Thomas, de gelovige.*
Text: Joh. 20 : 26—29.
Gemeente des Heeren '
Het is een heerlijke jubeltoon, die ons tegenklinkt uit de woorden van Petrus, welke ons zoeven werden voorgelezen '). Het is een ware triomfzang, die hij daar aanheft, terwijl zijn zielsoog gevestigd is op de Heere Jezus Christus, Die uit de doden is opgestaan.
Zover was Petrus niet, toen hij op de dag van Christus' verrijzenis naar het graf ging, opgeschrikt door het jammerlijk bericht van Maria Magdalena : „Zij hebben de Heere weggenomen uit het graf, en wij weten niet, waar zij Hem gelegd hebben".
Zover was geen enkele van 's Heeren discipelen, geen man en geen vrouw, op de opstandingsmorgen. Hiervan overtuigt ons alles, wat de verschillende evangelisten ons aangaande die morgen der verrijzenis verhalen. Het is al droefheid, somberheid, ongeloof, twijfelmoedigheid, wat wij daar te zien krijgen. Niemand van hen heeft in het eerste uur na de opstanding ook maar uit de verte aan opstanding gedacht. En dat is zeker wel het beste bewijs voor de waarheid van de evangelieverhalen, niet het minst voor de waarheid van de opstanding zelf: zij wordt gepredikt door mensen, die allen aanvankelijk van de opstanding niets hebben geloofd en dus klaarblijkelijk van de waarheid ervan overtuigd zijn geworden.
In de discipelkring heeft het ongeloof wel het langst geduurd en het machtigst gewerkt bij Thomas, die hieraan de bijnaam van „ongelovige" te danken heeft, een bijnaam, die spreekwoordelijk geworden is. Hardnekkiger ongeloof is in de kring van de discipelen wel niet gevonden. Hierover hebben wij twee weken geleden tot de Gemeente gesproken. Wij zagen Thomas in zijn
Wij willen nu de andere kant van de geschiedenis van Thomas bezien, n.1. de wending, die de Heere Jezus Zelf daarin gebracht heeft.
Onze text leert ons, hoe de Heere Jezus Thomas van diens ongeloof verlost. Drie stukken bieden zich hier ter overdenking aan : I de verschijning van de Heere Jezus met Zijn vredegroet, 11 Zijn woord tegenover Thomas' ongeloof, en lil Zijn woord tegenover Thomas' geloof.
I.
Onze text verplaatst ons in de discipelkring op de achtste dag na de opstanding onzes Heeren. Dan vinden wij de discipelen wederom bijeen, evenals acht dagen tevoren. Dus weer op de eerste dag der week. Van een samenkomst in de loop van deze acht dagen horen we niet. Dat is wel opmerkelijk. Niet ten onrechte is hierop dan ook reeds van ouds gewezen om de viering van de christelijke rustdag op de eerste dag der week, waarvan men hier de aanvang meent te vinden, te verklaren. Gelijk zoveel dingen is ook dit onder de leiding des Heiligen Oeestes geschied, is zonder een uitdrukkelijk bevel de sabbat overgegaan op de eerste dag der week. Er zijn wel mensen, die de rechtmatigheid hiervan bestrijden en ons willen overtuigen, dat gehoorzaamheid aan het vierde gebod noopt tot herstel van de zevende dag der week als rustdag. Maar wie eenmaal verstaan heeft, dat met de opstanding van Christus de nieuwe schepping der genade aan het licht getreden is, die verstaat ook, dat de eerste dag der week door de opstanding van Christus tot dag des Heeren geheiligd en daarom de voor de Christgelovigen aangewezen rustdag is. Op deze dag dan vinden wij de discipelen bijeen, gelijk tevoren. Met één onderscheid : Thomas, die op de avond van de opstandingsdag ontbrak, bevindt zich thans ook in de kring der jongeren. —
Hieruit kunt ge zien, welke houding God in de hemel tegenover de ongelovige Thomas aangenomen heeft. Hij heeft hem niet alleen in Zijn lankmoedigheid gedragen en gespaard, maar ook van de doolweg teruggebracht. De afzondering is Thomas niet te best bevallen. Hel is niet rustig geweest in zijn binnenste. Al heeft hij met alle beslistheid weggeworpen wat de broeders hem meedeelden omtrent de opstanding des Heeren, — al heeft hij halsstarrig gezegd : „Indien ik in Zijn handen niet zie het teken der nagelen en mijn vinger steke in het teken der nagelen en steke mijn hand in Zijn zijde, ik zal geenszins geloven", — hij wil er nu klaarblijkelijk meer van weten. Hij kon toch verwachten, dat zij hem weer zouden spreken over hetgeen hun harten met blijdschap vervuld en hen uit de nood uitgerukt had. Niet, dat hij van plan was, zijn ongeloof op te geven. Hij handhaafde wat hij gezegd had Hij moest zien en tasten, dan alleen zou hij geloven .... maar hij wilde toch wel eens weten, wat zij dan toch eigenlijkgezien hebben. We kunnen ons voorstellen, dat de broeders met blijdschap Thomas in hun midden zagen. Zij zullen wel met voorzichtigheid tewerk gegaan zijn. Thomas' gezicht stond nog even somber als tevoren. Hieruit konden zij gemakkelijk opmaken, dat hij nog dezelfde gedachten koesterde omtrent de opstanding en het leven van de Heere Jezus als voorheen. En daarom zullen ze wel niet met de deur in huis gevallen zijn, maar naar een gelegenheid omgezien hebben om hem te spreken over de dingen, waaraan toch ook voor Thomas alles hing, — uit vrees, dat hij anders weer verdwijnen zou. Wat zullen ze een zorg voor Thomas gehad hebben ! Wie weet, hoeveel gebeden er wel in stilte voor hem opgestegen zijn tot de almachtige God, en hoe menigmaal zij in hun binnenste gezucht hebben: Ach, kwam de Heere nu maar, zoals verleden week, in ons midden; dan kon die arme Thomas Hem ook zien !
Intussen zit Thomas daar echt droefgeestig te kijken. De blijde gezichten om hem heen brengen in zijn stemming geen verandering. Hij is nog vast besloten, zich niet door hen te laten begoochelen.Zij kunnen de Heere niet gezien hebben. Onmogelijk ! Hij is dood. Hoe heerlijk het ook zou zijn, als Hij leefde, het kan niet. Hij wil het niet geloven en zal het niet geloven, zolang hij niet ziet en tast!.. .. de broeders mogen zeggen, wat zij willen ; zij mogen met elkander spreken over de heerlijke dag, die zij vóór acht dagen hadden, over de zekerheid, die zij met zich omdragen, dat Jezus leeft, Thomas wil er beslist niet aan ! Daar zitten dan de discipelen bij elkander. Zij hebben de deuren goed gesloten. Zeker wel om dezelfde reden als tevoren : „om de vreze der Joden" ! Men kon nooit weten, wat die Joden in hun schild voerden. Die waren immers nog verbitterd, dat het lichaam des Heeren weg en Zijn graf ledig was. Zij hadden ook de leugen laten verbreiden, dat Zijn discipelen het lichaam gestolen hadden, terwijl de wachters sliepen, — om te kunnen zeggen, dat Hij uit de doden was opgestaan. Het gevaar was groot, dat zij de opstanding des Heeren aan Zijn jongeren straffen zouden. En dan konden dezen wel berekenen, welk lot hun wachtte. Daarom, de deuren secuur gesloten !
Maar die deure.i houden de Heere Jezus niet tegen. Eensklaps staat Hij in hun midden. En Hij roept hun toe : „Vrede zij ulieden !"
Wat zullen de jongeren verrast zijn geweest, heerlijk verrast! Hun blijdschap werd ten top gevoerd. Het was immers voor henzelf een grote vreugde, de Heere weer te mogen zien. Maar het zal hun ook goed gedaan hebben om Thomas. De wens van hun hart was nu vervuld. O, wat zullen zij met verrukte blik Thomas hebben aangezien ! Het stond in hun ogen te lezen : „Nu, wat zegt ge ervan ? Hebben wij gefantaseerd ? Hebben wij ons wat ingebeeld ? Nu kunt gij zelf zien, dat wij de waarheid gesproken hebben. Toe, erken het en deel nu toch in onze blijdschap !" En Thomas zelf ? — O, wij kunnen het ons zo levendig voorstellen. Het kan niet anders, of hij heeft daar als aan de grond genageld gestaan. Zou het toch waar zijn ? Maar Thomas had zich in hetgeen hij vóór acht dagen gezegd had gewapend tegen alle zinsbegoocheling, tenminste tegen hetgeen hij voor zinsbegoocheling hield. Hij zal zich wel recht schrap gezet hebben om zich niet zomaar gewonnen te geven. Enerzijds zal hij wel geen grond onder de voeten gevoeld hebben, maar anderzijds zich wel hebben vermand om toch staande te blijven.
„Vrede zij ulieden !"
Welk een heerlijke groet is dat uit de mond des Heeren! Al is het waar, dat dit onder de Joden een zeer gewone begroetmg was, waarmee zij elkander alle goeds toewensten, ook zonder hun gedachten daar verder bij te bepalen, — dat kan toch moeilijk gelden bij een groet uit de mond van de Heere Jezus. Als Hij zegt: „Vrede zij ulieden !", dan is dat geen vorm zonder inhoud, maar dan dekt de vorm de inhoud. Hij schenkt hun daarmee alles, wat in het woord „vrede" ligt opgesloten : alles, wat tot hun waarachtig welzijn behoort. Hij stort daarin om zo te zeggen heel zijn hart over hen uit.
„Vrede zij ulieden !"
Zo klinkt het uit Zijn mond hun tegen. Hun allen, zonder enige uitzondering. Ook Thomas zelf is in die vredegroet begrepen. Wat zal het Thomas daarbij wonderlijk temoede geweest zijn! Geloof maar vrij, dat hij niet wist, of hij waakte of droomde. En dat er wel een harde strijd in zijn binnenste gestreden werd : moet ik het nu geloven of niet, is het nu Jezus of is Hij het niet ? Geloof ook maar, dat Thomas die vredegroet voor zichzelf niet heeft durven aanvaarden. Hij wist toch maar al te goed, hoe hij tegenover de verrezen Jezus stond, n.1. met een hart vol ongeloof. Ge kunt er op aan, dat de arme Thomas het in die ogenblikken benauwd genoeg gehad heeft. De duivel zal er wel aanstonds bij geweest zijn om te voorkomen, dat de vesting van ongeloof, waarin Thomas zich verschanst had, viel. Juist die vredegroet zal hij hebben gebruikt om Thomas te benauwen. Hij zal hem wel hebben ingefluisterd: dit is immers het beste bewijs,dat het Jezus niet is! Of zoudt ge soms denken, dat Jezus niet weten zou, hoe 't met u staat ? Als dat Jezus was, zou Hij dan tegenover u zo vriendelijk en zo toeschietelijk zijn ? Neen, Hij zou u zeker eens duchtig onderhanden nemen vanwege uw ongeloof. Want gij hebt toch eigenlijk maar vermetele taal tegen Hem over de lippen laten komen. En die daar staat, spreekt van „vrede." Dat kan immers Jezus niet zijn 1
En wat zal Thomas daar tegen inbrengen ? Immers niets ! Hij weet toch wel, wat hij gezegd heeft. En dat niet in een onbewaakt ogenblik, maar naar een weloverwogen en daarom onwrikbaar voornemen. Neen, het is hem wonderlijk genoeg, zulk een vredegroet te horen. Zijn geweten klopt en waarschuwt hem, dat hij zulk een heerlijke begroeting absoluut niet verdiend heeft. Zo gaat het immers altijd met een mens, die bij het bewustzijn van zijn zonde, genade tegenover zich ziet. Die kan niet geloven, dat deze genade hém geldt.
Gelukkig, wanneer ernog zoveel ernst mee wordt gemaakt! Menigeen is er al te haastig bij om een woord van heil op zichzelf toe te passen. En hoe vaak doen wij dat zelf niet om het kwade geweten tot zwijgen te brengen ! Maar als wij oprecht gemaakt zijn door de Geest onzes Gods, dan houden al die dingen op. Dan kunnen wij niet geloven, dat zulke heerlijke dingen óns gelden. Dan is ons alles eerder te begrijpen dan dat, en wij blijven van verre staan. En zo zou ook Thomas, terwijl zijn Heil vóór hem stond, van verre zijn blijven staan, als niet de Heere Jezus Zelf hem uit zijn ellende bad uitgehaald.
II.
Zie de liefde van onze Heiland, Gemeente !
Als Hij Zijn vredegroet heeft doen horen, richt Hij Zich onmiddellijk tot Thomas. Alleen met Thomas houdt Hij Zich bezig. Klaarblijkelijk is Hij dus om Thomas hier gekomen. Hoor, hoe Hij tot Thomas spreekt: „Breng uw vinger hier, en zie Mijn handen, en breng uw hand, en steek ze in Mijn zijde; en zijt niet ongelovig, maar gelovig". Daar hebt ge het woord, dat de Heere Jezus tegenover het ongeloof van Thomas gesproken heeft.
Nog eens : zie hier de grote liefde van de Heere Jezus ! Hij heeft Thomas niet vergeten, hem geen ogenblik uit het oog verloren, hem om zijn ongeloof niet verworpen. Geloof maar, dat Thomas, toen de Heere Jezus Zich naar hem keerde, gesidderd en gebeefd heeft. Al had hij zich nog zo vast gezet in zijn ongeloof, de verschijning des Heeren en bovenal dat Zich richten tot Thomas hebben niet nagelaten indruk op hem te maken. Hij heeft verwacht, nu woorden van verwijt en toorn te zullen horen. Hij kon niet anders dan verwachten, dat de Heere hem ernstig zou bestraffen, ja hem van Zich stoten.
Maar daartoe is Jezus niet gekomen. Hij was nog Dtizelfde, Die vóór Zijn sterven gesproken had : „Een kleine tijd, en gij zult Mij niet zien ; en wederom een kleine tijd, en gij zult Mij zien ; want Ik ga heen tot de Vader". (Joh. 16 : 16). Nu kwam Hij om dit woord te vervullen. Daarom komt Hij niet met verwijlen, niet met een toornige blik, maar met een vriendelijk aangezicht en met vriendelijke woorden. Hoor maar, wat Hij zegt : „Breng uw vinger hier, en zie Mijn handen, en breng uw hand, en steek ze in Mijn zijde ; en zijt niet ongelovig, maar gelovig".
Wonderlijk woord, nietwaar? Is dit niet een duidelijke weerslag op de onwrikbare betuiging van Thomas ? Hoe kent de Heere Jezus zijn gedachten en zijn woorden, al was Hij naar het lichaam daar niet bij tegenwoordig geweest! Hoe duidelijk blijkt het, dat Hij Thomas geen ogenblik uit hef oog verloren, maar met Thomas geheel meegeleefd heeft! Hij kent de nood van Thomas. Hij kent ook zijn ongeloof. Hi[ kent de voorwaarden, die Thomas gesteld heeft. En Hij komt op wonderbare wijze hieraan tegemoet. Hij vergunt Thomas al wat hij verlangd heeft. Hij heeft willen zien en tasten, — welnu, hij mag beide doen : hij mag zich overtuigen, dat de tekenen der nagelen aanwezig zijn, en ook het teken van de lans, die Zijn zijde doorboorde. Of Thomas het ook nog gedaan heeft ? — Onze text spreekt er niet van. Geeft op deze vraag noch bevestigend, noch ontkennend antwoord. Het is evenwel ook niet nodig, hiervan te spreken. Zoudt ge werkelijk denken, dat Thomas daar nog behoefte aan of moed toe gehad heeft ? Thomas heeft er klaarblijkelijk geen minuut meer over gedacht. Hij heeft immers slechts één antwoord gegeven : „Mijn Heere en mijn God !" Geloof maar, dat Thomas door het optreden des Heeren overweldigd geweest is. Hij is geheel verbrijzeld door de liefde, die de Opgestane hem bewees. Alles te weten, en dan zo te doen ! Vooral dat laatste woord : „en zijt niet ongelovig, maar gelovig I" — d. w. z. gedraag u niet langer als een ongelovige, maar als een gelovige, — heeft bij hem de doorslag gegeven. Het legde Thomas' zonde in één slag bloot. Maar dit geschiedde niet om hem te verderven, maar om hem te behouden. Het was de zachte drang der genade, die de onbuigzame wil van Thomas brak. Wat zal Thomas met verwonderde blik naar die doorboorde handen en die doorstoken zijde des Heeren gezien hebben ! Het was enkel genade, die daar in volle stromen over zijn ziel kwam. Thomas viel geheel weg. Hij kon niet meer van zichzelf spreken. Hij kon niet eens zijn voornemen te kennen geven om zijn ongeloof te laten varen. Het was geschied, eer hij het zelf wist. De Heere had Thomas overreed, en hij was overreed geworden. Hij breekt uit in de blijde kreet der verrassing, in de kreet des geloofs : „Mijn Heere en mijn God !"
Zo heeft de Heere Jezus dus Zelf door Zijn Woord bij Thomas het geloof aan Zijn opstanding gewekt. Want die uitroep van Thomas zegt niets minder dan : „Gij zijt mijn Heere en mijn God !" Thomas heeft de Heere Jezus herkend en erkend. Hij gelooft nu, dat Jezus leeft. En zijn ziel is hierover met blijdschap aangedaan.
Hieraan mogen wij wel denken, Gemeente ! tegenover de loochening der lichamelijke verrijzenis van onze Heiland ook in onze dagen. Redeneren daartegenover baat niet, want elke redenering vmdt weer een tegenredenering. Wij hebben echter ook geen redeneringen nodig, want de feiten spreken. Het geloof van Thomas na zijn hardnekkig ongeloof is wel het beste bewijs voor de waarheid der opstanding van Christus. Was Christus in de dood gebleven, dan had Thomas ook in zijn ongeloof volhard. Alleen de levende Christus Zelf kon de macht van dat ongeloof breken. Daarom staat Thomas daar vóór ons als een machtig getuige van de opstanding van Christus. En die de opstanding van Chnstus loochenen, mogen toezien, waar zij tegenover Thomas blijven. Hij zal ook in de grote dag des gerichts een getuige tegen hen zijn. Het leven van Christus is in Thomas openbaar geworden. Thomas zelf is een levend bewijs voor de waarheid van de lofzang, die wij thans willen aanheffen : Gez. 52 : 5 (N.B. 208 : 5).
III.
Laat ons nu nog de aandacht schenken aan het woord van de Heere Jezus tegenover Thomas' geloof. Wij lezen dat in vs. 29: „Jezus zeidetot hem : Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas ! zo hebt gij geloofd ; zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, ennochtanszullengeloofdhebben". Thomas heeft in blijdschap des harten uitgeroepen ; „Mijn Heere en mijn God !"
Dat is een machtige belijdenis des geloofs. Men heeft wel getracht, haar betekenis als ge
Men heeft wel getracht, haar betekenis als geloofsbelijdenis weg te cijferen, door deze woorden te verklaren als een uitroep van verwondering. Maar dat is eenvoudig een poging om zich los te maken van dit machtig woord, waarin de godheid van Christus wordt uitgesproken. — 100
Was het alleen een uitroep van verwondering, dan zou men Thomas al moeten rangschikken onder de lieden, die bij allerlei gelegenheden hun gemoed lucht geven door ijdel gebruiken van 's Heeren Naam. En dat hieraan geen denken is, is klaar als de dag. Neen, er ligt heel wat anders en heel wat heer
Neen, er ligt heel wat anders en heel wat heerlijkers in. „Mijn Heere !", zo roept Thomas uit. Hij erkent hiermee de Heere Jezus als Degene, Die over hem te beschikken heeft. Maar hij spreekt het ook uit, dat hij niemand anders wil toebehoren; dat het zijn hoogste vreugde is, het eigendom van de Heere Jezus te zijn. „En mijn God !", zo voegt hij er aan toe. Hiermee
„En mijn God !", zo voegt hij er aan toe. Hiermee verklaart hij de Heere Jezus te erkennen niet alleen als zijn hoogste goed, maar ook als de grond zijns levens. Thomas heeft het ervaren, hoe hij midden in de dood lag en hoede Heere Jezus hem daaruit verlost heeft. Deze heeft in zijn ziel de werken des duivels verstoord en de banden des doods geslaakt. Thomas heeft de goddelijke macht des Heeren ondervonden in de genade, die hem wedervaren was. Nu verstond hij zoals nooit tevoren, dat Jezus de Zoon van God is. Daarbij voelde hij zich de grond onder de voeten wegzinken. Hij was niets en niet met al, Jezus was zijn Één en al. Deze Jezus moest hij hebben. Aan Hem klemt hij zich dan ook met een hartgrondig „mijn" vast, terwijl hij uitroept : „Mijn Heere en mijn God !" Dat zijt Gij, en Gij alleen !
De Heere Jezus beantwoordt deze belijdenis met de woorden : „Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas! zo hebt gij geloofd . . .." Hij spreekt hiermee uit, dat Thomas werkelijk tot het geloof in Hem als de Opgestane gekomen is. Hij aanvaardt dus de geloofsbelijdenis van Thomas.
Hier moeten wij eens even bij stilstaan in verband met de loochening van de godheid van Christus. Deze loochening wordt door onze text veroordeeld. Want het is opmerkelijk, dat de Heiland op de woorden van Thomas geen aanmerking maakt. Hij heeft ze aanvaard, zoals ze uitgesproken zijn. Hij heeft ook aanvaard de belijdenis : „mijn God !" Door het zwijgen van de Heere Jezus tegenover deze belijdenis, d. w z. door het stilzwijgend goedkeuren ervan, is de belijdenis van Thomas een krachtig getuigenis voor de godheid van Christus, waartegenover de loochenaars ervan beschaamd moeten staan en waardoor zij ook beschaamd zullen worden in de grote dag der eeuwigheid, wanneer zij geconfronteerd zullen worden met Thomas, die deze belijdenis aflegde. Dan zullen zij te laat inzien, dat God werkelijk Zijn eigen Zoon gegeven heeft, opdat Deze met Zijn dierbaar bloed onze schuld betalen en onze zonden verzoenen zou. En hoe zal het dan zijn, die liefde miskend en op zo grote zaligheid geen acht gegeven te hebben !
Dat woord des Heeren, naar aanleiding van Thomas' geloof gesproken, bevat intussen toch een terechtwijzing voor Thomas. Gij gevoelt het onmiddellijk, wanneer ge het met
Gij gevoelt het onmiddellijk, wanneer ge het met opmerkzaamheid leest: „Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas ! zo hebt gij geloofd ; zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben".
Thomas' geloof rustte op het zien. Van „tasten" spreekt de Heiland niet, waarin dus een zijdelings bewijs ligt voor hetgeen wij zoeven opmerkten, n.1. dat Thomas er niet meer aan gedacht heeft, zijn vinger te steken in het teken der nagelen en zijn hand in 's Heeren zijde. Het is bij zien gebleven.
Op grond van hetgeen hij zag is Thomas tot het geloof gekomen en heeft hij de Verrezene ais de Levensvorst en als zijn Heiland erkend. De Heere Jezus geeft hem nu te kennen, dat dit de regel niet is. De regel luidt heel anders : niet zien en toch geloven, want „zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben". De regel is dus : geloven zonder te zien !
Waarom heeft de Heere Jezus dit tot Thomas gezegd ?
Gemeente ! wij kunnen dat gemakkelijk begrijpen, als wij maar aan één ding denken, n.1. dat de Heere Jezus straks bij Zijn hemelvaart van Zijn jongeren weggenomen en dan niet meer gezien zou worden. Het was voor Thomas nodig, deze uitspraak te horen. Bleef Thomas „zien" en „geloven" verbinden op de manier, waarop hij dit tot nog toe had gedaan, — bleef hij het „zien" tot voorwaarde van het „geloven" maken, dan zou hij het slachtoffer van zijn eigen onverstand worden. Hoe moest hij het dan maken, als de Heere van hem weggenomen was ? Dan zou hij immers weldra weer door ongeloof verslonden worden. Daarom brengt de Heere Jezus Thomas van zijn verkeerde denkbeelden af en wapent hem tegen vernieuwde aanvallen van de macht des ongeloofs door hem de regel van het Koninkrijk Oods voor te houden : geloven zonder te zien ! „Zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben".
Dat is een wonderlijk woord. Het „zien" wordt hier geheel uitgeschakeld. Dat
Het „zien" wordt hier geheel uitgeschakeld. Dat klinkt vooral vreemd in een tijd als de onze, waarin eigenlijk alles op „zien" gebaseerd is, tot het onderwijs van de kinderen toe, waarin het „aanschouwen'' een grote rol speelt. De Heere Jezus verklaart hier het „zien" als onnut. Toch is het niet zo vreemd als het wel klinkt. Het zien met onze lichamelijke ogen heeft betrekking op hetgeen wij „werkelijkheid" noemen. Maar deze werkelijkheid is toch zeer betrekkelijk. Het is alles werkelijkheid, die voorbijgaat. De ware werkelijkheid ligt achter het zichtbare. En het is deze ware werkelijkheid, die door het geloof gegrepen wordt. „Geloven" is toch niets minder dan grijpen naar, zich houden aan en leven uit de hogere werkelijkheid, die niet metdelichamelijke ogen aanschouwd kan worden. Deze hogere werkelijkheid wordt ons nabij ge
Deze hogere werkelijkheid wordt ons nabij gebracht door het Woord des Heeren. Daarom is het geloof ook niet bodemloos, maar het is gegrond in 's Heeren Woord. Deze grond had de Heere Jezus Zijn jongeren dan ook wel degelijk geschonken. Vooreerst in alles, wat Hij aangaande Zijn opstanding voorzegd had, toen Hij nog met hen in het vlees verkeerde. Maar niet minder in de boodschap, die Hij hun uit engelenmond deed toekomen en die door de vrouwen verder verbreid moest worden; bovendien had Hij Zelf aan Maria Magdalena nog de opdracht gegeven :„.... ga heen tot Mijn broeders en zeg hun : ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader en tot Mijn God en uw God" (vs. 17). Dit Woord bracht hun de zekerheid, dat Hij leefde. Hadden zij zich door dit Woord laten leiden, dan hadden zij geen ogenblik in donker gezeten, maar in de blijde overtuiging geleefd, dat Hij waarlijk was opgestaan, ook vóórdat de belofte, dat zij Hem zouden zien, vervuld was.
„Zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben". Hiermee is ook ons de weg gewezen, die wij te bewanaelen hebben, zolang wij op aarde verkeren. Bij ons is geen sprake van „zien" van de Verrezene. Wij kunnen niet anders dan geloven zonder te zien. Dat is duidelijk genoeg, aangezien onze Heiland, nadat Hij Zich veertig dagen levende aan Zijn jongeren vertoond heeft, opgevaren is ten hemel en daar blijft, totdat Hij wederkomt om te oordelen de levenden en de doden.
Deze weg is intussen geen gemakkelijke weg. Het gaat er toch niet om, dat wij slechts dit geloven, dat Jezus leeft, — maar dat Hij leeft als onze Heiland, Die onze zonden gedragen en uitgedelgd heeft, Die onze gerechtigheid en ons leven geworden is In dit laatste schuilt juist de grootste moeilijkheid.
Het is geen moeilijkheid, wanneer wij niet veel met onze zonden te doen hebben. Wanneer wij in onze zonden geen erg hebben of ons over onze ongerechtigheden licht kunnen heenzetten, dan kunnen wij gemakkelijk geloven, dat Jezus leeft als Degene, Die alle dingen voor ons in orde gemaakt heeft.
Heel anders ziet het er echter uit, als wij door de Heilige Geest oog gekregen hebben voor onze zonden ; als wij dagelijks de ervaring opdoen, dat wij overtreders zijn van Gods heilige Wet, dat de zonde in ons binnenste woont en werkt, dat al wat wij doen, ook het allerbeste, in het teken der zonde staat; als wij deswege onze schuld gevoelen voor God. Wie kan dan geloven, dat Jezus leeft als zijn Heiland en Zaligmaker, Die waarlijk alles voor hem volbracht heeft ? Dan zetten wij zo licht de voet op een weg, die met de weg van Thomas gelijk loopt. Dan zouden wij zo graag een gevoel over ons krijgen, dat ons de zekerheid schenkt, dat waarlijk onze schuld is uitgedelgd en onze zonden verzoend zijn.
Deze begeerte heeft een zeker bestaansrecht. Wee degene, die zulke begeerte niet koestert en maar voortleeft, ook al merkt hij niets van vergeving van zonden en vrede met God ! Diens geweten is klaarblijkelijk in slaap. Wie waarlijk zonde en ellende kent, die dorst naar vrede met God, naar de zekerheid van de vergeving zijner zonden. Maar wie eerst ondervinding daarvan wil hebben, vóórdat hij zich geheel en al aan de Heere Jezus overgeeft, die spant de paarden achter de wagen. Hier geldt het: geloven zonder te ervaren ! Aan de Heere Jezus u vastgeklemd, alleen op grond van het Evangelie, dat u Hem predikt als de van God gegeven Verzoener uwer zonden en u dus tot Hem roept. Dan zal God u ook Zijn vrede schenken. — Hier geldt het: geloven zonder te ervaren ! Wie de belijdenis „Jezus is mijn Heere en mijn God" wil bouwen op het gevoel daarvan, die is zelf oorzaak, dat hij voortdurend geslingerd wordt: is het gevoel weg, dan is ook de zekerheid weg!
Neen, houdt u aan het Evangelie, en op grond daarvan aan de Heere Jezus Christus, gij allen, die bekent, dat gij zondaren zijt! — Dat geloof wordt gevolgd door zien. Het wordt verwisseld in aanschouwen, zo zeker als Gods getuigenis u predikt: „Christus, éénmaal geofferd zijnde om veler zonden weg te nemen, zal ten andere male zonder zonde gezien worden van degenen, die Hem verwachten, tot zaligheid" (Hebr. 9 : 28). AMEN.
Gelezen: Wet des Heeren en I Petr. 1 : 1—9. Gezongen: Ps. 118:1, ll;Ps. 77: 1, 2,8; Gez.52:5; Ps.98:4.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 mei 1948
Kerkblaadje | 8 Pagina's