Godsdienstvrijheid? Weg ermee! Of toch niet?
Is het wel verstandig, nodig en gewenst om religieuzen te beschermen door hun het recht op godsdienstvrijheid te geven? Dit debat is na de aanslagen van 11 september 2001 verder aangewakkerd. Het secularisme wil afrekenen met de godsdienst. Ook steeds meer rechtsfilosofen zien het recht op godsdienstvrijheid liever verdwijnen. Dat zou ingrijpende gevolgen hebben, ook voor de godsdienstvrijheid in het ‘tolerante’ Westen.
Godsdienstvrijheid in de praktijk
De godsdienstvrijheid ligt in de praktijk onder vuur. Volgens een PEW-rapport (2019) is godsdienstvrijheid het meest afgenomen in Europa.
Frankrijk was bijvoorbeeld het eerste land met een boerkaverbod. Dit verbod werd natuurlijk aangevochten door religieuze organisaties en dit is zelfs voor het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) gekomen.
Volgens het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens kan godsdienstvrijheid worden be perkt onder een aantal strikte voorwaarden. Het dienen van een publiek belang, dat opweegt tegen het godsdienstig belang, is zo’n voorwaarde. Het zal bijvoorbeeld logisch zijn dat een Islamitische terrorist geen beroep op zijn godsdienstvrijheid kan doen om zijn terroristische daad uit te voeren en te rechtvaardigen.
In deze zaak vond de Franse staat dat de laïcité, het samenlevingsprincipe, belangrijker was dan het uiten van je godsdienst door het dragen van een boerka. Het EHRM besloot dat de Franse overheid dit inderdaad mocht vinden en het boerkaverbod was daarmee een gerechtvaardigde beperking. Interessant is dat de Mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties het daar niet mee eens is en vindt dat de wet verschillende mensenrechten schendt.
Maar Frankrijk gaat ondertussen verder. Er ligt nu een wetsvoorstel dat alle religieuze organisaties in Frankrijk verplicht een plakkaat te ondertekenen met de ‘republikeinse waarden’. Hiermee wordt iedere religieuze organisatie gedwongen om die waarden boven haar godsdienstige opvattingen te plaatsen. Het gevolg kan zijn dat je als predikant niet meer tegen het homohuwelijk mag uitspreken of dat je zelfs gedwongen wordt om het homohuwelijk kerkelijk te bevestigen.
Godsdienstvrijheid in de rechtsfilo- sofie
Naast deze politieke praktijk zijn er ook stemmen binnen de rechtsfilosofie die het recht op godsdienstvrijheid willen verwijderen uit het arsenaal van mensenrechteninstrumenten. Hierbij komt steeds hetzelfde argument naar voren:
godsdienst is niet meer bijzonder. Werden vroeger veel redenen uit de godsdienst zelf gehaald om godsdienst een prominente plaats in het recht en in de politiek te geven, vandaag de dag heeft de godsdienst geen recht van spreken meer en er is niets in enige godsdienst dat het recht op godsdienstvrijheid nog rechtvaardigt.
Dus moeten er andere redenen worden gevonden om godsdienst te beschermen en dit zullen dan seculiere redenen zijn. Veel wetenschappers ‘geloven’ dat godsdienstvrijheid voldoende wordt beschermd door middel van grondrechten als de vrijheid van meningsuiting, gewetensvrijheid en de vrijheid van vergadering. Dit was genoeg reden voor mij om dit eens nader te onderzoeken en daarover mijn scriptie te schrijven.
Van seculiere zijde worden eigenlijk twee claims gedaan. Eerst dat godsdienst niet bijzonder is en er daarom geen godsdienstige reden is om godsdienstvrijheid te rechtvaardigen; dit duid ik aan als het legitimatiedebat.
Daarnaast dat godsdienstvrijheid voldoende beschermd wordt onder andere grondrechten; dit noem ik het accommodatiedebat. Wat mij opvalt, is dat wanneer de legitimiteit van de godsdienst wordt ontkend, dit wordt gedaan door seculiere rechtsfilosofen. Seculiere juristen bedenken wat godsdienst is en aan de hand van dat ‘seculiere concept’ beginnen zij aan hun argumentatie. Zo stelt Brian Leiter (2014) dat godsdienst een “geloofssysteem is dat losstaat van bewijs en de rede”. Anderen stellen dat godsdienst een normenkader is, net als filosofi- sche en ideologische normenkaders. Je voelt wel aan dat dit niet erg aansluit bij hoe gelovigen zelf hun godsdienst ervaren. Als je de godsdienstvrijheid onder de loep neemt, is het belangrijk dat je kijkt naar wat godsdienstvrijheid precies beschermt en voor wie. Dat is: de godsdienst voor de godsdienstigen.
Het doet er niet toe hoe een seculiere wetenschapper godsdienst uitlegt, het gaat er juist om hoe een godsdienstig persoon godsdienst uitlegt. Dit is ook exact hoe het EHRM toetst of er sprake is van een godsdienstige gedraging. Het EHRM hanteert een subjectieve interpretatie, wat betekent dat de partijen zelf aannemelijk moeten maken dat datgene waar zij zich op beroepen al dan niet onderdeel is van de godsdienst. Dit lijkt me de juiste manier van werken.
Een seculiere jurist heeft vermoedelijk weinig affiniteit met godsdienst. Ook om die reden lijkt het me niet juist dat een seculiere jurist eenzijdig vaststelt wat godsdienst is. Wellicht is dit nog duidelijker te maken met een voorbeeld.
Wat is godsdienst?
Regelmatig wordt naar mijn geloof gevraagd door seculiere medestudenten, collega’s of mensen die ik tegenkom. Vaak lijkt men verbaasd dat ik, een ‘strenggelovig’ persoon, redelijk kan nadenken. De vraag die ik dan krijg is:
“Geloof jij echt dat God bestaat?” Mijn antwoord is natuurlijk: “Nee”. Dat is niet wat geloven is.
Volgens de kanttekenaren bij verschillende teksten over “geloof”, volgens de Heidelbergse Catechismus Zondag 7 en volgens Matthew Henry over Hebreeën 1, om maar een aantal bronnen te noemen, is het geloof tweeledig. Het komt hierop neer dat we eerst geloven wie God is, de Jehova. Dit heeft te maken met Gods Zelfzijn en Zijn deugden. Ten tweede geloven (vertrouwen) we in Zijn beloften.
Geloven is dus niet: geloven dat God bestaat. Stel: je vraagt aan een getrouwde man of hij gelooft in zijn vrouw. Natuurlijk zegt hij ja. Maar vraag je of hij gelooft dat zijn vrouw bestaat, dan zegt hij natuurlijk nee. Hij weet dat ze bestaat.
Maar hoe kan hij geloven in zijn vrouw als vaststaat dat zij bestaat? Hij gelooft in haar liefde, in haar goede bedoelingen, enz. ‘Geloven in’ is voor deze man ook iets anders dan ‘geloven dat’. Met andere woorden, mijn seculiere gesprekspartners hebben een heel simpel en verkeerd beeld van wat geloof is. Op diezelfde manier hebben seculiere wetenschappers vaak een zeer verkeerd beeld van wat godsdienst is. En met een verkeerd concept van godsdienst kom je al snel bij de conclusie dat er geen godsdienstige redenen zijn om godsdienstvrijheid te rechtvaardigen.
Mijn scriptie begint met een kritiek daarop en ik vertrek vanuit een definitie van het concept godsdienst zoals het door godsdienstigen zelf wordt gezien en beleefd. Hierbij lever ik een brede definitie waaronder veel godsdiensten vallen.
Zodra godsdienst wordt gedefinieerd op een manier die aansluit bij ‘godsdienstbeleving’, kun je al gauw een legitimatie van godsdienstvrijheid ontwaren. Het argument dat ik construeer in mijn scriptie noem ik de ‘meta-institutionele dimensie’ van godsdienst. Instituties kun je vertalen naar regels, instellingen of ordeningen. Het ‘meta’ ziet op het overstijgende, transcendente karakter van deze instituties omdat zij door een goddelijke autoriteit zijn ingesteld. Christenen, Moslims en Joden zijn bijvoorbeeld niet tegen het homohuwelijk omdat ze zo graag homoseksuelen achterstellen of zelfs pesten. Nee, ze zijn tegen het homohuwelijk omdat het niet in overeenstemming is met hoe de goddelijke autoriteit het huwelijk heeft ingesteld. Gelovigen maken hier een onderscheid tussen de sociale institutie van het huwelijk (met een ‘ruimere’ definitie) en religieuze institutie van het huwelijk.
Sociale en religieuze instituties
Sociale instituties zijn regels, instellingen of ordeningen die door een menselijke autoriteit zijn ingesteld, zoals het geregistreerd partnerschap, de regels van het burgerlijk wetboek, het feit dat het beleefd is om elkaar te groeten, enz. Sociale instituties zijn door mensen gemaakt en vallen daarmee volledig binnen de autonomie van mensen. Religieuze instituties echter, vinden hun oorsprong in een goddelijke autoriteit, en hierbij doel ik op de volle de breedte van het religieuze spectrum.
Moslims, Hindoes, Joden, de oude Grieken, Christenen en ieder religieus persoon baseert zich op volgens hem door een goddelijke autori teit ingestelde instituties. Zo wordt dat beleefd en beleden in iedere godsdienst. Religieuze instituties vallen dan ook binnen de autonomie van deze goddelijke autoriteit. Een gelovige kan daar niet van afwijken omdat de gelovige dan niet in overeenstemming met zijn of haar godsdienst leeft. De imam, de rabbi en de dominee kunnen daarom dan ook niet het homohuwelijk toepassen. Dit laat zien dat een religieuze overtuiging ook een wezenlijk andere oorsprong heeft dan een filosofische of ideologische overtuiging.
Een christen kan grote moeite hebben met het feit dat God het homohuwelijk niet toelaat. Dit is heel pijnlijk voor homoseksuele christenen.
Waarom kan hen niet een beetje ruimte worden gelaten? Maar het doet er niet toe of je het als christen nu eens bent of niet met hoe God het huwelijk heeft ingesteld. Je moet je houden aan Gods instelling simpelweg omdat het Gods instelling is. Hier is geen speelruimte en het geweten speelt hierbij eigenlijk geen rol. Ook wanneer een dominee homoseksuelen een warm hart toedraagt, kan hij niet besluiten dat God het huwelijk ook voor hen heeft bedoeld als God dat niet zo in de Bijbel heeft gesteld. Als mens ga je dan op Gods troon zitten. Het huwelijk als religieus instituut, dus een instelling met een goddelijke oorsprong, vermaak je tot een sociaal instituut dat binnen de menselijke autonomie valt.
Het is dan per definitie geen godsdienst meer.
Gevolgen voor de jurisprudentie
Dit onderscheid heeft vergaande gevolgen voor de manier waarop de rechter godsdienstvrijheid toetst en ook voor de vraag of godsdienstvrijheid onder andere rechten wordt beschermd. In de praktijk worden namelijk alleen sociale instituties beschermd onder de mensenrechten. Een filosofische overtuiging wordt beschermd onder gewetensvrijheid. Het uitgeven van een satirisch blad dat de koning op de korrel neemt, wordt beschermd door de vrijheid van meningsuiting.
Het oprichten van een stichting met als doel de democratische samenleving fundamenteel te veranderen, valt onder de vrijheid van vergadering. Maar in geen van deze gevallen zou je bijvoorbeeld mogen discrimineren.
Het EHRM heeft bepaald dat je geen ‘weigerambtenaar’ kunt zijn op grond van je geweten.
Of denk aan het vrouwenstandpunt van de SGP.
Het EHRM heeft bepaald dat een politieke partij niet mag discrimineren op grond van geslacht, zelfs niet als zij zich daarvoor beroept op godsdienstige overtuigingen. Een politieke partij valt namelijk onder de vrijheden van vergadering en meningsuiting, niet onder de godsdienstvrijheid. In deze gevallen beroep je je dus op een rechtsgrond die valt binnen de bevoegdheid van de rechter. En onder deze vrijheden gaat de rechter er automatisch vanuit dat het om sociale instituties gaat. En dan faalt jouw beroep op de godsdienstvrijheid.
Discrimineren mag
Maar onder de godsdienstvrijheid vallen niet alleen sociale instituties maar ook religieuze instituties. En het valt niet binnen de bevoegdheid van de rechter om religieuze instituties te toetsen of zelfs het belang ervan te wegen. Daarom mogen religieuze organisaties vrouwen wel uitsluiten van bepaalde posities. Daarom kunnen ‘weigerambtenaren’ wel een beroep doen op godsdienstvrijheid en kunnen kerken weigeren het homohuwelijk te bevestigen en in te zegenen. Het gaat daarbij namelijk niet simpelweg om overtuigingen of regeltjes die de gelovige of de kerk zelf zou kunnen aanpassen.
Het is de godsdienstige plicht van de gelovige en de kerk om volgens de regels die God heeft ingesteld te leven, ongeacht wat de gelovige of de geloofsgemeenschap van die regels vindt. Dat is godsdienst. Dus het recht op godsdienstvrijheid geeft een veel sterkere positie aan de gelovige dan ieder ander recht omdat godsdienstvrijheid zwaarder weegt dan bijvoorbeeld het discriminatieverbod. Godsdienstvrijheid kan minder makkelijk worden beperkt dan andere vrijheden en is daarmee een sterker recht.
Helaas heeft de overheid van het huwelijk echter een sociale institutie gemaakt. Nu bepaalt de overheid wat het huwelijk is en het homohuwelijk past daar blijkbaar prima in. Tegelijkertijd bestaat het huwelijk ook nog als religieuze institutie binnen de godsdienst. Dit zijn dus twee fundamenteel andere instellingen geworden.
Wie dit verschil niet ziet, maakt gelovigen gemakkelijk het verwijt dat zij discrimineren door het homohuwelijk niet te erkennen.
Overigens geldt voor meer zaken dat zij bestaan zowel als een sociale als een religieuze institutie.
Maar er zijn ook religieuze instituties die niet een sociale tweelingfiguur hebben, zoals bijvoorbeeld de doop. In sommige landen is het strafrechtelijk verboden om een ander opzettelijk onder water te houden. Maar in die landen wordt de doop wel toegestaan omdat dit sacrament onder het recht op godsdienstvrijheid valt. De doop zou onder andere rechten niet kunnen vallen, want het is geen diepgewortelde overtuiging, niet een mening die je uit en geen vereiste om te vergaderen. Godsdienstvrijheid is daarmee ook een breder recht dan andere vrijheden omdat er specifiek godsdienstige zaken onder vallen.
Conclusie
Met andere woorden: vóórdat het recht op godsdienstvrijheid zonder meer wordt weggegumd kan men beter eerst nog eens nagaan of het legitimatie- en accommodatiedebat al zijn afgeconcludeerd. Met de meta-institutionele di-
mensie hoop ik in ieder geval een helder en onbetwistbaar argument te hebben geleverd waarom godsdienstvrijheid onmisbaar is. Godsdienstvrijheid is een sterker recht en een breder recht. Maar rechtsfilosofie blijft filosofie en ik heb niet de minste twijfel dat anderen er anders over denken dan ik. Toch maakt de meta-institutionele dimensie van godsdienst het wel moeilijk om godsdienstvrijheid volledig te schrappen.
Bronnen
B. Leiter, Why Tolerate Religion?:
Updated Edition. (Princeton University Press, 2014), pp. 34 & 84.
S. Majumdar, A. Cooperman & V. Villa, A Closer
Look at How Religious Restrictions Have Risen
Around the World. (Pew Research Center, 2014).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 2021
Zicht | 112 Pagina's