... En veinst, U niet te kennen.*
Text: Lulias 22 : 54—62.
Een donkere bladzijde ligt voor ons opengeslagen. Wel grijpen wij er graag naar, omdat temidden van de duisternis de genade van onzen Heiland zoo heerlijk schittert. Maar het is toch een donkere bladzijde.
Allereerst in het Lijdensboek onzes Heeren. Hoe zwaar moet Hem deze ervaring gevallen zijn ! Dat de wereld van Hem niet wilde weten, was al zw^.ar genoeg voor Hem, Die als het Licht der wereld gekomen is. Maar dat één van Zijn meest geliefde discipelen alle gemeenschap loochende met Hem, Die den voet had gezet op den weg, waarop de verlossing van zondaren uit de macht van zonde en dood haar beslag kreeg, dat moet Hem wel aangegrepen hebben in het diepst van Zijn ziel.
Maar juist daarom is het ook de allerdonkerste bladzijde in het levensboek van dien discipel, van Simon Petrus. „Hoe zijn de helden gevallen en de krijgswapenen verloren !" Deze woorden uit Davids klaagzang over Saul en Jonathan maken wij onwillekeurig tot de onze, als wij deze bladzijde lezen. Want wat blijft er van de stoere figuur van Petrus over, als wij staren op zijn verloochening van Jezus, Dien hij meermalen zoo krachtig beleden heeft!
Waarom deze donkere bladzijde opgenomen in het Evangelie ? Waarom deze droeve gebeurtenis niet met den mantel der liefde bedekt ?
Het is wel opmerkelijk, dat"er niet één Evangelist is, die dit heeft gedaan. Allen spreken ervan. Johannes nog het sterkst: die spreekt alleen van Petrus' verloochening ; van zijn wederoprichting gewaagt hij met geen enkel woord in zijn beschrijving van de Lijdenshistorie ; die wederoprichting komt bij hem eerst later aan de orde: zij schemert door in de beschrijving van de ge-beurtenissen aan den morgen der opstanding, waarop Petrus zich met Johannes naar het graf van Jezus spoedt op Maria Magdaiena's ontstellend bericht, maar zij komt eerst in het volle licht te staan, als Johannes de verschijning des Heeren aan de Zee van Tiberias beschrijft. Hel is, of Johannes hier den vollen nadruk wil leggen op het feil der verloochening en op de smart, die Petrus zijn Heere daarmee aandeed.
Waarom deze donkere bladzijde in het Evangelie opgenomen ? Hierop is slechts één antwoord : omdat hel Evangelie „Evangelie" is: de blijde buodsciiap van genade, van verlossing jit de banden van zonde en dood, waarbij geen vleesch eenigen roem heeft; de blijde boodschap, die de wereld door gaat om alle treurigen te troosten, om hun te beschikken sieraad voor asch, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwden geest.
Tweeledig is de strekking van deze donkere bladzijde : zij dient tot onze verootmoediging, om zóó ook dienstbaar te worden aan onze vertroosting. God geve, dat zij inderdaad óns daartoe diene, terwijl wij de aandacht schenken aan de twee stukken, waarop onze text wijst: I Petrus' diepen val, en II Petrus' hartgrondig berouw.
I
Over Petrus' diepen val hebben wij allereerst te spreken.
Lukas beschrijft ons uitvoerig, hóe het met Petrus tot dezen diepen val is gekomen.
Hij leidt ons in den Hof Gethsemane, waar de Heere Jezus dien ontzettenden zielestrijd doorworsteld heeft en die aangrijpende bede herhaaldelijk over Zijn lippen kwam : „Vader ! of Gij wildet dezen drinkbeker van Mij wegnemen, doch niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede" (vs. 42).
Nauwelijks is deze zielestrijd voorbij, of daar verschijnt de bende, door Judas geleid. De ure is gekomen. Het verraderlijk teëken wordt gegeven in den kus, dien Judas Jezus op de lippen drukt. Aanvankelijk verzet van Zijn discipelen wordt door Jezus gebroken. Gewillig geeft Hij Zich over met de woorden : „Als Ik dagelijks met u was in den tempel, zoo hebt gij de handen tegen Mij niet uitgestoken; maar dit is uw ure, en de macht der duisternis" (vs. 53). Door de Overpriesters en hun knechten gegrepen, wordt Jezus meegevoerd en gebracht in het huis van den Hoogepriester Daar vangt al spoedig dat jammertooneel aan, dat één mengsel is van leugen en arglistigheid, daarop doelend en daarop uitloopend, dat de Eenige, Die den Naam Gods steeds heeft geheiligd, als godslasteraar ter dood wordt verwezen.
Petrus volgt van verre.
Hij kan niet wegblijven. Al vervult het lot van zijn Meester hem met schrik, toch trekt het hart om op grooten afstand achter de volksmenigte aan te gaan en zelfs het hoogepriesterlijk verblijf binnen te treden.
Op de binnenplaats treffen wij hem aan. Daar hebben de dienstknechten een vuur aangelegd. Na dien nachtelijken tocht hadden ze wel behoefte aan warmte en daar binnen kan het lang duren ! Weldra zitten zij om een knappend vuur. Petrus zet zich ook onder hen neder. Waar kan hij beter gelegenheid vinden om te weten, wat er met zijn Meester gebeurt ? Hier loopt hij volstrekt niet in het oog : er zijn zooveel en zoovelerlei menschen ! En wie zal hem hier ontdekken ? 't Is immers, of hij ook behoort tot degenen, die Jezus gevangen namen. Volkomen veilig kan hij van hier uit alles gadeslaan. Volkomen veilig ? Dat zal hij wel anders ondervinden. Petrus zelf
Dat zal hij wel anders ondervinden. Petrus zelf heeft hier, zonder er iets van te bespeuren, reeds den grond gelegd voor hetgeen straks zal volgen. Hier ligt al de kiem van de plant, die straks in de verloochening ontluikt en groeit. Want Petrus schaart zich hier onder degenen, die van Jezus niet gediend zijn. De onvoorzichtige : hij zocht veiligheid, maar begaf zich juist zóó in gevaar.
Het komt al spoedig aan het licht. Eerst gaat alles goed. Niemand slaat acht op hem. Ze hebben 't veel te druk. Ze beginnen te genieten van de weldadige warmte in den kouden voorjaarsnacht. Ze spreken nog eens over de gebeurtenissen in den hof. Zeker ook wel over den afloop der zaak, die hun meesters wel zóó zullen weten te sturen, dat er voorgoed een einde komt aan den verderfelijken invloed van dien Nazarener. — Dat duurt echter niet lang. Zonder dat Petrus er iets van bespeurd heeft, is een dienstmaagd bezig, hem bij het schijnsel van het vuur nauwkeurig op te nemen. Zij fixeert hem geruimen tijd, alsof zij zich vergewissen wil van de waarheid van een gedachte, die bij haar oprijst en daar zegt zij eensklaps : „Ook deze was met Hem". Petrus begrijpt onmiddellijk, wat zij bedoelt. Er was immers maar Een, Die in deze oogenblikken aller aandacht spande : Jezus de Nazarener ! Zij heeft hem herkend als één dergenen, die steeds in Jezus' nabijheid waren te vinden, die bij Jezus behoorden. — Petrus' hart bonst. Hij is ontdekt. En wel 74 temidden van mannen, die zijn Meester gevangen hebben genomen, van vijanden. Nu eerst beseft hij, wat hij deed door zich in hun gezelschap te begeven, 't Is met zijn veiligheid, met zijn vrijheid, met zijn leven gedaan !
Wat zal hij aanvangen ? Alleen als hij er in slaagt, hen diets te maken, dat hij met Jezus niets heeft uit te staan, is hij gered. Hij neemt de toevlucht tot een leugen : „Vrouw, ik ken Hem niet 1" Dat ontzettende woord komt daar in den hof óver zijn lippen. — Ja, dat ontzettende woord ' Want Petrus betuigt daarmede niet alleen, datjezus voor hem een vreemde is, maar ook dat hij heel geen lust heeft, met Hem in aanraking te komen. Het is een beslist doorsnijden van den band, die hem met Jezus verbond ! Hoe waagt Petrus het, zóó te spreken? Heeft hij dan niet drie jaren lang met Jezus verkeerd ? Heeft hij niet ontzaglijk veel met Hem doorleefd ? Heeft hij niet wonderen van uitredding door Jezus ervaren ? Heeft hij niet vóór een paar uur nog met Hem aan den Paaschdisch gelegen, dien hijzelf met Johannes voor den Meester en Zijn gezelschap had bereid ? Of is Petrus dat alles vergeten ? Neen, hij is het niet vergeten. Maar dat alles bracht hem nu in het gedrang. En daarom wil hij met een forschen slag zich een uitweg banen : „Vrouw, ik ken Hem niet!"
De dienstmaagd zwijgt. Natuurlijk niet, omdat zij overtuigd is. Hoe was het mogelijk, dat in die dagen ook maar één mensch in Jerusalem Jezus niet kende, niet wist van Hem, Wiens koninklijke intocht heel de stad in rep en roer had gebracht ? Petrus is al blij, dat zij, al staart zij hem met een ongeloovig gezicht aan, niet verder op de zaak ingaat. Gelukkig, dat gevaar is voorbij ! Natuurlijk blijft Petrus, waar hij was. Zich verwijderen zcu immers beteekenen : de aandacht op zich vestigen en zichzelf verraden. Maar juist daardoor is 't gevaar niet voorbij.
Maar juist daardoor is 't gevaar niet voorbij. Een oogenblik later verschijnt er weer iemand, die hem in het oog krijgt. Eén der knechten stapt op hem toe en zegt met de meeste beslistheid : „Ook gij zijt van die!" Petrus verstaat weer onmiddellijk, wat hij bedoelt, al noemt de man geen naam. Wie kon hij anders meenen dan aanhangers van Jezus ?Vooi de tweede maal ziet Petrus zich ontdekt. Dat maakt hem nog meer verlegen en beangst. Die man weet er meer van dan die dienstmaagd. Hij spreekt immers niet in den verleden, maar in den tegenwoordigen tijd : „Ook gij zijt van die !" Zou hij hem misschien zooeven nog met Jezus gezien hebben in den Hof Gethsemane, waar Petrus er zoo dapper op ingeslagen had met het zwaard ? Hoe moet Petrus zich er uit redden ? Voor de tweede maal komt een leugen over zijn lippen : „Mensch, ik ben niet!" Neen, ik behoor niet tot dat gezelschap van Jezus ! ik heb er niets mee uit te staan ! — En dat zegt hier dezelfde Petrus, die onder de eerste discipelen van Jezus geteld werd, door Jezus Zelf geroepen in Zijn dienst.
Dezelfde Petrus, die met een diepbewogen gemoed eenmaal betuigd heeft in een uur, waarin tal van aanvankelijke aanhangers Jezus verlieten : „Meere ! tot Wien zouden wij heengaan ? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens!" (Jo^- ^)- Dezelfde Petrus, die pas, na afloop van den Paaschdisch, in den kring der discipelen de woorden des Heeren had vernomen : „En gij zijt degenen, die met Mij steeds gebleven zijt in Mijn verzoekingen". Hoe durft hij het uitspreken ? O, het is de zucht naar zelfbehoud, die hem drijft. Hij zag geen anderen uitweg.
Dit middel schijnt doel te treffen. Ook die dienstknecht doet er het zwijgen toe. En er is niemand, d.e er op doorgaat. Nog verwijdert Petrus zich niet. Hij blijft op de binnenplaats. Hij is immers gekomen, om te zien, hoe het met Jezus zou gaan. Wij kunnen ons voorstellen, hoe hij gedurig steelsche blikken naar binnen zal hebben geworpen. Zijn oog is voortdurend op zijn Meestei gericht. Gelukkig, dat men hem nu met rust laat. Zoo gaat het zoowat een uur lang.
Maar dan verandert de zaak. Daar komt wederom een dienstkecht met dezelfde gedachte als de andere aan en verzekert: „In der waarheid, ook deze was met Hem ; want hij is ook een Galileeër!" Dat woord van verzekering: „in der waarheid" of „waarachtig" wekt den indruk, dat er onder het dienstpersoneel over het geval is gesproken. Geen wonder: zoowel die dienstmaagd als die eerste dienstknecht waren overtuigd, dat zij gelijk hadden. En zoo kunnen wij ons voorstellen, dat die derde er bij gehaald is, om de waarheid te bevestigen. Voor Petrus des te erger. Immers in den mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan ! En die man wijst op zijn spraak, die den Qalileeër verried : dat klopte immers volkomen met het feit, datjezus' vertrouwde kring uit Galileeërs bestond. Wat zal Petrus nu doen, nu voor de derde maal het feit geconstateerd wordt ? „Mensch ! ik weet niet, wat gij zegt!" Dat is het derde antwoord, dat Petrus geeft. De wrevel spreekt er uit. Petrus was zoo blij, dat hij zoo goed van die eerste twee aanvallers afgekomen was, en daar komt nu een derde met dezelfde boodschap aan ! Besliste ontkenning heeft hem niet geholpen ; daarom zal hij zich nu maar houden, alsof hij volstrekt niet begrijpt, waar het over gaat. En dat is dezelfde Petrus, die daar straks nog betuigd heeft: „Heere! ik ben bereid, met U ook inde gevangenis en in den dood te gaan !" (vs 33). Wie had aan zulk een diepen val kunnen denken ! Waarom is het zoover met Petrus gekomen ?
Daarop is het antwoord wel te vinden: omdat Petrus geen acht geslagen heeft op de ernstige waarschuwingen van den Heere Jezus. Ge herinnert u immers wel, wat de Heiland in dezen zelfden nacht nog gezegd had : „Simon, Simon ! zie, de satan heeft ulieden zeer begeerd, om te ziften als de tarwe; maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude ; en gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zoo versterk uw broeders" (vs. 31, 32). Hierin was toch niet alleen het. gevaar aangekondigd, maar ook het bezwijken in dat gevaar. Een waarschuwing, die den discipelen een schok door de leden deed gaan. Doch niet in den rechten zin. Dat blijkt ten aanzien van Petrus duidelijk uit zijn reeds aangehaald antwoord : „Heere ! ik ben bereid, met U ook in de gevangenis en in den dood te gaan !" (vs. 33). Hij was geschokt over het feit, dat de Meester hem zoo weinig standvastigheid toekende, dat Hij zelfs verloochening als niet uitblijvend aankondigde (vs. 34). Neen, zóó donker stond het er waarlijk niet voor. Daarom gaat ook de aansporing der liefde in Gethsemane: „Bidt, dat gij niet in verzoeking komt," over zijn hoofd heen. Ook de herhaling daarvan bij het verlaten van den hof: „Wat slaapt gij ? staat op en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt I" Petrus heeft niet zijn toevlucht gezocht in het gebed tot den almachtigen God. Hij heeft de noodzakelijkheid daarvan niet ingezien. Petrus vertrouwde op zijn hart. Hij heeft geen oog gehad voor de zwakheid, de machteloosheid van het vleesch. Vandaar, dat hij niet bekleed was met de wapenrusting Gods, toen de ure der verzoeking was aangebroken. Vandaar, dat hij zóó diep zonk, dat hij alle gemeenschap met Jezus loochende. Vandaar, dat er van geloof in die bange ure bij Petrus niets te bespeuren is. Geen geloof in • Jezus, maar ook geen geloof in God. Petrus durft niets wagen, omdat hij alleen op het zichtbare let. En hoe staat het nu met onszelf?
Deze vraag hebben wij met allen ernst onder de oogen te zien. Want dat deze donkere bladzijde in het Evangelie is opgenomen, is niet om Petrus, maar om ons, tot wie het Evangelie gekomen is en komt. Laat ons niet vergeten, dat deze donkere bladzijde in het leven van Petrus een donkere bladzijde is in het leven van een mensch, en dat wij ook zelf niets anders, niets meer dan menschen zijn. Als wij in de plaats van Petrus hadden gestaan, zouden wij dan geloofd hebberi, dat het zoover met ons komen kon als de Heere Jezus aangekondigd heeft ? M. a. w. erkennen wij aanstonds, dat ons geloof geen stand houden kan in de ure der verzoeking? — Immers neen. Wij kunnen ons dat evenmin voorstellen als Petrus. Daarvoor is naar onze gedachten ons geloof veel te oprecht. Daarvoor meenen wij het veel te goed. Wij zijn toch niet over één nacht ijs gegaan, toen wij tot Jezus kwamen. Wij wisten immers wel, wat wij deden, toen wij ons aan Hem toevertrouwden ? O zeker, er zijn velen, bij wie de geloofshouding aangeleerd is als een lesje, bij wie het geloof een opgeplakt iets is. Maar dat was bij ons niet zoo. Wij hebben ons wel degelijk rekenschap gegeven. Wij wisten heel goed, dat wij zondaren waren en dat Jezus alleen ons verlossen kan. Daarom juist hebben wij tot Hem onze toevlucht genomen. Daarom juist is Hij ons zoo dierbaar, ja onmisbaar. En nu zouden wij Hem laten varen, ja Hem verloochenen : uitdrukkelijk ontkennen, dat wij met Hem in gemeenschap staan ? 't Is immers kortweg onaannemelijk ! Ja, zoo spreken wij in onze onnoozelheid, in ons kortzichtig zelfvertrouwen. Wellicht voegen wij er aan toe, dat van zulke vreeselijke dingen in ons leven toch nog niets gebleken is, dat wij den Heere Jezus toch nog nooit hebben verloochend !
Zou dat wezenlijk waar zijn ? Is bij ons niet het minste te bespeuren van de kwaal, die bij Petrus op zoo ontzettende wijze aan het licht is gekomen ? Och, als wij ons hart eens zetten op onze wegen, zooals de Profeet het noemt, dan zullen wij wel tot andere gedachten moeten komen. Dan zullen wij de geschiedenis van Petrus' verloochening niet meer lezen met de gedachte alleen aan een waarschuwing om op te passen, dat het bij ons zoover niet komt, maar ook met de erkentenis, dat wij geen roem hebben boven Petrus. Niemand van ons heeft nog ooit voor een vuur
Niemand van ons heeft nog ooit voor een vuur gestaan, zóó heet als waar Petrus zich voor geplaatst zag. Ons leven heeft nog nooit gevaar geloopen om der wille van de belijdenis van Jezus. Voor ons zijn de verzoekingen tot nog toe van lichteren aard geweest, zoo wij al van verzoekingen kunnen spreken in dit opzicht. Och, als wij ons steeds bewegen in den kring van gelijkgezinden, dan gaat alles gemakkelijk, dan kunnen wij het best bij Jezus uithouden, dan brengt de belijdenis van Zijn Naam geen enkel bezwaar mede en kunnen wij ons zelf voor goede geloovigen houden.
Maar als wij in aanraking komen met menschen, die van Hem niet gediend zijn, dan staat het er vaak anders voor, vooral wanneer die menschen invloed kunnen uitoefenen op onzen levensgang, wanneer er veel voor ons afhangt van hun gunst of misnoegen. Vertoef maar eens als eenling in een kring, die met vijandigen geest tegen Christus en Zijn Gemeente bezield is ; laat het zelfs zijn in een kring, die wel van „Christus" wil hooren, maar niet van den Christus der Schrift. Vertoef als eenling in hun midden op een oogenblik, waarop het er op aankomt, hen niet tegen u in het harnas te jagen. Hoor dan hun smalende opmerkingen over dompers en dweepers, die nog in zulk een Christus gelooven. Weet daarbij, dat, als zij' wisten dat gij zoo staat, alle vriendelijkheid in vijandschap zou verkeeren en uw kans geheel verkeken zou zijn. . . . Hebben wij dan werkelijk altijd den moed, regelrecht te zeggen : zoo één ben ik er ook, die Christus is mij dierbaar? Of zitten wij er over te peinzen, of wij wel den mond zullen opendoen ? Of komen wij misschien eerst na wikken en wegen voor het licht met onze overtuiging? Zelfs dat wikken en wegen bevat een aanklacht tegen ons. Stond het recht in ons binnenste, dan zouden wij zonder eenige aarzeling er voor uitkomen, dat wij werkelijk Hem als ons Heil erkennen. Dat wikken en wegen komt nergens anders uit voort dan dat wij het nog niet met Hem durven wagen. Nog duidelijker is het, als wij zwijgen. Daar ligt reeds de kiem der verloochening. Want: niet uitkomen voor Jezus waar dat noodig is voor de eere Zijns Naams is in den grond der zaak niets anders dan verloochening van Hem.
Hier komt nog iets bij. Er is verloochening van Christus, die in werken uitkomt. Petrus spreekt daarvan in zijn tweeden Brief. Hij heeft het over valsche leeraars, „die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen, ook den Heere, Die hen gekocht heeft, verloochenende, en een haastig verderf over zichzelven brengende" (2 : 1). Van diezelfde menschen schrijft hij later, evenals van degenen, die hen volgen, dat „hun is overkomen wat met een waar spreekwoord gezegd wordt: De hond is wedergekeerd tot zijn eigen uitbraaksel ; en de gewasschen zeug tot de wenteling in het slijk" (2 : 22). Zij waren door de kennis van den Heere en Zaligmaker Jezus Christus de besmettingen der wereld ontvloden, maar zijn daarin weer verstrikt geraakt en daardoor overmand. Dat is dus een verloochening des Heeren door toegeven aan de verleiding der zonde. Want wie aan de zonde toegeeft, die keert feitelijk den rug toe aan Hem, Die aan het kruis is gestorven om de heerschappij der zonde voor ons en in ons te breken. Als wij daaraan denken, dan begint het ons te duizelen: hoe tallooze malen hebben wij zelf niet, ook na aanvankelijken tegenstand, aan de zonde toegegeven en daarmede in de praktijk den Heere Jezus verloochend ! Als ons daarvoor de oogen opengaan, dan kunnen
Als ons daarvoor de oogen opengaan, dan kunnen wij niet meer als voortreffelijke zedemeesters den staf over Petrus breken. Dan moeten wij naast Petrus plaatsnemen en bekennen : ik ben niet beter dan gij. Dan zal in ons hart weerklank vinden de smeekbede, die wij thans willen uitspreken door te zingen : Ps. 51 : 5.
II
Wij kunnen er op aan, dat hetgeen wij daar zongen, is gaan leven in Petrus' binnenste, nadat hij tot zulk een diepen val is gekomen. Het Evangelie spreekt ons immers ook van Petrus' hartgrondig berouw. Lukas teekent het in de woorden, waarmede
Lukas teekent het in de woorden, waarmede onze text eindigt: „En Petrus, naar buiten gaande, weende bitterlijk". Er komt een oogenblik, waarop Petrus het niet
Er komt een oogenblik, waarop Petrus het niet meer kan uithouden op de binnenplaats van het hoogepriesterlijk paleis. Hij snelt de poort uit en weent. En hier is geen sprake van een oogenblikkelijke uitbarsting van tranen, die spoedig weer gedroogd zijn. Neen, Petrus deed niet anders dan weenen, weende al maar door .. .
Hierin komt hartgrondig berouw aan het licht. Dit wordt ons duidelijk, als wij eens dieper nadenken over de vraag, waarover Petrus eigenlijk geweend heeft.
De eerste gedachte, die bij ons oprijst, is deze : Petrus heeft geweend over het feit, dat hij den Heere heeft verloochend. Natuurlijk is dit niet onjuist, doch hiermede is nog niet alles gezegd.
Het komt er op aan, hoe wij dit verstaan. Wij denken zoo licht, dat Petrus hierdoor van smart werd verteerd, dat hij nu zijn goeden naam had ingeboet; want dat is het eerste wat ons ook hindert. Maar dat is het ware berouw niet: als het bedreven kwaad bij de menschen vergeten blijkt en wij er weer bovenop zijn gekomen, is die smart weg; dat is geen berouw, maar enkel spijt, omdat het hart er niet bij verbrijzeld is. Spijt zit aan de oppervlakte, berouw ligt dieper. Het lag inderdaad bij Petrus dieper. Wij verstaan het, als wij letten op hetgeen Lukas schrijft: „en Petrus werd indachtig het woord des Heeren, hoe Hij hem gezegd had : Eer de haan zal gekraaid hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen. En Petrus, naar buiten gaande, weende bitterlijk". Er bestaat dus een nauw verband tusschen dat weenen van Petrus en dat woord van den Heere Jezus. Toen dat woord hem voor den geest kwam, brak Petrus uit in tranen, die al maar bleven vloeien. Hij weende, omdat hij dat woord in den wind had geslagen, zijn Meester niet had geloofd, maar in eigenwijsheid zich boven Hem had verheven. Door de bittere ervaring geleerd, moest Petrus den Heere gelijk geven en gaf hij Hem inderdaad gelijk. Het zag er in werkelijkheid bij hem uit, zooals de Heere Jezus hem gezegd had. Het was uit met de zelfhandhaving van Petrus. Qeheel verbrijzeld lag hij terneder.
Hoe is het daartoe bij Petrus gekomen ?
Niet uit eigen beweging. Wij staan, als wij op Petrus zien, voor een vreeselijken toestand. Wij zien een steenen hart, waar geen beweging in komen wil. Het was toch een ontzettend woord, dat daar 't eerst over zijn lippen kwam : „Vrouw, ik ken Hem niet!" We zouden zoo zeggen : Petrus' geweten moet wel wakker geworden zijn. En toch merken we daar niets van. Ook niet na de tweede verloochening : „Mensch, ik ben niet!" Een heel uur verloopt, waarin Petrus allen tijd tot nadenken gehad heeft, en toch spreekt hij voor de derde maal een verloochening uit: „Mensch, ik weet niet, wat gij zegt !*' Petrus heeft over zijn geweten heengeleefd. Het wordt zelfs niet wakker, als de haan kraait. Petrus hoort het wel, maar het maakt op hem niet den minsten indruk. Als er niet iets bijzonders gebeurd was, had Petrus, al had hij Jezus driemaal verloochend, er gewoon om doorgeleefd, was hij met zijn zonde blijven voortloopen.
Doch er is iets bijzonders gebeurd. Lukas heeft het ons bewaard in hetgeen hij schreef : „En de Heere, Zich omkeerende, zag Petrus aan ; en Petrus werd indachtig het woord des Heeren, hoe Hij hem gezegd had : Eer de haan zal gekraaid hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen". Het hart van den Heere Jezus was bij Petrus. Daarom keerde Hij Zich om, toen de haan kraaide, en zag Hij Petrus aan. Hij zag Petrus in de oogen en zóó zag Petrus Hem in de oogen. En die blik van den Meester drong diep in Petrus' hart.
O, wij kunnen wel nagaan,, wat er in die blik te lezen was. Niets anders dan liefde, die hem zonder woorden toesprak: „Hoort ge dien haan wel? Herinnert gij u niet, wat Ik u gezegd heb ? Wie heeft nu gelijk, gij of Ik ?" Tegen dien blik was Petrus niet bestand. Zulk een liefde verbrijzelde zijn hart. Die blik van den Meester zeide Petrus : „van wien hangt nu uw heil af, van Mij alleen, of ook van u ?" En daar was maar één antwoord in zijn ziel: „van U alleen !" Dat niet geloofd te hebben, was zijn diepste smart. Daarom ging hij naar buiten en weende bitterlijk. Het was Petrus tot zonde geworden, dat hij in verzet was gekomen tegen die liefde des Heeren, die hem vol erbarmen waarschuwde. Zoo brak bij Petrus het geloof weer door, door den nacht van ongeloof heen. Een tastbaar bewijs voor de waarheid van 's Heeren woord : „Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude". Gemeente! wat ligt hierin toch een onuitsprekelijke
Gemeente! wat ligt hierin toch een onuitsprekelijke vertroosting, wanneer het ons Ie moede is, zooals het Petrus te moede was, toen hij zich bewust werd van de verloochening van zijn Meester. Dan ziet het er bij ons vreeselijk uit. Dan staan wij voor een afgrond van zonde en schuld. Dan schijnt alle hoop vervlogen. Want hoe kan dat ooit weer in orde komen tusschen Jezus en ons ? Het is van onze zijde een geheel verloren zaak. Maar niet van de zijde van Jezus! Hij is nog Dezelfde, Die Hij tegenover Petrus was. Zijn gezindheid is niet veranderd. Al ziet Hij ons niet aan met lichamelijke oogen. Hij ziet ons toch aan. Want in het Evangelie ontmoeten wij Hem. Als Degene, Die Zichzelf voor ons in den dood heeft gestort. In het Evangelie ziet Hij ons aan, gelijk Hij Petrus aanzag. Dat Evangelie vloeit immers over van uitingen van Zijn liefde tot het verlorene. Hier hoor ik een stem mij in de rede vallen met de klacht: „maar wat baat mij dat, wanneer die uitingen van Jezus' liefde niet spreken tot mijn hart, wanneer ik dus niet in het Evangelie dien liefdeblik op mij gericht zie ? O, als ik dat maar ervaren mocht! Maar daar ontbreekt het juist aan !" Mijn broeder, mijn zuster, wees niet versaagd. Klaag dien nood aan uw God, Die doove ooren weet te ontsluiten en blinde oogen te openen. Dat is de eenige, maar ook de zekere weg, om dien liefdeblik van Jezus te ontmoeten — ten spijt van alle tegenwerpingen des duivels, die ons graag van Jezus verwijderd houdt ! Want het is Gods genadig welbehagen, dat Jezus en een met schuld beladene elkander ontmoeten.
Wanneer wij zóó in het Evangelie den liefdeblik van Jezus op ons gericht zien, dan worden wij ook in dat andere opzicht aan Petrus gelijk Dan gaat het ons door merg en been. Dan beseffen wij ook, dat wij in zonde gevallen zijn, omdat wij niet geloofden wat Gods Woord ons gedurig voorhield, dat van ons in eeuwigheid geen verwachting is. Dan wordt het ook ons tot schuld, dat wij de liefde miskend hebben, die ons deze voor het vleesch zoo harde waarheid voorhield tot ons heil. En dan zinken ook wij in waarachtige verbrijzeling des harten neder aan de voeten van Jezus, terwijl wij in heete tranen van waar berouw schreien tot Hem.
Gij verstaat het wel, Gemeente ! dat dit Evangelie geen valsche gerustheid kweekt en geen voet geeft aan de gedachte : „maak u maar niet al te bezorgd over uw zonde, over uw ontrouw, over uw ongeloof: de liefde van Jezus brengt toch alles terecht!" Zulk een gedachte is een strik van satan. Koestert iemand zulke gedachten of voelt hij er neiging toe, die bidde God, dat Hij zijn voet uit dit net uitvoere. Anders komt hij zeker om. Want wie geen ernst maakt met zijn zonde, welke ook, blijft van Jezus verwijderd, en buiten Jezus is geen leven !
Zalig hij, die met een schreiend hart aan Jezus' voeten ligt. Die ontvangt niet alleen vergeving van alle zonden, diens ziel wordt niet alleen met de belofte des eeuwigen levens getroost. Maar die is zóó ook veilig tegen alle verzoeking, geborgen in Hem, Die de macht der zonde in haar vollen omvang teniet gemaakt heeft aan Zijn kruis en haar daarom ook teniet maakt bij allen, die niets van zichzelf kunnen verwachten, maar alles alleen van Hem. Amen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 maart 1947
Kerkblaadje | 8 Pagina's