Athanasius: zijn standvastigheid en betekenis voor de Kerk der eeuwen
Van de kerkvader Athanasius weten we maar weinig persoonlijke dingen. Vrijwel alles wat we van Athanasius weten heeft te maken met de Kerk. De kerk was in die tijd in een ernstige crisis geraakt. En Athanasius was met hart en ziel bij die crisis betrokken. Hij heeft alles wat in zijn vermogen lag gedaan om de Kerk van die crisis te genezen. Ambtelijk door standvastig op te treden. Theologisch door geschriften uit te geven. Contactueel door met medebischoppen uit de wereldkerk nauw contact te houden. En zo de eenstemmigheid in de leer te zoeken en te versterken. Wij willen ons vanmorgen verdiepen in deze kerkelijke strijd. En bezien hoe Athanasius zijn plaats in die strijd heeft ingenomen. Hopend dat het ons enige hulp zal bieden.
V/ij zien al langere tijd de Kerk in Nederland in een moeilijke situatie verkeren. Wellicht kan Athanasius ons helpen om de Kerk met haar strijd meer in het licht van het geloof te zien. Dat zou ons zeker meer wijsheid en moed geven. We moeten er immers rekening mee houden dat zich telkens weer strijd en beroering rond de Kerk zal voordoen. Als we denken aan Mattheüs 16, waar voor het eerst de Kerk ter sprake komt. Dan zegt Jezus aan de ene kant dat hij Zijn kerk op de petra van het vaste geloof zal bouwen. Maar vervolgens zegt Hij er onmiddellijk bij: 'De poorten der hel zullen Mijn gemeente niet overweldigen.' Daarmee aangevend dat wel geprobeerd zal worden om de gemeente te overweldigen. Wont 'poorten der hel': dot wijst op een stad die haar poorten opent om binnen te laten. Zo wil de boze de Kerk binnen de poorten der hel trekken, binnen de poorten van de ondergang. Om zo de Kerk tot niet te brengen. Dot de kerk van de aardbodem verdwijnen zal. Dat zal niet lukken, zegt de Heiland. Altijd zal Zijn gemeente blijven, ook al is ze soms zeer klein. Maar ondertussen zijn de pogingen er telkens wel. Laten we zo Athanasius en de kerkstrijd van de vierde eeuw bezien.
Grote Kerk en scheurkerk
Het precieze geboortejaar van Athanasius is niet zeker. Het meest waarschijnlijk is dat hij in 295 of 296 na Christus is geboren. Zijn sterfdatum is wel zeker: 2 mei 373. Hij heeft dus de leeftijd van ongeveer 77 jaar mogen bereiken. Het grootste deel van zijn leven was hij bisschop van Alexandrië. Een stad in Egypte die in de oudheid een van de wereldsteden was.
Hij was bisschop van 328 tot aan zijn dood. Dus ongeveer 46 jaar. In die periode is hij vijf keer in ballingschap geweest. Bij elkaar zo'n 17 jaar. Allemaal gevolg van de kerkelijke strijd.
Als bisschop van Alexandrië had Athonasius tegelijk het gezag over de Kerk in geheel Egypte. Deze Kerk behoorde tot de oudste van de wereld. Volgens de overlevering was de kerk in Egypte ontstaan door het zendingswerk van de Evangelist Markus. Verder weten we weinig over die eerste paar eeuwen in Egypte. Behalve dat in Alexandrië de grote christelijke denkers van de tweede en derde eeuw leefden: Clemens en Origenes, mannen van groot statuur aan wie de Kerk veel te danken heeft.
Maar dan in de vierde eeuw na Christus raakt de Kerk van Egypte in twee grote problemen. Het eerste probleem is vooral een nationaal probleem. Het tweede breidt zich uit tot een internationaal kerkelijk probleem. Het eerste probleem ontstaat na de laatste grote christenvervolging in het Romeinse Rijk. Dat was die onder keizer Diocletianus in 303. Hij geeft opdracht dat de christenen hun heilige boeken moeten inleveren. Die worden vervolgens verbrand. Ook worden de christenen van hun burgerlijke rechten beroofd. De ambtsdragers moesten gevangen worden genomen en gedwongen worden tot offeren aan de heidense goden. Deze vervolging duurt ongeveer twee jaar en is - achteraf bezien - de laatste stuiptrekking van de Romeinse vervolgingen. V/ant zeven jaar, later in 312, besluit Constantijn, die Diocletianus als keizer was opgevolgd, toe te treden tot de christenheid. Daarmee is de vervolging over. Een rijke zegen voor de Kerk. Maar tegelijk blijkt wat een zegen was, toch ook een desastreus gevolg te krijgen. Want er ontstaat een diepgaande afscheiding van de kerk. Het probleem zit in de behandeling van de christenen die in de vervolging Bijbels hadden ingeleverd bij de overheid. Of zelfs een offer aan afgoden gebracht. Deze mensen werden de lapsi genoemd. Op welke manier moesten deze christenen behandeld worden als ze na de vervolging weer voluit christen wilden zijn? De Kerk wilde een periode van boetvaardigheid, waarna herstel in de christelijke gemeenschap een feit werd.
Een zekere bisschop Meletius vond dat te slap. En eiste een veel langere tijd van boetvaardigheid. Ook vond hij dat bisschoppen die niet standvastig waren gebleven vervangen moesten worden. In enkele jaren tijd wist deze nieuwe kerk van de zogenaamde Meletianen enorm uit te groeien. Overal werden nieuwe bisschoppen geïnstalleerd en kerken gebouwd. De ijver waarmee zij het kwaad van afvalligheid behandelden, maakte kennelijk bij velen indruk. Zeker ook bij de talloze Egyptische monniken die zijn strenge optreden waardeerden. Om zich te onderscheiden van de Grote kerk noemden ze zich de Kerk der marfelaren. In een manuscript uit de vierde eeuw is de volgende tekst gevonden: 'Omdat de ene groep het bezit had van de kerkgebouwen die zeer oud zijn, werden zij de algemene/katholieke Kerk genoemd. De volgelingen van Meletius werden de Kerk van de martelaren genoemd'.
De Egyptische Kerk kwam door deze scheuring ernstig in gevaar. Het gevaar was zo groot, dat de wereldkerk zich ermee ging bemoeien. Op het concilie van Nicea in 325 was wel de dwaling van Arius het belangrijkste agendapunt. Maar daar werd ook de scheuring in de Egyptische kerk door de wereldkerk bezien. Als één lid lijdt, lijden alle leden mee, dat zien we daar ook op wereldschaal tot uiting komen. Het concilie besloot dat de scheurkerk zich moest herenigen met de Grote kerk en zich moest neerleggen bij de praktijk van de Grote kerk. V^el werden de ambtsdragers van de scheurkerk erkend. Zij mochten hun ambt in de Grote Kerk voortzetten. Wanneer Athonasius 3 jaar na dit concilie bisschop wordt, is het probleem echter niet over. De Meletianen weigerden op deze voorwaarden terug te keren in de Grote Kerk. Athonasius krijgt te maken met een diep verdeelde christenheid in zijn land. Hoe is hij daarmee omgegaan? We kunnen door moeilijk achter komen. Wel zijn er de zogenaamde Poasbrieven, die hij elk jaar rondom het Paasfeest als bisschop in Alexandrië schreef. Deze brieven bevatten aansporingen voor de gelovigen. Geregeld waarschuwt hij daarin voor de schismatici, de scheurmokers. Maar voor het overige is het beeld onhelder. Wel is zeker dot het rond die scheuring soms hord toeging.
In 334 klagen de Meletianen Athonasius namelijk oon met de beschuldiging dot een van zijn helpers een avondmaalskelk heeft ontheiligd en gebroken in een Meletiaonse kerk. Ook wordt Athonasius beschuldigd dat hij een zekere Arsenius, een Meletiaonse bisschop, zou hebben loten ontvoeren en om het leven brengen. Inderdaad was deze Arsenius van de aardbodem verdwenen. In Antiochië wordt een synode bijeen geroepen met bisschoppen uit de landen rondom Egypte. En Athonasius moet zich verantwoorden. Deze had Arsenius echter loten opsporen en naar Antiochië brengen. Nadat men op de synode de aanklacht tegen Athonasius had voorgelezen, liet deze de deur open doen en... Arsenius werd levend en gezond naar binnen geleid! Voor dot moment was de positie van Athonasius veilig gesteld. Het voorbeeld geeft echter oon hoe in een kerkelijke strijd geweldige krachten in mensen kunnen loskomen. Waarbij menigeen voor weinig terugdeinst.
In hoeverre Athonasius geweld heeft loten gebruiken tegen de Meletianen is onzeker Wel is zeker dot tussen leden van de grote Kerk en de scheurkerk hond-gemeen en geweld is voorgekomen. Maar daar kan men Athanasius niet op aankijken. Want nergens is een aanwijzing gevonden dat Athanasius tot dergelijke dingen heeft opgeroepen. Onder Athanasius is de Meletiaanse scheuring wel sterk ingedamd.
De scheurkerk was vooral sterk onder de vele monniken in Zuid Egypte. Die werden aangetrokken door het strenge karakter van Meletius' boetvaardigheid. Athanasius had echter een diepe vriendschap met de twee grote leiders van de monniken: Pachomius en Antonius. Zij zagen alle drie scherp het gevaar van de dwalingen van Arius. Dat schiep een onderlinge band. Het bond hen ook aan de Grote kerk. Athanasius probeerde als bisschop voortdurend de eenheid tussen de verschillende groepen christenen in Egypte te bevorderen. Je merkt in een aantal geschriften dot hij vuurbang was dat deze groepen uit elkaar zouden groeien. Vooral is hij bang voor het uiteengroeien van monniken en maagden aan de ene kant en de getrouwde christenen aan de andere kant. In Egypte was een buitengewoon groot aantal christen monnik of maagd. Sommigen woonden alleen in een grot in de woestijn. Anderen woonden in gemeenschappen. Maagden woonden ook wel bij hun ouders. Maar de ongetrouwde christenen tendeerden ernaar zich te isoleren van de getrouwde christenen.
Athanasius gaat in zijn brieven uitvoerig op deze kwestie in. Hij erkent dat de ongetrouwde staat en volledige toewijding aan Christus een bijzondere is. Moor hij houdt tegelijk vol dat een getrouwde persoon, die oprecht Christus dient, hoger staat dan een ongetrouwde die zijn of haar staat verwaarloosd. Hij probeert allen te brengen tot het besef tot het ene lichaam van Christus te behoren. Het is soms opmerkelijk hoe Athanasius de monniken dicht bij het natuurlijke leven wilde houden. In een brief aan een monnik die hem vragen op het gebied van het seksuele leven stelde, benadrukt Athanasius dat de seksualiteit als zodanig door God geschapen en niet verkeerd is. Je ziet hem daarin monniken corrigeren in gedachten die in de Middeleeuwen toch grote delen van de kloosters zouden gaan beheersen. Maar Athanasius poogt de ongetrouwde staat als bijzondere toewijding aan Christus in ere te houden.
Tegelijk probeert hij de monniken te behoeden voor een elitair gevoel en miskenning van het natuurlijke, geschapen leven. Hiertoe hoort ook dat Athanasius veel monniken aanwijst tot bisschop en hen zo dienend aan de gemeenschap van de christenen wil binden. Veelal willen ze een dergelijke taak niet, maar liever in stilte mediteren. Maar dan krijgen ze van Athanasius de volle laag. Ze behoren de kudde in liefde trouw te dienen. Dat gaat uit boven persoonlijke rust en inkeer. Die zijn ook nodig. Maar de liefde tot de kudde van Christus moet ons hart in brand zetten. Athanasius heeft zo weten te voorkomen dat de talrijke monnikengroepen los van de Kerk raakten en toegroeiden naar de scheurkerk. Aan het eind van zijn leven is de Kerk van Egypte aanzienlijk krachtiger en weerbaarder geworden.
De dwaling van Arius
Hoe groot dit probleem van kerkscheuring ook was, verreweg het grootste probleem waar Athanasius bij zijn aantreden als bisschop mee te maken kreeg, was een dwaling binnen de Kerk van de bekende Arius. Deze ontkende het waarachtig God-zijn van Jezus. Als je de beide problemen rond de Kerk van Egypte naast elkaar zet, zou je het zo kunnen zeggen: de Kerk is het lichaam waarvan Christus het hoofd is. De Meletianen scheurden het lichaam van Christus. De Arianen dwaalden met betrekking tot het Hoofd van het lichaam, Christus.
Je ziet die twee de kerkgeschiedenis door telkens opduiken: of het lichaam wordt gescheurd of rond het Hoofd wordt gedwaald. En hoe erg scheuring van het lichaam ook is, Athanasius heeft verreweg de meeste energie en aandacht en geschriften gewijd aan de dwaling rond het Hoofd Christus.
De 46 jaren van zijn bisschopsperiode zijn vrijwel geheel getekend door een continue worsteling om de Kerk van Egypte en zelfs de wereldkerk te bewaren bij het geloof in Christus, die waarachtig God is en waarachtig mens wilde worden om ons te redden.
Ik zou eerst iets willen zeggen over het moment dot die dwaling uitbreekt. U moet dan in gedachten terugroepen dat in 312 na Chr keizer Constantijn christen wordt. We kennen de bekende overlevering, die ons vertelt dat Constantijn voor de veldslag van 312 in een visioen een kruis zag, met daarin de woorden: 'in dit teken zult gij overwinnen' (in hoc signo vinces). Vervolgens liet hij op schilden, vaandels en munten het Christusmonogram aanbrengen. Dot teken verving de Romeinse adelaar. Deze gebeurtenis was voor de Kerk overweldigend. De kleine 300 jaar ervoor had het Romeinse Rijk de christenen soms geduld, soms vervolgd. Maar de ommekeer van Constantijn betekent het aanbreken van een lente voor de Kerk. Van gedulde groep wordt zij gerespekteerde gemeenschap. Van soms vervolgde vijand worden zij tot geëerde vriend. Een wonderlijke omslag, die door verschillende bisschoppen wordt beleefd als het aanbreken van een heilstijd, als een vervulling van oudtestamentische beloften over het vrederijk.
Maar dan is zo opmerkelijk dat de kerk slechts enkele jaren na deze grootse gebeurtenissen terecht komt in één van de ernstigste crises van haar bestaan, die haar over een groot deel van de wereld deed trillen op haar grondvesten. De vervolging van buiten hield op. Kort daarna brak de dwaling van binnenuit overvloedig baan. Als we terug denken aan Mattheüs 16, kunnen we stellen: eerst probeerden de poorten der hel het christendom door vervolging te overweldigen. Daarna door dwaling van binnenuit.
Het draait om een zekere Arius. Hij is heel wat ouder dan Athanasius. Hij werd geboren rond 255. Hij was presbyter, oudste, in Alexandrië en verbonden aan de Baucaliskerk. Als zodanig preekte hij ook. Het was niet altijd gebruik geweest in de kerk, dat een oudste preekte. Lange tijd was alleen de bisschop degene die preekte. Maar door de groei van de Kerk waren er in het gebied van een bisschop steeds meer preekplekken. Daardoor ontstond er meer en meer behoefte aan prekers. Daarvoor waren de presbyters aangewezen. Op zekere dag worden er klachten over de prediking van Arius ingediend. De klachten worden op de volgende noemer gebracht: 'Arius leert dat er een tijd was waarin de Zoon niet bestond.' Arius leerde dat de Zoon een begin heeft. Hij was dus niet eeuwig en dus niet écht God. Arius en de zijnen noemden Hem een schepsel, ook al was hij niet zoals alle andere schepselen. Zij wilden Jezus een hoge plaats geven. Maar hij was niet waarachtig God. Volgens meerdere historieschrijvers uit de Vroege kerk verspreidde deze leer zich met ongelooflijke snelheid vanuit de Kerk van Alexandrië over heel Egypte, Lybië en zo verder over de provincies van het Romeinse Rijk.
Voor de snelle verspreiding kan als mogelijke factor worden genoemd dat Arius de eenheid van God meer recht leek te doen. Zijn leer was gemakkelijker te begrijpen: Er is één God en Jezus is de tussenpersoon tussen God en de wereld. In onze tijd zou Arius dan ook gemakkelijker kunnen spreken met Islamitische en Joodse theologen, omdat hij min of meer over Gods eenheid spreekt zoals zij. Hij maakte Jezus tot een geschapen tussenpersoon.
De voorganger van Athanasius, Alexander, roept in 312 een synode bijeen van de Egyptische bisschoppen. Die verklaren dat Arius van het zuiver christelijk geloof afwijkt en ze excommuniceren hem. Arius legt zich daar niet bij neer. Om zijn gelijk te halen gaat hij naar enkele bisschoppen in het oosten, waaronder Eusebius van Caesarea en van Nicomedia. Verschillende bisschoppen kiezen partij voor hem en verzetten zich tegen de Egyptische veroordeling. Allerlei gesprekken leveren niets op. Het gevolg is dat keizer Constantijn, die nog maar enkele jaren voordien christen was geworden, zich voor een grote afgrond geplaatst ziet: zijn immense Romeinse Rijk kan uiteen gaan vallen als de kerk scheurt. En vooral: de dienst aan de ene God verliest haar glans van eenheid. Constantijn werd in zijn optreden verder mogelijk gedreven door het besef dat God Zijn zegen kan inhouden als de verering van Hem verstoord wordt. Want dat gevaar dreigt. Bekend is de beschrijving van Gregorius van Nyssa uit die tijd. Hij vertelt dat vele mensen van allerlei komaf op straat met vuur met elkaar discussiëren. 'Kledingverkopers, bankiers, groenteboeren: allen discussiëren. Vraagt iemand naar de prijs van een bepaalde waar, dan antwoorden ze over de Zoon of Hij ongeworden of geworden'is'. Zo rijst voor ons het beeld op van een hartstochtelijk gevoerde discussie. Wereldwijd voelden de christenen aan dat het kerkelijke geschilpunt van het grootste belang was. Iets ervan zie je in de wereldkerk van onze dagen rondom het punt van het homohuwelijk en de zegening ervan. Ook daarover wordt wereldwijd 'strijd' gevoerd. Constantijn besluit dan tot iets geheel nieuws voor de christelijke kerk. Hij roept alle bisschoppen van oost en west bijeen, om met elkaar een oecumenisch, dat is wereldwijd, concilie te vormen. Daar moet definitief over Arius' leer beslist worden.
Op dit concilie waren enkele honderden bisschoppen aanwezig, de overlevering houdt het op 318, naar het getal van de knechten van Abraham. Dit concilie veroordeelt Arius. Zijn visie dat de Zoon een schepsel van de Vader is, wel hoger dan alle andere schepselen, maar toch een schepsel, werd afgewezen. Men beleed dat "de Zoon geboren is uit de Vader voor alle eeuwen. Geboren niet gemaakt. Ja ook eenswezens met de Vader (homo-ousios)." Daarmee was getracht de eer van Christus als eeuwig Zoon van God zo vast te leggen dat de dwalingen van Arius duidelijk afgewezen waren.
Athanasius, belijder en balling
Echter, als Athanasius drie jaar later bisschop wordt, speelt de kwestie nog steeds. Pro-ariaanse bisschoppen zijn hersteld in hun bisschopszetel. Steeds opnieuw doet men pogingen om Athanasius van zijn zetel af te krijgen. In 335 veroordeelt een synode hem. Hij wordt beschuldigd van hard optreden. Maar het is vooral zijn anti-ariaanse instelling die een doorn in het oog is. De keizer stuurt Athanasius in ballingschap. Tot 337 verblijft hij in Trier. Het zal niet de eerste ballingschap zijn. Het voert te ver om op elke verbanning, die hem nog wacht, uitvoerig in te gaan. Toch willen we enkele dingen vermelden.
In 339 zet een regionale synode Athonasius of. Een ariaanse vervanger wordt tot bisschop benoemd. Athonasius was toen in ballingschap in Rome. De christenen van Egypte protesteerden. Maar de gouverneur van Egypte liet onder bewaking van soldaten de ariaanse bisschop installeren.
In 341 spreekt een andere synode Athonasius vrij van alle beschuldigingen en herstelt hem in zijn bisschopsambt. Ruim 10 jaar later, onder keizer Constantius wordt het nog veel erger. Constantius probeert met geweld de Ariaanse lijn in de Kerk door te zetten. In 356 stuurt hij ordetroepen naar Alexandrië. Zij dringen tijdens een dienst de Grote Kerk van Alexandrië binnen. Athonasius weet te ontsnappen en duikt onder bij de monniken. Kerkgangers worden geslagen en verwond en er vallen zelfs dodelijke slachtoffers. Enkele maanden later wordt de kerk gedwongen al haar gebouwen over te dragen aan de Arionen.
In een Paasbrief die hij na deze gebeurtenissen schreef, goot Athonasius uitgebreid in op deze overdracht van de gebouwen. Hij schrijft aan zijn gemeente: "De Arianen hebben de plaats, jullie het apostolisch geloof. Laat ons bezien wat groter is: de plaats of het geloof. Zeker het christelijke geloof. Goed is zeker de plaats wanneer het Apostolisch geloof er wordt gepreekt, ja heilig is die plaats als de Heilige er verblijft. En als God ooit de kerkgebouwen oon ons terug zal geven (en we denken dat Hij dat zal doen), don is toch ook nu zonder de gebouwen het geloof genoeg voor ons."
Opvallend was dat de christenen van Alexandrië de kerk bleven bezoeken, ook toen in Athonasius' plaats een Ariaanse bisschop werd benoemd. Toen hun echter een Ariaanse Christus werd voorgehouden, bleven ze weg. Het geloof ging boven de plaats. In deze periode kwamen ze geregeld buiten de stad samen.
Ondanks zijn verschillende ballingschappen is Athonasius voor de grote druk om Arius' leer te erkennen niet geweken. Hij bleef geschriften publiceren om de Ariaanse dwaling te weerleggen. We noemen zijn Redevoeringen tegen de Arianen. Het is een dik boek, vol uitleg van Schriftgedeelten, vol beoordeling van subtiele redeneringen van de Arianen. Hij ontrafelt ze stuk voor stuk. Het boek geeft een combinatie van gedetailleerde Schriftuitleg met gezonde en diepgaande bewijsvoering om zo allerlei dwaalgedachten aan het licht te brengen en te weerleggen. Er waren perioden dat hij tegenover zoveel bisschoppen stond, dot men wel zei: 'Athonasius tegen de wereld: Athonasius contra mundum'. Vanwaar die standvastigheid? Waarom had hij er alles voor over om vol te houden dot Christus wezenséén is met de Vader? Natuurlijk omdat het voor Athonasius geen academische kwestie was, geen klein leergeschil. Het ging hier om het hart van het christelijk geloof, namelijk over de vraag of de verlossing in Christus echt en werkelijk is. Athonasius zegt: "Als Gods Zoon niet echt mens is geworden, kon de mens niet echt Gods kind worden." Met andere woorden: Arius ondermijnt de verlossing. Als hij gelijk heeft, is God niet Zélf in Christus in liefde tot ons gekomen, om ons te redden. Bij Arius is Christus meer een Voorbeeld, een Profeet, niet de Verlossen Feitelijk goot het Athonasius om de echtheid van het heil von God. Dot heil is alleen echt, als Christus werkelijk Gods Zoon is, gekomen van de Vader, in Wie de Vader Zijn liefde schenkt. Als niet vaststaat dot Christus werkelijk Gods Zoon is, kon Gods liefde niet echt tot een mens komen. Alleen in de erkenning van de Heere Jezus als Gods enige en eeuwige Zoon komt Gods liefde overvloedig tot ons.
Al in een van zijn eerste geschriften wordt dat duidelijk. In zijn Over de vleeswording van het Woord beschrijft hij hoe God uit goedheid de mens door Zijn Zoon heeft geschapen. De mens keert zich echter von God of en vervalt daardoor tot het kwaad en de sterfelijkheid. Daarop schildert Athonasius hoe God met medelijden bewogen is over Zijn schepsel. Wat zal Hij doen? Zijn schepsel ten onder laten gaan? Dot wil Hij niet. Dan zendt Hij Zijn Zoon om in diepe ontferming de mens te verlossen. Gods Zoon wordt uit liefde mens, om de mens tot Gods kind te maken. Athonasius zog in dot Arius het geloof op fatale wijze ondergroef. Hij had in hem te maken met de poorten der hel die de Kerk wilden overweldigen. Athonasius heeft zich geroepen geweten er alles voor over te hebben en zich geheel in te zetten om de Kerk van die crisis te genezen.
Daarbij volt het op dot hij niet tot een woordenvitter geworden is. Als bepaalde semi-Arionen moeite hebben met het woord 'eenswezens' uit de belijdenis von Nicea, terwijl ze toch erkennen dot Jezus waarachtig God is, reikt Athonasius hen de broederhond. Voor hem zijn de woorden niet beslissend, moor de zaken waarnaar de woorden verwijzen. Via de woorden probeer je uit te drukken wat de zaken zijn.
Ook is opvallend dot Athonasius de Arianen wel scherp bestrijdt, moor tegelijk weet dot God zo groot is, dot Hij voor de mens altijd omgeven blijft door mysterie. In zijn eerste brief oon de monniken heeft hij het bijvoorbeeld over de ketterij von de 'Ariaanse dwazen die geheel vreemd is oon de waarheid.' Moor don goot hij verder en vertelt hoe zwoor hem het schrijven van zijn boeken viel. Hij is immers ook von nature zwak in het bevatten van de dingen van God. Want, zegt hij, 'hoe meer ik verlang te schrijven en mezelf dwing de Godheid van het Woord te begrijpen, des te meer trekt de kennis ervan van me weg. En naarmate ik denk het te begrijpen, doorzie ik het juist niet. 'Wa\ ik schreef is gelijk aan de onvolmaakte schaduw van de waarheid die bestaat in mijn voorstelling.' 'Want', gaat hij verder, 'hoewel een volmaakt begrijpen van de waarheid ver van ons verwijderd blijft, vanwege de zwakheid van het vlees, is het tegelijk mogelijk de dwaasheid van de goddelozen goed te doorzien en te weerleggen. Want hoewel het onmogelijk is te bevatten wie God is, toch is het wel mogelijk te zeggen wat Hij niet is.'
De grote fout van de Arianen bestond daarin dat zij over de Here God dachten binnen de menselijke kaders, terwijl wij weten dat God de kaders van ons denken verre te boven gaat. U merkt wel: achter de strijdende Athanasius gaat de eerbiedige, mystieke schouwer van God schuil. Zijn strijd bestond vooral in het weerleggen van de echte dwalingen rondom God en Jezus. Hij streed om juist plaats te maken voor het eerbiedige opzien tot God en tot Christus. Het was hem erom te doen, dat men God overeenkomstig het ene en ware christelijke geloof zou aanbidden en tegelijk zou beseffen dat Hij in Zijn heerlijkheid en grootheid al ons denken vér te boven gaat.
Athanasius over de Psalmen
Het was Athanius in zijn kerkelijke strijd te doen om de kennis en aanbidding van Christus in Zijn heerlijkheid als Zoon van God en als Degene die mens geworden is, om onze Middelaar te zijn. Dat dit zo is, blijkt uit al zijn werken, onder andere uit zijn commentaar op de Psalmen. Aan de Psalmen heeft hij zijn leven lang veel aandacht gegeven. Het is zelfs zo dat het enige Bijbelcommentaar dat bewaard gebleven is een uitleg is van de Psalmen. Ook schreef hij apart een prachtig boekje over het goede gebruik van de Psalmen, de zogenaamde Brief aan Marcellinus. In het kerkelijke leven van de Vroege Kerk namen de Psalmen een belangrijke plaats in. Op een synode werd zelfs bepaald dat ambtsdragers geacht werden het Psalmboek uit het hoofd te kennen! Ook wordt op een van de synodes geconstateerd dat de Psalmen zelfs onder hun werk door de christenen gezongen werden. Athanasius legt het Psalmboek op zo'n wijze uit dat de lezer door de Psalmen leert God te aanbidden, als Vader, Zoon en Heilige Geest. Wanneer in Psalm 43 wordt gebeden: 'Zend Heer, uw licht en waarheid neder', is dat een gebed tot de Vader om Zijn Zoon tot ons te zenden. Hij is immers het Licht der wereld en de waarheid. Wanneer Psalm 3 zegt: 'Sta op Heere', dan is deze bede gericht tot Christus om als Opgestane ons genadig te zijn.
Temidden van zijn kerkelijk strijd tegen de Arianen, die hij als het ware op de muren van de stad voert, vergeet Athanasius niet intern zijn gemeente en de gelovigen te bouwen en de aanbidding te versterken en te bevorderen. Hij legt daarbij ook heel sterk de nadruk op een zuivere en heilige levenswandel.
Wanneer we zijn Brief aan Marcellinus ter hand nemen valt ons op, dat Athanasius aangeeft wat de eigenheid van het Psalmboek is en om welke reden de Psalmen zo belangrijk voor ons zijn. Allereerst vindt men in de Psalmen een beknopte samenvatting van de gehele Bijbel. Het gaat in de psalmen over de schepping, over de Tien Geboden, over de wijsheid en de verschijning van de Heere Jezus. Kortom: de psalmen vormen een bijbeltje in de Bijbel. Athanasius zegt: 'God wil de rijkdom van de hele Heilige Schrift ook kort bijeengebracht hebben. En dat in dichtvorm en met melodie.' Vervolgens gaat het in de andere bijbelboeken wat meer over de buitenkant van de dingen, over de dingen die God doet en die de mensen doen. Maar in de Psalmen zien we wat er in het hart van de gelovige omgaat. Athanasius zegt: 'In andere boeken staat dat we op God moeten vertrouwen. Hier zie je wat vertrouwen op God is en hoe men vertrouwen in Hem stelt. In andere boeken lezen we over berouw dat nodig is. Hier zie je hoe men berouw heeft en wat men dan zegt.'
Wat ook belangrijk is in het oog van Athanasius is, dat de Psalmen bestemd zijn tot zang met eikaan Ze zijn een teken van harmonie. Door te zingen kan de gemeente zich verenigen. Door te zingen nadert de gemeente in klank en stem, als eenheid, tot God. Athanasius wijst daarvoor op David. Die speelde op de harp en de boze geest werd verdreven. Dit gebeurt ook door de gemeenschappelijke zang. Door de harmonie wordt de boze verdreven en komt Gods vrede over de Gemeente. Wanneer men vervolgens bedenkt dat de psalmen gezongen werden door David, de Heere Jezus, de apostelen, en de andere christenen, dan wordt het duidelijk dat in het zingen van de Psalmen de eenheid van de kerk van alle tijden en plaatsen wordt beleefd.
Dat is waar Athanasius voor gestreden heeft: het in overeenstemming blijven met de Kerk der apostelen. Om die eenheid te markeren gebruikt hij soms de driedeling: het onderricht dat Christus heeft gegeven, door de apostelen is ontvangen en doorgegeven, en in de Kerk wordt bewaard. In de Kerk ligt het accent op wat gelijk blijft: het apostolisch geloof is gegeven om de
Kerk tot aan de Wederkomst te leiden en te bewaren bij de omgang met God. Daarom moet een christen erop uit zijn om het algemeen christelijk geloof in zijn leven de centrale plaats te geven, om daarin te leven en om dit vast te houden. Als ieder christen persoonlijk dieper inwortelt in het algemeen christelijk geloof, zal dat de eenheid van de Kerk bevorderen.
Athanasius, standvastig belijder
Uit het bovenstaande blijkt dat Athanasius niet een studeerkamergeleerde was. Hij was niet een geleerde van het formaat van iemand als Origenes, ook al was hij een zeer diep denker Athanasius is vooral een man van de Kerk. Hij wist zich geroepen om in Gods kracht de Kerk te behoeden. En dat heeft hij met grote trouw gedaan.
Er is wel gezegd dat Athanasius de Kerk in zijn tijd van de ondergang heeft gered. Ik heb over die uitspraak meer dan eens nagedacht. Want inderdaad is zijn invloed bijzonder groot geweest, zeker ook op de verdere geschiedenis van de Kerk. Aan de andere kont moet men zeggen; als je zijn leven overdenkt, valt het op hoe ontzaglijk veel factoren er in deze strijd geweest zijn, waar hij geen vat op had. Tijdens zijn ballingschappen was hij bijvoorbeeld voor wat betreft zijn terugkeer naar Alexandrië geheel afhankelijk van de synode of van de keizer. Als deze anders besloten hadden, zou zijn leven er anders hebben uitgezien. Hetzelfde geldt met het oog op Arius. Athanasius vertelt hoe de man gestorven is.
Tijdens een bezoek aan keizer Constantijn vraagt deze aan Arius of hij het geloof van de Algemene kerk belijdt. Arius verklaart van wel en legt daarop een eed af. Constantijn verklaart dan: als je geloof recht is, heb je er goed aan gedaan te zweren, maar als je geloof onheilig is, zal God je naar je eed oordelen.
Vervolgens gaat Arius naar de Kerk om het sacrament te ontvangen. De bisschop van Constantinopel, waar zich dit afspeelde, weigert hem toe te laten. Hij wil 'geen uitvinder van ketterijen' toelaten. Arius en zijn vrienden vertellen dat ze de toestemming hebben van de keizer om het sacrament te ontvangen en dat ze de volgende dag terug zullen komen. Alexander bidt God om in te grijpen, aangezien hij niets kan doen. Diezelfde avond sterft Arius plotseling. Daardoor kon hij niet meer in de schoot der kerk terugkeren. Deze gebeurtenis maakte diepe indruk.
Ook deze gebeurtenis geeft aan dat Athanasius afhankelijk was van factoren waar hij niets over te zeggen had, ook al was hij in het uitdragen van het geloof een standvastig belijder Daarom laat zijn leven het volgende zien. Aan de ene kant zijn wij geroepen om standvastig afwijkingen van het geloof te weerspreken en het geloof grondig uit te dragen in overeenstemming met het algemeen christelijk geloof. Naast het belijden zijn wij aangewezen op onophoudelijk gebed. Er zijn immers zoveel factoren die voor het welzijn van de kerk bepalend zijn, waar wij geen vat op hebben. God wilde het niet zonder de standvastigheid van een Athanasius doen. Maar de standvastigheid van hem alleen zou niet voldoende geweest zijn. Je bent geneigd te spreken van een samenwerking tussen de belijder Athanasius aan de ene kant en de Here God aan de andere kant. ik moet denken aan een tekst uit Handelingen der apostelen. Er staat dat God medewerkte met de apostelen door aan het Evangelie tekenen en wonderen toe te voegen.
Daarbij komt dat alleen achteraf geconcludeerd kan worden dat Athanasius' levenswerk beslissend was voor de Kerk. Zelf kon hij dat niet weten. Zijn leven was niet een gestaag opwaarts gaan van overwinning tot overwinning. Men hoeft maar te denken aan zijn vele ballingschappen, aan de kerkgebouwen die ingenomen werden en aan de gemeenteleden die afgetuigd werden. Al deze dingen speelden zich af in het jaar 356. Hij was toen inmiddels 30 jaar bisschop en had zeer veel geschreven en gedaan. De uitkomst van Athanasius' levensstrijd is wonderlijk rijk, maar de weg ernaar toe ging door tegenslagen, nederlagen en spanningen heen. Achteraf zetten we Athanasius op een voetstuk, zelf stond hij zonder ophouden in de verdediging. En zonder te weten wat de uitslag was, heeft hij zijn werk met grote ijver gedaan. Dat is door stevigheid van karakter niet verklaarbaar Hierachter gaat een bijzondere toerusting van God schuil. Een van de oorzaken van zijn standvastigheid lag in zijn verworteling in het heilige algemene christelijke geloof. Hij wist te staan voor de zaak van de christenheid, van de apostelen, van de Verlosser. Wij allen zijn vergeleken bij Athanasius kleine mensen met een beperkte verantwoordelijkheid. Toch zal dat ook onze roeping zijn. Ook in de Kerk. Om trouw te zijn aan het ene, heilige geloof, daaruit te leven en dat voor te staan en uit te dragen. Het gaat er dan om niet het individuele, dat wat van onszelf is, naar voren te brengen, maar het algemene, heilige geloof centraal te stellen en daarin brede eenstemmigheid te zoeken en ons over die eenstemmigheid te verblijden. Het gaat er om, om zo, naar vermogen, te helpen dat de Kerk zich houden zal aan het ene en onveranderlijke heilige geloof
Daarvan is het stralende middelpunt Christus, Gods Zoon die mens werd om ons tot kinderen Gods te maken, Athanasius zegt in zijn uitleg bij Psalm 89: 'Want omdat het Woord God was en Koning was vóór alle tijden, maakte het Woord Zich het onze eigen, opdat wij aan het Zijne rijk zouden worden'.
Deze rijkdom begint hier op aarde in de Kerk, waar de gemeenschap met God wordt gesmaakt en genoten. En die rijkdom vergroot zich overvloedig in de hemel. Daar ligt het einddoel van de Kerk. In zijn psalmuitleg spreekt Athanasius soms extatisch over de hemel. Daar zal de mens zwelgen in lofzangen, dronken gemaakt in de heerlijkheid Gods. En de vreugde is daar zó groot, dat ze de gelovigen brengt tot een eeuwige dans. Dit alles wordt opgeroepen door de Aanschouwing van de ware God, de Almachtige, Wiens glorie ons huidige begrip verre te boven gaat, al kan er nu al met vreugde van genoten worden. Maar in de hemel vervult Zijn glorie volkomen en dan kan de overstromende vreugde niet uitblijven. Gods licht en zuiverheid straalt hier zo heerlijk, dat je je voor kunt stellen dat men niet liever wenst dan: zo'n God wil ik graag dienen. Voor Hem heb ik alles over.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 juli 2004
Ecclesia | 16 Pagina's