Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Pantokratoor, de weg van het woord langs de Septuagint

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Pantokratoor, de weg van het woord langs de Septuagint

21 minuten leestijd

Toen ik leerde lezen, nu ruim 70 jaar geleden, zag ik in mijn geboorteplaats Kuilenburg een vreemd opschrift, in vreemde letters en op een vreemde plaats. Het staat namelijk boven de deuren van de Oud-katfiolieke ("Oudroomse", zeiden wij) kerk De letters waren 'Duits' vonden wij, 'gotisch' dus, zoals in oude kerkboeken, en vormden een vreemd woord 'pantocratori' - met een c en niet met een k, dus in een Latijnse spelling, maar dat begreep ik veel later pas. 'Pantocratori', wat was dat? "Dat is oud-rooms", zeiden de grote mensen en dat antwoord was voor een vijf- a zesjarige voldoende. Op catechisatie, zo in mijn twaalfde jaar, hadden we een dominee, die het uit kon leggen, 't was eigenlijk een Grieks woord en het betekende: 'Aan de Almachtige' - een plechtig woord voor de Here God aan wie dit gebouw was toegewijd, voor wiens kerk dit was bestemd.

'k Heb er nooit naar gezocht of er nog andere kerken in Nederland zijn, die dit opschrift hebben, ook bij de Oud-katholieken zelf is het uniek, en zo vaak als ik er langs kom, stel ik met voldoening vast dot het goed wordt bijgehouden, ook bij iedere schilderbeurt. Ik heb dus wel wat met dat woord.

De drie talen

In oktober 2004 kregen de Nederlandse bijbellezers er twee vertalingen bij: 'de Naordense Bijbel', het eenmanswerk van Pieter Oussoren en de 'Nieuwe Bijbel Vertaling', vanwege het Nederlands Bijbelgenootschap en de Katholieke Bijbelstichting. Er kwam meer aandacht voor - en meer reactie op - beide uitgaven dan waaraan de bijbellezers gewend waren. Behalve dat de bijbellezers zelf de teksten gingen vergelijken met de hun vertrouwde bewoordingen, begonnen anderen zonder die voorkennis zich in deze nieuwe publicaties te verdiepen. Het was van meet af aan duidelijk dat de vertalers zich op de oudst bereikbare teksten hadden gebaseerd en gepoogd hadden de afstand in de tijd tussen de oorspronkelijke - dode - taal en ons hedendaags Nederlands te overbruggen - alles met grote deskundigheid en persoonlijke toewijding

Onbedoeld hebben de vertalers met hun werk aangetoond, hoe terecht het was dat heel in het begin van onze Noord-Nederlandse vrijheidsoorlog, juni 1574, drie Walcherse afgevaardigden bij een synode van re formatorisch gezinden te Dordt vroegen om bij Willem van Oranje aan te dringen op een universiteit, waar studie mogelijk zou zijn in theologie, rechten en medicijnen en waar professoren zouden zijn 'in de drye talen', dat wil zeggen- Latijn, Grieks èn Hebreeuws.

De vraag om die drie talen is kenmerkend: de kerk had mensen nodig die de bijbelse boodschap zelf in haar oudste formuleringen konden lezen en die uitleggen - een pleidooi dat door geen enkele gedrukte vertaling overbodig werd en tot op de huidige dag niet achterhaald is. Kerk en staat - samenleving - zouden daarmee gebaat zijn En daar werd om gevraagd op een ti|dstip dat de troepen van Alva de Nederlanden nog grotendeels beheersten, en dit is een vraag die actueel blijft, ook al wordt ons land nü door economische belangen en financiële berekeningen beheerst: kennis van de grondtalen blijft onontbeerlijk, hoe vlot ieder bijbellezer zich ook elektronisch kan laten bedienen

Wie de bijbel wil leren kennen, begint bij het begin Het is ons vandaag te doen om één woord dat we in het eerste 'boek' van de bijbel aantreffen en dat in het laatste bijbelboek (de Apocalyps) terugkeert - het woord dat in de vertalingen meestal staat weergegeven met 'Almachtige!'. Wij kennen dit woord, al was het maar uit de eedsformules van onze rechtspleging en - tot 1983 - ook uit onze grondwet, maar daar zijn de eedsformules naar de 'Additionele Artikelen' verwezen en dus voor wijziging vatbaar.

'Almachtige'

Bij onze zoektocht naar dat woord letten we erop dat de auteur van het boek Confiteor - ik belijd, ons in de twee voorafgegane boeken al heeft aangegeven welk spoor hijzelf heeft gevolgd. Volgens TeNaCh, Septuagint en Evangelie is de ondertitel bij De Apocalyptische Chrisiv Over de johanneïsche geschriften, is de ondertitel van Apocalyps en Evangelie, en het laatste boek zegt buitenop Het Evangelie als heilstijding in een apocalyptische tijd, maar op het titelblad Evangelisch reveil in een apocalyptische tijd. Het is zeer verleidelijk om over dat verschil tussen kaft en titelblad enkele snaakse opmerkingen te maken, zeer verleidelijk ook om op dot begrip 'reveil' nader in te gaan, maar ik wil op de lijn blijven die in deze drie boeken is getrokken - dus niet van TeNaCh ineens overspringen naar de Apocalyps maar van Te- NaCh naar Septuagint, don vanuit die beide naar het Evangelie en de johanneïsche geschriften en dan naar de Apocalyps. Want om de betekenis van dit woord te begrijpen is de Septuaginta onontbeerlijk en kunnen we niet ineens van de grondtekst overspringen naar het heden.

'Almachtige'. Wie het woord in een Nederlandstalige concordantie opzoekt, ziet dat het staat voor het Hebreeuwse 'Sjaddaj' in de TeNaCh 48 keer en voor het Griekse 'Pantokratoor' in de Apocalyps 9 keer plus nog eenmaal haast terloops in een bief van Paulus - een totaal van 58 plaatsen, In de TeNaCh valt dan het boek Job op, met liefst 31 vermeldingen. Zo kon de indruk ontstaan, dat het woord 'Sjaddaj' begrepen moet worden vanuit Job, dat 'Pantokratoor' weergeeft wat 'Sjaddaj' bedoelt en dat "Almachtige' precies uitdrukt wat die twee eeuwenoude woorden inhouden. Maar het feit dat de Nederlandse vertalingen juist bij dit woord nogal verschillen, moet te denken geven.

Het staat voor het eerst in Genesis (hoofdstuk 17) als een uitspraak van de HERE God zelf. Die twee woorden 'God' en 'HERE' zijn dan al in de teksten herhaaldelijk genoemd, maar nergens uitgelegd. Wie de HERE God is, is blijkbaar aan elk bijbellezer bekend en wat de naam van vier letters JHWH inhoudt, zal later aan Mozes worden verklaard. Maar hier stelt de HEER zich aan Abram voor, geeft hem een opdracht en een belofte: 'ik ben God, de Almachtige, wandel voor mijn aangezicht en zijt oprecht - en Ik zal mijn verbond stellen tussen Mij en tussen u en ik zal u gans zeer vermenigvuldigen.'

Vier vertalingen zetten daar wat bij als aantekening: J.H. van der Palm (volgens de WP "auteur van vulgariserende bijbelstudies") stelde in 1834: "de Algenoegzame, liever: de Genoegzame, de Eenige, buiten wien men geen God behoeft"; de Leidse vertaling van 1899 vond het een latere invoeging "God de Almachtige, deze uitdrukking behoort tot het eigenaardig spraakgebruik van Ezra's wetboek"; de Willibrordvertaling van 1975 zegt dat in feite ook (de priesterlijke traditie, maar verduidelijkt: "God Almachtig, wordt met name voor de God der aartsvaders gebruikt. De eigenlijke betekenis is waarschijnlijk 'berggod'"); de Friese vertaling van 1978 maakt zich niet druk over de herkomst, maar volstaat met: "Miskien wurdt mei dizze namme bedoeld dat God de God van de hiele aerde is." Bij al deze aantekeningen handhaven zij als vertaling 'Almachtige'. Hier waagt de Bijbel-2004 het met een nog ongebruikt - dus niet met dogmatische traditie beladen - woord: 'Ik ben God, de Ontzagwekkende' Dat komt dichtbij de vertaling van Martin Buber: 'der Gewaltige', 'de Geweldige'.

'Sjaddaj' zal met enkele andere gediend hebben als vervangend uitspreekwoord omdat de uitgeschreven vierletter-naam niet ijdel gebruikt mocht worden. Zo zal het in het geloof meer betekend hebben dan de karige vermeldingen in de tekst doen vermoeden. Maar inderdaad komt dan in de psalmen de benaming 'El Eljoon', 'God de Allerhoogste' ofwel 'de Verhevene', veel vaker voor. In de aanhef van Psalm 91 staan ze allebei: 'Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen.' Het is gepast om dan te memoreren wat ooit de Utrechtse oudtestamenticus Valeton hierbij schreef: "Dat de namen Allerhoogste en Almachtige juist in dezen psalm, groote betekenis hebben, valt in het oog. In de verhalen van Genesis komen zij ons tegen uit den tijd voor de afzondering van het Israëlitische volk...(zij zijn) de klassieke uitdrukking van het stille geloofsvertrouwen, dat de vromen van oude en nieuwe bedeeling verbindt."

God wordt als Allerhoogste herhaaldelijk aangeroepen en toegezongen met de naam Sjaddaj, Almachtige. In deze naam wordt gezegend, zó wordt er over Hem gesproken, nagedacht en - zie het boek Job -gediscussieerd. Het lijkt, na de aartsvaderlijke tijd, vooral een denkwoord geworden, een begrip.

Septuaginta

Dat treedt aan de dag wanneer de TeNaCh vertaald moet worden, wanneer het uitverkoren volk het met zijn geloof gaat wagen buiten de eigen grenzen en ver van het heiligdom. Als dat gebeurt, zo'n drie eeuwen voor het begin van onze jaartelling of nog dichter daarbij, heeft de Griekstalige cultuur al haar grootste schrijvers en wijsgeren voortgebracht, en een politiek overwicht in bijna alle steden waar Joden zich vestigen of waar ingezetenen belangstelling gaan tonen voor hun geloof. Voor die samenleving moet de TeNaCh worden vertaald - niet in 70 dagen, maanden of jaren, maar nog langer Het wordt een taal voor ettelijke generaties schriftgeleerden. Hun 'Septuaginta' vertoont de sporen van een geestelijke ontwikkeling in eigen kring maar ook van taal en denken daaromheen.

De kernwoorden liggen vast: 'elohim' wordt 'theos', de vierletter-naam wordt 'kurios'. Maar voor 'Sjaddaj' hebben de vertalers niet een bepaald Grieks woord gereed. De openbarende tekst uit Genesis 17, uitgesproken door de 'kurios', wordt: 'Ik ben uw God' en bij dat woord blijft het - zo op vele plaatsen in het bijbelboek Genesis. Alleen in de verzuchtingen van Naomi in het boek Ruth (1: 20, 21) komt te staan 'hikanos' evenals in Ezechiël (1: 24) - een woord dat dichtbij het Nederlandse 'genoegzaam' komt, het woord van Van der Palm.

Dat de Grieks-sprekende Joden het ook als naom in de vertaling handhaafden, blijkt uit Ezechiël 10: 5 waar 'Sjaddai' als eigennaam wordt geciteerd. En in Psalm 91 wordt de 'Almachtige God' tot 'de God van de hemel'. Nergens blijkt dat de vertalers naar een vost woord gezocht hebben. In zekere zin wordt de hele aanduiding van 'Sjaddaj' onzichtbaar voor wie vanuit het Grieks zou willen terugvertalen.

Maar in het boek Job is het anders. Daar moest 'Sjaddaj' 31 maal worden vertaald en 16 keer is dat gebeurd met een nieuw woord: 'Pantokratoor'. De rest op de in andere boeken gebruikte manier.

In die vorm wordt de Griekstalige wereld bekend met de boodschap van de TeNaCh, niet ineens maar in de loop van vele decennia. Daarmee kunnen samenhangen veranderingen in de woordkeus en verschillen in de kwaliteit van de vertaling - maar dat merken alleen degenen op die Hebreeuws en Grieks kunnen vergelijken, wat in een cultuur met geschreven teksten niet zo eenvoudig is geweest.

De deskundigen noemen de vertaling van de kleine profeten ronduit 'slechf, en die behoort vermoedelijk tot de laatst bewerkte bijbelboeken, 't Zou niet belangrijk zijn om dit te memoreren, ware het niet dot juist bij de Septuagintavertaling van de kleine profeten het woord 'Pantokratoor' óók wordt gebruikt, veel vaker dan de 16 vermeldingen in het boek Job. Maar bij de kleine profeten staat het als vertaling van een heel andere aanduiding van de HERE, die van de vierletter-naam plus Tsebaoof - zoals wij die tot in onze psalmberijming kenden: 'HEER der legerscharen' (men zie bijv Psalm 8).

In zijn bijbelvertaling liet Luther die benaming onvertaald: 'Herr Zebaoth'. Hij zag haar dus als een soort naam. En zo zog ook de Septuaginta het soms, vooral in de profetieën van Jesaja: 'kurios sabaooth' (zo bijv. in de uitroep van de engelen in Jesaja 6: 3, na het driemaal 'heilig').

Maar meestal geeft de Septuaginta als vertaling 'kurios (of theos) toon dunameoon', dat wil zeggen: 'Heer van de machten, van de krachten', een verwoording waarin de Hebreeuwse formulering nog wel viel te herkennen. 'HERE der heerscharen', het stond zo nergens in de Thora, maar wel in de Psalmen, in de historische boeken en het meest bij de Profeten. En net als 'Sjaddaj' - vermoedelijk nog vaker - dienden deze woorden om de onuitgesproken vier-letter-naam toch aan te duiden, hoorbaar en leesbaar.

Hoc vertaald?

Maar ook vertaalbaar? De Friezen hebben het gemakkelijk, te gemakkelijk. Hun tekst geeft: 'Heare Almachtich - aldste bestjutting, Heare fan 'e legers', met als op merking: "Dan kan aan de legers van Israël worden gedacht, maar ook aan alle krachten en machten in hemel en op aarde, zon, sterren, engelen. In alle gevallen wijst het op de Here in zijn soevereine macht." Dat is te vlot gezegd: 'Heer van de legers' is niet de oudste betekenis, maar de oorspronkelijke tekst. En 'Almachtig' is juist ook in de Friese bijbel de vertaling voor 'Sjaddaj'.

Uit de Psalmen kenden wij het als deel van een gemeentelied. Ik denk aan de Psalmen 6, 80, 84, 89. Bij enkele profeten valt het ons op. Bij Jesaja in ieder geval, maar ook bij Jeremia. Nog nadrukkelijker staat Tsebaooth' bij Hosea, bij Amos en dan ineens tientallen keren heel op het einde, bij Haggaï, Zacharia en Maleachi. De Septuagintavertalers - wellicht de laatste generatie, die ook met het boek Job bezig was of was geweest, grijpen dan naar 'Pantokratoor', dus precies daar waar het Hebreeuws geeft: 'Heer van de machten' - om Hem aan te duiden, aan te roepen en Hem te verkondigen, te bezingen. En dat gebeurt met het woord 'Sjaddaj' nooit.

Wanneer de vroege christenheid de teksten van het oude verbond aangereikt krijgt, die van de TeNaCh, gebeurt dat voor de meesten in de taal van hun wereld, het Grieks en in de vorm van de Septuagint. Dat blijkt in de Evangelieboeken, in de Apostelhandelingen, dat blijkt - in de Brieven. Eenmaal, heel in het voorbijgaan, staat daar ook het woord 'Pantokratoor' - als verantwoording van een citaat uit Amos (2 Kor 6: 18) 'zegt de Here, de Almachtige'. Maar alle andere vermeldingen, in totaal 9, staan in de Apocalyps. En dan zijn dus al in de Septuaginta twee woordtradities samengevoegd, die van 'Sjaddaj' en van Tsebaooth' Naar de inhoud wil 'Pantokratoor' dus beide weergeven.

Maar de latere bijbellezers komen dat niet te weten want in hun vertaling wordt die tweevoudige oorsprong niet zichtbaar. Heel de vertaaltraditie van West- en Midden Europa naar de volkstalen toe keert weer terug naar dat 'Sjaddaj', weergegeven als 'Allmechtiger' (Luther), 'Allmighty' (Engels), 'Tout-puissanf (Frans), 'Almachtige', en doet alsof dat de enkelvoudige vertaling is van Pantokratoor.

Alle andere vertalingen proberen iets van het meervoud weer te geven. Alleen de Naardense bijbel komt voor 'Here der heerscharen' met 'ENE, Omschaarde' - naar het voorbeeld van Buber met zijn 'ER, der Umscharte' - maar zo'n probeersel vraagt wel erg veel toelichting.

In zekere zin verschralen die gedrukte bijbels in de landstaal dus de boodschap van het allerlaatste bijbelboek. Hierin staat 'Pantokratoor' negen maal. allereerst in het getuigenis van Degene die van zichzelf zegt- 'Ik ben de Alfa en de Omega'; dan in het belijdende driemaal 'heilig' door de vier dieren voor de troon; dan aanroepend in het danklied van de 24 oudsten; aanroepend in het lied van Mozes en van het Lam door de zangers aan de glazen zee; en nogmaals aanroepend door de martelaren onder het altaar;

tweemaal in een getuigenis van de apostel over de grote dag van God - 'Pantokratoor' en over zijn toorn; in de lofprijzing van de ontelbaren met de nodiging tot de bruiloft van het Lam; en tenslotte in de profetie van het nieuwe Jeruzalem - zonder tempel omdat 'de Here God, de Pantokratoor haar tempel is en het Lam'.

Juist dat juichende en verheerlijkende herinnert aan de kleine profeten met hun belijdenis van de Heer der heerscharen, iets wat in de teksten over 'Sjaddaj', 'de Geweldige', niet voorkomt. Hier mag de vertaling niet beperkt zijn. Bijbelse woorden hebben hun eigen waarde en het Nederlands is niet zo arm, dat ze dan in onze taal allemaal mogen worden samengevoegd.

In zijn commentaar op 'Het geheime boek der Openbaring' heeft de Utrechtse hoogleraar Quispel als vertaling die van het Bijbelgenootschap uit 1951 volledig afgedrukt. Toen hij in hoofdstuk 15 toekwam aan 'het lied van Mozes en het lied van het Lam' dat aan de glazen zee gezongen wordt, onderstreepte hij het woord Almachtige, en schreef daarbij: "Het Griekse woord dat hier gebruikt wordt, Pantokratoor, betekent niet 'almachtige', een begrip dat de bijbel niet kent, maar 'Hij, die het Al regeert'." Dan doelt Quispel dus niet enkel op de tien teksten in het Nieuwe Testament, maar ook op de 48 in het Oude Testament: "een begrip dat de bijbel niet kent." Wie dit oordeel deelt, moet dat woord dan ook niet langer in vertalingen blijven gebruiken. En dan is er veel voor te zeggen om 'Sjaddaj' weer te geven met 'de Ontzagwekkende', om 'JHWH Tsebaooth' op te vatten als 'Heer van de hemelmachten' en om voor 'Pantokratoor' te zetten 'de Albeheerser'. Dan worden er geen verschillen verdoezeld en het taalgebruik niet versimpeld.

De vroege Kerk, Oost en West

Na de Apocalyps zijn we voor zeker twee eeuwen aangewezen op getuigenissen achteraf over de vraag hoe de vroege kerk zich in het verborgene ontwikkeld heeft. Wat we aan teksten over hebben, laat zien dat het woord 'Pantokratoor' bekend bleef en tot de vaste uitdrukkingen in de eredienst ging behoren. Al in de reconstructie van de oudste doopbelijdenissen staat in de eerste regel: 'Ik geloof in God, Vader, Almachtige'- en dat blijft zo bij alle uih/oeriger formuleringen.

Maar als de Apocalyps net als de Evangeliën en de Brieven in het verborgene wordt overgeschreven en overdacht, is de politieke en militaire macht over de samenleving volledig in handen van de Romeinen. Wil de verkondiging van Christus ook daar ingang vinden, dan moeten de teksten vertaald worden in het Latijn. 'Theos' wordt: 'Deus', 'Kurios' wordt: 'Dominus'. En 'Pantokratoor'? Dat wordt letterlijk vertaald als 'al-machtig', 'omnipotens', dus weer heel duidelijk beperkt tot de afkomst van het Hebreeuwse 'Sjaddaj'. Voor de vier-letter-naam met Tsebaootfi', 'Here der legerscharen' had de Septuaginta in haar eerste stukken 'kurios toon dunameoon' - Heer van de machten - en dat werd nu 'Dominus virtutum', ook daar waar de Septuaginta had gekozen voor 'Pantokratoor'. En er gebeurde nog iets anders: deze titel werd van zelfstandig naamwoord in het Grieks, een bijvoeglijk naamwoord in het Latijn, een bijvoeglijk naamwoord, dat alleen duidelijk wordt wanneer het aan een zelfstandig naamwoord is vastgehecht - dus aan God of Vader, of Schepper

Die vertaling van Grieks in Latijn is voor de verdere theologische geschiedenis beslissend geweest. Met de woorden van de Duitse dogma-historicus Alfred Adam: de aanduiding Pantokratoor "wordt in de Latijnse vertaling tot 'omnipotens' afgezwakt." En daar kon dan de eeuwige Logos Gods - het vleesgeworden Woord - meegedacht worden, 't Was dus niet zo dat in de Latijnstalige traditie dat 'omnipotens' helemaal aan de Vader werd toegekend en niet aan de Zoon, - zó afgerond waren de theologische uitspraken toen nog niet! Maar wel begon zich een verschil af te tekenen tussen de Griekstalige en de Latijnse theologie. Het is niet het punt waarop en waarom de kerk tussen Oost en West scheurde - uiteindelijk in 1054 - maar het raakte wel de vroomheid!

De Griekstaligen handhaafden het zelfstandig karakter en gebruikten dus 'Pantokratoor' als naam voor de verlossende en opgestane Heen De Latijnse kerk hechtte 'omnipotens' aan het woord 'pater', zodat dit 'albeheersende' kon worden opgevat als een eigenschap van God de Vader, niet de belangrijkste, wel eerstgenoemde, maar dan toch ingepast in de formuleringen van de Drievuldigheid en ook eventueel ingepast tussen andere eigenschappen in als 'de eeuwige', 'de onmetelijke', 'de ongeziene'.

Dat betreft de theologische ontwikkeling. Maar in de Westelijke Kerk had het woord ook nog en andere verankering. In de eredienst, speciaal als beginwoord bij de gebeden: 'omnipotens Deus', 'Almachtige God'. Wanneer er vaste vormen voor die gebeden ontstaan, keert deze aanhef van de doopbelijdenis vaak terug, in de schuldbelijdenis, in het 'Gloria', in de voorbereiding op de herhaalde Avondmaalswoorden. Het is dus zeker niet zo dat de Latijnse vorm 'omnipotens' uit het gezicht verdwijnt, maar zo rechtstreeks op Christus betrokken als in het Oosten het geval bleef, was het hier toch niet. Wel is dit nog het geval in de slotzegen 'Benedicat vos Omnipotens Pater et Filius et Spiritus Sanctus (Dat de Almachtige Vader en Zoon en Heilige Geest u zegene).

Bekend is dat de kerk in het Oosten lange tijd vanuit Byzantium werd geleid, maar dat na het eerste millennium het zwaartepunt noordelijker kwam te liggen. In die Byzantijnse eeuwen is de kerk daar tot een eigen beeldvorming gekomen van de Pantokratoor als de Albeheerser, de Verrezene, de Vleesgeworden Zoon. Gods majesteit wordt in Hem zichtbaar, de Logos, het Woord uit Johannes 1. Aldus no de beeldenstrijd, dus na 787 Geen sprake van een uitbeelding van de Ongeziene, de Eeuwige, maar juist van de Overwinnaar op deze aarde, degene, die van het kruis regeert, de Verheerlijkte. En zo wordt zijn beeld dan ook aangebracht in de koepel van de kerk of achter het altaar, goed zichtbaar voor de gelovigen. Wat de kerkganger daarvan hoort in de liturgie en ziet op de muren, staat allemaal in een vast stelsel, generaties lang overgedragen en in bewoordingen en vormen strikt gehandhaafd, deel van het geloof, niet enkel van theologen, maar van de gehele gemeenschap.

In het Westen blijft het dus bij de 'omnipotentia Dei', hier altijd letterlijk opgevat als 'Almacht Gods' en bij de goddelijke eigenschap, aangeduid als 'almachtig'. Daarover laat zich veel uitdenken, zeker wanneer de filosofische stelsels gaan theoretiseren over macht, goddelijk of menselijk, macht over wie of wat. Als de bespiegelingen - in het Latijn dat ook academisch Latijn wordt - al te ver van de gewone gelovigen of dreigen te raken, gaan de pastores het woord nadrukkelijk verbinden aan het woord 'pater' - God de Vader Zij willen niet meer zo filosoferen over een algemeen begrip' in catechese en prediking halen ze het weer naar de kerkleer toe

Reformatie

In die vormen hebben de reformatoren het woord 'omnipotens' aangereikt gekregen bij hun eigen rooms-katholieke scholing of bij hun latijns-humanistische lectuur Het woord 'Pantokratoor' kenden zij niet meer uit enige Griekse vertaling van de TeNaCh - hun ontdekking was juist dat ze de Griekse en ook de Latijnse edities konden overslaan, nu het Joods-hebreeuwse origineel ook voor studie en vertaling bereikbaar werd. En dus bleef de bekendheid met 'Pantokratoor' beperkt tot tien vermeldingen achter in het Nieuwe Testament - en dat nog wel in hoofdstukken die in de eredienst niet werden gelezen, tenzij een voorganger zich daaraan waagde. Het zou pas legen het eind van de negentiende eeuw lopen voordat Westelijke theologen het denken, spreken en vieren van de Oostelijke kerk weer de moeite van het bestuderen waard vonden, en gingen begrijpen dat de Pantokratoor voor die christenen een bezielende werkelijkheid was.

Maar dat is Hij ook voor de Westelijke christenen, zonder dat zij het beseffen. De catechetische geschriften van de reformatoren zijn maar heel kort over Gods Almacht, dan nog het meest beschreven als voorzienigheid. Op prediking over de Apocalyps hebben de reformatoren zich evenmin toegelegd. Maar Luther heeft wel de bijbel uit de grondtekst vertaald en kerkliederen uit de grondtekst vertaald en kerkliederen voor de gemeente gedicht. Hij vertaalde onder andere Psalm 46 en dichtte: 'Ein feste Burg ist unserGotf.

Juist in die Psalm heeft Lutfier tot tweemaal toe de kernzin vertaald 'Der Herr Zebaotfi ist mit uns, der Gott Jakobs ist unser Schutz.' Alle Oudtestamentici vermoeden dat die zin (vs. 8 en vs 12) ook na het eerste Sela (vs. 4) heeft gestaan, zodat het gedicht oorspronkelijk drie coupletten heeft gehad. Ook Valeton vond al van die twee belijdende regels "dat zij moeten worden ingevoegd, is volkomen duidelijk" En hij vond' "Heer der legerscharen duidt op de Heer, die over alles gebiedt, met Jeruzalem, de Godsstad als de geestelijke hoofdstad der gehele aarde volgens het geloof van Israël" Moor wanneer Luther deze Psalm als grondslag neemt voor zijn lied 'Ein feste Burg ist unser Gott', dan brengt hij het gemeentelid zo dicht mogelijk bij de Zoon Hij heeft niet geweten dat hij voor de 'Here Zebaotfi' ook mocht lezen 'kurios pantokratoor', zoals in de Septuaginta was gebeurd, want die Septuaginta kende hij niet. Maar hij zong het wel in één adem: drie belijdende regels: 'der rechte Mann, Jesu Christ, Herr Zebaoth, kein andrer Gott' (de juiste man, Jezus Christus, de Here Zebaoth, geen andere God). En dat zijn regels die de kerk van het Oosten zo mee zou kunnen zingen.

Tot slot. In de Messiah heeft Georg Friedrich Handel de gang van de heilsgeschiedenis zó aangereikt gekregen dat het de pure bijbeltekst bleef, zonder toevoegsels waarmee Bach het in zijn cantaten en Passionen moest doen, toevoegsels van vroom-piëtistische of vroom-verlichte tekstdichters Bij Handel alleen de bijbeltekst In het eerste deel al de engelenzang uit Lucas 2 Maar Handel schrijft daar voor de dirigent bij: "uit de verte en een weinig zacht dat 'Glory in the Highest' " In het tweede deel zingen het koor en de solisten uit Jesaja 53, uit de Klaagliederen, uit Psalm 16, Psalm 21, Hebreeën 1, Psalm 68, Romeinen 10, Psalm 2 (over de Here en zijn Gezalfde) - en dan als slot van dit deel massaal. werkelijk massaal Openbaring 19 vers 6: 'Hallelujah for the Lord omnipotent reigneth' ('Halleluja, want de Almachtige Heer regeert'). Het enige hoofdstuk uit het Nieuwe Testament waarin 'Halleluja' staat (tot viermaal toe) en hier: 'the Lord God omnipotenf, in het Grieks: 'kurios ho iheos ho pantokratoor'. En net als in 'Ein feste Burg' klinkt hier de belijdenis dat de 'koning der koningen en Heer der Heren' de 'Pantokratoor', de Zoon is, die eeuwig heersen zal. 'Und ist kein andrer Gotf - en er is geen andere God.

Het meest aangehoorde 'Halleluja' in onze eigen tijd blijft dat belijden!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 juli 2005

Ecclesia | 16 Pagina's

Pantokratoor, de weg van het woord langs de Septuagint

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 juli 2005

Ecclesia | 16 Pagina's