Kerstmis 1992
Een kerstgeschiedenis uit eigen land, het platteland van Drente, omstreeks het begin van deze eeuw.
Lize glimlachte. Die kennismaking was heel goed verlopen. Hettie's vader was voornemens geweest zijn grote buiten nu te verkopen en zijn zaken in Oost- Indiè in enkele jaren af te ronden. Zijn vrouw was helaas overleden en met de steeds wisselende gouvernantes op 't huis vereenzaamde zijn dochtertje zeer. Haast plechtig had hij Lize verzocht de 'moeder'zorgen over te nemen. Lize verwachtte haar met open armen, 't was zo'n lief kind, Hettie. Met grote zorg was de mooiste kamer boven in gereedheid gebracht. Oosterse tapijtjes, een prachtige divan, kelims, ikafkleedjes, sarongs, wajangpoppen en ivoren beeldjes, nog enkele goudkleurige schemerlampen waren uit 't grote huis gekomen om 't lieve kind iets van 'thuis' mee te geven. Een ongekende weelde voor de Wemerkinderen. Maar de aandacht, de warmte, kortom: de liefde, die zal van ons moeten komen, dacht Lize. 't Was een eenzaam meisje, had Lize gevoeld en 't kind hing zo aan haar vader. „Moge ik een plaatsje vinden in haar hart", bad Lize eenvoudig, „lieve God, laat mij het juiste woord vinden, ik sta zo open om haar te helpen. Moge zij bij ons een plekje 'thuis' vinden."
Met een ruk kwam Lize tot de werkelijkheid. Gejuich van kinderstemmen, „Lizemoeder, slaap je?" Geen tijd meer voor dromen, voor overpeinzingen, 't Eten, de kinderen, naar bed helpen. En daar was ook mijnheer Zilverwit. „Zorgen?" vroeg hij vriendelijk.
„Och nee", zei Lize, „alleen die dames morgen. Als ik nu eens Katrien vroeg flensjes te bakken voor de lunch. Maar alles wat anders is dan anders, wekt haar woede op. Ik durft 't nauwelijks te vragen."
Het antwoord van Katrien was kort maar krachtig. Toen Lize in de vroege morgen niet begreep waarom er geen vuur was aangelegd op de haardplaat, er geen kokend water was voor de thee, de ontbijttafel niet gedekt, riep zij, nog onvoorbereid: „Lieve Katrientje van ons. heb je je verslapen?"
Er kwam gegen antwoord. Katriens slaapkamertje binnentredend, zag Lize slechts een afgehaald bed met daarop een briefje: „Ik ken 't niet langer uithouwe hier. Ik wor gek. Ik gaan terug naar Amsterdam. Geef me loon maar aan juffrouw Mien, ik haal 't daar wel. Ik wens de juffrouw veel suukses. Katrien." Dat was alles. In alle vroegte moest zij vertrokken zijn,
In alle vroegte moest zij vertrokken zijn, lopend over de hei. Ze zat nu waarschijnlijk al in de trein, op weg naar haar onvolprezen Amsterdam, 't Was Lize, of zij een slag op haar hoofd kreeg. Hoe nu verder? En straks kwamen de dames. Lize maakte 't vuur aan, kookte theewater, maakte pap, hielp Eva naar school. Tranen in haar ogen. Katrien, met haar boze humeur, zelden lachend, zelden vrolijk, was toch zo vertrouwd. Bij de koffie, onder de meidoom, samen met mijnheer Zilverwit, kwam er weer een voorzichtig lachje op haar gezicht. „Dan zal ik nu maar flensjes gaan bakken. De kamers zijn keurig om te bezichtigen. Maar dan? Er is teveel poets- en boen- en schuurwerk. Ik kan 't niet alleen."
„Kop op, moedertje-Lize, komt tijd, komt raad. Heeft de familie Hobbe niet een alleraardigst dochtertje Pietertien?" opperde mijnheer Zilverwit opgewekt. „Niet voor vandaag, maar dan toch voor later."
„Wat bent u toch een heerlijke steun, als ik er geen gat meer in zie", zei Lize dankbaar. „Natuurlijk, ik staar mij blind op Katrien. Het leven gaat gewoon verder. Zou Pietertien het willen, denkt u? We zullen 't gewoon gaan vragen, nietwaar?"
„Zó ken ik je weer, moedertje-Lize, nooit voor één gat gevangen."
Een vrolijk fluitje klonk om de hoek van de meidoornstmik. „Meta!", riep Lize uiterst verbaasd.
„Om een lang verhaal kort te maken", zei Meta - Miens hartsvriendin en apothekerscollega - „hier ben ik. Ik had twee vrije dagen en Mientje niet. Je schreef Mien al je zorgen over Katrien en de visitedames en kijk eens!!"
Ze maakte haar city-bag open: „Een pannetje dril-bouillon, Lize, met heerlijke verse soepgroenten en balletjes, door moeder getrokken van poulet. En hier Lize, een trommel verse soesjes. Als we de helft nu eens met kaascrème vullen en de andere helft met slagroom voor het dessert. Want zie je, dit heb ik ook meegenomen. Verse slagroom en een grote korf aardbeien. Zeg me maar, waar moet ik beginnen?"
't Was even haast teveel voor Lize. „Meta, oh."
De omhelzing, lachen, tranen, alles kwam tegelijk, 't Verhaal van de trouweloze Katrien. „Wacht maar, moedertje Lize, ik ben zo temg, het meisje, dat de gerechten klaarmaakt en ook nog aan tafel bedient, zul jij hebben, en beter dan Katrien, want met een blij gezicht. Zet de soep op het stel en dek de tafel maar hier buiten, 't weer is er mooi genoeg voor. Ik ben zo temg." Verbluft volgde Lize alle aanwijzingen.
Verbluft volgde Lize alle aanwijzingen. Ze dekte de tafel met zorg. En daar was Meta, onherkenbaar, temg
En daar was Meta, onherkenbaar, temgkomend van de Hobbetjes, in 't Drents boerenkostuum. „Ik ben uw nieuwe meisje Mietje voor vandaag mevrouw, zegt u maar hoe u 't hebben wilt."
Onderweg had zij korenbloemen, margrietjes en klaprozen geplukt, die zij nu in sierlijke mikertjes op tafel rangschikte.
De dames bleken opgetogen. Zo'n feestelijke, verzorgde tafel met zo'n keurig bedienend meisje hadden zij in 't geheel niet verwacht. Blozend en zwijgzaam, geheel naar Drentse aard, bediende 'Mietje'.
Slechts eenmaal viel zij - slechts opgemerkt door mijnheer Zilverwit, die ingewijd, hier veel plezier om had - door de mand. Maxje werd oor de vele loftuitingen van de dames op een moment vrijpostig.
„Tranen van gevoel" zei één der dames - duidend op de liefdevol verzorgde tafel, ze was pas weduwe geworden - „Ja", riep Max, „die biggelen langs mijn s....".
„Max, ga onmiddellijk naar de keuken, naar Mee.... Mietje, nu meteen." „Och", zeiden de dames, „hij is toch
„Och", zeiden de dames, „hij is toch zo lief." „Soms moet hij tot de orde geroepen
„Soms moet hij tot de orde geroepen worden", zei Lize onverbiddelijk.
„Schnell fertig ist der Jugend mit dem Wort", merkte mijnheer Zilverwit vergoelijkend op.
„Maar dat is toch uit Sch " zei Mietje, die de soepborden opstapelde.
Een hartelijke knipoog van mijnheer Zilverwit riep haar tot de orde. „Lieve, schattige Mee-Mietje", zei mijnheer Zilverwit vrolijk, toen de dames vertrokken waren onder veel dankbetuigingen voor het genotene, „wat een opmerkelijk Drents boerenmeisje hebben wij hier". Hij gaf haar een vriendschappelijk kneepje in de wang, „Zo stil en keurig aan tafel bedienend en daarbij op de hoogte van citaten uit Schiller's?"
„Wallenstein", gaf Meta nu lachend toe. „Een bijzonder meisje", zei mijnheer Zilverwit.
Eén grote familie
De dame - vergezeld van haar vriendinnen op de bevmste dag - liet weten toch een verblijf op Mallorca te prefereren boven de Drentse hei. Doch, zeer onder de indruk was zij van Lize's ontvangst, de heerlijk verzorgde lunch en de verblijfmogelijkheid in 'Huize Elisabeth'. In wijde kring zou zij Lize's pension aanbevelen bij vrienden en kennissen. „Nu, dan zijn 't optreden van Mee- Mietje en haar soesjes met aardbeien toch niet voor niets geweest", dacht Lize.
Van Katrien geen woord meer. „Arme Katrien", dacht Lize, „als zij nu in Amsterdam maar gelukkig wordt. Als zij eens maar ontdekt dat 't zonnetje in een mens zelf schijnt. Dan is 't immers overal uit te houden? Zelfs hier, ook juist hier", dacht Lize, „met de eeuwig fluitende wind over de Drentse heide, en toch zoveel hartelijke, vriendelijke mensen om ons heen."
Pietertien van de Hobbetjes had nu haar intrede gedaan. Blakend van ijver en werklust. ,Als een klein werkpaardje", dacht Lize, „zo lief" Ze had haar eigen kleine slaapkamertje gekregen en voelde zich de koning te rijk in haar 'eigen' kleine keuken, die zij inwijdde met een kleine vuurrode geranium voor het raam. Ze schrobde, boende, schuurde de potten en pannen dat 't een lieve lust was. Ze hakte hout en haalde turf uit 't dorp in de kmiwagen van de Hobbe's, legde 's morgens in alle vroegte het vuur aan in de grote haard en hield dat bij. „Je leert 'r maar olies, juffrouw", had vrouw Hobbe gezegd, „ook dat wat wie niet gewend bint."
Daar was het tafeldienen! Lize hechtte met 't oog op Maxje en Eva - nu ook Hettie - aan de tradities van het ouderlijk huis. Pietertien at dus in haar kleine keuken en had de taak aan de grote tafel borden te wisselen, gebmikt tafelzilver in te zamelen in het 'zilvermandje'. [Opmerking: het was in die tijd (1909!) nog gebmikelijk dat het meisje, staande, meebad bij de aanvang van de maaltijd, maar dan wel alleen at in haar eigen keuken(tje). Heel vaak ook tot hun eigen genoegen, 't was 'vrijer'. Men dacht nog niet aan discriminatie. Met 't wisselen der gerechten werd zij opgeroepen door een tafelbelletje en verwisselde dan de borden en diende 't nieuwe gerecht op in verschillende schalen. In welgestelde families had men hiervoor speciaal een tweede meisje in dienst: het binnenmeisje. Zij droeg ook zorg voor het poetsen van het tafelzilver.] „Nee määr!", zei Pietertien bij alle
„Nee määr!", zei Pietertien bij alle vreemde dingen, die zij nu moest leren, „nee määr!" Eén ding had Lize Pietertien nog niet af kunnen leren: bij iedere vork, iedere lepel, ieder bord of ieder mes, die zij moest wisselen, zei zij ,Alsjeblieft!" en „Dank je wel!". Zeer luid en duidelijk geïnstmeerd door vrouw Hobbe. Een opmerking van Lize hierover had tot nu toe alleen maar een nóg verbaasder „nee maar!" van Pietertien tot gevolg. Daarbij zong zij en floot zij onder 't
Daarbij zong zij en floot zij onder 't schrobben en schuren en bedden opmaken, zo luid en in huis zo alom tegenwoordig, dat ook Lize hier moest vragen zich iets in te tomen. Voor geen goud wilde zij Pietertiens plezier in het werk bederven, noch haar heerlijk goede humeur, maar „Kan 't iets zachter. Pietertien?" „Nee maar" zei Pietertien, „nee maar", en deed haar best. Zonder veel succes tot nu toe. „Een meisje in huis mag wél gezien, maar niet gehoord worden", dat was voor Pietertien iets geheel nieuws.
Ook in haar kommentaar nam zij geen blad voor de mond. „Daar komt juffrouw Mien!", riep zij, „nu, dan zal de jonge dokter wel gauw koom'n."
De 'jonge dokter' was Dr. Freeze, de zoon van mijnheer Zilverwit, die nu in 't dorp zijn nieuwe praktijk gevonden had.
„Pietertien", zei Lize bestraffend, „dat mag je toch niet zeggen. Daar is geen sprake van."
„Let maar op", zei Pietertien blozend, met gebogen hoofd. „Straks komt hij. En wie legde er een takje witte hei naast juffrouw Miens bord? Dat doen wij allinne maar veur een geliefde."
„Foei, Pietertien, voor zulke gedachten", zei Lize.
„Wat is daar veur verkeerds aan", zei Pietertien onbevangen, „de jonge dokter blieft een vrouw, dat is al", en fluitend ging zij weer aan 't werk.
Zocht de jonge dokter. Ernst Freeze, niet de gezelligheid rondom de grote open haard in 'Huize Elisabeth' en een goed gesprek met zijn vader, mijnheer Zilverwit, oud marine-arts en wellicht nog zeer ter zake kundig in moeilijke medische gevallen? vroeg Lize zich af „Vaker als Mientje hier is? Ach, gekke Pietertien", besloot zij voor zichzelf
Pleegdochtertje Hettie had nu ook haar intrede gedaan in 't huis. Aanvankelijk bleek en bedroefd: 't ouderlijk huis - het grote buiten - verkocht. Haar vader vertrokken naar Indië. Maar al gauw leefde zij mee met al wat in huis gebeurde, met Maxje en zijn Solli. Met Eva, met wie zij nu samen op school ging in Assen, 's morgens vroeg op de fiets over de hei naar 't kleine station. „Ze leefde op, kreeg heerlijke rode wangen", dacht Lize blij, „ach alles was hier ook zo normaal, zo prettig en mstig." De oude heer Freeze, mijnheer Zilverwit - als goede vijftiger was hij zo oud nog niet, dacht Lize - vervulde in elk opzicht de rol van 'de man in huis'. Aan tafel niet alleen, in elk opzicht, de mstige vraagbaak voor ieder. ..Wat een heerlijke steun", dacht Lize, „altijd weer en nooit moe." Zij dacht aan 't diepernstige gesprek met
Zij dacht aan 't diepernstige gesprek met de vader van Hettie. Na enkele bezoeken had hij haar en vader Freeze zijn probleem voorgelegd. „Familie hebben wij verder niet in Nederland", zei hij bezorgd. „U wil ik graag mijn dochtertje toevertrouwen. Ik heb gezien, dat 't hier goed is. Dat zij de opvoeding zal krijgen, die ik voor haar wens. Ik ben daar zeer, zeer gelukkig mee. Ik zou u willen verzoeken - en denkt u hierover na en laat 't mij weten - in geval mij iets mocht overkomen in Indië, het voogdijschap over mijn dochtertje te aanvaarden, met u, heer Freeze, als toeziend voogd. Als u beiden hiermee instemt, wat ik van harte hoop, laat ik notarieel haar hele nalatenschap vastleggen, mijn wensen rondom haar verdere studie en haar toekomstige verblijf in uw huis. Vanzelfsprekend wordt dit van harte gehonoreerd."
Lize was geroerd geweest en in overleg met de 'oude' heer Freeze had zij ingestemd met 't verzoek. Dochtertje Hettie was hiervan geheel onkundig, het zou haar alleen maar vreselijk ongemst en overstuur gemaakt hebben.
Het leven ging nu mstig verder en kleine Max deed, mét SoUi, zijn intrede tot het 'klompenschooltje' in 't dorp. Lize vond het beter, dat hij tussen leeftijdgenootjes verder opgroeide, nun met zijn vijfjaar. Later wees alles zich weer vanzelf. Hij was opgetogen ven vertelde dolle verhalen over Berend en Jan en Härmen, wat die allemaal durfden! Tot zijn verbazing leerde hij nu ook letters en cijfers en hij werd wat vrijpostiger.
„Kleine Max zal grote Max worden", dacht Lize. „En ik de 'moeder' van hem én Eva én Hettie. Wat een taak nog voor de boeg". Lize was nu twee-en-twintig. Als jong meisje thuis bij vader en moeder had zij nu bals bezocht en feesten om jonge vrienden te ontmoeten. Zij miste het niet pijnlijk. „Wat een andere taak is er voor mij weggelegd", overdacht zij, „zo moet God 't gewild hebben. Vader en moeder, ik doe mijn best. En zo grääg", besloot zij bij zichzelf Hettie had nu wat speciale aandacht nodig. Ze miste haar vadertje heel erg en spelde zijn brieven. „Lize, lees toch. Nü moet ik studeren, zoals vader nu eenmaal moet werken. En later, zegt vader, gaan wij grote reizen maken, zoals hij vroeger met moeder deed."
„Weetje", zei zij vertrouwelijk, „vader is alles in de wereld wat ik heb. Heel lang dacht ik, dat er niets anders was. Ik was zo ongelukkig met mijn steeds maar wisselende gouvernantes. Maar Lize, 't is nu anders. Ik voel jou als mijn moeder, Lize. Wil je dat alsjeblieft altijd blijven?"
Lize omhelsde haar hartelijk en kuste haar als elke avond goedenacht. „Bid voor papa", zei ze zacht, „dan is hij heel dicht bij je."
Eva, kleine wispelturige Eva. Bezorgd dacht Lize, dat kleine bleekneuzige Eva'tje met altijd bronchitis in hun ongezonde behuizing in Amsterdam, haar taken voor school, omdat zij die niet bezoeken kon, toch zoveel aandacht en overgrote bezorgdheid gevraagd had. Lize wilde 't haast niet bekennen voor zichzelf; zij had Eva verwend. Door en door. Eigenlijk was er geen belangrijker persoontje op de wereld dan Eva. En toch was er ook: Maxje. En nu daarbij: Hettie.
Eva was briljant op school. Ze was eerzuchtig en ijverig, wilde uitsluitend tienen halen. Als 't niet anders kon. een negen. Dat was het probleem niet. Eva voelde zich gebelgd door Lize's weinige aandacht voor wat Eva zag als het enige wat er op aan kwam in huis: het vinden van het parkementen gebedenboekje. De 'schat', waar zij immers allen beter van zouden worden. Lize hoefde dan niet meer'elke stuiver om te keren', zoals Eva het noemde en zij. Eva, zou 'met prachtig-mooie' warme kleren en nieuwe laarsjes zoals de andere meisjes droegen op school de winter in kunnen gaan. Op een nieuwe mooie fiets over de hei, en niet meer op die ouwe, lelijke rammelkast van Mien.
Als vriendinnetje mocht zij Hettie graag, maar Lize was Hettie's vertrouwens'vrouw', niet zij. Eva. Dat voelde zij heel goed. Lize traclitte heel bewust haar aandacht te verdelen tussen Eva en Hettie. Betrok Eva overal bij. Maar aan Eva's probleem 'het vinden van de schat' besteedde Lize naar Eva's smaak nauwelijks enige aandacht. Zij voelde zich zeer tekort gedaan. En toonde zich allerminst 'Lize's rechterhand', wat ze Mientje toch zo plechtig beloofd had. Óp een mistige herfstdag, thuiskomend
Óp een mistige herfstdag, thuiskomend uit school, ging Eva zoals gewoonlijk op zoek naar de 'schat', turend in kieren, hoeken en gaten, gewapend met een loep en een zaklantaarn. Zoals gewoonlijk toonde Lize niet de flauwste belangstelling. Na de thee bij 't vuur had Hettie Lize gevraagd even op haar kamer te komen. Lize ging.
Zó boos was nu Eva, zo verschrikkelijk boos! Probeerde zij. Eva, niet het gezin van voortdurend geldgebrek te redden? Was het soms in 't geheel niet belangrijk wat zij deed? Het allerbelangrijkste! En het kon Lize niets schelen. Nu zat zij weer bij Hettie. Nu moest zij 't ook maar eens goed voelen.
Eva sloeg haar jasje om en ging de hei op. Schemerig werd 't al en de mist hing koud en klam om haar heen. 't Kon haar niets schelen. Was wat zij deed - al dat speurwerk - dan niet belangrijk? Was zij. Eva, in Lize's ogen eigenlijk nog wel belangrijk? Welnee! Bij Hettie zat zij, dag in dag uit. Of Maxje was er weer, met zijn verhalen van 't schooltje. Wie keek er om naar haar?
Eva liep verder en verder. Er was nu geen pad meer te onderscheiden op de heide, ze was 't hunebed reeds lang voorbij. Er was geen enkel lichtje, alleen de mist en 't vergevorderde duister. Heel in de verte hoorde ze nog 't geblaat van de schapenkudde van Hannes, de herder, en 't korte geblaf van de hond. Op 't gevoel ging zij op 't geluid af. Wat
Op 't gevoel ging zij op 't geluid af. Wat was 't koud en klam op de hei, huiverend trok zij haar dunne jasje om zich heen. En wat was 't eenzaam! Temg kon niet meer, zij wist niet waar of hoe. Na héél lang lopen vond zij de schaapskooi van Hannes, die zijn schapen voor de nacht bijeengedreven had. Hij sloot juist 't hek af
„Wat doe je hier, mien deerntje, in 't duuster?", zei Hannes verbaasd. „Loop maar mee met ouwe Hannes."
Hij bracht haar naar de boerderij van de Hobbe's. Vandaar af was 't witte zandpad duidelijk te volgen naar huis. Opgelucht zag Eva 't zacht-gele petroleumlicht van de lamp in de woonkeuken. Wat zouden ze blij zijn, dat zij weer thuis was! Tot haar verbazing echter géén fanfare, geen hartstochtelijke omhelzingen. Pietertien liep stil rond met rood-beschreide ogen. Alles en iedereen in huis was stil. „Als je nog wat soep wil. Eva", zei Lize, „eet het dan. Morgen spreek ik je wel, ga daarna maar naar bed. Hettie heeft zojuist 't bericht gehad, dat haar vader in Indië is overleden. Ze heeft nu niemand meer. Alleen ons. Eva, begrijp je dat? Alleen wij zijn er nog voor haar. Ik wens je weltemsten."
Groot en ontembaar was Hettie's verdriet. Groot was ook Eva's wroeging, voor 't eerst van haar leven had ze zich klein en nietig gevoeld. „Het spijt me zo. Oh, Lize, mag ik nog wel jouw 'dochtertje' zijn, alsjeblieft?"
„Als je van nu af aan werkelijk mijn rechterhand bent Eva en de 'schat' laat msten. Die is niet belangrijk. Mensen zijn belangrijk. Eva", was al wat Lize zei.
Hettie bleef ontroostbaar. Zij at niet meer, droomde wild en onmstig, sliep nauwelijks nog. Zij vermagerde zienderogen. De jonge arts. Ernst Freeze, zat vele uren naast haar bed, zoals ook zijn vader, mijnheer Zilverwit. Pietertien bracht kleine soepjes, Maxje probeerde alles met Solli om Hettie wat op te vrolijken. „Laat mij maar", zei Hetde, „laat mij sterven, dan ben ik weer bij vader." „Er zou als het ware een wonder moeten gebeuren", zei de jonge dokter, in over- ,leg met zijn vader. „Niets is er nu meer wat wij niet geprobeerd hebben." Hettie kwijnde weg, kon niet meer naar school, verstandige en liefdevolle woorden gingen langs haar heen.
Kleine Max, Kerstmis 1909
De winter kwam. Hoog opgetast lag de sneeuw rondom het huis op de heide. Een uur vroeger in 't pikdonker, ging Eva met de fiets naar school. Meer dan de helft moest zij lopen. Zij miste Hettie haast smartelijk, zo, dat 't pijn deed van binnen. Dat zij zo op Hettie gesteld was geraakt, door weer en wind op de fiets, lachend en pratend, elkaar schoolgeheimpjes vertellend, ze had 't niet geweten, 't Zich niet beseft. Tot nu. Wat een harteloos mispunt was zij geweest. En nooit had Lize gepraat over 'toen', 't Weglopen.
Als Hettie nu maar beter werd. Als zij maar kon huilen. Ze lag daar maar in bed, met grote, brandende ogen. De 'schat' was Eva - nu voor 't eerst - vergeten.
„Kom kinderen, naar de Hobbe's!" riep Lize opgewekt. „We zijn uitgenodigd bij de Hobbe's om Kerstwafeltjes te komen eten."
„O, dan moet Solli mee", zei Max.
„Max, geef je aapje eens even hier", riepen Jan en Berend en Härmen, „je kriegt 'm straks weerom, eerlijk waar!" Op 't besneeuwde erf waren zij een
Op 't besneeuwde erf waren zij een sneeuwpop aan 't rollen. Grote pret. Binnen bij 't gezellig vlammend vuur zat vrouw Hobbe, breeduit en glimmend achter de deegpot en 't wafelijzer. Over haar voor de kersttijd glinsterende zwarte rok en mooie paarse jak had zij nu een groot schort heengeslagen. De lichtjes in haar oorijzer glinsterden goud. Steeds deed vrouw Hobbe een klein bolletje gekmid deeg op 't ingevette ijzer en bakte een nieuwe wafel. „Tast toe", noodde zij hartelijk. Krente
„Tast toe", noodde zij hartelijk. Krentestoeten lagen daar, brosse nieuwjaarskoeken, mooie rode appels en koffie, boter, suiker en room stonden uitnodigend op tafel.
„Hoeveel wafels bakt u, vrouw Hobbe?", vroeg Lize nieuwsgierig. „Oh, zo veur 't personeel en al, zo'n driehonderd buisdoekies", zei vrouw Hobbe tevreden. Groot gejuich was er nu op 't erf En däär stond Solli. levensgroot en hemelhoog, van sneeuw; een kleine Solli op zijn schouder! Max kreeg zijn aapje temg en was in alle staten van verrukking. Zijn Sol!
Zijn Sol!
Thuis vermochten ook de meegebrachte wafeltjes Hettie niet op te beuren. „Maar dit is niet goed, Hettie", zei Lize nu streng.
„Vader wil dat ik bij hem kom", zei Hettie, „laat mij."
„Néé", zei Lize nu, „vader wil, dat jij leeft. Dat wil God ook, dat jij lééft." „Hoe weten wij mensen wat God wil?", zei Hettie. „God heeft jonge mensen in 't leven
„God heeft jonge mensen in 't leven gezet om een taak te vervullen", zei Lize. „Wij aUemaal hebben onze taak. Ik ook, om voor jullie te zorgen. Voor jou ook Hettie. Laat mij mijn taak volbrengen. Zo heb jij ook een taak, die hebben wij allemaal op aarde. Jouw vader heeft zijn taak volbracht. Hij verwacht niet anders dan dat jij de jouwe volbrengt. En het niet - zoals je nu doet - laat afweten. Hij zou daar heel verdriefig over zijn. Denk hierover na Hettie, ik meen het oprecht."
Voor het eerst flakkerde er een klein lichtje van belangstelling in Hettie's ogen. „Lieve Lize", zei ze, „dank je."
Het ongehoorde dollen in de sneeuw, bezweet weer binnen bij 't vuur en weer buiten in de vrieskou had Max ene droge, benauwde kuch bezorgd. Enige keren per nacht stond Lize op als hij haast niet uit een hoestbui kon komen Tot zij vond, dat hij nü in bed moest blijven. Vuurrode blosjes stonden op zijn wangen, hij had hoge koorts. Zo nu en dan ijlde hij, had 't over de sneeuwpop op 't erf Wou dan Solli weer bij zich en drinken, drinken. Lize liet Ernst Freeze roepen, mijnheer Zilverwit zat reeds onafgebroken aan Max' bedje. Hij woelde en draaide, herkende niemand „Ik wil er niet omheendraaien", zei dokter Freeze, „Max heeft longontsteking. Ik schrijf u een hoestdrank voor en compressen om hem in te pakken. Verder kan ik niets doen, wij moeten het aanzien. Houdt u zijn voorhoofd goed nat. En veel drinken."
Opmerking: Vreselijk moet het geweest zijn in deze tijd voor de behandelende artsen, als mensen longontsteking kregen. Zij kenden het ziektebeeld, bevalen dampbaden aan en natte inpakkingen. Maar een geneesmiddel, zoals in onze tijd nu een vorm van penicilline, kende men nog niet. Dr. Fleming vond het uit, uit een schimmelculture van de penseelschimmel, penicillium, in 1928. Van onschatbare waarde voor de mensheid. Men wachtte in die tijd af Op de negende dag was er de krisis.
Ademloos wachtte men. Dan was er een zuchtje. De patiënt sliep in, voor altijd. Óf hij viel in een gezonde slaap en had de longontsteking overleefd.
Deze dagen waren vreselijk. Allen wachtten op de krisis. Niemand kon iets wezenlijks doen. Niet anders dan bij Maxje zitten, zijn voorhoofd betten, hem laten drinken. En bij hem zijn, dag en nacht, bij 't licht van de flakkerende kaars. „Zo hing nu Max' leventje aan een zijden draad", realiseerde Lize zich, „als een flakkerende kaars." Zou hij uitdoven, zo maar zachtjes, alles wat zij nog in zich had voor hem met zich meenemend of zou zij hem als haar zoon verder mogen opvoeden en begeleiden?
„Broertje, m'n zoon", zei ze zacht, „blijf toch leven."
„Lize, nu moetje even gaan liggen", zei Mien, „ik neem de wacht van je over." Ernst Freeze, de jonge dokter was er bijna onafgebroken. En allen wachtten, mijnheer Zilverwit en Eva. En Pietertien, wachtend achter de deur van Max' slaapvertrek. Ze deed haar werk gemisloos stil, floot en zong niet meer. En däär was Hettie.
„Mientje", fluisterde zij, „mag ik samen met jou waken? Ik schaam mij zo diep." Mien pakte haar hand en zei eenvoudig: „Hettie, ga zitten."
„Ik dacht alleen maar aan mijzelf en mijn eigen verdriet. Ik wil zo graag bij jullie horen."
„Ssst nu maar", zei Mien, „dat doe je."
Kerstmis naderde. Niemand dacht nog aan kerst. Zij wachtten uur na uur. Er was weinig verandering, Max woelde en praatte vreemd ijlend. „Solli, sneeuw." Op de middag voor kerstavond had Eva, haast snikkend, wat dennetakken geplukt en er de grote schouw mee versierd. Op tafel had zij kaarsen neergezet.
„Nu alles zo akelig is", zei zij, „mogen wij 't Christuskind niet vergeten. Heil en vrede bracht Hij. Misschien brengt Hij ons heil en vrede."
„Oh Lize, hoopje dat ook niet. Wil je me alles vergeven en er nooit meer over praten?" Ze kroop weg in Lize's armen. „Lieve, wijze Eva", zei Lize, „ik ben trots
„Lieve, wijze Eva", zei Lize, „ik ben trots op je. Je geeft me het laatste restje vertrouwen temg wat mij ontbrak."
„Ga mee naar boven, naar kleine Max. Dank je Eva, jij was sterk, ik niet meer."
Als in een wonderlijke droom zagen zij kleine Max in zijn bedje, hij zuchtte, dmkte Solli stijf tegen zich aan en viel in een diepe, gezonde slaap.
„Wij steken de kaarsen aan Eva", zei Lize eenvoudig, „die jij neergezet hebt. 't Was een goede gedachte Eva, zelfs als "
„Kinderen, het is Kerstavond, dit is de mooiste kerst, die we ons ooit herinneren zullen. Kom."
Overgelukkig omhelsden zij elkaar: Eva, Hettie, Lize, mijnheer Zilverwit en hun allerliefste Pietertien, met een betraand gezichtje.
„Mag ik jongeheer Max straks even zien? Zo lang heb ik hem niet gezien." „Het mag Pietertien, even, hij moet nu mstig verder slapen."
Daar kwamen de jonge dokter Erst Freeze en Mien naar beneden. Rondom Miens gezichtje leek haast een stralenkrans van geluk te schijnen, van blijheid.
„Oh Lize". zei ze, „hoe vind je dat? Hij wil mij, mij als zijn vrouw. Hij vind mij mooi genoeg, hoe vind je dat?" „Ik denk, dat deze jongeman zojuist de
„Ik denk, dat deze jongeman zojuist de hoofdprijs getrokken heeft", zei mijnheer Zilverwit vrolijk. „Een betere én mooiere vrouw had hij niet kunnen treffen. Laat je lichtje niet onder de korenschoof schijnen, lieve schoondochter!"
„Ik wist het", zei Pietertien, „al heel lang."
Iedereen lachte. „Het is waar", zei Lize, „onze slimme, wijze Pietertien." „Kinderen! Mensen!" riep Mien jube
„Kinderen! Mensen!" riep Mien jubelend, „ik moet nu zingen. Kom mee naar buiten, naar de hei!" Zij pakte Ernst Freeze's hand.
„Wij komen", zei Lize, „Eva, wil je nog meer kaarsen pakken en ze allemaal aansteken? Ze liggen in het linkerlaadje van de linnenkast. Hier zijn de sleutels. En kom dan ook."
Buiten, op de doodstille heide klonk het gebeier van de kerstklokken uit het verre dorp. Van diep uit haar hart zong Mien met haar verdragende, melodieuze stem het 'Ere zij God'.
Zo diep onderging Lize 't zingen van Mien, dat zij huiverde. „Onze kleine, eenvoudige Mien", dacht zij, „zij is groots. Prachtig." Zij voelde een hand in de hare.
Terwijl zij allen zwijgend terugliepen naar het huis, zei mijnheer Zilverwit zacht: „Lize, als je mij ooit anders kunt zien als de oude heer Zilverwit, als de oude 'grootvader', wil je 't mij dan laten weten? ik weet het Lize, jij bent jong, bijna 23 nu. Maar ik ben nog niet zo heel erg oud, 52 is nog niet stokoud. Het leeftijdsverschil is aanzienlijk, maar zo heel erg graag zou ik een vader voor de kinderen willen zijn, voor Eva en Max en ook voor Hettie. Je staat er zo alleen voor, lieve Lize. Ik zou je zo graag willen beschermen met mijn naam en alles wat ik bezit. Ik kan jou en de kinderen nog een toekomst bieden. En oh Lize, ik heb je lief! Zeg nog niets, denk hierover na. Misschien overvalt het je wel. Maar ik meen 't oprecht. Zie mij niet als de 'oude' heer Zilverwit. Er klopt nog een warm, liefhebbend hart in mij. Mocht je antwoord 'nee' zijn, laten wij dan in vriendschap verder leven in dit huis, waar ik zo gelukkig ben, laat er niets tussen ons komen."
Een warm geluksgevoel doorstroomde Lize, een heel nieuw gevoel. „Dank je". zei ze eenvoudig, „je hebt mij heel blij gemaakt. Ik voel 't als iets kostbaars. Ik denk erover na. Je hoort mijn antwoord spoedig."
De intrede in het huis was nu zo feestelijk. Het gouden licht van tientallen kaarsen stroomde hen tegemoet. Een heerlijke geur van vers kerstgebraad pnkkelde hun neus. Waar eerst niemand aan dacht in het droeve afwachten om Maxje een kopje soep was al daar had Pietertien nu 't heft in handen genomen. Een heerlijke hazenbout geurde er in de pot boven 't vuur met versgedroogde bessen van de heide.
Al het goede kwam van de Hobbe's, de zijden spek, hammen en worsten van de slacht in november, zij hingen in 't rookgat van de schouw Zo ook nu weer, de hazenbout.
„Twee", zei Pietertien glunder, „veur zoveul mens'n!"
„Pietertien", zei Lize, „je bent een wonder."
„Daar is er nog iene", zei Pietertien, en ze wees op Eva. Eva stond daar met een vuurrood gezichtje. In haar hand het gebedenboekje van de monniken, waar zij zó lang, zo fel, zo verbeten naar gezocht had.
„Oh Lize, je zei: pak nog wat kaarsen, ze liggen in 't linkerlaadje van het kabinet. Ik maakte 't laadje open en ik raakte daarbij een knopje aan, verborgen in een spleet. De bodem schoof opzij en daar lag het boekje. Dit is het."
„Oh Lize, moet ik nu lachen of huilen, ik weet het niet meer, het ging zo gewoon, zo terloops. Of 't vanzelfsprekend was. Al die tijd stelde ik mij aan als een gek. Lize, vergeef ie me?"
„Gewoon, vanzelfsprekend", zei Lize in diep gepeins, het prachtige, kostbare boekje in haar hand. „Ik denk, dat God wilde, dat onze lieve oude nicht vanavond bij ons zou zijn op deze zo ongelofelijk heerlijke, bijzondere kerstavond in haar huis. Ze is nu bij ons, in óns huis. Ik weet het, al onze zorgen zijn nu voorbij. Maar ik voel mij zo rijk, met julhe allemaal, met Maxje boven, gezond slapend, met Mien en Ernst, onze Hettie en Eva, onze Pietertien, de vader hier in dit huis, Frederik Freeze. 'Mijnheer Zilverwit' schaffen we af, dat is goed voor een heel oude heer. Kinderen, ik ben zo rijk, er kan niets meer bij."
Vader Freeze had inmiddels uit het keteltje heerlijk geurende bisschopwijn de mooie glazen van nicht volgeschonken. Voor Eva, Hettie en Pietertien met ene klein scheutje water verdund. Heet, kruidig en helderrood fonkelde de wijn in de glazen.
Ieder hief het glas nu haast plechtig. „Laten wij drinken op deze kerstmis in dit gelukkige huis", zei de heer Freeze, „op mijn zoon en zijn bruid, op onze kleine Max, op ons allen, bovenal op 'moeder' Elisabeth. Veel ligt nog verscholen in 't mooie nieuwe jaar 1910, moge het allen tot zegen zijn."
,Amen", zei Pietertien, diep onder de indruk, „mag ik 't an mien volk vertell'n gaan?"
Terwijl allen klonken met elkaar, klonk in de verte nog lang het geklepper van Pietertiens klompjes over het heidepad.
Mag ik u allen ook nu weer toewensen een Jaar met Vrede, 1993?
Dieke SchippersVaarzon Morel
Fragmenten uit 'Het huis op de heide', door A. C Kuiper Scheltens & Giltay. 1909.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 30 december 1992
Eilanden-Nieuws | 25 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 30 december 1992
Eilanden-Nieuws | 25 Pagina's