Doet aan de geh�le wapenrusting Gods
Niet voldoende uitgerust…
U kent allen wel het beeld van Groen van Prinsterer van een soldaat die in een stad verblijft die aangevallen wordt. Hij is overal te vinden, behalve op de plaats waar de vijand de aanval inzet. Hij demonstreert in verschillende straten vol trots zijn wapens en zijn kunnen. Maar op de plek waar hij nodig is, is hij niet te vinden! Dit toch wel scherpe woord van Groen paste hij toe op predikers die hij veelal hoorde. In hun preken was geen woord onorthodox, hun preken waren stichtelijk, maar… zij gaven niet werkelijk een antwoord op de vragen van de tijd, de antwoorden hadden geen betrekking op de aanval van de vijand. Dit was een grief van Groen. Om bij zijn beeldspraak te blijven: Op die manier werd ‘de stad van God’ prijsgegeven aan de vijand.
Het voorbeeld van Groen is treffend. Het is niet uit de lucht gegrepen. Ik heb het voorrecht genoten om op goede voet te staan met Maarten Schakel, de vermaarde verzetsman in de Tweede Wereldoorlog, die burgemeester was van onder andere Hoornaar. Eén van de dingen die in zijn leven het meeste indruk op hem gemaakt hebben, had te maken met het begin van de Tweede Wereldoorlog. Hij was als soldaat gestationeerd in de Peel, om bij te dragen aan de verdediging van Nederland tegen een eventuele Duitse aanval. Maar dat bleek een onmogelijke taak te zijn. De Nederlandse militairen waren niet voldoende uitgerust. Hun materieel was sterk verouderd, dat van de Duitsers hypermodern. Ze waren voor de Duitsers geen tegenpartij. Voor Schakel is dit een bijna traumatische ervaring geweest.
Zou de apostel Paulus een dergelijk gevaar voor ogen gehad hebben, toen hij aan de gemeente van Efeze (en zo aan heel de kerk van toen) schreef: “Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij staande kunt blijven in de boze dag en alles verricht hebbende staande kunt blijven…” (Ef. 6: 13). Alle nadruk leg ik op het woord ‘gehéle’. Paulus houdt de gemeente voor: zorg dat dááraan niets ontbreekt, zodat u niet bent als een soldaat, die naar zijn zwaard grijpt, maar merkt dat hij deze niet bij zich heeft gestoken, of zijn schild wil gaan hanteren, maar hem verloren blijkt te hebben. Dat was fataal. Elk deel van de uitrusting was in de oudheid nodig. Had men in het heetst van de strijd niet elk onderdeel van de wapenuitrusting tot zijn beschikking, dan had de vijand vrij spel.
Zo is het nóg. Daar kunnen we, dacht ik, vandaag niet genoeg de nadruk op leggen. In onze tijd, die (wie zal het ontkennen) met de apostel Paulus getypeerd kan worden als een ‘boze dag’: een tijd waarin de kerk van Christus na eeuwen van betrekkelijke rust weer als zaad geworpen wordt op het veld van de geschiedenis; een tijd die men gerust ‘apocalyptisch’ kan noemen.
De catastrofe van de wereldoorlogen
Om aan te geven wat ik met dit laatste bedoel, verwijs ik naar een passage uit het werk van de Hongaarse schrijver Sandor Marai (1900 – 1989). In één van zijn romans ziet de hoofdpersoon Budapest, de stad waarmee hij zo vertrouwd is, tot puin geschoten worden door vijandelijk vuur. Alle belangrijke gebouwen, symbolen van de glorie van deze stad werden getroffen. De universiteit (het centrum voor wetenschap) werd in de as gelegd. Zo was het met de bibliotheek (die het heden verbindt met het verleden), met het gerechtsgebouw (de garant voor recht en orde) met de regeringsgebouwen enz. In slechts korte tijd werd een heel verleden, waarin de hoofdpersoon zijn wortels had, met de grond gelijk gemaakt. De persoon die dit meemaakte, wist zich vanaf dat moment een ontheemde. Het oude vertrouwde vaderland bestond alleen nog in de herinnering. Die ervaring is afgrondelijk. Wat Marai in zijn roman verbeeldt, is een algemene ervaring geweest in de vorige eeuw. Dat begon met de Eerste Wereldoorlog, die een eind maakte aan zoveel optimisme en die de Europeaan opeens stelde voor de afgrondelijkheid van boze krachten die zich in de geschiedenis voordoen. Welnu, één van degenen die zich daar voluit rekenschap van gaf, was de toen nog jonge predikant Karl Barth (1886-1968) wiens eerste pastorie stond in het Zwitserse Safenwill. Barth was een begaafde predikant. Hij had gestudeerd in Duitsland, bij grote mensen als Von Harnack en andere liberale theologen.
Barth zag in dat de Eerste Wereldoorlog niet alleen een einde van een tijdperk markeerde, maar ook een faillissement betekende. En bij een faillissement vraagt men naar de oorzaak, men zoekt een verklaring. Wat was er de oorzaak van dat er in enkele jaren tijd een eind gekomen was aan het eeuwenoude Duitse rijk, aan het keizerschap in Europa en aan het tsarenregime in Rusland, waar in 1917 een revolutie ontketend werd? Het oude Europa was als gevolg van een algehele catastrofe verdwenen, zo leek het. Aan hoeveel jonge mensen had de oorlog niet het leven gekost? Men leefde werkelijk in een Umbruch der Zeiten. Hoe valt dit te verklaren, welke sprake gaat hiervan uit?
Deze vraag hield duizenden mensen bezig. Het vooruitgangsgeloof van de 19 e eeuw was in een keer de grond in geboord en men stond naakt in de geschiedenis.
De betekenis van Karl Barth
Met deze vragen heeft Karl Barth zich intensief bezig gehouden. De vraag naar de geschiedenis en de sprake die daarvan uitging drong zich onontkoombaar op voor wie goed luisterde en seismografisch in de wereld stond. En dát stond Karl Barth. Het siert hem dan ook dat hij voor zichzelf en voor anderen, ja voor de kerk en voor het volk een antwoord zocht op deze vragen en dat hij dat deed in de Heilige Schrift! Hij deed dat vooral in Paulus’ brief aan de Romeinen.
Het antwoord dat hij er vond, bracht hij naar buiten in zijn bekende verklaring van 1921: de Römerbrief. Zijn uitleg was allerminst bedoeld als een academische verhandeling of een exegetische studie, nee, deze droeg het stempel van een getuigenis. De gepassioneerdheid en de geladenheid waarmee Barth zijn boek geschreven heeft, zijn op elke bladzijde van het werk tastbaar. Zijn antwoord had het karakter van een klaroenstoot. De klanken ervan werden overal gehoord. Het boek maakte hem in één keer beroemd. Duidelijk was dat men in hem te maken had met een theoloog van formaat. Vanaf nu kon men niet meer om hem heen. Hier was sprake van betrokken theologie, van een poging om een woord te spreken op zijn tíjd! En men kan niet genoeg waarderen dat hij een poging deed om als theoloog en vooral als zielsherder een antwoord te zoeken op de vragen, die toen acuut waren.
Maar nu zijn antwoord! Hoe zag dat eruit? Hij laat er geen misverstand over bestaan: de crisis waarin de christenheid verkeerde, komt daaruit voort dat de kerk zich te veel in de wereld genesteld heeft en geen weet meer heeft van Gods ‘neen’ tegen deze wereld. Dat ‘neen’ van God was in de recente gebeurtenissen meer dan duidelijk geworden. In de verschrikkingen die over Europa gegaan waren, had God zijn ‘neen’ uitgesproken, omdat er maar één echt ‘ja’ is, en dat ‘ja’ is uitgesproken in Jezus Christus. De bijbel leert ons dat Gods spreken een ‘nee’ behelst over álles in de mensenwereld en in de geschiedenis. De keerzijde van dit ‘neen’, is het ‘ja’ van Gods genade. Maar deze genade is volstrekt van boven, ze komt alleen bij de Gans Andere vandaan, Die geheel anders dan deze wereld blijft, bij God zelf vandaan. Deze genade heeft geen écht raakvlak met deze wereld. Dit ‘ja’ van God kan men pas werkelijk horen, wanneer men het gericht van God erkent.
Zo was de boodschap van Barth in 1921, toen men nog volop in de ban was van de catastrofe die over ons werelddeel gegaan was. Het moet ons dan ook niet verbazen dat dit spreken van Barth alom weerklank vond. Het sloot naadloos aan op het cultuurpessimisme van die dagen. Bovendien was het een nieuw geluid op het veld van de theologie en de kerk. Zijn boek werd overal verkocht. Het zette de theologenwereld op zijn kop. Hier kwam men weer in aanraking met een (zo leek het) bijbelse boodschap, met geluiden die deden denken aan de Reformatoren!
Zoals gezegd maakte dit boek Barth in één keer beroemd. Korte tijd na de publicatie ervan kwam er een verzoek uit Bonn, om er hoogleraar te worden. Zo kwam hij naar Duitsland. Naar Duitsland, waar… tien jaar later Hitler aan de macht kwam. En, het moet gezegd: ook in die tijd heeft Barth van zich laten horen. Ik hoef maar te herinneren aan de oprichting van de zogenaamde Bekennende Kirche in 1934, waarvan hij de voorman was. Hij beriep zich tegenover Hitler op Gods geboden en dan vooral op het eerste gebod: “Gij zult geen ándere goden voor Mijn aangezicht hebben.” Vanuit die instelling wapende hij de kerk tegen de ideologie van het nazisme. Wie zich ervan wil overtuigen tot welk een getuigenis deze instelling leidde, leze de brief die hij via Hebe Kohlbrugge aan de Nederlandse gemeenten deed toekomen. We kunnen er niet dankbaar genoeg voor zijn.
En toch…
En toch is het de vraag of Karl Barth met zijn optreden en vooral met zijn theologie en bijbeluitleg de christelijke kerk werkelijk geholpen heeft om, zoals Paulus het zegt, de gehéle wapenrusting aan te doen. Wie góed luistert naar wat hij te zeggen heeft, kán bijna niet ontkomen aan de conclusie dat Barth weliswaar een klaroenstoot gegeven heeft, dat wil zeggen, dat hij de kerk weer wakker schudde uit haar slaap, maar dat er in de theologie van Barth van meet af aan een geweldig manco zat, waardoor deze géén werkelijk antwoord kón zijn op de vragen die door de catastrofes in de geschiedenis op kerk en wereld afkwamen. Waaraan dat lag? Daarover valt heel veel te zeggen.
Een feit is dat Barth in de leer gegaan was bij Kierkegaard en via Franz Overbeck bij Nietzsche. Mede door hun invloed is hij ertoe gekomen om het oordeel over deze wereld te zien als iets dat zó volstrekt is dat het heil alleen aan de andere kant van deze wereld gevonden kan worden. Aan de andere kant van onze werkelijkheid. Het heil heeft in die zin met onze werkelijkheid nauwelijks of géén raakvlak. Een christen is volstrekt gericht op het generzijds, op het heil in Christus, dat niet van deze wereld is en dat ook niet vanuit onze werkelijkheid benaderd kan worden. Christus is volstrekt van de ándere zijde in onze wereld gekomen. Het laat zich verstaan dat Barth om die reden zo krachtig stelling kon nemen tegen Hitler, die zich opwierp als Führer.
Als hoogleraar in de dogmatiek heeft hij zich gedurende de jaren dertig moeite gegeven zijn standpunt voor zichzelf en anderen te verduidelijken. Zijn hoogleraarschap bracht met zich mee dat hij zich verdiepte in de Reformatoren. Het laat zich verstaan dat hij bij hen aansluiting vond. Hij hanteerde hun begrippen, die van zonde en genade, oordeel en vrijspraak. Onopgeefbaar bleef voor hem daarbij het gegeven dat Gods heil als zodanig in geen verband staat met onze werkelijkheid. Men moest denken vanuit de openbaring van God, vanuit Christus, die de volstrekt Andere was en bleef. Van hieruit hanteerde hij de begrippen zonde en genade. En daarbij gaf hij steeds meer accent aan genade, zelfs kwam hij zover dat hij de genade volstrekt voorop liet gaan en het oordeel zag als iets dat volstrekt alleen aan Christus voltrokken was. Vanuit dit nieuwe denken (de triomf der genade, zou Berkouwer zeggen) heeft hij geprobeerd de kerk te helpen zich te bewegen in de 20 e eeuw.
Voldeed de wapenuitrusting?
De vraag die we opwierpen is of de wapenrusting die hij aanreikte van dien aard was dat ze in staat stelt om “staande te kunnen blijven in de ‘boze dag’”, in een revolutionaire tijd als de onze. Helaas moet ik stellen, dat ze dat niet was. Ze was
Helaas moet ik stellen, dat ze dat niet was. Ze was er te krachteloos voor, bijna ben ik geneigd te zeggen, te theologisch en dan nog eenzijdig theologisch. Wellicht heeft Barth dit zelf ook aangevoeld. Veelzeggend is in dit opzicht zijn 75 e verjaardag op 10 mei 1961. Barth werd ter gelegenheid daarvan bewierookt. Zelf relativeerde hij zijn theologie in een toespraak in restaurant Bruderholz in Bazel, sterk. Hij zei: “Als ik opnieuw begon, zou ik het wellicht allemaal heel anders doen. Ik zou andere aspecten naar voren halen.” Deze zin heeft heel veel losgemaakt bij zijn trouwe vriend Miskotte, die de samenkomst in Bazel bijwoonde. Hij schreef Barth een boze brief (een ‘tranenbrief’), waarin hij de Kirchliche Dogmatik van Barth zo’n gewicht gaf, dat zijn geloof ermee stond of viel. Hij was van zijn stuk gebracht door de relativerende woorden van Barth: “Een afgrond deed zich open….”
Wat kan Karl Barth bedoeld hebben met zijn opmerking? Duidelijk is dat hij bij alle lof die hem toegezwaaid werd een relativerend geluid wilde laten horen. Maar er speelde meer. Barth meende wat hij zei. Veelzeggend is, dat hij in zijn correspondentie, korte tijd na dit ‘incident’ verzucht dat hij zijn laatste gedeelte van zijn dogmatiek over de eschatologie (de leer van de laatste dingen) nog moest schrijven en dat hem dit heel zwaar viel. In deze jaren geeft hij ook toe dat hij in onderscheid van Bonhoeffer in de jaren dertig, toen Hitler de Jodenvervolging begon, nauwelijks oog had voor het Jodendom en dat hij zich instinctief ver hield van de Joden. Ook kwam hij er niet toe om zich te zetten tot bestudering van de geschriften van Martin Buber en andere Joodse denkers. Dit is veelzeggend. Juist zij grepen in de catastrofe van de Eerste Wereldoorlog terug op het Oude Testament en herontdekten de betekenis daarvan als een historisch boek, waarin het vuur brandt van de verwachting van Israël, een verwachting van Gods heil op deze aarde.
Barth sprak in die tijd over het neen van God over de hele wereld, vanuit het perspectief van zonde en genade, of liever van genade en zonde, vanuit wat wel genoemd wordt de volstrekte eschatologie: het heil is van de ándere kant en heeft niets te doen met onze werkelijkheid. In zekere zin is Barth zijn leven lang in deze gedachtegang blijven hangen. Dat verklaart zijn moeite met het schrijven van een echte eschatologie, een leer van de laatste dingen, een troostende visie op de geschiedenis en het einde daarvan. Zijn theologie heeft dan ook meer weg van een gedachteconstructie dan van een concrete troost in de barre werkelijkheid van de geschiedenis.
We moeten dus stellen dat Barth de vragen van deze tijd serieus heeft genomen, maar dat hij ondanks zijn pogingen ertoe, niet in staat is gebleken een werkelijk antwoord te geven op de vragen van de tijd, en zeker niet op die van een ‘boze’, een revolutionaire tijd. Dat komt omdat zijn theologie zeer verstandelijk en dogmatisch is.
De dogmatische invalshoek van zijn denken belette het hem om de Bijbel als historie recht te doen. Zijn theologie is onhistorisch en daardoor staat zij open voor allerlei vormen van ideologisch denken. De jaren na de Tweede Wereldoorlog hebben dat bewezen. In de decennia na de Tweede Wereldoorlog bleek het verweer van leerlingen van hem, Kuitert, Berkouwer en Miskotte tegen de tijdgeest niet groot te zijn. Sterker: veel van zijn leerlingen gingen mee met het moderne, revolutionaire denken. Sommigen werden er de kerkelijke voortrekkers van. En dat met een beroep op het Evangelie! De wapenuitrusting voldeed niet. Het was niet de gehéle wapenuitrusting van het geloof die nodig is in de ‘boze dag’. Barths instrumentarium schoot te kort. Met zijn nadruk op het volstrekt andere van het Evangelie, verdampte het werkelijkheidskarakter van het Evangelie, verdampte de vleeswording van Christus, verdampte de kerk en het kerkbesef, verdampte de Staat en de ethiek. De gevolgen zijn tot op de dag van vandaag in de protestantse theologie als met de handen te tasten…
Om bij het thema van deze middag te blijven: Barths theologie kreeg meer en meer de trekken van een (dogmatisch) harnas, weliswaar dialectisch, bewegelijk, en toch een keurslijf dat eenvoudigweg niet voldeed. Het is als met David, toen hij in het leger van Saul kwam ten tijde van de oorlog met de Filistijnen. Toen hij de braller Goliath hoorde smalen, werd hij er zo door geraakt dat hij de strijd met de reus wilde aanbinden. Maar het harnas dat men hem aanbood, voldeed niet. Het hinderde veelmeer dan dat het hielp.
Is er een antwoord in de Bijbel?
Maar waar moeten we de gehele wapenuitrusting dan wel zoeken? Dat is een nijpende vraag. Mag ik in dit verband aandacht vragen voor de weg die dr. W. Aalders ons gewezen heeft, onder andere in zijn boek De kerk het hart van de wereldgeschiedenis? Hij wees op de geweldige taak van de kerk na de Franse Revolutie, de taak om het volk weer troostend en leidend te verbinden met de dingen van het Koninkrijk Gods.
Wat in de tijd van en kort na de Franse Revolutie in Europa wakker geroepen is, werkte desastreus in op West-Europa en via West Europa op grote delen van de héle wereld. In Frankrijk vond in 1793 (in de Vendée) de eerste genocide plaats. Ik bespaar u de details van de moordpartijen, die in gruwzaamheid nauwelijks onderdoen van wat wij nu horen en zien uit de moslimwereld. Men kan een regelrechte lijn trekken van de Franse Revolutie naar de Russische Revolutie van 1917, naar de Eerste Wereldoorlog, naar het nazisme dat ten grondslag lag van de Tweede Wereldoorlog en naar de Culturele Revolutie van Mao Tse-tung in China.
De Franse Revolutie dus is als de doos van Pandorra. Zij bracht teweeg datgene wat Mircea Eliade noemde “het schrikbewind van de geschiedenis”. Dit schrikbewind heeft vooral de mens van de 20 e eeuw voor geweldige vragen, ja voor een afgrond geplaatst. De belevenissen van de Shoa, de verschrikkingen van kampen als Auschwitz brachten velen tot vertwijfeling over de zin van de geschiedenis. Niet voor niets werd er gesproken over het leven als een Sein zum Tode, een ‘er-zijn met het vooruitzicht op de dood’. Sandor Marai, de schrijver over wie ik sprak, is er een toonbeeld van. De schrijver was door de ervaringen van twee wereldoorlogen en van de voosheid van het communisme aan het nihilisme ten prooi gevallen, iets dat zich in zijn ouderdom op dramatische manier wreekte.
Is er een antwoord voor zúlke mensen in het Evangelie? Worden zulke mensen geholpen door een nóg eens accentueren van het neen van God, waarin het ja verscholen ligt? Of door een Evangelieprediking die genoeg heeft aan het prediken van zonde en genade voor de enkeling?
Is er een vollediger wapenrusting? Wij hebben die nodig omdat wij overal om ons heen te maken hebben met ‘de boze dag’, met een doorbraak van het kwaad, waar zelfs de schepping op lijkt te reageren!
De gehele Bijbel
Welnu, ik ben van mening dat de Here God ons in al deze vragen niet alleen gelaten heeft. Als onze ogen ervoor open gaan, zou het ons wel eens kunnen vergaan als Israël, toen het terugkeek op de woestijnreis naar het beloofde land. De Israëlieten moesten erkennen dat het hun aan niets ontbroken had. God had voor hen gezorgd, alleen ze hadden het zó vaak over het hoofd gezien…
Waaraan ik denk? Ik ben van mening dat juist rondom de Eerste Wereldoorlog de kiem al gelegd werd voor een grootsere belichting van het Evangelie dan veelal beseft wordt.
Juist toen werd van de kant van de bijbelwetenschappen de tijd ontdekt die nieuw licht laat vallen op het grootse van het Evangelie: de intertestamentaire tijd, een tijd waarin èn de apocalyptische geschriften geschreven werden èn de Septuaginta tot stand kwam. Mensen als Martin Buber en Albert Schweitzer en Johannes Weiss (om maar enkelen te noemen) hielpen het Evangelie te ontdekken tegen deze achtergrond!
Daar kwam bij dat er tal van vondsten werden gedaan, die een geweldige impuls gaven aan de bestudering en de actualisering van het Oude en Nieuwe Testament! Ik wijs maar op de papyrusvondsten die er waren in de woestijn van Egypte. De kroon op dit alles vormden de vondsten in Qumran en een boekrol van de 12 kleine profeten in de jaren vijftig van de vorige eeuw, een rol die nota bene geschreven werd in de tijd van Christus zelf. Door deze vondsten kwam men regelrecht in aanraking met de tijd van Christus, een tijd die door Paulus “de volheid van de tijd” wordt genoemd. Die wereld ging voor ons open: de intertestamentaire tijd, die van de apocalyptische geschriften als van Daniël, de tijd van de wijsheidsgeschriften waarvan Job de indrukwekkendste is.
Terzijde zij opgemerkt dat ook Kohlbrugge daar gevoelig voor was. Juist in zijn dagen kwam er een hernieuwde belangstelling op gang voor het hellenisme, de tijd van de Griekse overheersing met zijn enorme invloed op de hele wereld van toen! “Ik heb de Septuagint gelezen”, schreef hij, “en ik heb veel geleerd…” Was het wellicht zijn inspiratie die zijn schoonzoon Eduard Böhl ertoe gebracht een groot deel van zijn leven te wijden aan studie van het Oude Testament en de intertestamentaire periode?
Het is nu van eminent belang om in een tijd als de onze het Evangelie te belichten vanuit late Oudtestamentische geschriften en de intertestamentaire periode, omdat tóen dezelfde vragen speelden als nú! Alom was er een gevoel van onzekerheid, alom leefden vragen over waar het met de wereld heen moest, alom was er een besef dat er iets in deze wereld niet in orde was en overal deed zich de vraag naar het heil en het wereldeinde gelden. Het zuiverste zijn deze vragen verwoord in Israël, vooral in de boeken die ik zojuist noemde: Job en Daniël.
En op déze vragen geeft het Evangelie antwoord! Enigszins overtrokken, maar niet zonder waarheid zei Ernst Käsemann (1906 – 1998): “de apocalyptiek is de moeder van alle christelijke theologie geweest”
Met andere woorden: het Evangelie is op deze apocalyptische vragen, die ook op onze deur kloppen in een ‘boze tijd’ berekend. Mag ik u in herinnering roepen de veelzeggende titel van het laatste boek van dr. W. Aalders? Deze luidt: Confiteor, ik belijd het Evangelie in een apocalyptische tijd. Dr. Aalders heeft als weinig anderen gepeild hoezeer het Evangelie hét antwoord is op de ultieme vragen van de mensheid!, en hoe de hele bijbel in verband staat met deze vragen!
Met andere woorden: Als wij de gehele wapenrusting van het geloof aan willen doen, dan zijn wij aangewezen op de héle Bijbel. En in een tijd als de onze zijn wij vooral aangewezen op die geschriften die geschreven zijn in de periode dat Israël hardhandig met de wereldgeschiedenis in aanraking kwam. Begenadigde schrijvers als de auteur van Daniël en van Job en de Septuagintavertalers hebben met de vragen van toen geworsteld. Hun geschriften leveren de beste introductie op het Evangelie en doen ons het Evangelie verstaan in het licht van de laatste vragen van het menszijn en van de geschiedenis.
Hedendaagse getuigen
De afgelopen week maakte ik een symposium mee ter ere van de bekende Nieuwtestamenticus Martin Hengel in Tübingen, die onlangs de leeftijd van 80 jaar bereikte. Het thema was: heilsgeschiedenis. Het is niet toevallig dat het op zijn voorstel was dat men dit thema verkoos voor het symposium. Zijn eigen bijdrage had de heilsgeschiedenis als speciaal thema. Hij sprak over het moment van Christus’ komst in het vlees: “Tóen was de tijd vervuld, dat wil zeggen: ze was rijp geworden.” Hij illustreerde dat aan de hand van de heilsgeschiedenis zoals die in het Oude Testament en vooral in de tijd na Maleachi naar voren komt.
Welnu, nergens is met meer nadruk gewezen op het belang van de kennis van deze periode als aan de theologische faculteit van de Eberhard-Karls-Universität in Tübingen. Daar doceerde iemand als Hartmut Gese, die speciaal aandacht vroeg voor de fasen van Gods handelen in Israël. Eerst openbaarde Hij zich aan de aartsvaders, vervolgens aan Mozes op de berg Sinaï. Daar werd Israël tot Gods volk. Vervolgens brak ten tijde van koning David een nieuw tijdperk aan: de openbaring op de Sion, met de tempel als middelpunt. Tijdens het koningschap in Israël traden de profeten naar voren. Jesaja kreeg in de tempel zijn roepingvisioen. Hij proclameerde de God van Israël als de koning van de gehele wereld. De hele wereld kwam dus in het vizier! Wat een omslag betekende dat! Toen kwam de catastrofe in Israël, de wegvoering, die was voorzegd door die andere grote profeet, Jeremia. Tóen kwam Israël in aanraking met het schrikbewind van de geschiedenis. Wat Sandor Marai beleefde, beleefde Jeremia óók! De Klaagliederen zijn er het bewijs van. En wat te denken van Job, die de ene catastrofe na de andere meemaakte en daardoor als geen ooit gedaan had, met de vraag worstelde of hij op Gods scheppingstrouw terug kon vallen in de maalstroom van de geschiedenis. Na de ballingschap wordt het de tempelstad Jeruzalem en het betrekkelijk kleine gebied van Judea waar de Joden wonen onder de voet gelopen door de Grieken, en vervolgens is het schatplichtig aan de Egyptenaren en de Syriërs, die sterk onder Griekse invloed staan. Nog geen twee eeuwen voor Christus leidt dit tot een geweldige confrontatie met Antiochus Epiphanes IV, die de tempel ontwijdt. De verdeeldheid in Israël is enorm.
En juist in díe tijd heeft God een geschrift doen ontstaan dat een antwoord geeft op de geweldige vragen van de geschiedenis: het boek Daniël. Dat was het geboorte-uur van de zogenaamde apocalyptische literatuur, die het volk van Israël over de einder van de geschiedenis heen deed zien naar een verwachtingsvolle toekomst aan het einde van de apocalyptische weeën die het meemaakte. Die tijd zou ingeluid worden door een mysterieuze gestalte, die de Zoon des mensen heet. In die tijd nam ook het Jodendom in Egypte een grote vlucht. De heilige Schriften van Israël werden er vertaald in het Grieks. Dat was al gebeurd met de eerste vijf boeken van Mozes. De anderen volgden in deze vertaling Ze kregen een canoniek karakter en de invloed van deze vertaling strekte zich uit tot in Palestina, ten tijde van de Here Jezus Christus.
Deze vertaling is bijzonder. Op een heel bijzondere manier wordt Israëls verwachting erin naar voren gebracht. Het is alsof de contouren van de komende Heilbrenger zich in de Septuaginta scherper dan ooit aftekenen. Men waant zich op de drempel van het Nieuwe Testament. En… de Septuaginta brengt ons daar ook. Want op de verwachting die daarin op een indrukwekkende en geestelijke manier naar voren komt, sloot het Nieuwe Testament aan.
Ja, op die verwachting sloot Christus zelf aan, na zijn doop in de Jordaan, als degene die predikte dat in Hem het Koninkrijk der hemelen nabij gekomen is! Het Woord was vlees geworden!
Welnu, wie de bijbel vanuit deze invalshoek leest (en haar in zijn geheel tot zijn recht doet komen) hoeft niet bang te zijn dat hij te maken heeft met een theologische constructie, die het Evangelie wereldvreemd doet zijn; hij heeft niet te maken met een boodschap van genade en zonde die als een raster over de werkelijkheid wordt gelegd, maar met levende historie, met werkelijke heilsgeschiedenis. Hier is sprake van een werkelijk antwoord op de vragen van de geschiedenis in Christus, die als de Zoon des mensen, de door Daniël aangekondigde drager van Gods wereldwijde heil in deze wereld is gekomen. En de woorden ‘dé Zoon des mensen’ is één van Christus’ meest geliefde aanduidingen voor zichzelf…
De weg die Groen wees: de kerkelijke weg, ook in Nederland
Na de Tweede Wereldoorlog is er in de kerken veel te weinig oog geweest voor nieuwe ontwikkelingen op het gebied van de bijbelwetenschap en archeologie. Zeker in Nederland was dat het geval. Dat heeft ongetwijfeld te maken met de overwegende invloed van het barthianisme, dat er voor zorgde dat er nauwelijks belangstelling was voor het belang van de historie. Dat wreekte zich op allerlei gebied, ook kerkelijk. Het ontbrak de kerk aan een werkelijk bijbelse oriëntatie en aan een werkelijk bijbels fundament. Daardoor stond ze zo weerloos tegenover de secularisatie en offerde ze haar historie op.
Daarbij kwam dat verschillende geleerden, die wel historisch dachten in de eerste decennia na de oorlog overleden. Te denken valt aan W.C. van Unnik (1910- 1968) en A. Th. Vriezen (1899 -1981). Na hen ontbrak het goeddeels aan hoogleraren, die thuis waren in de wereld van het Oude en Nieuwe Testament en met hun kennis de kerk wilden dienen. Dat valt zéér te betreuren. In Nederland heeft, bij mijn weten, eigenlijk alleen dr. Aalders kans gezien om de ontwikkelingen op het gebied van bijbel en archeologie vruchtbaar te maken voor de gemeente. En dat met de bedoeling om de gemeente in staat te stellen om zich in deze ‘boze’, apocalyptische tijd te wapenen met de gehéle wapenrusting Gods! Want alleen vanuit de historie kan het Evangelie functioneren als een heiltijding in een apocalyptische tijd.
Tot slot
Groen van Prinsterer schreef in zijn voorrede op Ongeloof en Revolutie: “Ik eindig met de verklaring dat ik tegen alle wijsheid der mensen, bij het gevoel van eigen zwakheid, twee woorden, als onderpand der zege, ten leus heb: er staat geschreven! er is geschied!, een fundament tegen elk schutsgevaarte, een wortel tegen iedere wervelwind van filosofisch ongeloof bestand.” Wie oog heeft gekregen niet alleen voor het ‘er staat geschreven’, maar óók voor het ‘er is geschied’ is in staat de gehéle wapenrusting Gods aan te trekken en hoeft niet angstvallig te zijn zoals die ene soldaat, die overal te vinden is, behalve waar de vijand zijn aanval inzet. Hoezeer zou de kerk van Christus tot bloei kunnen komen als zij dit historisch fundament weer weet te vinden en vruchtbaar weet te maken! Het lijkt me in een tijd waarin de islam oprukt meer dan ooit noodzakelijk! De wapenuitrusting ligt voor het oprapen en dat vooral in allerlei studies, die (meest in het buitenland) de afgelopen decennia zijn geschreven!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 4 augustus 2007
Ecclesia | 16 Pagina's