De boodschap voor lijders aan de pest
‘O land, land, land, hoor des Heeren woord’. De boodschap uit het Woord van God is dus welmenend bestemd voor het ganse land, voor rijk en arm, jong en oud, Jood en heiden. De goede boodschap is algemeen: Hoort!
In de Middeleeuwen had men hier en daar de reikwijdte van het Woord wat ingeperkt. De kerk was toegankelijk voor iedereen, maar niet voor lijders aan de pest, ook niet voor sloebers die leden aan schurft, lepra, kwaadaardige gezwellen, ‘roode loop’, hoge koortsen, ‘bloedende aambeij’ en andere enge kwalen. Lijders aan besmettelijke ziekten waren in de kerk niet welkom, die moesten maar buiten blijven. De kerk wilde geen besmettingshaard zijn. In het Twentse dialect zei men bij voorbeeld: ‘A’j vrooger ne besmettelijke zeekte had’n, mog ie nich in de kark kom’n’.
Naar het kerkhof
Van anderhalve meter afstand had natuurlijk nog geen mens gehoord. Pestlijders konden met hun kwaal zomaar andere kerkgangers aansteken. Stel je voor! Het leed was dan niet meer te overzien. Zulke lijders moesten buiten blijven en mochten al helemaal niet in de gewijde grond van de kerk begraven worden. Zij werden weggebracht naar het kerkhof.
Lijders aan akelige pestilentiën mochten de kerk dus niet in, maar ze waren evenmin welkom in vleeshallen, herbergen en kroegen en ook niet op de markt en andere openbare ontmoetingsplaatsen. Ze werden uit de samenleving geweerd. En dus ook uit de kerk, nota bene. Pestlijders werden gemeden als de pest. Niet voor niets heette de pest ‘de zwarte dood’.
Pestlijders en melaatsen hadden natuurlijk ook een ziel voor de eeuwigheid, dat was in de Middeleeuwen ook al zo. Zulke stumperds moesten ook bekeerd worden van hun boze daden, net als alle andere mensen. De boodschap van vrije genade voor verloren zondaren mocht hun niet worden onthouden. Mochten ze niet binnenkomen om het Woord te beluisteren, of om bij het altaar de mis bij te wonen, dan moest dat maar van buitenaf gebeuren.
Hol in de wand
De kerk had er dus wel wat op bedacht. In de muur van de kerk werd een opening aangebracht, een kijkgat, ‘een hol in den wand’, zoals in de profetie van Ezechiël staat (zie het kader). De Middeleeuwers bedachten er een ander woord voor: een reliekvenster of hagioscoop, afgeleid van de Griekse woorden hagios (heilig) en skopein (kijken).
Een hagioscoop had ook nog een andere functie. Via dit kleine venster wierp de kerk, zo werd gezegd, het licht van het Evangelie op de donkere wereld buiten en op het omringende kerkhof. Daarom werd een hagioscoop ook wel ‘dodenlicht’ genoemd. Sommigen kerkgebouwen zorgden er om die reden voor dat er voortdurend een lamp (of dodenlantaarn) achter het venster brandde.
Lebuïnuskerk
Een groot aantal Middeleeuwse kerken in Nederland is nog steeds voorzien van zo’n hagioscoop, een venster in de kerkmuur, meestal in het koor, niet zo hoog boven de grond, zeg maar op ooghoogte. De Grote of Lebuïnuskerk in Deventer heeft bij voorbeeld zo’n venster. In Deventer was men vuurbang voor de pest, ‘de gesel der Middeleeuwen’. Tussen 1350 en 1650 was de Deventer bevolking met maar liefst een derde afgenomen vanwege de pest. In 1384 stierf ook Geert Grote eraan. Hij was nog maar 43 jaar oud. Geert Grote, de grondlegger van de Moderne Devotie, was een van de beroemdste mannen die Deventer ooit had gekend, maar ook deze godgeleerde legde het af tegen de pest.
Misdadigers en overspelers
Er zijn meer kerkgebouwen met ‘een hol in de wand’, zoals de kerk in Hall (bij Brummen), de Oude Kerk in Oosterbeek, de Schildkerk in Rijssen (dat kijkgat is trouwens vanbinnen dichtgemetseld), de Grote Kerk te Delden, kerken in kleine Friese dorpjes zoals in Ginnum en Wetsens, het Drentse Zweeloo, de Dorpskerk in Wassenaar en de oude Maartenskerk te Doorn. Lijders aan besmettelijke ziekten waren natuurlijk zeer geholpen met een hagioscoop. Maar anderen ook, want misdadigers, overspelers en ge-excommuniceerden mochten ook al niet de kerk binnenkomen. Nu konden al die stakkers, zonder zich onder het kerkvolk te begeven, toch iets horen van datgene wat er in Gods huis verkondigd werd.
In de Calixtuskerk te Groenlo bevindt zich ook zo’n kijkgat, een nis in de muur. Die was vooral bedoeld voor lepralijders. Eenmaal per jaar mochten de leprozen de stad in om te bedelen. Door deze opening in de kerkmuur konden die verschoppelingen dan toch iets van de dienst of van de mis meemaken. Inmiddels is het kijkgat in de Calixtuskerk aan de binnenzijde dichtgemetseld. Men zag het nut er niet meer van. Toch jammer.
Het kijkgat bij Ezechiël
Sommigen hebben bij een hagioscoop wel gedacht aan Ezechiël 8 vers 7. Daar wordt de profeet Ezechiël door de Geest in een visioen vanuit Babel naar de heilige stad Jeruzalem verplaatst. Hij komt bij de tempel, vervolgens bij de deur van het voorhof: ‘Toen zag ik, en zie, er was een hol in den wand’. Ezechiël ziet dus een opening, zeg maar een kijkgat, in de wand tussen het binnenste en buitenste voorhof. Achter die opening bevonden zich de privévertrekken van de priesters. Daar vonden dingen plaats die niet voor ieders ogen bestemd waren, allemaal ‘boze gruwelen’. Vandaar die muur. In zijn visioen zag Ezechiël een kijkgat waardoor hij naar binnen kon kijken. Sommige verklaarders veronderstellen dat het idee van het pestluik, van zo’n kijkgat, ontleend is aan het ‘hol in den wand’, waarover Ezechiël 8 vers 7 spreekt. Maar wellicht is dat al te curieuselijk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 december 2024
Oude Paden | 64 Pagina's