambt, in de prediking. De weg van de Heilige Geest in de kerk en de
De weg van de Heilige Geest in de kerk en de prediking is één met de weg van Christus in Zijn vleeswording, want ook Zijn weg is zelfprijsgave en offer. Hoe zullen wij er in kunnen doordringen, wat het voor de Geest betekent, om intrek te nemen in mensen, instituten, vorm.en, die in zichzelf door en door zondig, gebrekkig, onheilig zijn? Wat kunnen wij er van verstaan, wat het inhoudt, dat Hij op de zondagmorgen het aards-menselijk gedoe van een kerkdienst opheft en heiligt tot Zijn werk? De godvruchtige Hermann Bezzel schreef eens: „Habt Ihr nie darüber nachgedacht, was der Heilige Geist empfindet, weil Er so schlicht dahergeht? Wie Er unter uns leidet? Von vielen verkannt, klagt Er sein Leid Dem, der Ihm das Seine anvertraut hat" *). Dat de Heilige Geest die „kerkelijke" weg wil
Dat de Heilige Geest die „kerkelijke" weg wil gaan, is omdat Hij Christus wil verheerlijken. Én dat doet Hij in de prediking.
Maar wie dit nu weet als ambtsdrager of als gemeente, hoe staat die in de opdracht van de prediking? Welke weg heeft men te gaan om die opdracht te vervullen? Want dit is toch duidelijk, dat de toezegging van de Heilige Geest de mens met ontslaat van de dure verplichting om mede-arbeider te zijn Hoe zouden WIJ lui en traag en gemakzuchtig kunnen zijn, ais WIJ werkelijk weten van de offerweg van de Heilige Geest? Wij zijn dan bereid om ons tot het uiterste m te zetten om een goed instrument te zijn m Zijn handen
En daar zal het dus m onze menselijke verantwoordelijkheid op aan komen om een goed instrument te zijn Een goed instrument is louter dienstbaarheid voor hem, die het zal bespelen. Het brengt geen bijgeluiden voort en voert geen eigen stuk op Het is louter gewilligheid, gehoorzaamheid, voegzaamheid De ware voorbereiding voor de prediking, zowel voor de gemeente als voor de predikant, is daarom eigenlijk meer negatief dan positief Zij bestaat m het afgebracht worden van de eigen gedachten en meningen, die ons in de weg staan om de gedachten en meningen des Geestes te horen en te verstaan Is het met de ervaring, die m heel wat studeerkamers van pastorieën is opgedaan, dat het zwaarste en belangrijkste voorwerk voor de prediking het loslaten van geliefde denkbeelden en theorieën was? O, hoe moeilijk is het voor een mens, om alleen maar willig en onderworpen orgaan van de Geest te zijn' Hoeveel strijd moet er vaak eerst gestreden worden om ontledigd te worden en het eigene prijs te geven' Maar zie, als dat gebeurd is, en het instrument louter voegzaamheid geworden IS, dan IS het meestal ook zó, dat de preek met meer „gemaakt" hoeft te worden, doch zich m gehoorzaamheid laat dicteren, omdat men nu hoort, wat de Geest tot de gemeente zeggen wil
Tot het negatieve, voorbereidende werk voor de predikmg hoort daarnaast ook het gebed, zowel van de prediker als van de gemeente. Als het immers waar is, dat de predikmg een menselijke onmogelijkheid is, dat zij niettemin een goddelijke opdracht is, en dat de belofte door Christus Zelf geschonken is, dat de Heilige Geest haar m en door ons verwerkelijken zal, — hoe kunnen wij dan anders dan de zondagse kerkdienst en het heilige gebeuren van de prediking tegemoet leven met een gebed m het hart, dat de voorbereiding zuiver mag zijn, en dat al het zondig-menselijke overmocht mag worden, opdat straks alleen gesproken mag worden, wat naar de bedoeling des Geestes is'' En die bedoeling kennen wij Christus verheerlijken en Zijn vredesgroet uitdragen'
En o, waar de menselijke verantwoordelijkheid onder die goddelijke opdracht nu zó door de gemeente en haar ambtsdragers beseft zou worden, — wat zou er niet mogelijk zijn, welke wonderen zouden er met kunnen geschieden' Welke onvermoede perspectieven zouden er met opengaan voor gemeenten, wier geestelijk leven geheel verdord is, voor predikanten. die op grond van de sleur van de telkens terugkerende preekarbeid, zonder enige verwachting meer zijn' Als maar werkelijk beseft zou worden, dat, al is de prediking opdracht, zij toch een mysterie, een verborgenheid, een wonder IS Als het maar werkelijk tot ons door zou dringen, dat de prediking primair het eigen werk van de levende Christus is Als wij daarbij onze menselijke verantwoordelijkheid vooral zouden gaan zien m die negatieve voorbereidmg, die ons ontledigt van onze theorieën en speculatie's, en die ons het gewillige, nederige, voegzame instrument maakt van de Heilige Geest, dat alleen vertolkt wat Hij tot de gemeenten te zeggen heeft Dan, ja dan zou de prediking weer een hemelse verborgenheid zijn, die wonderen zou uitrichten Dan zou m en door de prediking de levende Christus weer in het midden der gemeente zijn, en vele zielen bevrijden van de ban van angst, schuld, begeerte, eenzaamheid, waarin zij zuchten Dan zouden zelfs geestelijk doden weer tot leven komen (Ez 37)
Maar als die predikmg zo niet meer gezien wordt, en de menselijke verantwoordelijkheid er tegenover zo met meer verstaan wordt, —• wat er dan verder ook m organisatorisch, praktisch of theologisch opzicht voor goeds van de kerk gezegd kan worden, dan is er nood! En m zulk een geestelijke nood leven wij momenteel
Ik wil daarmee niet zeggen, dat er met nog gemeenten en voorgangers zijn, voor wie de prediking werkelijk nog het karakter van een goddelijk geheimenis behouden heeft Maar dat zijn uitzonderingen geworden De algemene situatie m de kerk is heel anders
Zeker, er wordt nog wel gepreekt, maar of het nu preken zijn m traditionele of in moderne zm, — de verborgenheid is eruit geweken Er wordt ook nog wel hard gewerkt aan de inhoud en vorm van de predikmg, om die exegetisch, theologisch, literair en actueel verantwoord te doen zijn, maar men bespeurt en ervaart zo wemig meer van het wonderwerk des Geestes, en daardoor ook van de vruchten des Geestes Is het met om die oorzaak, dat er in kerk en gemeente veel spanningen, twisten en onenigheden zijn, waarbij ieder zijn leuze heeft: „Ik ben van Paulus' Ik van Apollos' Ik van Cephas'" (I Cor 1 12), leuzen, die wij m het jargon onzer dagen zouden kunnen weergeven met allerlei theologische modestromingen alsoecumenisch, revolutionair, sociaal, praktisch, wereldgericht' Het is met meer de levende Christus, die m de prediking de priesterlijke vredesgroet in de harten brengt, maar het zijn menselijke theorieën en beschouwingen over Christus en Zijn Evangelie, die de hedendaagse prediking bepalen Zij is geen verborgenheid meer Wat wil dat nu anders zeggen, dan dat in de kerk de opdracht om te prediken nog wel beseft wordt, doch — niet meer op de rechte wijze! Men verstaat niet meer, dat die opdracht een menselijke onmogelijkheid is, omdat de prediking in haar wezen een hemelse verborgenheid, een wonderwerk Gods is. De kerk heeft de prediking, als louter haar zaak, in eigen beheer genomen. En zo manipuleert zij er mee naar haar goeddunken. Zij experimenteert op grond van theologische, sociologische, historische onderzoekingen, en zoekt telkens nieuwe wegen om de prediking zo effectief mogelijk te maken. Kortom: de oorspronkelijke opdracht om te prediken is in de kerk geworden tot een overdracht van de prediking aan de mens. Men leeft met de gedachte: wij moeten het doen! Maar hoe ver is men daarmee van de wijze, waarop Christus Zijn discipelen in het wonderwerk der prediking als mede-arbeiders heeft opgenomen, verwijderd geraakt! Hoe weinig is er over van het besef, dat de mens in de prediking slechts instrument, slechts orgaan, slechts een onnutte dienstknecht van de Heilige Geest is! Hoe groot zijn wij over de kerk. de theologie, de mens gaan denken, en hoe klein en zwak over de Heilige Geest en Zijn werk! 'Het gonst in de kerk van louter menselijke bedrijvigheid. Men hoort van noodzakelijke vernieuwingen, van reorganisatie-plannen, van herstructurering, van eigentijdse vormgeving. Maar als wij terugdenken aan de oorspronke
Maar als wij terugdenken aan de oorspronkelijke opdracht van de opgestane Christus aan Zijn discipelen, wat voor verwachtingen kunnen wij van dat alles dan koesteren? Hoe zal zó de gemeente des Heren gebouwd kunnen worden? Hoe zullen zó bedrukte en benauwde zielen uit hun kerker van schuld, angst en nood verlost worden? Hoe zal zó de priesterlijke vredesgroet van Christus als een geestelijke werkelijkheid de wereld ingedragen worden? Moet men niet zeggen, dat het alles „hout, hooi en stoppelen" zijn (I Cor. 3 : 12)? Dat is de nood, waarin wij staan.
Laat ons daarbij echter wel bedenken, dat die nood er uitsluitend is aan onze kant en als onze schuld. Wij zullen niet kunnen en mogen zeggen, dat Christus Zijn toezeggingen niet gestand doet, en dat de Heilige Geest zich van ons heeft teruggetrokken. De beloften Gods zijn onberouwelijk!
Maar dat maakt de situatie des te klemmender. Want het houdt in, dat de opdracht om te prediken en de belofte, daaraan verbonden, door ons kerkelijk, ambtelijk en theologisch verbasterd zijn. Wat een geestelijke verborgenheid was, is onder onze handen tot een wereldsmenselijke zaak geworden. Wij hebben het hemelse wonder aan God ontroofd, en het als bezit in eigen beheer genomen. Wij zijn als kerk 8 en gemeente een mondige en geëmancipeerde zelfstandigheid geworden tegenover Christus en de Heilige Geest.
Daarom is die nood louter schuld. Schuld tegenover Jezus Christus, die als onze eeuwige hogepriester het volbrachte verlossingswerk nooit of te nimmer uit handen zal geven, maar er Zelf alleen over zal blijven beschikken. Schuld ook tegenover de Heilige Geest, die tot ons wil afdwalen om Christus te verheerlijken. Wat zijn' wij anders dan onnutte instruxnenten?
En toch, toch heeft desondanks Christus Zijn toezeggingen niet teruggenomen. Toch heeft de Heilige Geest zich niet van ons losgemaakt. De opdracht, met de beloften eraan verbonden, drijven nog als een lichtende wolk van genade boven de gemeente.
Alleen, hoe diep moeten de kerkelijke nood en ontwrichting wel worden, vóór en aleer zij de gemeente tot inkeer, schuldbesef en berouw brengen? Wanneer zal het ogenblik aanbreken, dat de kerkelijke mens zijn armzaligheid en onmacht zal inzien, en in afhankelijkheid en deemoed de lege handen weer zal uitstrekken naar Hem, die zijn armoede vervullen kan? Of om het in de woorden van ons tekstverhaal uit te drukken: wanneer zal er weer een gemeente zijn, die achter gesloten deuren wacht op Hem, die haar door Zijn priesterlijke vredesgroet in de ruimte der genade stellen zal?
*) Referaat, gehouden op 2 mei 1970 te Utrecht, op de conferentie van de vriendenkring
•) ,,Hebt gij er nooit over nagedacht, wat de Heilige Geest gevoelt, omdat Hij zo eenvoudig Zijn weg gaat? Hoe Hij onder ons lijdt? Door velen miskend, klaagt Hij Zijn leed aan Hem, die Hem het Zijne heeft toevertrouwd".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 januari 1971
Kerkblaadje | 12 Pagina's