Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De kindermoord te Bethlehem

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De kindermoord te Bethlehem

21 minuten leestijd

Text: Matth. 2 : 16—18.

Wij vallen met onze text midden in een verhaal. En als wij zo midden in een verhaal vallen, staan wij dikwijls heel vreemd te kijken. Dat is een heel eenvoudige waarheid, en gij vraagt misschien, waarom ik daarmee op de preekstoel kom ? Wel, omdat ik hierin een ongezochte gelegenheid vind om te wijzen op een fout, waaraan veel mensen zich schuldig maken ten aanzien van de Bijbel. Er zijn veel mensen, die de Bijbel nooit in zijn verband lezen. Zij slaan dan hier en dan daar een hoofdstuk op. Velen lezen nooit het Oude Testament omdat zij menen genoeg te hebben aan het Nieuwe Testament. Alsof niet het Nieuwe Testament zelf voortdurend naar het Oude verwijst, en alsof het Nieuwe Testament zonder het Oude te verstaan was! Om maar een enkel voorbeeld te noemen : niemand zal ooit recht begrip krijgen van de Christus van het Nieuwe Testament, zo hij een vreemdeling is in de boeken van het Oude Verbond. Maar ook : niemand zal de Schriften der Profeten kunnen verstaan, zo hij onbekend is met de boeken van Mozes. De Bijbel moet in zijn verband worden gelezen, anders gaat zelfs het voornaamste aan onze aandacht voorbij. Zo staat het ook met onze text voor vanmorgen.

Wanneer ge die op zichzelf leest, zonder te letten op het verband, waarin hij voorkomt, ontgaat u het voornaamste. Dan leest ge wel van Herodes, van Wijzen, van de kindermoord in Bethlehem en van een stem in Rama, — maar ge weet volstrekt niet, wat in deze korte historie in het middelpunt staaf. En daarom begrijpt ge ook helemaal niet, waar het om gaat. Waarom laat Herodes alle kinderen ombrengen van twee


1 wat Herodes bewoog,

II wat hij deed,

lil wat hij teweegbracht, en

IV wat hij niet bereikte.

1.

Wat heeft Herodes toch bewogen bij en tot die gruwelijke kindermoord in Bethlehem ? — Onze text zegt: „Als Herodes zag, dat hij van de Wijzen bedrogen was, toen werd hij zeer toornig, en enigen afgezonden hebbende, heeft hij omgebracht al de kinderen, die binnen Bethlehem en in al deszelfs landpalen waren, van twee jaren oud en daaronder". Die gruweldaad was dus een gevolg van een

Die gruweldaad was dus een gevolg van een uitbarsting van toorn. En wel van toorn tegen de Wijzen, die hem bedrogen hadden. Ge herinnert u deze Wijzen wel, nietwaar? Het

Ge herinnert u deze Wijzen wel, nietwaar? Het waren Oosterlingen, die zich bezighielden met sterrekunde en sterrewichelarij. Zij waren te Jerusalem gekomen met een vraag, die voor hen van het hoogste belang was : „Waar is de geboren Koning der Joden ? want wij hebben gezien Zijn ster in 't Oosten, en zijn gekomen om Hem te aanbidden". Deze vraag was ook tot Herodes doorgedrongen. En hij had onmiddellijk de Overpriesters en Schriftgeleerden saamgeroepen en hun de vraag voorgelegd, „waar de Christus zou geboren worden". En toen hij op giond van het profetische woord het antwoord vernomen had : „Te Bethlehem, in Judaea gelegen", had hij de Wijzen heimelijk tot zich geroepen en hen naar Bethlehem gezonden met de aansporing: „Reist heen en onderzoekt naarstiglijk naar dat Kindeke, en als gij het zult gevonden hebben, 33 boodschapt het mij, opdat ik ook kome en datzelve aanbidde".

Die mannen waren dan heengereisd. En Herodes zat op hun terugkomst te wachten. Maar de Wijzen verschenen niet! Herodes wachtte tevergeefs. — Wat hij niet wist, is ons uit het Evangelie bekend. Op hoog bevel keerden zij niet naar Herodes terug. Want in de droom werden zij door goddelijke openbaring vermaand, niet weer naar Herodes te gaan. Aan die goddelijke openbaring hebben zij gehoor gegeven, ofschoon zij zodoende bij de koning in kwade reuk zouden komen. Maar liever bij de koning in kwade reuk, dan ongehoorzaam aan die God, Die hen zoveel heil had doen vinden. Zij keerden langs een andere weg naar hun land terug.

Eindelijk begint Herodes te begrijpen, dat hij aan geen terugkeer van de Wijzen meer behoeft te denken. Hij gevoelt zich door hen bedrogen. De toorn rijst op in zijn binnenste, en hij vaardigt het bevei tot de kindermoord uit

'n Vreemde manier van wraaknemen, nietwaar ? Oeheel doelloos! Want wat hadden die kinderen nu uit te staan met het vermeende bedrog van die Wijzen? En wat voelden die mannen zelf nu van die wraakneming? Niet één van hen werd er door getroffen. Het is dan ook wel duidelijk, dat de eigenlijke oorzaak niet ligt in het bedrog van de Wijzen. Neen, die zat dieper. Door het doen der Wijzen was Herodes gedwarsboomd in zijn schandelijke plannen. Die had hij aan de Wijzsn natuurlijk niet medegedeeld. Schijnheilig was z'jn optreden tegenover hen geweest. Een echt vrome houding had hij aangenomen. Een blij gezicht had hij gezet, zoals iemand heeft, wie een blijde boodschap gebracht wordt. En ais brandde hij van begeerte om dat Kindeke, waarvan zij spraken, te aanbidden, had hij hen naar Bethlehem gezonden om diens verblijfplaats op (e sporen. — Vreemd, dat hij zelf dan niet meeging! Dan had hij onmiddellijk zijn doel kunnen bereiken. Maar de argeloze Wijzen, die in oprechtheid naar Bethlehem togen, hadden daar niet eens erg in gehad. — Herodes kon prachtig de vrome spelen, maar zijn hart was vol boosheid. Want de waarheid was deze, dat de vraag, waarmede die Wijzen in Jerusalem waren gekomen, Herodes ontroerd had. Ontroerd, niet van blijdschap, maar van bange vrees. Herodes voelde zijn troon wankelen, nu hij van de geboren Koning der Joden hoorde.

Herodes had zijn troon feitelijk van de Romeinen gekregen. Hij had die troon met sommen gelds betaald. En hij wist wel, dat hij op verkeerde wijze aan zijn kroon was gekomen. Daarom was hij altijd vol vrees, zag hij overal gevaar en was hij altoos vol achterdocht. Daarom had hij ook ai veel bloed vergoten, om zijn troon maar te beveiligen. Niet alleen de nakomelingen der Maccabeën, aan wie hij verwant was door zijn vrouw, maar ook die vrouw zelf en eigen 34 zonen waren als slachtoffers van zijn argwaan gevallen. Daarom was hij ook benauwd voor dat Kindeke, welks geboorte hem ter kennis was gekomen. Zeer goed wist hij, wat de naam „Koning der Joden" beduidde. Opheldering dienaangaande had hij niet nodig. Hij vraagt dan ook onmiddellijk aan het Sanhedrin, waar de Christus geboren zou worden. Hij wist, dat het hier de grote Zoon van David gold. En hij had aangaande Hem dezelfde gedachte, die onder Israël algemeen gangbaar was, dat die Christus hier op aarde op de troon van David zou zitten. Die Koning der Joden was de wettige erfgenaam van Davids troon. Voor Hem zou natuurlijk Herodes, de Edomiet, moeten wijken ! Hij vreesde voor een nationale beweging onder het Jodendom, want voor de langverwachte Davidszoon zouden de harten spoedig ontgloeien. Daarom zag hij, om het eens heel gewoon uit te drukken, in dat Kindeke een gevaarlijke mededinger, tegenover wie hij het beslist zou moeten afleggen. Dat Kind moest onmiddellijk worden omgebracht. Daarom had hij de Wijzen zo ernstig op het hart gedrukt, het toch vooral aan hem te boodschappen, wanneer zij het Kindeke zouden gevonden hebben. De eigenlijke oorzaak van zijn toorn lag dus in de bittere vijandschap tegen de Christus.

Schrikkelijk, nietwaar? — Maar laat ons nu van die vijandschap van Herodes niet afstappen, zonder eerst de hand in eigen boezem te steken. Want al gaat het nu niet om handhaving van een koningstroon, die niemand van ons bezit, — de vijandschap tegen de Christus, die bij Herodes openbaar werd, is in de grond der zaak geen andere dan de vijandschap van de natuurlijke mens. Waar deze Christus komt, daar moeten wij van de baan, daar moeten wij van onze hoogten af, daar moeten wij onszelf verliezen. De verschijning van deze Christus alleen reeds werpt ons van onze geestelijke tronen af. Want die haalt een streep door onze vermeende gerechtigheid en vroomheid. Zij werpt ons met de goddeloze wereld op één hoop, want zij verklaart de ganse wereld voor Ood verdoemelijk. En daar willen wij niet aan. Wij handhaven onszelf tegen Hem : wij moeten wijken, of Hij moet wijken. Daar hebt ge de wortel van dezelfde vijandschap, die wij bij Herodes waarnemen.

11.

Hoort nu in de tweede plaats, wat Herodes deed : „Als Herodes zag, dat hij van de Wijzen bedrogen was, toen werd hij zeer toornig, en enigen afgezonden hebbende, heeft hijomgebracht al de kinderen, die binnen Bethlehem, en in al deszelfs landpalen waren, van twee jaren oud en daaronder, naar de tijd, die hij van de Wijzen naarstiglijk onderzocht had".

De Wijzen hadden Herodes in de steek gelaten. Hij werd dus niet gewaar, wat het resultaat van hun onderzoek was. De verblijfplaats van het Kindeke kwam hij niet te weten, fiij vermoedde, dat de Wijzen hem doorgrond hadden ; dat zei zijn kwade geweten hem wei. Door weg te blijven, hadden zij hem gedwarsboomd, om het uitvoeren van zijn voornemen onmogelijk te maken ! Welnu, dat zou hij dan wel anders tonen. Het kind zal er aan geloven. Het zal geen dag meer leven, of hij heet geen Herodes meer! Laat die Wijzen maar wegblijven. Zij hebben hem al meer verteld dan zij zelf wel begrepen. Niet tevergeefs heeft hij al zijn list in het werk gesteld. Niet tevergeefs heeft hij hen uitgehoord. Hij weet immers precies, wanneer de ster is verschenen. Hij weet dus ook, hoe oud dat kind hoogstens zijn kan: het kan nog geen twee jaar oud wezen. Als hij nu alle kinderen beneden die leeftijd laat ombrengen, dan is hij zfker, dat die Koning der Joden niet is ontsnapt. Gewillige werktuigen zijn er altijd wel te vinden. Welnu, hij stuurt er onmiddellijk enigen op af. Of het soldaten waren, weten wij niet. Maar weldra zijn alle kinderen van twee jaar en daaronder omgebracht. Niet alleen in Bethlehem, maar ook in deszelfs landpalen, dus in heel het gebied, dat rondom het stedeke lag entothetstedekebehoorde. Dat was voor de zekerheid, want dat Kind kon zich wel eens buiten het stedeke bevinden ! Gruwelijk, nietwaar ? Het is moeilijk te berekenen,

hoeveel kleine kinderen als slachtoffer van Herodes' woede gevallen zijn. Van honderden behoeven wij wel niet te spreken, daarvoor was Bethlehem veel te klein en zijn inwonertal te gering. Laat het er een dertig geweest zijn, zoals sommigen aannemen, dan waren er toch onder hen negen en twintig, die niets met de zaak hadden uit te staan ! Maar wat gaf Herodes daar om ! Als hij zijn doel maar bereikte, en het maar niet uitlekte, wat eigenlijk zijn doel was geweest. — Er zijn geen woorden, krachtig genoeg om dit doen van Herodes te veroordelen. Doch laat ons ook hier de toepassing op onszelf maken. Want wij zien hier, hoever de vijandschap des vleses tegen de Christus Gods gaat!

Het spreekt wel vanzelf, dat de vorm, waarin die vijandschap zich openbaart, niet altijd dezelfde is. Dat hangt van tijd en omstandigheden af. Maar in aard en wezen is die vijandschap door alle eeuwen heen gelijk. De Christus moet er onder. De Christus moet van de baan. Dat hebben de vervolgingen van vroeger en later tijd wel bewezen. Zij barstten los tegen deChrisfus. Maar omdat Die Zelf buiten bereik was, richtten zij zich tegen het Evangelie en tegen allen, die het Evangelie geloofden en daarom de Christus beleden. Dat Evangelie moest de wereld uit. Daarom moesten de belijders ervan bij hopen de dood in, waarbij ook de kleine kinderen niet werden gespaard Zo is het feitelijk ook in onze tijd. Doodslaan kan men de Christus niet, maar men poogt Hem aan kant te krijgen door Hem dood te zwijgen. Men poogt op de meest verschillende manier !e beletten, dat Christus een gestalie krijgt in de harten van ons volk. Men poogt langs de meest verschillende wegen te beletten, dat Christus een gestalte krijgt in de harten der kinderen. Ja, Gemeente ! de vijandschap tegen de Christus gaat vei. Verder dan men oppervlakkig wel denkt. Als het er om gaat, geloven wij het niet met betrekking tot onszelf. Verre achten wij en werpen wij de gedachte van ons, de Christus te willen doden. En toch.... zeg eens, wannee."" het Evangelie u alle vroomheid ontnam, en u met de goddeloze wereld op één hoop wierp, — hebt ge dan nooit in uw binnenste de woede voelen opkomen, die óf dat woord wel de wereld uit wilde hebben, óf u dreef om u aan die prediking te onttrekken? Welnu, dat is niets minder dan in andere vorm dezelfde woede, die Herodes leidde tot het ombrengen Bethlehem. van de kinderen in

ill.

Wat heeft Herodes teweeggebracht ? — Op die derde vraag, die wij stelden, geeft de Evangelist ten antwoord : „Toen is vervuld geworden hetgeen gesproken is door de profeet Jeremia, zeggende : Een stem is in Rama gehoord, geklag, geween en veel gekerm; Rachel beweende haar kinderen, en wilde niet vertroost wezen, omdat zij niet zijn". Een merkwaardig woord. Rachel was immers de beminde vrouw van Jakob. Zij heeft moeilijke uren gehad bij de geboorte van Benjamin, die zij nog vóór haar sterven „zoon mijner smart" noemde. Zij zag de dood voor ogen. De dood niet alleen van haarzelf, maar ook van haar kind. Zo zag zij al haar hoop, dat Jakobs huis uit haar gebouwd zou worden, in rook vervliegen. Want wat zou er ook van Jozef terecht komen, als zij uit het leven moest scheiden ? — Aan Rachel en haar smart heeft Jeremia gedacht, toen hij de door Mattheüs aangehaalde woorden sprak. Hij had daarbij het oog op de Assyrische ballingschap, waarin het Tienstammenrijk was weggevoerd. Naar het zichtbare was allehoopafgesneden. Assyrië dreigde voor die kinderen van Rachel een allesverslindend graf te worden, want juist in dat noordelijk rijk woonden veel nakomelingen van Rachel, immers de stammen Efraim en Manasse. Om hun zonden waren zij weggevoerd, en hoe zouden zij terugkomen ? Het was een hopeloze toestand. Daar wordt de profeet aan de toestand van Rachel herinnerd. Hij ziet bij het volk des Heeren de smart van Rachel herleven. Daarom spreekt hij : „Er is een stem gehoord in Rama, een klagen, een zeer bitter geween ; Rachel weent over haar kinderen, zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat zij niet zijn". — Dat woord nu van Jeremia kwam de Evangelist voor de geest, toen hij stilstond bij de kindermoord in Bethlehem. Dat woord tekende hem de toestand het allerbest.

Groot was de troosteloosheid der ouders, die daar stonden bij de lijkjes van hun kroost. Wat een vragen zullen daar opgekomen zijn in hun harten. Waarom ? Waartoe ? Wat zullen die vragen dikwijls herhaald zijn ! Maar de Evangelist heeft ook dieper gezien : hij lette niet alleen op die ouders, die hun kindertjes misten, maar hij lette ook op de godvruchtigen, die de Hope Israels hadden verwacht. Welke indruk moet die gruwelijke moord bij hen wel teweeggebracht hebben ! Zij konden toch niet vermoeden, dal het Kindeke Jezus gered was. Zij konden niet anders denken dan dat dit Kindeke ook omgebracht was. Zij vonden het tenminste niet. Zij vonden ook Maria niet, en ook Jozef niet! Misschien waren die wel door Herodes' knechten meegesleurd naar Jerusalem. Alle hoop was voorbij. Er was geen troost te vinden.

Ziedaar dan, wat Herodes teweeggebracht heeft. Niets anders dan ellende, hopeloosheid en troosteloosheid. En dat is ten allen tijde de uitwerking geweest van het woeden tegen de Christus Gods. Het heeft nooit anders dan nood en tianen gebracht over de Gemeente des Heeren. Wat een weeklachten zijn er in de loop der eeuwen al opgestegen tot Gods troon ! En wie zal de weeklachten tellen, die ook nu nog uit zoveel zielen opstijgen ? Weeklachten, ja juist over het wegrukken van kinderen uit dit leven op gruwzame wijze. Maar ook weeklachten over het geestelijk vermoorden van zoveel kinderen van ons volk en van zoveel kinderen derOemeente, die toch in het midden der Gemeente zijn geboren en getogen, en in de driemaal heilige Naam Gods zijn gedoopt! De vijandschap tegen de Christus werkt zo verderfelijk door in alle geledingen van ons volk. De geest van het ongeloof is zo aanstekelijk. Hoevelen zijn er niet door weggesleept. Hoevelen worden er niet door meegesleept. Ouders, bedenkt toch wel, aan wie ge uw kindere.i toevertrouwt, b.v. in de omgang met vrienden en vriendinnen. Er is waarlijk niet veel nodig, om hen af te houden en af te leiden van de rechte wegen des Heeren, van de vreze Gods, van het geloof in de Christus der Schriften. Bij het getal van hen, die door verkeerde leiding en omgang verslagen worden, verzinkt dat van de in Bethlehem omgebrachte kinderen in het niet. O, als wii daaraan denken, dan wordt ons hart met droefheid vervuld. Dan verstaan wij ook de klacht, die de Evangelist aanhaalt: „Een stem is in Rama gehoord, geklag, geween en veel gekerm ; Rachel beweende haar kinderen en wilde niet vertroost wezen, omdat zij niet zijn". Niet vertroost, — dat kunnen wij ook verstaan, wanneer wij denken aan zovelen, die met alle liefde en trouw verzorgd zijn en opgevoed in de lering en vermaning des Heeren, en die toch uit dit leven zijn gescheiden zonder de Christus Gods I Die de weg wel hebben geweten, maar niet bewandeld. O wij zouden dat feit wel willen bedekken, maar wij kunnen en wij mogen het niet bedekken, want het bevat voor ons een veel te ernstige prediking. Het hart draagt er rouw over. En wij kunnen niet anders dan de majesteit aanbidden van die God, Die heilig is in al Zijn wegen, en met het oog op eigen zonde en doemwaardigheid ons des te meer aan Hem vastklemmen.

IV.

Onze text heeft geen blijmoedig slot, nietwaar ? Herodes heeft getriomfeerd. Hij heeft tenminste zijn wraak gekoeld. Hij heeft Bethlehem en deszelfs landpalen met geklag, geween en gekerm vervuld. En de Heere God heeft dat alles toegelaten. Het is alsof Hij niet meer op de troon zit, alsof de duivel vrij spel heeft gekregen.

Ja, zo schijnt het voor wie alleen het oog gevestigd heeft op hetgeen in Bethlehem gevonden wordt. Maar dat is niet het slot van de kindermoord. Het resultaat luidt heel anders. Wij moeten ook nog letten op hetgeen Herodes niet heeft bereikt. Anders hebben wij nog het allervoornaamste gemist.

Wat heeft Herodes niet bereikt ? — Niets minder dan het doel, dat hij zich gesteld had. Hij zocht het Kindeke, om dat te doden. Daarom moesten immers al die „onnozele kinderen', zoals de Roomse kerk hen noemt, d. w. z. al die onschuldige kindertjes worden omgebracht. Welnu, dat doel is gemist. Het Kindeke Jezus wordt in Bethlehem niet meer gevonden, noch in de omgeving daarvan, als Herodes' afgezanten daar verschijnen. Daar heeft de hoge God voor gezorgd. Al schijnt Hij daarin Bethlehem alles te laten begaan. Hij laat in werkelijkheid niets begaan. Het Kindeke Jezus is gered. Wat in Herodes' binnenste woelde, was fïem niet verborgen. Zijn geheimste gedachten lagen bloot voor de Alwetende. En Hij heeft die geheimste gedachten bekend gemaakt. Hij heeft Zijn Engel gezonden, om Jozef in de droom te verschijnen en hem te bevelen : „Sta op, en neem tot u het Kindeke en Zijn moeder en vlied in Egypte en wees aldaar totdat Ik het u zeggen zal". En Jozef heeft dat bevel gehoorzaamd. Zonder verwijl heeft hij de tocht naar Egypte aanvaard. Het Kindeke is in veiligheid, buiten bereik van de koning, die dcrst naar Zijn bloed. Al wordt het nu aan de wenende Rachel niet toegeroepen, het geldt toch voor haai, wat Jeremia haar toeriep : „Zo zegt de Heere : bedwing uw stem van geween en uw ogen van tranen : want er is loon voor uw arbeid". Straks roept de Heere Zijn Zoon uit Egypte, straks keert Hij terug in het vaderland, om daar de arbeid te volbrengen, die Hem opgedragen is. Maar dan is Herodes dood. Hij heeft te vroeg gejuicht. Hij heeft het onderspit moeten delven. Zijn kroon heeft hij behouden, maar hij heeft het leven verloren. En dat in meer dan oppervlakkige zin. Hij is niet alleen uit het land der levenden moeten scheiden, maar hij is bovenal verzonken in de eeuwige dood. God heeft zijn weg op zijn hoofd gegeven. De Christus heeft hij verworpen — zonder die Christus is hij de dood moeten ingaan. Vreselijk, nietwaar ? O dat wij het toch ter harte nemen. Er is niets ontzettenders dan een einde als dat van Herodes. In de mening, de triomf te hebben behaald, te moeten verzinken in eeuwig verderf. En dat is toch het voorland van allen, die de Christus verwerpen.

Heerlijk daarentegen is hef, de weg des Heeren met Zijn Christus te zien. Hij heeft Hem verborgen tegen de wraak van Herodes. Hij heeft Hem gered. — Wat zou er van heel de wereld geworden zijn, zo Judea's koning in zijn boos opzet geslaagd was ? Dan was het heil der wereld nimmer verschenen. Maar Ood laat Zijn heilsraad niet in de war sturen door enig mensenkind. Ook hier ging in vervulling wat de Psalmist zong: „Wat vijand tegen Hem zich kant, mijn hand, mijn onweerstaanb're hand, zal hem bekleên met schaamt' en schand ; maar eeuwig bloeit de gloriekroon op 't hoofd van Davids grote Zoon".

Het Kindeke groeit op. Het wordt man. En dan gaat het welbehagen des Heeren door Zijn hand steeds gelukkiglijk voort. Hij openbaart de Naam Zijns Vaders aan verloren mensenkinderen. Hij wordt daarom ook in Zijn verder leven verguisd en verworpen. Menigmaal wordt het op Zijn leven toegelegd. Wat Herodes poogde is slechts voorspel. Het wordt hoe langer hoe erger. Juist omdat Hij de Christus Oods is, moet Hij veel lijden. Want Hij is het Zaad der vrouw, dat de slang de kop vermorzelen zal. Daarom spant de slang alle krachten in, om Hem er onder te krijgen. Eindelijk schijnt de duivel te triomferen. De kruispaal wordt opgericht op Ooigotha. Daaraan hangt Hij, Die aan Bethlehems moord ontkwam. En Hij blaast daaraan de adem uit... . „Toch gewonnen", zo klinkt de jubeltoon der hel. „Toch verloren", zo juicht de hemel haar tegen. De derde morgen bewijst het. Want de Christus staat op uit de doden. Volbracht is het werk, dat de Vader Hem heeft opgedragen : de straf is ondergaan, de schuld gedelgd, de zonden weggedaan van het aangezicht Gods, een eeuwige gerechtigheid teweeggebracht. En het Evangelie gaat uit naar alle wereldstreken : „Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonden", „geloof in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden".

O Gemeente! wie dan zonden heeft, wie niets dan zonder; kan tonen ; wie gebukt gaat onder gevoel van schuld ; wie het bekennen moet, dat hij niet dan vloek verdiend heeft, — die scheppe moed. Gij behoeft niet om te komen. Tot de Heere Jezus heen, In geloof de hand gelegd op het Lam, Zijn Naam aangeroepen! Ja, wie het bekennen moet, dat hij niet eens in staat is om de hand op dat Lam te leggen, — die scheppe moed. „Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden", zo zegt u de Naam, die Hij draagt. Hij zal het ook geheel doen. Niets wordt hier van u geëist, niets van het uwe komt hier in aanmerking. Met uw zonde en schuld neergezonken voor Hem ! Ge zult het ondervinden, dat Hij de ellendigen heerlijk helpt.

Gaat het u om de zekerheid uwer zaligheid, zoek die zekerheid toch niet bij uzelf, in allerlei wat u eigen zou zijn. Zie alleen op Christus, gij worstelende ziel, zie Zijn wonden, zie Zijn bloed, dat gevloeid heeft tot verzoening uwer zonden ! Zo alleen zult gij door de Heilige Geest vervuld worden met de vrede, die alle kennis te boven gaat.

Verwacht echter geen vrede naar het uitwendige. Een gemakkelijk leven is u nergens toegezegd. Wel een leven vol strijd. De strijd tussen het zaad der slang en het Zaad der vrouw gaat nog steeds door. Duivel en wereld zijn altijd in de weer om de Gemeente van Christus onder de voet te krijgen. Als gij de Naam van Christus belijdt, dan zult gij dat ondervinden. Zo gij van Hem zwijgt, dan laat men u met rust. Maar zo gij, waar gij daartoe geroepen wordt of waar het anders pas geeft, Hem als de enige Middelaar Gods en der mensen verheerlijkt, dan stuit gij weldra op vijandschap. Smaadheid zal uw deel zijn. Verdrukking zult gij ook wel ondervinden. Maar geen nood, uw Heiland en Heere is gezeten aan de rechterhand Oods. Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Hij, Die eenmaal als een hulpeloos kindeke naar Egypte in veiligheid werd gebracht om aan Herodes' lagen te ontkomen, en Die heel Zijn leven door de onderste weg ging, is nu met ere en heerlijkheid gekroond. En Hij gebruikt dat alles ten goede van Zijn duurgekochte Gemeente. Hij houdt staande in alle nood en brengt veilig door alle nood heen. „indien wij verdragen, wij zullen ook met Hem

„indien wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen". Dat is de troost, die Gods Woord u biedt. Een troost, waarvan de waarheid en de kracht gewis zal blijken. AMEN.

Gelezen: Wet des Heeren en JeremiaSl : 1 —17. Gezongen : Ps. 11 : 1, 2 ; Ps. 79 : 4 ; Ps. 33 : 5, 6, 7 ; Ps. 77 : 8; Gez. 50 : 4.

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 januari 1948

Kerkblaadje | 8 Pagina's

De kindermoord te Bethlehem

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 januari 1948

Kerkblaadje | 8 Pagina's