Een Christen Als Overheidspersoon
Het is geen geheim dat het liberale gedachtegoed van scheiding van kerk en staat en de vrije moraal steeds verder oprukt in Nederland. Dit alles ten gevolg van een steeds meer toenemend gebrek aan de vreze Gods en het ware geestelijke leven. Christenen worden niet alleen minder in aantal, maar ook verheffen zij hun stem steeds minder. Zo verdwijnen Gods Woord en Wet steeds meer uit het beeld van de gemiddelde Nederlander.
Van alle politieke partijen die ons volk vertegenwoordigen in ’s lands vergaderzalen, zijn er in elk geval nog twee die de naam van Christelijk dragen en één die de naam gereformeerd draagt, respectievelijk de ChristenUnie, het Christen Democratisch Appel en de Staatkundig Gereformeerde Partij. Van een politieke partij die de Christennaam gebruikt, mag verwacht worden dat daar in de praktijk ook iets van te zien is. De uitstraling naar buiten zal dan ook Christelijk moeten zijn. De vertegenwoordigers van die politieke partijen zouden uitgesproken Christelijk moeten zijn. Niet alleen in naam, maar ook metterdaad. In leer en leven, in handel en wandel. Dat geldt in de oppositie, maar zeker als een partij of politicus regeringsverantwoordelijkheid wil dragen. Zeker de SGP heeft hier een naam hoog te houden omdat zij niet alleen de algemene naam van Christelijk draagt, maar zelfs die van gereformeerd.
Daarbij zal het zo zijn dat een Christen die zich gebonden weet aan Gods Woord en Wet er geen politiek programma op na kan houden waarin niets doorklinkt van deze gebondenheid aan Gods Woord en geboden. Integendeel, een Christen die God liefheeft en dient, is altijd gebonden aan Gods Woord en geboden. Een Christenpoliticus of staatsman ontvangt zijn lastbrief van niemand minder dan van God Zelf. En met die God heeft ieder mens te rekenen als de hoogste Wetgever en Rechter met Wie wij te doen hebben. Wij zijn God meer verantwoording, gehoorzaamheid, liefde en eerbied schuldig dan de mensen. Ten diepste betekent dit dat een Christen in de politiek de opdracht heeft om het gezag van Gods Woord en Wet zoveel mogelijk tot gelding te brengen door met heel het hart, heel het verstand en met alle krachten te streven naar de realisering van de Bijbelse beginselen, principes, waarden en normen in de politieke, juridische en maatschappelijke praktijk.
Het is niet mijn bedoeling om de Christelijke partijen of politici te wegen en te meten aan het richtsnoer van Gods Woord en Wet. Wie geen vreemdeling is in het politiek Nederland van nu, kan dat zelf wel doen. Wat ik wel doe, is een positief artikel schrijven waarin ik de toetssteen en spiegel aanreik voor de Christenpoliticus nu. Ik put daarbij uit de Bijbel, de Heidelbergse Catechismus (1563) en het werk van ds. Wilhelmus Schortinghuis (1700-1750), omdat juist deze oude schrijver een hele verhandeling heeft geschreven over de Christen als overheidspersoon.
De roeping van een Christen in deze wereld
Juist in onze tijd zou een Christen het verschil moeten maken en zich moeten onderscheiden van de rest van de wereld, naar het woord van Christus in Mattheüs 5 vers 13-16: Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe, dan om buitengeworpen en van de mensen vertreden te worden. Gij zijt het licht der wereld; een stad boven op een berg liggende, kan niet verborgen zijn. En men steekt geen kaars aan en zet die onder een korenmaat, maar op een kandelaar, en zij schijnt allen die in het huis zijn. Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.
De Heere Jezus gebruikt beelden die goed laten zien wat de taak en roeping van een Christen in de wereld is. Het beeld van het zout laat zien dat een Christen pittig of smaakvol moet zijn en zeker niet smakeloos. Dan deugt het zout nergens meer toe. Het zout maakt iets smaakvol, zo moet ook een Christen zijn. Het wit van een ei is op zichzelf laf, maar met zout erbij is het smaakvol (Job 6:6). Zout is ook een bederfwerend conserveringsmiddel. Het bijt weliswaar, dat kan pijn doen, maar het bewaart ook voor bederf. Zo bewaren Christenen de wereld.
Wat de wereld dus nodig heeft, zijn Christenen die in de eerste plaats zelf uit Christus leven, maar die ook duidelijk en helder het Christelijk gedachtegoed naar voren brengen. Christenen die kleur bekennen en voor Gods dienst, naam, zaak en eer durven en wensen uit te komen. Al klinkt dat soms waarschuwend, veroordelend, bestraffend en afkeurend richting niet-Christenen. Dat geeft smaak en pit aan het menselijk leven. Maar het bewaart het leven ook voor veel verderfelijke invloeden.
Ook het beeld van het licht kan op die manier uitgewerkt worden. Zonder licht is er geen kleur in het leven. Zonder licht kan een mens de weg niet vinden, maar moet hij wel struikelen, vallen en dwalen. Het licht is dus nuttig en tegelijk schoon. Maar tegelijk geldt dat de duisternis het licht haat (Joh. 1:1-18). De duisternis wil van het licht niet bestraft worden, omdat haar werken boos zijn.
De Heidelbergse Catechismus (1563) geeft in zondag 12, vraag en antwoord 32, een treffend antwoord op de vraag: “Maar waarom wordt gij een Christen genaamd?” Het antwoord luidt: “Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus en alzo Zijner zalving deelachtig ben; opdat ik Zijn Naam belijde, en mijzelven tot een levend dankoffer Hem offere, en met een vrije en goede consciëntie in dit leven tegen de zonde en den duivel strijde, en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regere.”
Een Christen die het niet alleen in naam is, maar ook in waarheid deelt dus in de zalving van Christus. Hij is net als Christus door en met dezelfde Heilige Geest gezalfd. En dat krijgt dan zijn uitwerking in een drievoudig ambt. Een Christen is net als Christus gezalfd tot profeet, priester en koning. Dat betekent dat een waar en oprecht Christen de Naam van Christus belijdt als profeet. Hij doet dat niet alleen met woorden, maar juist ook met daden. Het betekent ook dat een waar en oprecht Christen zichzelf opoffert aan God. Uit dankbaarheid. Omdat God het zo waard is om gediend, gehoorzaamd, geloofd en geprezen te worden. Ja ook betekent dit dat een oprecht en waar Christen als koning tegen zonde en duivel zal strijden. Zonder strijd geen kroon en geen overwinning. Met het uitzicht over dood en graf heen tot in de eeuwigheid om dan met Christus over alle schepselen te regeren.
‘Het innige Christendom’ van Schortinghuis
Eén van onze oude schrijvers, Wilhelmus Schortinghuis (1700-1750), heeft een verhandeling geschreven niet alleen over het Christen zijn in het algemeen, maar juist ook in betrekking tot het geestelijke en burgerlijke ambt. Hoe zal een Christen zich in die ambten gedragen? Niet alleen volgens menselijke afspraken en regels, maar volgens de hoge eis en het beginsel van Gods Woord en Wet. Het gaat hier dus over het raakvlak van Christen zijn en overheidspersoon zijn. Zeker in onze tijd waarin de meeste politici, politieke bestuurders en overheidspersonen seculier zijn, is dit hoogst actueel.
In dit artikel volg ik het begin van de verhandeling van Schortinghuis over de Christen als overheidspersoon, aangevuld met enkele opmerkingen van mij. Het gaat om de derde samenspraak uit Het innige Christendom, die als onderwerp heeft: ‘Van de gestaltelijke toestand van een oprecht Christen als overheidspersoon’. 1 Ik neem in dit artikel alleen een paar door mij licht hertaalde citaten op uit het begin van deze samenspraak. Ik kan de lezer daarom aanbevelen om zelf deze samenspraak van Schortinghuis te gaan lezen. Met de oude schrijvers is het helaas dikwijls zo: veel geprezen, weinig gelezen.
De betreffende verhandeling is geschreven in de vorm van een samenspraak. Vier personen komen in de samenspraken aan het woord, namelijk Geoefende, Begenadigde, Kleingelovige en Onbegenadigde. We begrijpen dat vooral Geoefende en Begenadigde volgens Gods Woord en met de meeste ervaring spreken.
Voorzichtig schrijven over overheidspersonen
De eerste opmerking van Geoefende is “dat men de misslagen van de overheden niet los en roekeloos voor het volk moet tentoonspreiden; om geen voedsel te geven aan de kleinachting die veel onderdanen omtrent hun bestuurders reeds hebben ingezogen.” Schortinghuis citeert hier uit ds. Herman Witsius’ boek: Twist des Heeren met Zijn wijngaard. De opmerking is hoogst actueel in onze tijd van moderne media. Misslagen van overheidspersonen komen al snel in de openbaarheid. Al snel gaat het om personen en niet meer om zaken, zeker als we denken aan de Amerikaanse verkiezingen. Politici zelf doen daar ook druk aan mee. Hoe er tegen en over elkaar gesproken wordt, is vaak niet om over naar huis te schrijven. Om hier de plank zelf niet mis te slaan, heb ik ook gekozen voor een positieve insteek en niet de negatieve insteek die signaleert wat er allemaal mis is en wat er anders zou moeten.
We moeten bedenken dat ook politici, politieke leiders en bestuurders ook mensen zijn. Ook al zijn het ministers, burgemeesters, wethouders, officieren van justitie, enzovoorts. Het zijn allemaal mensen gevallen in Adam, belast met erfschuld en erfsmet. Mensen met dadelijke zonden in gedachten, woorden en werken. Zonden van bedrijf en zonden van nalatigheid. Als we ieder op een goudschaaltje gingen wegen, zou bijkans iedereen wel door de mand moeten vallen. Als we elke misstap en misslag zomaar in de openbaarheid brengen, zal dat leiden tot nog minder gezag en achting voor degenen die over ons gesteld zijn.
Een Christen heeft daarbij te bedenken dat het negende gebod: Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste ook inhoudt dat ik “niemand lichtelijk en onverhoord oordele of helpe veroordelen en ook mijns naasten eer en goed gerucht naar mijn vermogen voorsta en bevordere” (Heidelbergse Catechismus, zondag 43, antwoord 112).
Een Christen heeft daarbij te bedenken dat het vijfde gebod: Eer uw vader en uw moeder met de belofte, ook ten aanzien van de overheidspersonen geldt. Zij zijn immers over ons gesteld. Onze persoonlijke plicht ten aanzien van hen is dan ook dat ik hen “alle eer, liefde en trouw bewijze, en mij hunner goede leer en straf met behoorlijke gehoorzaamheid onderwerpe, en ook met hun zwakheid en gebreken geduld hebbe, aangezien het Gode belieft ons door hun hand te regeren” (Heidelbergse Catechismus, zondag 39, antwoord 104).
We moeten dus oppassen om niet zomaar het gezag, de naam en de eer van overheidspersonen aan te tasten. Aan de andere kant zal in deze verhandeling wel een spiegel aangereikt worden die helder en duidelijk laat zien waar het vandaag de dag veelal aan schort. Ten diepste is de oorzaak hiervan: gebrek aan geestelijk leven.
De Christelijke regent
Nu volgt een citaat van Geoefende over hoe een Christelijk regent behoort te zijn. Het valt daarbij op dat Schortinghuis hier sprekend via Geoefende vooral laat zien wat de taak van een Christelijke regent is ten aanzien van de religie. Eerste citaat:
“O hoe uitstekend moesten deze niet zijn die de voorgangers van het volk zullen zijn, ‘herders der volkeren’, die in nadruk zich moesten gedragen als vaders des vaderlands en voedsterheren van de kerk (Jes. 49:23), die het gericht Gode moesten houden (2 Kron. 19:6) en de heerlijke belangen van het dierbare Genadekoninkrijk van de gezalfde Koning van Sion behartigen en al haar luister en heerlijkheid in hetzelve in te brengen (Openb. 21:24); tonende met hart, mond en daden dat het hun grootste voorrecht en eer is, verstandig te handelen in de oprechte weg (Ps. 101:2), de Zone Gods - door Wie de koningen regeren en de vorsten gerechtigheid stellen - te kussen (Spr. 8:15, Ps. 2:12), ja, volgens de belofte met alle koningen Hem te aanbidden en zich neder te buigen (Ps. 72:11): Buigt u neder alle gij goden, wordt hun daarom toegeroepen (Ps. 97:7).” 2
Een Christelijke regent moet dus buigen voor de Koning der koningen en niet in de eerste plaats zijn eigen belangen, maar de heerlijke belangen van Zijn Koninkrijk behartigen.
Namen en beelden voor een Christelijke regent
Treffend zijn de benamingen voor een Christelijke regent: herder van het volk, vader des vaderlands en voedsterheer van de kerk. Een Christelijke regent behoort zich dan ook te gedragen als een herder voor zijn kudde, een vader voor zijn kinderen en een voedsterheer voor de kerk. De beelden spreken duidelijke taal. Een herder heeft niet alleen leiding te geven aan de kudde, maar ook zorg te dragen voor de kudde. Hij moet de kudde beschermen tegen gevaren, de wacht houden over zijn kudde. Gevaren van binnen zoals ziekte en zwakte, maar ook gevaren van buiten zoals roofdieren en rovers. Een herder moet de kudde ook voeden en onderhouden, dat wil zeggen, haar leiden in de grazige weiden en bij de wateren.
Als een politieke leider vandaag de dag de moed heeft om dit beeld geestelijk door te trekken en uit te werken en op zichzelf toe te passen, is daar nog heel wat te doen. Een regent heeft dan ook te waken voor de arme onsterfelijke zielen op weg en reis naar de eeuwigheid. We zijn immers niet alleen voor deze wereld, maar juist voor de toekomende wereld geschapen. Niet alleen voor de tijd, maar juist ook met het oog op de eeuwigheid. In dat licht is het de taak van een Christelijke regent te zorgen dat de schapen waarover hij herder en verantwoordelijke is, met gezond geestelijk voedsel gevoed en geweid worden. En dat ze ook beschermd worden voor de aanvallen en de macht van de boze die hen van buitenaf en van binnenuit bedreigen.
Ook het beeld van de vader voor zijn kinderen en dat van de voedsterheer voor de kerk kan op deze manier uitgewerkt en toegepast worden. Concreet betekent dit dat de overheid moet doen wat er staat in artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: En hun ambt [dat van de overheid; DB] is, niet alleen acht te nemen en te waken over de politie [het staatsbestuur], maar ook de hand te houden aan den heiligen kerkendienst; om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valsen godsdienst, om het rijk van den antichrist te gronde te werpen, en het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen, het woord des Evangelies overal te doen prediken, opdat God van een iegelijk geëerd en gediend worde, gelijk Hij in Zijn Woord gebiedt.
De Christelijke regent ten aanzien van Gods kerk
Ten aanzien van Gods kerk dient een Christelijke regent volgens Geoefende het volgende te doen:
In de eerste plaats moeten zij (de Christelijke regenten) lid worden van Gods ware kerk en haar liefde, hoogachting en weldadigheid bewijzen. Ze moet uiten inwendig de welstand van de kerk bevorderen.
In de tweede plaats moeten ze de waarheid en de Godsvrucht zoveel als in hun is op alle mogelijke manier door hun macht en gezag zoeken voort te planten, “opdat de gezegende Koning van Sion mag heersen van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde (Ps. 72:8), ja, dat er dagelijks mochten worden toegedaan tot de gemeente die zalig worden (Hand. 2:47), en de HEERE alzo in het midden van ons heerlijk zij (Jes. 33:21). En men zeggen mocht: ik zal Rahab en Babel vermelden onder degenen die Mij kennen; zie, de Filistijn, en de Tyriër, met den Moor, deez’ en die is in Sion geboren en de Allerhoogste Zelf zal ze bevestigen (Ps. 87:4-5).” 3
In de derde plaats moeten zij Gods kerk in het algemeen en elk lid in het bijzonder beschermen. Ze moeten waken voor ketterijen, bijgelovigheden, goddeloosheden en dwalingen binnen de kerk, zodat de kerk daarvan geen nadeel lijdt. Maar ze moeten ook van buiten ervoor zorgen dat de kerk noch door henzelf noch door iemand anders in haar privileges en vrijheden wordt bekort, benadeeld of met geweld van vervolging onderdrukt.
Voorbeelden uit de kerkgeschiedenis
Geoefende gaat verder en illustreert een en ander met voorbeelden uit de kerkgeschiedenis. Ik citeer:
“wanneer Constantijn de Grote, Constantius, Jovinianus, Valentinianus de Jonge, Theodosius, Honorius en Arcadius het Christendom omhelsden, werd de afgoderij weggeruimd, de heidense bijgelovigheden en offeranden verbannen, de vervolgingen werden geschorst, de ballingen en gevangen Christenen weer ingeroepen en bevrijd, de huizen, landerijen en goederen die de Christenen waren afgenomen, werden hersteld, de kerken herbouwd en rijk begiftigd; de kerkelijke regeringen werden beveiligd, synodes verzameld, ketters besnoeid, nieuwe kerken alleszins getimmerd, scholen opgericht, de kerkelijke inkomsten en goederen vermeerderd.” 4
Geoefende besluit met te zeggen dat zij die deze voorbeelden in onze tijd zoeken na te streven, met recht de naam van getrouw regent verdienen.
De reformatie van staat en kerk
Begenadigde heeft dan nog een aanvulling op de taak van een Christelijke overheidspersoon waaruit ik hier citeer. Het eerste citaat gaat over billijke en rechtmatige wetten die ze hun onderdanen moeten voorschrijven. Dat moeten wetten zijn:
“overeenkomende met de heilige en zalige wetten van de God des hemels, Wiens dienaren en stedehouders zij zijn. O, hoe zal hun zucht zijn door heilzame en ernstige plakkaten voor de eer en de Naam van die hoge God te zorgen. Dat Zijn dag niet geschonden, Zijn bevelen niet overtreden en Zijn dienst niet veracht wordt. Hoe zullen hun de beide Tafels van de Goddelijke Wet niet innig aan het hart liggen, om zelf door hun voorbeeld in Godzaligheid hun onderdanen tot gehoorzaamheid te meer aan te sporen.” 5
Billijke en rechtmatige wetten zijn volgens Schortinghuis dus wetten die overeenkomen met de wetten van God. Kortom, met de beide Tafels van Gods Wet. Wat hiertegen indruist, is daarom ook niet billijk en rechtmatig. Hoe vele wetten zijn er dan in ons land niet billijk en niet rechtmatig, gemeten aan het enige richt- en meetsnoer van Gods Woord en Wet. Gave God dat er mannen opstonden die ijverden voor de eer, de dienst, de Naam en de dag van God. Ja, voor de handhaving van al Gods geboden. En dat niet alleen in het persoonlijk leven en door persoonlijk voorbeeld, maar juist ook als overheidspersoon, die als het recht ligt hun lastbrief hebben gekregen van de God des hemels. Het zijn - als het recht ligt - geen dienaren van de mensen, geen mensenbehagers, maar Gods zaakwaarnemers op aarde.
Ik citeer nu nog een laatste keer Begenadigde over hoe hij de achting voor Gods kerk door Christelijke regenten concreet voor zich ziet:
“Hoe zeer zal hun bijzondere achting voor Jezus’ kerk niet getoond worden in die te beschermen tegen alle geweld en overlast vanbinnen en vanbuiten, om die te beteugelen en in te binden die Sion gram zijn en op haar verderf en ondergang toeleggen. Lenend hun hand en macht tot herstelling en reformatie met: een Asa, die deed wat recht was in de ogen des HEEREN, want hij nam weg de schandjongens uit het land en deed weg alle drekgoden die zijn vaders gemaakt hadden (1 Kon. 15:11-12). Jósafat, die de hoogten en bossen weg nam uit Juda (2 Kron. 17:6). Hizkía, die de hoogten wegnam, de opgerichte beelden verbrak, de bossen uitroeide, betrouwde op de Heere de God Israëls, kleefde de Heere aan en week niet van Hem na te volgen, houdende de geboden des Heeren (2 Kon. 18:4-6). Ja, met een Josía, die alle Baäls gereedschappen verbrandde en zo een wonderlijke reformatie bevorderde (2 Kon. 23:4).” 6
Uitleiding
Het is eenvoudig om een principiële lijn uit te zetten hoe het moet en hoe het hoort als het gaat om de Christen als overheidspersoon. Maar het is een stuk minder eenvoudig in de praktijk om aan de hoge eis van Gods Woord te voldoen en ernaar te leven. Toch, als God waarlijk in de ziel werkt, kan het niet anders of de Christen begeert en wil in de praktijk hieraan voldoen. God dienen met heel het verstand, heel het hart en alle krachten. God liefhebben boven alles, ook in de politieke praktijk. Dat houdt in om zich juist in te spannen voor de handhaving van al Gods geboden. De eerste Tafel en de tweede Tafel van Gods Wet. Dat houdt, voor wat betreft de eerste Tafel van de Wet, onder andere in dat er nee gezegd moet worden tegen andere niet- Christelijke of zelfs antichristelijke godsdiensten en ideologieën, dat de ontheiliging van Gods Naam tegengegaan wordt en bestraft, alsook dat de dag des Heeren geheiligd wordt. En voor wat betreft de tweede Tafel van de Wet, betekent dit onder meer een staan naar de afschaffing van de vele goddeloze wetten die strijdig zijn met het zesde en zevende gebod, zoals abortus, euthanasie, legale prostitutie, huwelijken en verbintenissen met mensen van hetzelfde geslacht, enzovoorts.
Als een overheidspersoon als Christen nauw wil leven naar Gods Woord en Wet en dat ook wil uitdragen naar buiten toe, dan zal dat op tal van bezwaren, onbegrip, ongenoegen, onbehagen en tegenwerking stuiten in de huidige seculiere praktijk en samenleving. Er is daar veel begrip en ruimte voor het liberale gedachtegoed: de scheiding van kerk en staat en de vrije moraal. Maar de gevallen mens is altijd al een vijand van Gods Woord en geboden geweest. Er zal daarom ook meer moeten gebeuren dan alleen een uitwendige en uiterlijke reformatie. Gideon kreeg van God de opdracht om Baäls altaar en bos omver te werpen (Richt. 6). En hij kreeg de genade om God daarin te gehoorzamen. Maar dat alleen is niet genoeg als harten en levens ook niet daadwerkelijk vernieuwd worden. Daarom is de prediking, de verbreiding en doorwerking van Gods Woord zo nodig. Zoals Paulus op de Areópagus het niet kon nalaten om in een heidense en afgodische omgeving te preken over de ene God Die van nature een onbekende is (Hand. 17).
De Heere geve elk in zijn positie God zo lief te hebben en te dienen dat hij niet anders kan doen dan wat God eist in Zijn Woord en Wet. Ziende daarbij alleen op God en Zijn geboden en blind voor de mogelijke uitkomst. Want alleen in de weg van de gehoorzaamheid is goedkeuring en zegen van de God des hemels te verwachten.
Noten:
1) W. Schortinghuis, Het innige Christendom, Houten 2001, p. 56-68 (hierna: Schortinghuis)
2) Schortinghuis, p. 57 (herspeld)
3) Schortinghuis, p. 58-59 (herspeld)
4) Schortinghuis, p. 59 (herspeld)
5) Schortinghuis, p. 60 (herspeld)
6) Schortinghuis, p. 61 (herspeld)
Fotoverantwoording:
a) Gage Skidmore [CC BY-SA 3.0] via Wikimedia Commons
b) Door Koosg (Eigen werk) [CC BY-SA 3.0] via Wikimedia Commons
c) Depositphotos
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 2016
In het spoor | 76 Pagina's