Ds. Jacobus Hondius’ Zwarte Overheidszonden -2-
In de vorige aflevering 1 werden enkele overheidszonden besproken. Daarin kwam duidelijk de theocratische visie van ds. Jacobus Hondius (1629-1691) op de overheid naar voren. Als zodanig vormt deze visie een belangrijke kern van de oude gereformeerde overheidstheologie. Deze theologie had niet alleen een woord voor het individu en de vrome enkeling, maar voor heel de maatschappij, heel het land, heel het volk en heel de politiek. Voor lokale, regionale, nationale en zelfs internationale overheidspersonen.
De overheid dient volgens ds. Hondius niet tolerant te zijn; zij dient de openbare goddeloosheid te haten en te straffen. Dat betekent ook het weren en tegengaan van valse religies. Bepaald geen pleidooi voor godsdienstvrijheid dus. De overheid dient duidelijk kleur te bekennen voor de gereformeerde religie. Deze visie loslaten betekent het verlaten van een belangrijk deel van de gereformeerde Belijdenis en - wat nog veel erger is - een verlaten van een belangrijk deel van de Heilige Schrift, alsof die aan tijd en plaats gebonden zou zijn. Het betekent een loslaten van Gods heilige claim en recht op het leven van ieder schepsel. Het betekent terrein overgeven aan de duivel. Daarom is het goed om het werk van ds. Hondius verder te volgen en zijn overheidsvisie ook te betrekken en toe te passen op onze eigen tijd en situatie in Nederland. Na deze korte inleiding vervolgen we nu de bespreking van de overheidszonden uit het boek van ds. Hondius’ Swart register van duysent sonden (1679). In mijn vorige bijdrage zijn negen overheidszonden aan de orde gekomen (2.1 t/m 2.9), in deze bijdrage zullen er zes besproken worden (2.10 t/m 2.15). In het boek van ds. Hondius heeft dit betrekking op de genummerde paragrafen 516, 517, 518, 524, 526, 528, 531, 532 en 533.
Uit deze bespreking zal blijken dat ds. Hondius vooral twee dingen verweet aan de overheden van zijn dagen. In de eerste plaats dat ze zelf de zonden waartegen hij waarschuwde, praktiseerden. En in de tweede plaats dat ze de zonden niet actief bestreden. Na deze bespreking sluit ik af met een uitleiding (3).
2.10. Het tolereren van de komedie
Ds. Hondius keerde zich tegen de ijdele en goddeloze komedie. Hij keerde zich tegen de lichtvaardige en ontuchtige (toneel)voorstellingen. Bij komedies en voorstellingen kunnen we in onze tijd bijvoorbeeld denken aan cabaretvoorstellingen, musicals en theaters. Maar ook kunnen we onder meer denken aan media als tv, film, bioscoop en internet. Bijna alles wordt daarop straffeloos uitgezonden of vertoond. Zich daaraan te laven noemde ds. Hondius heidens en nadelig voor het gemenebest en de zaligheid van Gods kinderen. De overheid zou met haar zwaardmacht hiertegen op moeten treden.
Toepassing hiervan is in onze tijd niet onmogelijk. De overheid zou moeten beginnen om geen subsidie meer te geven aan deze zogenaamde uitingen van kunst en cultuur. Het is zondig en ook zonde van het belastinggeld. Ds. Hondius schreef:
“516. Zodanige overheden zondigen die, terwijl ze lidmaat zijn, nochtans de ijdele en ongoddelijke komedies niet verbieden en weren uit de landen en steden, maar die tolereren en beschermen. En als ze persoonlijk met hun vrouwen en kinderen daarin verschijnen om zichzelf op een heidense wijze met het zien en horen van een deel lichtvaardige en ontuchtige redenen en vertoningen te vermaken. Want de overheden dragen het zwaard niet tevergeefs, maar zij zijn schuldig dat te gebruiken tegen al hetgeen wat strekt tot nadeel van het gemenebest en de zaligheid van Gods kinderen.” 2
Uit dit citaat blijkt wel dat het probleem niet alleen zat in het aanbod van lichtvaardige en ontuchtige teksten en vertoningen, maar ook in de vraag ernaar. De overheidspersonen verboden die niet of in ieder geval niet overal, maar tolereerden en beschermden die. En zij gingen er zelf met vrouw en kinderen naartoe. Daarmee gaven ze een kwaad voorbeeld hoe het niet moest.
In onze tijd wordt er weinig gedaan aan het censureren en verbieden van dit soort zaken. Ze worden zelfs gezien als uitingen van kunst en cultuur die beschermd moeten worden. Ook wil onze overheid het volk geen brood en spelen onthouden. En zelf doet ze er lustig aan mee. Daarom is bekering en betering nodig. Niet alleen persoonlijk, voor wie zich schuldig maakt aan het zien en aanhoren van ontuchtige verhalen en voorstellingen, maar ook zou er een actief overheidsbeleid gevoerd moeten worden gericht op het verbieden en weren van deze zonden. Er valt nog heel wat te winnen, zeker als het gaat om het schoonmaken en schoonhouden van internet. Ten aanzien van tv, bioscoop en videotheek zijn er nog wel enige, weliswaar vage, rekkelijke en zeker geen Bijbelse grenzen, maar ten aanzien van internet zijn er in Nederland bijna in het geheel geen ethische grenzen.
De overheid zou aan de hand van de Tien Geboden hierop censuur moeten toepassen en net als tegen het roken van shag en sigaretten hiertegen moeten waarschuwen dat het kijken en luisteren hiernaar dodelijk is en onszelf en anderen ernstige geestelijke schade toebrengt.
Er zijn wel betere zaken ter ontspanning te bedenken die niet schadelijk, maar juist profijtelijk zijn voor de geestelijke gezondheid. Hoe goed is het om de tijd die over is, uit te kopen, daar de dagen boos zijn, met het lezen van Gods Woord en stichtelijke lectuur. Alsook met het luisteren naar Gods Woord op zondagen en in weekdiensten. Hoe goed is het ook om tijd door te brengen met het bezoeken van weduwen en weduwnaren, wezen, armen, gevangenen of andere mensen in hun verdrukking. Met het opzoeken van Gods volk en spreken over de zaken van Gods Koninkrijk. En zo zouden er heel wat zinvoller activiteiten te noemen zijn. En daarnaast zijn er ter ontspanning nog andere dingen te bedenken waar we in elk geval geen zonde mee doen, bijvoorbeeld geoorloofde vormen van bewegen en - met name voor de jeugd - geoorloofde spellen, mits alles met mate.
2.11. Het tolereren van waarzeggerij
Een ander kwaad is volgens ds. Hondius het toelaten van waarzeggerij. In onze tijd zijn waarzeggers onder meer te vinden op kermissen, zogenaamde handlezers of glazenbollezers. Ook zijn ze te vinden in diverse niet-Christelijke bladen in de vorm van horoscopen.
We moeten ons van deze duivelse werken verre houden. En de overheid zou ertegen op moeten treden om de duivel geen plaats te geven. Ds. Hondius schreef:
“517. Zodanige overheden zondigen die, terwijl ze lidmaat zijn, nochtans de bedelaars en landlopers, die men heidenen noemt, toelaten de mensen goed geluk te zeggen 3 , wat strijdt tegen Leviticus 20 vers 27: ‘Als nu een man of vrouw in zich een waarzeggenden geest zal hebben of een duivelskunstenaar zal zijn, zij zullen zekerlijk gedood worden; men zal dezelve met stenen stenigen; hun bloed is op hen.’ Daarom was het wel gedaan van de koning Saul dat hij deze waarzeggerij op lijfstraf had verboden volgens 1 Samuël 28 vers 3b: ‘Saul had uit het land weggedaan de waarzeggers en de duivelskunstenaars.’ Dit blijkt verder ook uit de woorden van de waarzegster en toveres te Endor: ‘Zie, gij weet wat Saul gedaan heeft, hoe hij de waarzegsters en de duivelskunstenaars uit dit land heeft uitgeroeid; waarom stelt gij dan mijn ziel een strik, om mij te doden?’ (1 Sam. 28:9b).” 4
In Israël stond op waarzeggerij en duivelskunstenarij of toverij de doodstraf (Ex. 22:18; Lev. 20:6; Deut. 18:9-14). Zelfs de verworpen koning Saul heeft zich in die zin goed gekweten van zijn overheidstaak, want hij liet de waarzeggers en duivelskunstenaars niet in leven. De toveres van Endor is een voorbeeld van iemand die de zuiveringsactie van koning Saul heeft overleefd.
Dat de Bijbel aandringt op de dood van duivelskunstenaars en waarzeggers, laat de ernst van het vergrijp zien volgens de Bijbelse strafmaat van Gods recht. Het recht van God is wel degelijk wrekend en vergeldend. En terecht! Het recht van de overheid als dienares van God (Romeinen 13) zou daar dan ook een afspiegeling van moeten zijn. Het recht van God is immers heilig, rechtvaardig en goed (Romeinen 7). Ook voor onze tijd. Het occulte is een geweldige bedreiging, juist omdat de duivel dat gebruikt om mensenzielen te vangen en te vermoorden. Daartegen past ook nu een streng overheidsoptreden.
In het bidden van de zesde bede van het Onze Vader mag dit ook een plaats hebben dat God het werk van de boze wil breken, juist ook in Nederland. Dat God het koninkrijk van de duivel wil tenietmaken en daartegenover Zijn heerlijk Koninkrijk wil doen komen (tweede bede). We mogen gericht bidden tegen zulke openlijke manifestaties van de duivel die ook in ons land helaas plaatshebben.
2.12. Het tolereren van de ontheiliging van Gods Naam
Als het gaat over het misbruiken en schenden van Gods heilige Naam, vond ds. Hondius dat de overheid te veel toeliet en te weinig optrad. Hij zag een lichtend voorbeeld in de heidense koning Nebukadnezar die rigoureus optrad tegen godslastering van de God van Israël. Deze koning wist zich geroepen om op te komen voor de heiliging van Gods Naam. Ds. Hondius schreef hierover:
“518. Zodanige overheden zondigen die, terwijl ze lidmaat zijn, nochtans het misbruik en de schending van Gods heilige Naam niet naar hun vermogen verhinderen en tegenstaan. Zij worden overtuigd en beschaamd gemaakt door het loffelijke voorbeeld in dezen van de heidense koning Nebucadnézar, die zegt: ‘Daarom wordt van mij een bevel gegeven, dat alle volk, natie en tong, die lastering spreekt tegen den God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, in stukken gehouwen worde en zijn huis tot een drekhoop gesteld worde; want er is geen andere god die alzo verlossen kan’ (Dan. 3:29).” 5
In onze tijd zijn er wel voorbeelden te noemen van overheden die opkomen voor de vermeende heiligheid van de naam van een afgod en die actief de ontheiliging van die naam tegengaan. Dan denk ik aan die landen waar Allah gediend wordt en die naam heilig is. Daar wordt wel rigoureus opgetreden tegen naamsontheiliging van Allah, die een valse god is.
Allah is immers een verzinsel van de leugenprofeet Mohammed. Maar zulke landen zetten ons wel beschaamd. Zij laten zien dat de naam van hun god voor hen heilig is en dat ze het niet tolereren als die naam ontheiligd wordt.
Ook wij zouden moeten huiveren als Gods Naam door het slijk gehaald wordt, en moesten met verontwaardiging hiertegen protesteren. Als er echte liefde is tot Gods Naam, kan dat ook niet anders. Dan is het onze bede dat Gods Naam geheiligd mag worden. Dat wil zeggen dat die Naam tot meerdere erkenning en gelding mag komen. Dat die Naam niet dan met verschuldigde eerbied en diep ontzag gebruikt zal worden.
In onze dagen mogen mensen, gewone nietige zondige stervelingen, niet in ernstige mate gesmaad, gekwetst, gegriefd en vernederd worden met woorden en taal, maar als het gaat over de God van de Christenen, dan lijkt iedereen hier vrij spel te hebben.
Het is goed dat de overheid aangespoord wordt om de ontheiliging van Gods Naam tegen te gaan. Christenpolitici moeten hier blijvend voor opkomen.
2.13. Het niet bestrijden van de ontheiliging van Gods dag
Ook als het gaat over het inbreukmaken op de rust en heiliging van Gods dag, signaleerde ds. Hondius een toegeeflijke houding van de overheid ten aanzien van koop en verkoop op de sabbat, versta de Christelijke sabbat. Die tolerantie wees hij af. Ds. Hondius gaf blijk van een puriteins ofwel voetiaans standpunt inzake de sabbatsheiliging. Prof. Johannes Coccejus (1603-1669) zag een hele duidelijke tegenstelling tussen de Nieuwtestamentische dag des Heeren en de Oudtestamentische sabbat. Daarvan was bij ds. Hondius geen sprake. De overheid zou de Nieuwtestamentische sabbat moeten handhaven op een wijze zoals ten tijde van het Oude Testament onder de vorst Nehémia geschiedde. 6 Hij betoogde:
“524. Zodanige overheden zondigen die, terwijl ze lidmaat zijn, nochtans allerhande snoeperijen op de sabbat openlijk laten aanbieden, uitventen en verkopen. Anders deed de vorst Nehémia die de oversten van Juda allereerst en allermeest bestrafte over de inbreuk op de sabbat (‘Zo twistte ik met de edelen van Juda, en zeide tot hen: Wat voor een boos ding is dit, dat gijlieden doet, en ontheiligt den sabbatdag?’; Neh. 13:17), omdat zij dit het allerbest konden verbeteren. En daarna heeft hij het goede voorbeeld gegeven als hij tegen de kramers en verkopers op de sabbat zei: ‘Zo gij het weder doet, zal ik de hand aan u slaan. Van dien tijd aan kwamen zij niet op den sabbat’ (Neh. 13:21b).” 7
Nehémia handhaafde dus het verbod op het kopen en verkopen op de sabbat. Niet alleen voor winkeliers met een eigen winkel, maar ook voor de rondreizende marskramers.
In onze tijd kunnen we niet anders zeggen dan dat al maar meer ontheiliging van de Christelijke sabbat plaatsvindt. Steeds meer winkels openen hun deuren op Gods dag en steeds meer evenementen worden juist op deze dag gehouden. Nehémia is een voorbeeld van iemand die dit niet toeliet en daar ook strenge consequenties aan verbond. Wat zou het een zegen zijn als we door een zodanig overheidsoptreden in onze tijd landelijk weer de weldadige rust van deze dag zouden terugkrijgen, maar vooral ook de heiliging van deze dag. Niet alleen het land en zijn inwoners, maar zelfs de schepping en de dieren van het veld zouden er wel bij varen. In het houden van het vierde gebod is groot loon, grote zegen.
Christenpolitici moeten deze zaken naar voren brengen op de posten en posities waar zij gesteld zijn en verantwoordelijkheid dragen. En wij allen zouden winkeliers die hun winkel op zondag gesloten houden, voorrang en voorkeur moeten geven bij het winkelen. Het is passend om juist hen te steunen die nog rekening willen houden met Gods dag. De zondagsrust geldt trouwens ook voor het internet en de vele webshops die zich daarop bevinden.
Ds. Hondius ging ook nog in op de duur van de sabbat en de handhaving van het vierde gebod gedurende de gehele sabbatdag. Daarover bleken nogal oppervlakkige gedachten te bestaan. Ds. Hondius schreef:
“528. Zodanige overheden zondigen die, terwijl ze lidmaten zijn, nochtans de kermissen (hoewel men hier en daar de naam veranderd heeft in jaarmarkten, de zaak blijft hetzelfde) toelaten, zelfs op de sabbat. Ten beste genomen nog na de predicatie, daar zij menen dat het genoeg is als ze de kramen tijdens de predicatie doen gesloten houden. Alsof de sabbat niet langer duurde en te houden was dan zolang de predicatie duurt. Dit strijdt tegen het vierde gebod van de Wet Gods, waarin ons belast wordt dat wij moeten heiligen de zevende dag. Daaronder kan geen drie of vier uren verstaan worden, want zo’n korte tijd wordt nooit een dag gerekend of genoemd.” 8
Voor sommigen hield het onderhouden en heiligen van de sabbat kennelijk alleen in niet werken tijdens de preek. Zo ziet men ook in onze dagen dat in menig kerkverband veel leden alleen nog maar ’s morgens ter kerke komen en aan het overige van Gods dag een geheel wereldse invulling geven naar eigen goeddunken. Of als er al twee keer gekerkt wordt, wordt er verder niet meer nagesproken over het gehoorde. Er worden geen preekbesprekingen thuis gehouden met relevante toepassingen voor ieder lid van het gezin. Hier ligt een taak met name voor huisvaders die als priester en koning in hun gezin hebben te staan, en ook als profeet om vrouw en kinderen in de leer te onderwijzen en te stichten.
Ook diverse overheidspersonen bleken destijds een niet al te stringente sabbatsvisie erop na te houden. Zij hielden zich op de sabbat met van alles bezig behalve met de zondagsheiliging. Ds. Hondius:
“531. Zodanige overheden zondigen die, terwijl ze lidmaat zijn, nochtans zelf wel de eerste zijn en voorgaan in de overtreding en schending van de sabbat. Zij reizen en rossen buiten nood op die dag, ze verzuimen de kerk, houden maaltijden, jagen, schieten en zoeken hun eigen werelds en vleselijk vermaak, tot grote ergernis en verleiding van hun onderdanen, die de kwade voorbeelden van hun regenten plegen na te volgen.” 9
Omdat een kwaad voorbeeld in de regel kwaad doet volgen, was dit natuurlijk een ernstige zaak. Helaas is het in onze dagen nog vele malen erger. Hoeveel overheidspersonen bezoeken nog een kerk en luisteren naar de predicatie van Gods Woord? En als ze dat al doen, wat gebeurt er dan het overige van de dag? Er is zoveel meer bijgekomen wat ons afhoudt van de zondagsrust en -heiliging.
2.14. Het tolereren van andere religies, sekten en roomse feesten
Juist door het ageren tegen publieke vrijheid van andere religies en sekten komt het theocratisch standpunt bij ds. Hondius heel duidelijk naar voren. Hij noemde het zonde dat de overheid te veel - bijna volledige - vrijheid gaf aan de Joodse, roomse en sociniaanse religie. De overheid liet ook nog te veel toe dat zij boeken konden drukken en verkopen en zo hun gedachtegoed straffeloos konden verbreiden, wat verschrikkelijke consequenties kon hebben. Immers, een ziel die verleid is en dwaalt, eindigt - als God het niet verhoedt - in het eeuwig verderf. Hieraan is de overheid dan medeplichtig en medeschuldig. Ds. Hondius:
“526. Zodanige overheden zondigen die, terwijl ze lidmaat zijn, nochtans alle religies en sekten bijna volle vrijheid geven, al zijn ze nog zo godslasterlijk en afgodisch zoals Joodse, roomse, sociniaanse, etc., en het drukken en verkopen van hun boeken dulden, waardoor vele zielen verleid en verstrikt worden tot hun eeuwig verderf.” 10
Waar ds. Hondius moest waarschuwen tegen een gedoogpolitiek bij een - in ieder geval in naam - gereformeerde overheid, is het bij ons zo dat we moeten waarschuwen tegen de heersende, in de Grondwet vastgelegde publieke godsdienstvrijheid voor alle gezindten. Ook al is er nu sprake van een seculiere en op veel punten antichristelijke overheid.
Helaas is die vreselijke gedachte van publieke godsdienstvrijheid zelfs doorgedrongen tot het partijbestuur van de huidige SGP. Dat grondrecht wordt niet meer bestreden, maar een slechts licht beperkte publieke godsdienstvrijheid is nu de nieuwe norm geworden. De theocratische theologie is hier losgelaten en ingeruild voor een beginselloos ruimte geven aan alle andere religies en sekten. Publieke godsdienstvrijheid voor alle religies is een idee van de duivel uit de hel en gaat lijnrecht in tegen Gods recht, Gods Wet, Gods eer, Gods Naam en de zaak van God.
Ds. Hondius waarschuwde overigens ook tegen openbare uitingen uit het dominante roomse verleden zoals het sinterklaasfeest. Ik citeer:
“532. Zodanige overheden zondigen die, terwijl ze lidmaat zijn, nochtans niet beletten het openlijk houden van sint-nicolaasavond, het openbaar spelen van ‘Barber! Reine maagd’ 11 en dergelijke roomse grollen en superstities. Daar we immers God nooit genoeg kunnen danken dat Hij ons verlost heeft uit het roomse Babylon en dat God onze overheden met macht heeft gewapend om de openbare overblijfselen van hun afgoderij en superstitie te kunnen weren uit den lande.” 12
Helaas horen we in onze dagen wel veel politici overdreven veel geluid maken over de kleur van zwarte piet, omdat die racistisch zou zijn, maar weinig gereformeerden maken bezwaar tegen de roomse heiligenverering in dit feest. Het zou te wensen zijn dat er een einde komt aan dit zogenaamde kinderfeest dat erin bestaat kinderen te bedriegen met een toneelvoorstelling van een al of niet betaalde sint met pieten, waardoor kinderen - als ze tot hun verstand gekomen zijn - bepaald niet meer vertrouwen krijgen in de verhalen van hun vader en moeder.
Het zou beter zijn als de reden voor afschaffing niet racisme zou zijn, maar roomse afgoderij en rooms bijgeloof. Mocht ons land eens en voorgoed van deze onzinnigheid bevrijd en verlost worden!
Wie is overigens God nog dankbaar dat we van het roomse Babylon verlost zijn? Wie de moeite doet om de catechismusverklaringen op de Tien Geboden te raadplegen van mannen als bijvoorbeeld ds. Maximiliaan Teellinck en ds. Theodorus van der Groe zal opmerken dat ze bij het eerste gebod en de inleiding op de Wet (de verlossing uit het diensthuis van Egypte) verwijzen naar de verlossing van de tirannie van Spanje en rome. Dat God daar het Nederlandse volk van bevrijd heeft. En nu? Wordt er niet veel gedweept met de oude vijand als zou die nu veranderd zijn? Rome is niet veranderd! Ze is slechts geraffineerder geworden. Veel kinderen en knechten van God hebben moeten bloeden en lijden onder het roomse Babylon, dat in haar kern een verdrukkende en verschrikkende macht is. Het is in die zin vreselijk te noemen dat wij een roomse koningin hebben en dat zij van haar bijgeloof en afgoderij geen afstand wil nemen, nu ze getrouwd is. Het bezoeken van de paus met verregaande aanpassingen tot in de zwarte kleding toe laat wel zien dat rome niet veranderd is. Al wat niet rooms is, moet zich aanpassen.
2.15. Verkeerde schoolboeken Een laatste punt dat ik hier wil overnemen, is het
Een laatste punt dat ik hier wil overnemen, is het punt dat ds. Hondius maakt over de schoolboeken van de Latijnse scholen. Helaas uit ervaring kan ik zeggen dat er veel (literaire) gedichten en verhalen in het Latijn zijn die niet om over naar huis te schrijven zijn. Het zou beter zijn als de jeugd andere stof leerde lezen op het gymnasium. Zeker een reformatorische school zou hierop moeten toezien en niet alles tolereren wat de heidense Romeinse taal en cultuur aandragen.
In feite zou de overheid ervoor moeten zorgen dat de jeugd niet eens met zulke verhalen en gedichten in schoolboeken in aanraking komt. Ds. Hondius schreef:
“533. Zodanige overheden zondigen die, terwijl ze lidmaat zijn, nochtans in de Latijnse scholen laten leren uit zodanige boeken die vol zijn van heidense profanaties en onkuisheden, waardoor het dan ook wel gebeurt dat de schoolkinderen - als zij tot hun jaren gekomen zijn - meer vermaak scheppen in het lezen van die ijdele heidense boeken dan in het onderzoeken van de Heilige Schriften, en dat ze uit die ook meer onthouden en weten bij te brengen dan uit het dierbare Woord Gods.” 13
Veel beter is het om thuis te raken in de Heilige Schriften. Bijna iedereen kan tegenwoordig lezen en een Bijbel kopen. Maar dikwijls is de kennis van profanaties en onkuisheden bij een groot deel van de jeugd groter dan de kennis van Gods dierbaar Woord. En hoeveel kinderen op niet-Christelijke scholen hebben geen en op reformatorische scholen slechts summiere kennis van Gods Woord? Ook daar ligt een taak voor de overheid. Nederland mag Gods dierbaar Woord niet vergeten. Het schoolboek bij uitstek zou de Bijbel in de Statenvertaling moeten zijn.
3. Uitleiding
Het is mij opgevallen dat ds. Hondius geen scheiding maakt tussen de eerste en de tweede Tafel van Gods Wet. Hij ziet de overheid als verplicht en schuldig om beide Tafels van Gods Wet te handhaven. Dus niet alleen opkomen en ons inspannen voor bijvoorbeeld het zesde en het zevende gebod en het eerste en het tweede maar laten zitten. Nee, het blijkt juist dat de overheid door ds. Hondius wordt aangesproken op de gehele eerste Tafel van Gods Wet, inclusief de heiliging van Gods Naam (het derde gebod) en de heiliging van Gods dag (het vierde gebod). In de woorden van de Heere Jezus is het God liefhebben boven alles juist het eerste en het grote gebod. Het is ook niet voor niets de eerste Tafel. Daarin worden wij gecorrigeerd in onze gedachten van wat belangrijk is. Eerst komen Gods belangen. De Heere geve niet alleen aan Nederland en de Nederlandse politiek een terugkeer tot de belijdenis van onze gereformeerde vaderen. Maar de Heere geve dat ook aan de huidige SGP, die op dit punt duidelijk op een dwaalspoor is terechtgekomen. Mocht zij terugkeren naar de oude gereformeerde theologie van de theocratie die door haar eerste voormannen zoals ds. Kersten en ds. Zandt duidelijk is verdedigd. Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald! Dat er toch meer gestudeerd mocht worden in de oude schrijvers, de reformatoren en de nadere reformatoren. Zij wijzen ons geen dwaalspoor!
Het wordt tijd dat de SGP een keer eerlijk wordt voor wat betreft het verleden van de partij en de huidige koers van godsdienstvrijheid daartegenover. Als zij nu godsdienstvrijheid wil proclameren, moet ze ook zeggen dat haar voormannen in het verleden op dit punt dwaalden, alsook de gereformeerde belijdenis en de theologen. En wat nog veel erger is, dat de Schrift tijden/of plaatsgebonden zou zijn en dat daarom Gods voorschriften voor de overheid op dit punt voor onze tijd en voor Nederland er niet meer toe doen. Maar dan zou men eerlijkheidshalve ook het onverkorte artikel 36 uit het program van beginselen moeten schrappen.
Het zal niet lang meer duren of dan heeft de SGP een jubileum te gedenken van honderd jaar SGP. Het zal toch niet zo zijn dat dan alles waar de SGP ooit voor opgericht is, weg is? De zogeheten drie principiële v’s (vrouwenstandpunt, verzekering en vaccinatie) zijn al bijkans weg. En wat de theocratie betreft, staat het onverkorte artikel 36 nog steeds in het beginselprogram, maar in de theorie van het SGP-partijbestuur en in de praktijk functioneert dit theocratisch belijden nauwelijks meer. Wat horen we weinig van de antithese: tegen de revolutie het Evangelie. En tegen het mohammedanisme, boeddhisme, Jodendom, hindoeïsme enz. de theocratie. Als deze zaken niet ten goede veranderen, zal het jubileum van 2018 Deo volente wel een zwarte rand moeten dragen bij hen die van harte de oude partijbeginselen zijn toegedaan. God oordeelt ons niet naar menselijke maatstaven en gedachten, maar naar Zijn eigen Woord, naar Zijn eigen Wet en recht. De Heere zal Zijn Woord, Zijn Wet en recht handhaven. Ook al zou er niemand meer zijn die zich eraan houdt. Het zal de enige norm blijken te zijn waarnaar wij alleen geoordeeld worden. Daarom zeggen we met Psalm 2 vers 10-12: Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde. Dient den HEERE met vreze, en verheugt u met beving. Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen die op Hem betrouwen. Kand. D. Baarssen
Noten:
1) Zie: In het spoor, februarinummer 2017, p. 34-41
2) J. Hondius, Swart register van duysent sonden, Amsterdam 1679, p. 238 (herspeld; hierna: Hondius)
3) Een goedgelukzegger is een waarzegger.
4) Hondius, p. 238-239
5) Hondius, p. 239
6) Ds. Hondius gebruikt overigens in zijn betoog niet het uit de heidense spraak afkomstige woord ‘zondag’.
7) Hondius, p. 241-242
8) Hondius, p. 242-243
9) Hondius, p. 244
10) Hondius, p. 242
11) Hiermee wordt Barbara van Nicomedië bedoeld, die naar wordt aangenomen in de derde eeuw na Chr. geleefd heeft. De legende gaat dat zij - om haar schoonheid voor jonge mannen te verbergen - door haar vader werd opgesloten in een (luxe) woontoren, maar toen hij merkte dat ze Christen geworden was, liet hij haar martelen. In de roomse kerk was lange tijd 4 december haar feestdag als heilige.
12) Hondius, p. 244-245
13) Hondius, p. 245
Fotoverantwoording:
a t/m d: Depositphotos
Grondwet voor het koninkrijk der nederlanden
Hoofdstuk 1: Grondrechten
Artikel 6: Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
Lid 1: Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
Lid 2: De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 2017
In het spoor | 64 Pagina's