Nieuwe liturgische Formulieren naast de bestaande?
De bladzijde der Heilige Schrift, die hier vóór ons ligt, is vermoedelijk niemand onzer onbekend. Het is een aangrijpende geschiedenis, die velen van ons reeds van jongsaf aan heeft geboeid. En ze is en blijft steeds opnieuw aantrekkelijk voor ons, zo vaak wij deze geschiedenis lezen, die zo luisterrijk de macht der genade van onze Heere Jezus Christus doet uitkomen.
In dit hoofdstuk wordt ons getekend, hoe aan Paulus zelf bewaarheid is geworden hetgeen hij in Galaten 5 : 1 uitspreekt, n.I. dat Christus ons vrijgemaakt heeft. Hier vinden wij immers de vrijmaking van Paulus beschreven, zijn verlossing uit de banden, waarmee hij gebonden was ; de vrijmaking ook van het juk der Wet, waaronder hij tot nu toe gebukt ging.
Reeds als zodanig is Handelingen Q een belangrijk hoofdstuk. Maar ook in ander opzicht is het van gewicht. Wat hier beschreven staat is immers van grote betekenis geweest voor de Gemeente des Heeren, niet alleen van die tijd, maar van alle eeuwen. Hier zien wij, hoe de Heere Jezus de hand gelegd heeft op de man, die de grote leermeester geworden is voor de ganse Christenheid, en uit wiens pen het uitvoerigst en het heerlijkst onderricht in de waarheid Gods is gevloeid en bewaard tot op deze dag. Hier zien wij, hoe de Heere Jezus dat werktuig in de hand genomen heeft, waarmee Hij zoveel in de wereld teweeg zou brengen.
Het zag er na de dood van Stefanus droevig uit met de eerste Christengemeente. Een geweldige vervolging barstte los. De duivel zette alles op haren en snaren om haar van de aardbodem te verdelgen.
De discipelen stoven uiteen.
Maar juist zo werd het opzet van de duivel verijdeld. Door de verstrooiing der discipelen drong het Evangelie van de Gekruisigde verder de wereld door. Het brak zich baan in Samaria. Daar kwam zelfs Simon de Tovenaar tot het geloof. Wel heeft de duivel gepoogd, door die Simon het bederf in de Gemeente te brengen. Maar dat is, zoals ge weet, mislukt. Simon, die slechts in schijn bekeerd was, werd in die schijnheiligheid door Petrus ontmaskerd. Een bittere teleurstelling voor Philippus, door wiens prediking Samaria liel Evangelie had ontvangen. Philippus werd echter op bizondere wijze getroost door de toebrenging van de kamerling uit Moorenland. En de duivel werd opnieuw beschaamd, doordat Philippus, die na de doop van de Moorman door de Geest des Heeren weggenomen werd, het land doorging, het Heidenland, van stad tot stad het Evangelie verkondigend, tot in Caesarea, waar de Romeinse stadhouders zetelden.
En nu zet de Heere Jezus de kroon op dit werk, door de ziel van de vervolging Zijner Gemeente, n.1. Saulus, aan Zijn voeten te brengen.
Het eerste stuk van dit werk des Heeren vinden wij in onze text voor vanmorgen getekend, in hetgeen Saulus op zijn tocht naar Damaskus ondervond.
Wij zien hier Saulus, eerst in zijn vroomheid, dan door de Heere Jezus gegrepen, en tenslotte in diepe nood.
I.
Saulus in zijn vroomheid.
Dat is het eerste beeld, dat ons voor ogen wordt gesteld in hetgeen Lukas in vs 1 en 2 schrijft: „En Saulus, blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren, ging tot de Hogepriester en begeerde brieven van hem naar Damaskus aan de synagogen, opdat, zo hij enigen die van die weg waren vond, hij ze, beide mannen en vrouwen, zou gebonden brengen naar Jerusalem".
Wel een eigenaardige vroomheid! „Dreiging en moord", dat zijn nu juist geen woorden, die wij bij voorkeur in verband met vroomheid noemen. En dan nog wel dreiging en moord „tegen de discipelen des Heeren", — dat doet al helemaal vreemd aan. En als wij dan horen van iemand, die dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren „blaast", wiens ademhalen van dreiging en moord spreekt, wat ons onwillekeurig herinnert aan het snuiven van een woedend dier, dan zijn wij allerminst geneigd aan vroomheid te denken. En toch moeten wij daarvan hier spreken. Wij hebben werkeHjk Saulus hier vóór ons in zijn vroomheid, d. w. z. in hetgeen hij als vroomheid beschouwde en velen met hem voor de ware vroomheid hielden.
Wat Saulus deed kwam voort uit zijn hatt, en hetgeen in dat hart leefde, uit zijn volle geloofsovertuiging. Want Saulus was heus niet de eerste de beste. Hij was immers geen Heiden, maar een Israëliet, dus een kind des verbonds en der beloften, fiij had een uitstekende opvoeding genoten, eerst in Tarsen, een „niet onvermaarde stad in Cilicië", zoals hij zelf eens gezegd heeft, daarna in Jerusalem, waar hij het onderricht van de bekende rabbi Gamaliel genoot. Die opvoeding is niet tevergeefs geweest. Zij droeg vrucht. Hij was niet alleen een „Hebreër uit de Hebreen", van onverdacht Hebreeuws bloed, maar ook „npar de Wet een Parizeer". Hij behoorde dus lot die welbekende groep, die het 't allernauwst met de Wet fiam. En hij bekleedde zijn plaats onder hen met ere, want hij was „naar de rechtvaardigheid, die in de Wet is, ... . onberispelijk", zoals hij zelf getuigt in het ons voorgelezen gedeelte uit de Brief aan de Philippensen.
Saulus staat hier vóór ons als de man, die zwoegde onder het juk der Wet en zich op alle mogelijke manieren afsloofde om toch maar met de Wet in overeenstemming te zijn. De Wet ging hem boven alles. Dat maakte hem tot een „ijveraar Gods" (Hand. 22 : 3). De ere Gods stond in zijn vaandei geschreven. Daarom ging ook de ere van de tempel en van de ceremoniële dienst hem ter harte.
Dit biacht hem in botsing met de discipelen van de Heere Jezus. Het hinderde hem geweldig, dat er mensen waren, die die gevloekte Nazarener, die nu gelukkig van de aarde was verdaan, nog aanhingen. En zijn ijver begon te gloeien, toen Stefanus naar de gedachten van hen, die Saulus als zijn leermeesters hoogschatte, lasterlijke woorden sprak tegen Mozes en God, tegen de heilige plaats en de Wet (Hand. 6:11, 13, 14). Wat Stefanus in overeenstemming met de Wet van Mozes en al de profeten predikte, n.I. dat de tempel de eigenlijke woning Gods niet was en dat in Jezus de Christus was verschenen, op Wie de Wet in woord en beeld wees, — dat klonk ook Saulus als lasterlijke taal in de oren. Daarom was hij blij, dat de zaak dadelijk goed werd aangepakt. Hij stelde er een eer in, bij de steniging van Stefanus de klederen der getuigen te mogen bewaren. Hij had ook een welbehagen in Stefanus' dood : dat was nu eerst een goed, Godewelgevallig werk !
Natuurlijk moest dat werk met kracht worden voortgezet. Dat Nazarenersrot moest uitgeroeid. Het zou jammer zijn, als er ook maar één van overbleef. Jammer voor de Naam van Israels God. Jammer ook voor de natie, die dan nog steeds aan verleiding bleef blootstaan. Jammer voor de zaak van het Koninkrijk der hemelen. Jammer ook voor de hele wereld, want als die secte bleef voortbestaan, wat zou er dan van de gerechtigheid naar de Wet terechtkomen ! — Saulus ging er op uit. Hij doorzocht als een speurhond de heilige stad. Huis in, huis uit, waar hij maar dat gehate volk meende te kunnen vinden. En wee hun, als hij hen vond. Hij sleepte ze de huizen uit, mannen en vrouwen, en wierp ze in de gevangenis. Zo was hij de ziel van een geduchte vervolging.
Zo was hij de ziel van een geduchte vervolging. Gelukkig werdjerusalem langzamerhand gezuiverd. Maar daar vernam hij opeens tot zijn grote schrik, dat de aanhangers van de Nazarener zich in groten getale over het platteland verstrooid hadden. En dat niet alleen, maar ook buiten de grenzen. Zelfs hadden zij hun ketterij in Damaskus gebracht. Dat werd hem te gevaarlijk. Daar moest paal en perk aan gesteld worden. Ze moesten uitgeroeid!
Daarom ging Saulus naar de Hogepriester. Dat was wel een Sadduceër, maar een bittere tegenstander van de aanhangers van Jezus. In zijn kwaliteit van Parizeer had Saulus anders niet veel met hem op. Doch nu moest er samengewerkt worden in het belang van de voorvaderlijke godsdienst en van de Kerk. Hij gaat er heen om „brieven", waarin hij gevolmachtigd werd om te Damaskus in naam van de Hogepriester tegen die ketters op te treden, en waarin de oversten der synagogen aangeschreven of verzocht werden, hem bij dat heilig werk met alle macht te steunen. Het zou dan ook niet lang duren, of hij zou ze hebben gevonden en. hetzij man, hetzij vrouw, gebonden naar Jerusalem brengen, — natuurlijk om de naar zijn oordeel verdiende straf voor hun god-onterend, land-en-volk-verdervend bedrijf te ondergaan.
Uit louter vroomheid gaat Saulus zo te keer tegen de discipelen van de Heere Jezus. Uit louter vroomheid gaat hij de Gemeente des Heeren vervolgen, het ware volk Gods verderven. Hier moeten wij eens even bij stil blijven staan. Want het toont ons zo duidelijk mogelijk, hoe het met de vroomheid des vleses staat en hoever de vroomheid des vleses het brengt. We hebben er mee tol onszelf in te keren.
Het gaat in de tegenwoordige wereld nog precies zo, al is er natuurlijk in de vorm wel wijziging gekomen. Er is geen strijd meer over tempel en ceremoniën, maar wel degelijk over hetgeen toch ook daarvan de kern was, over de vraag, hoe een mens voor God rechtvaardig zal zijn. Van nature zoekt een mens de rechtvaardigheid door zijn werken ; of men daarbij nu van plichtsbetrachting of van heiligmaking spreekt, maakt geen verschil. Zolang wij onszelf voor vrome mensen aanzien, die het op de weg der deugd of der heiligmaking al een eind of een aardig eind gebracht hebben, — zijn wij vol vijandschap tegen degenen, die van niets anders weten en willen weten dan van Jezus Christus en Die gekruisigd, m. a. w. van de genade Gods, waardoor wij alleen gerechtvaardigd worden en in alle gerechtigheid geleid.
Die vijandschap komt niet altijd aan de dag, omdat er zoveel lauwheid wordt gevonden, omdat er zo weinig mensen uit één stuk zijn, omdat velen op geestelijk gebied bij wijze van spreken geen koe van een kalf kunnen onderscheiden — om maar enkele redenen te noemen. Maar als het onderscheid gevoeld wordt en het ernst wordt, — dan maken wij het uit onszelf niet beter dan Saulus van Tarsen. Al gaan wij er dan wel niet op uit om te binden en in de gevangenis te werpen en te doden, wij spannen wel alle krachten in om wat wij verderfelijke leer achten tegen te gaan. En dan worden de belijders daarvan in een hoek geduwd, zo mogelijk doodgezwegen, want wij zijn bang, dat door hen het Koninkrijk Gods in zijn bloei wordt geschaad en in zijn uitbreiding wordt gestoord !
En aan de andere kant moeten wij niet denken, dat wij klaar zijn en vrij uitgaan, wanneer wij van rechtvaardiging uit de werken niet willen weten, maar met hand en tand verdedigen de rechtvaardiging door het geloof alleen op grond van de toegerekende gerechtigheid van Christus. Want als deze dingen niet leven in ons hart en dus slechts een dode belijdenis van het verstand bij ons zijn, maken wij ons schuldig aan hetzelfde kwaad. Dan houden wij onszelf vanwege deze belijdenis voor vrome lieden, voor de aangewezen handhavers van de zuiverheid der leer, die met alle macht voor de ere Gods opkomen. En dan doen wij uit louter vroomheid ook niets anders dan anderen verketteren, zonder dat wij er naar vragen, of het ook zielen zijn, die in waarheid naar gerechtigheid hongeren en dorsten : doen ze niet precies zoals wij, dan hebben ze bij ons afgedaan en worden door onsmetdenekaangezien! Het Koninkrijk Gods is dan voor ons en onze vrienden — en de rest wordt buitengesloten.
Zeg eens, is dat in wezen anders dan wat wij bij Saulus van Tarsen openbaar zien worden ? In onze vroomheid kunnen ook wij niet anders dan de Kerk afbreken en de ware Gemeente Gods in het gedrang brengen. Het eerste, waaraan wij behoefte hebben, is : dat
Het eerste, waaraan wij behoefte hebben, is : dat wij van die vermeende vroomheid verlost worden. Daar moeten wij telkens opnieuw van verlost worden. En dat kan alleen ontferming doen.
II.
Zulke ontferming zien wij werkzaam in het leven van Saulus. In het tweede tafereel, dat onze text ons tekent: Saulus door de Heere Jezus gegrepen. Vol ijver voor de zaak Gods is Saulus op weg gegaan naar Damaskus, gewapend met de brieven van de Hogepriester en in gezelschap van mannen, van gelijke gezindheid als hij. Hij brandt van verlangen, als hij Damaskus nadert. Nu aan de arbeid, opdat die gehate secte spoedig voor goed uit die aanzienlijke stad verdwijnt. Hij verheugt er zich reeds op, straks met een schare gebondenen naar Jerusalem terug te keren.
Doch het loopt op heel iets anders uit.
Ze zijn niet ver meer van de stad, die daar vóór hen ligt, badend in de gouden glans der zon, die hoog aan de hemel slaat, want het is middag (26 ; 13). Eensklaps omstraalt hen een licht uit de hemel, zo sterk, dal het zonnelicht er bij verbleekt. Saulus valt van schrik ter aarde .... Wat mag dat zijn ?
„Saul, Saul! wat vervolgt gij Mij ?", zo klinkt het hem tegen. Vol angst en ontzetting vraagt Saulus : „Wie zijl Gij, Heere ?" En het antwoord luidt: „Ik ben Jezus, Die gij vervolgt. Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan". Nu weet Saulus ineens, hoe hij het heeft.
Jezus is hem in de weg getreden. Jezus heeft de hand op hem gelegd en hem staande gehouden. Jezus in Zijn heerlijkheid. Het is hel licht der hemelse majesteit, dat hem omstraalt. Dat heeft hem ter aarde geworpen. De Heere Jezus heeft de nood Zijner ellendigen
De Heere Jezus heeft de nood Zijner ellendigen binnen Damaskus gezien, die daar zaten te beven op het gerucht, dat die woedende vervolger op weg was om hen te binden. En Hij maakte Zich op tot hun hulp. Een hulp, veel heerlijker dan zij ooit hadden durven verwachten of afsmeken ! Want Hij kwam om van de wolf een lam te maken ; ja meer nog, om die woedende vijand te maken lot een herder der kudde. In het licht, dat Saulus en zijn reisgenoten omstraalde, openbaarde zich geen toorn, maar genade, ofschoon Saulus er door verschrikt werd en ter aarde sloeg. — Daarom riep Jezus hem toe : „Saul, Saul! wat vervolgt gij Mij ? ' Daar spreekt immers de liefde, die hem riep bij zijn naam. Het is een pijl der liefde, die de Heere Jezus afschoot op het hart van Zijn vijand. En — een pijl, die doel trof.
Dat blijkt uit de vraag: „Wie zijl Gij, Heere?" Saulus weel nog niet, wie hij vóór heeft. Maar hij voelt de greep van een Machtige, wie hij niet kan ontkomen. Hij denkt ook aan geen ontkomen. Hij buigt zich, die Machtige aansprekend als „Heere". Het geweten van Saulus ontwaakt door de stem, die tot hem kwam. Hij gevoelt, dat hem een groot kwaad ten laste wordt gelegd, al weet hij nog niet wat. Vandaar die angstige vraag : „Wie zijl Gij, Heere ?"
O, hoe moet het Saulus temoede geworden zijn, toen het antwoord luidde : „Ik ben Jezus, Die gij vervolgt!" Jezus, — Die had Saulus dood gewaand, en hij was verblijd geweest, dat Hij dood was. Jezus, met Wie Saulus allang niet meer rekende. En Die was daar! Hij was dus niet dood, maar leefde, leefde in de hemel! Heel wat anders dus dan een godslasteraar en verleider der schare, die niet anders verdiende dan aan een vioekhout te sterven ! .. .. En die Jezus riep hem toe; „Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan!" Een waarschuwing der liefde : Denk er aan, Saul! achteruitslaan is een kwaad ding voor de weerbarstige os: hij verwondt zichzelf aan de prikkel in de hand van zijn bestuurder ! Zo gaat het ook u, wanneer gij u tegen Mij blijft verzetten. Dat hindert Mij niet, maar alleen uzelf. Want Ik blijf Overwinnaar. In onderwerping alleen ligt uw behoud ! Saulus is geheel van streek. Bevende en verbaasd
Saulus is geheel van streek. Bevende en verbaasd ligt hij daar en kan niets anders zeggen dan : „Heere ! wat wilt Gij, dat ik doen zal ?"
Wat een ommekeer wordt er in die eenvoudige woorden getekend !
Daar is nu de man, die zo dapper naar Damaskus trok om de discipelen van Jezus te vangen en te hinden. Zijn weerstand is plotseling gebroken. Hij heeft van heel zijn voornemen afstand gedaan. Al heeft hij nog zoveel brieven van de Hogepriester in de zak, hij kan er niet aan denken om er enig gebruik van te maken. Ze hebben afgedaan. De Hogepriester heeft afgedaan. Saulus zelf met al zijn ijver heeft ook afgedaan. Er is slechts één wil, waar Saulus naar vraagt. Er is maar één Persoon, Wiens wil geldt. En dat is Jezus de Nazarener! En die wil luidt: „Sta op, en ga in de stad, en u zal aldaar gezegd worden, wat gij doen moet". Saulus gehoorzaamt ogenblikkelijk. Hij staat op. Hij gaat naar de stad, — maar op welk een manier ! Hij moet bij de hand geleid worden, want hij is blind. Als een gevangene van Jezus wordt Saulus Damaskus binnengevoerd. Een aangrijpend tafereel!
Laat ons op een enkel punt nog bizonder het licht laten vallen, en wel op de ontferming van de Heere Jezus Christus.
Hoe groot is die ontferming, aan een man als Saulus bewezen! Hier geen man, die van Jezus gehoord heeft en Hem zoekt, — maar die Hem tegenstaat en Hem in de Zijnen vervolgt met een dodelijke haat. Als er een dodende werking was uitgegaan van het hemelse licht, dat Saulus omstraalde, — had die woedende vervolger dan niet zijn verdiende loon gekregen ? En in plaats daarvan omzetting van het hart, zodat de vijand van zoeven zich gevangen geeft aan Die, Die hem te sterk geworden is !
Wat is dat bemoedigend voor ieder, die zichzelf in zijn vijandschap legen de genade heeft leren kennen. Als men tot die ontdekking komt, is het om te sterven van schrik. Er is immers niets vreselijkers dan verzet tegen de genade ; tegen die macht der liefde, die op behoud uit is ; tegen de macht der liefde van Christus, Die Zichzelf heeft overgegeven in de dood om zondaren het leven te verwerven !
Bemoedigend, want het is geheel vrij ontfermen, dat zich hier openbaart. Ontfermen, enkel omdat het zich ontfermen wil. Zulk ontfermen hebben wij nodig. Niet eenmaal, maar telkens opnieuw. Want wie zijn wij, dat wij op ontferming zouden mogen rekenen ? Hing het van iets bij ons af, het zou voor eeuwig verloren zijn. Maar hier zien wij in sprekende kleuren geschilderd, hoe Jezus de zondaars aanneemt. Ja, zondaars, die het moeten belijden, dat zij naar Hem niet hebben gevraagd. Hem niet hebben gezocht.
111.
Ja, zo mogen wij zingen : „Jezus neemt de zondaars aan.... Hij maakt zondaars tot Gods kinderen". Maar het gaat langs een wonderlijke weg. Het gaat door de diepte heen. Daarop wijst ons het derde tafereel, in onze text beschreven : Saulus in diepe nood.
De Heere heeft tot hem gezegd : „Sta op, en ga in de stad, en u zal aldaar gezegd worden, wat gij doen moet". Saulus gehoorzaamt. Hij staat op. Maar : „als hij zijn ogen opendeed, zag hij niemand".
Saulus miste het gezicht. Hij stond daar in dikke duisternis. Dat was een verschrikkelijke ontdekking ! De man, die tevoren het gevoel had, dat hij alles kon doen wat hij wilde, stond daar als een hulpeloze. Hoe diep ongelukkig moet hij zich gevoeld hebben! Gelukkig, dat hij niet alleen was, en dat die bij hem waren niet met blindheid geslagen waren. Zij konden hem nu tenminste bij de hand leiden. Zo kwam hij in de stad ! „Hij zag niemand". — Dat was uitwendige nood. Daarmee ging echter inwendige nood gepaard : „hij was drie dagen, dat hij niet zag, en at niet, en dronk niet". „Hij at niet en dronk niet", daarin wordt ons de inwendige nood getekend. Het heeft hem zeker niet aan spijs en drank ontbroken, want hij stond niet op straat. Lukas bericht ons later, dat hij in huis was bij zekere Judas. Hij heeft echter geen lust gehad tot eten of drinken.
Waarom dan niet ?
Wanneer we slechts even nadenken, wordt ons dit duidelijk.
Saulus kon niet zien. Het was Jezus, Die hem het gezicht ontnomen had door het licht Zijner heerlijkheid. Zijn blindheid was voor hem het onweerlegbaar bewijs, dat Jezus hem had staande gehouden op de weg. Het was geen visioen geweest, maar nuchtere werkelijkheid. En die Jezus had hem niet vervloekt, maar op genadige wijze met hem gesproken. Voor twijfel was hier geen plaats. Zonder die blindheid had er nog wel twijfel kunnen oprijzen in Saulus' ziel. Ondanks het feit, dat er getuigen bij waren geweest. Wij lezen immers in vs. 7: „En de mannen, die met hem overweg reisden, stonden verbaasd, horende wel de stem, maar niemand ziende".
Sprakeloos bleven zij staan; zij hoorden wel de stem, maar zagen niemand. Zij wisten niet, hoe zij 't hadden.
„Zij hoorden wel de stem". Dat schijnt op het eerste gehoor in strijd met hetgeen Paulus later bericht, als hij deze dingen verhaalt aan het volk na zijn gevangenneming te Jerusalem : „En die met mij waren, zagen wel het licht, en werden zeer bevreesd ; maar de stem Desgenen, Die met mij sprak, hoorden zij niet (22 : 9). Nauwkeurige lezing van de grondtext leert ons, dat hier van tweeërlei horen sprake is. Zij verstonden niet de inhoud van de woorden, maar vernamen wel het geluid van de stem. Zij zouden dus wel hebben kunnen bevestigen, dat het licht hen omstraald en dat iemand gesproken had, maar niet wie gesproken had en ook niet wat hij gezegd had. Zo zou Saulus nog in twijfel hebben kunnen geraken omtrent de woorden van de Heere Jezus. Maar nu niet. Ofschoon allen er bij waren, was er alleen met hem iets bizonders geschied. Zijn blindheid was hem een waarborg, dat werkelijk Jezus hem verschenen was en dat Die hem had bevolen : „Sta op, en ga in de stad, en u zal aldaar gezegd worden, wat gij doen moet".
Maar juist dit woord van de Heere Jezus verzwaarde Saulus' nood. Op de vervulling van dit woord kwam het aan. Daar wachtte Saulus op. Doch het kwam maar niet. De eerste dag bracht het niet, de tweede evenmin, de derde was reeds aangebroken en nog was hij niet verder gekomen. Het waren benauwde dagen, dieSaulusdoorleefde. De gedachten vermenigvuldigden zich in zijn binnenste temidden van de donkerheid, die hem omringde. Het werd ook donker in zijn ziel. Jezus was hem verschenen. Jezus had hem bekend gemaakt, op welke weg hij zich bevond. Hij vervolgde Degene, Die God in de hemel gezet had. Dus was het toch waar, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods. En tegen Hem had hij zich niet alleen verzet, maar ook in vijandschap gehandeld, Hem vervolgd. Hij had gemeend, Gode een dienst te doen. En nu stond hij voor het vreselijke feit, dat hij de wapens had opgenomen tegen de Gezalfde des Heeren, zijn eigen heil met voeten getreden, de Raad Gods tegen zichzelf verworpen en zijn Zaligmaker ten dode verwezen.
Saulus wist zich niet meer te bergen.
Wel had die Jezus hem genadige woorden toegesproken ; woorden, waarin hij de klopping van een ontfermend hart had gevoeld. Maar nog altijd was hem niet gezegd, wat hij doen moest. En zolang hij dat niet had vernomen, kwam zijn ziel niet tot rust. Waar moest hij heen ? Zo dacht hij aan eten noch drinken vanwege de benauwdheid zijner ziel!
Wat Saulus ondervond is ook de ervaring van allen, aan wie de Heere Jezus de hand Zijner liefde slaat. Al gaat het niet precies op dezelfde wijze als bij Saulus —want de Heere Jezus werkt niet volgens een bepaalde methode—, het gaat toch door de nood heen. Tot de ruimte komt niemand zonder diepe nood vanwege zijn zonden. Die nood moest Saulus doormaken, nadat Jezus hem verschenen was. Wat de Heere hem had voorgehouden moest in die drie dagen om zo te zeggen bezinken. In de regel gaat het anders: eerst de nood en dan de openbaring des Heeren in Zijn genade. Bij Saulus ging die openbaring ten dele vooraf. Ten dele, want in haar volheid volgt zij voor Saulus' bewustzijn eerst, wanneer Ananias in opdracht van de Heere Jezus hem komt zeggen, dat hij weer ziende en met de Heilige Geest vervuld zal worden.
Het gaat altijd door de nood heen.
Als Jezus Zich over ons ontfermt, als Hij de hand aan ons legt om ons Zijn heil deelachtig te maken, dan ontdekt Hij ons eerst de kwaal van ons hart. Dan bepaalt Hij ons bij onze zonden. Hij ontneemt ons onze vroomheid. Hij laat ons zien, dat wij met al onze vrome werken en al onze godsdienstigheid en al ons pogen om in overeenstemming te komen met Gods heilige Wet niets anders doen dan de genade tegenstaan. Maar Hij laat ons ook zien, dat wij in alle opzichten overtreders zijn van al Gods heilige geboden. Hij stelt ons onverbloemd voor ogen, hoe het met ons staat. Inzonderheid ontdekt Hij ons aan onze boezemzonden.
En dan ziet het er jammerlijk met ons uit, zolang wij niet de weg tot de genadetroon voor ons ontsloten zien. Wij weten, dat er een genadetroon is, waar alle zonden worden vergeven, waar ook de zwaarste ongerechtigheid wordt uitgedelgd. Want wij hebben Gode zij dank het Evangelie des kruises van jongsaf vernomen. Wij kennen het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegdraagt, Dat om onze overtredingen verwond en om onze ongerechtigheden verbrijzeld is. Maar wat baat ons deze kennis, zolang niet het woord der vergeving tot ons is gekomen ? Het gaat er om, of wij persoonlijk deel hebben
Het gaat er om, of wij persoonlijk deel hebben aan Jezus en aan Zijn verzoenend lijden en sterven. Of wij dat al verstandelijk weten, baat ons niet. Wij kunnen ons wel met verstandelijke kennis tevreden stellen, zolang wij geen nood kennen. Maar met zulke verstandelijke kennis komen wij voor de poort der eeuwigheid bedrogen uit.
Zo is het dan een zegen, wanneer God ons in nood brengt. Uit onszelf komen wij niet in zulke nood. Zomin als de metgezellen van Saulus, Want zij hebben allen dat hemelse licht gezien. Zij hebben ook allen de stem gehoord, die daar sprak. Maar wij lezen niet, dat het vrucht bij hen heeft gedragen. Zij hebben daar wel sprakeloos gestaan van schrik, maar straks leiden zij Saulus Damaskus binnen, en daarmee is het uit ! De nood van het ogenblik is hun geen ware nood geworden. Het is een weldaad van Gods souvereine genade, wanneer Hij ons in de nood brengt. Wordt het niet bevestigd dooronzeeigenervaring ? Hoe weinig gevoelen wij ware nood ! Ja, hoe menigmaal brengt niet de Heere God rampen over ons, die ons in diepe nood moesten brengen — en toch keren wij er niet mee tot onszelf in. Denk eens aan al die verschrikkingen, die wij doorleefd hebben in de lange, bange oorlogsjaren, die nu achter ons liggen. Zij hebben ons niet lot verootmoediging gebracht. Integendeel, we hebben er in die jaren maar op los gezondigd. Afs die bezoekingen voorbij zijn, of soms zelfs nog niet eens voorbij zijn, zijn wij er al overheen ! Gelukkig, als de Heere ons zo in de nood brengt, dat wij er niet overheen kunnen lopen, maar bij onze zonden bepaald worden. Gelukkig, temidden van alle ellende! Want wij gevoelen ons dan allesbehalve gelukkig, maar diep ellendig. Zonden te zien, en niets dan zonden, dat is vreselijk. Geen woord van bemoediging of vertroosting te vinden in het ganse onuitsprekelijk rijke Woord van onze God, geen enkel woord, dat tot onze ziel spreekt, — dat is wel het allertreurigste, dat wij kunnen ondervinden !
Wanhoopt echter niet, wanneer gij aan zulke nood onderworpen wordt. Want de Heere brengt u niet in die nood om u te verderven. Hij doet het tot uw behoud. Hij doet het, opdat gij uw zonden en uw schuld en uw verlorenheid zoudt erkennen en uit de diepte roepen tot Hem ! Laat u dan niet in de war brengen. De duivel houdt niet op, u aan te vechten, opdat gij bij uw zonden zult blijven zitten en niet uit de nood zult roepen tot Hem, Die alleen verlossen kan. Maar het Woord van die God, Die u in de nood bracht, klinkt u toe: „Roept Mij aan in de dag der benauwdheid. Ik zal er u uithelpen en gij zult Mij eren !" Dat woord zal gewis vervuld worden aan u, zo gij daar maar bij blijft. En gij zult Hem eren ook daarin, dat gij Hem danken zult voor de nood, waarin Hij u bracht; dat gij het betuigt: „Wie ben ik, o Heere ! dat Gij mij in de nood hebt geworpen? Daarin is niets anders te prijzen dan Uw souvereine genade alleen, die ons van tegenwerkers medearbeiders maakt in Uw Koninkrijk !" AMEN.
Gelezen: Wet des Heeren en Philippensen 3 : 1—12.
Gezongen : Ps. 68 : 8, 16; Ps. 45 : 1, 2, 3 ; Qez.39(N.B. 168) : 3, 4; Ps. 142 : 4, 7.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juni 1948
Kerkblaadje | 8 Pagina's