Ik geloof, Heere ! kom mijn ongelovigheid te hulp!*
Gemeente des Heeren !
Op het geloof in den Zoon komt het aan. Dat stelde Johannes de Dooper duidelijk in het licht, toen hij zijn jongeren predikte: „Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwig leven ; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem" (joh. 3 : 36). Deze prediking van Johannes stemt volkomen overeen met hetgeen de Heere Jezus Zelf gezegd heeft: „God heeft Zijn~Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden. Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld ; maar die niet gelooft, is airede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in de Naam des eniggeboren Zoons van God" (Joh. 3 : 17, 18). Het is wel diep beschamend voor alle hoog
Het is wel diep beschamend voor alle hoogmoedigen, die op hun gezindheid en werken steunen, want het zegt hun, dat dit alles hen niet zal redden van de dood. Maar het is heerlijk vertroostend voor allen, die vanwege hun zonde en ongerechtigheden verslagen zijn, omdat het hun een deur der hope opent in Christus Jezus. Het is een machtige troost voor allen, die zich op den Heere Jezus Christus alleen verlaten, want het geeft hun de zekerheid van het eeuwig leven. Het is een machtige troost in aanvechting en nood der ziel vanwege de zonde. Wanneer wij door den Geest des Heeren oog hebben voor onze zonden, dan is onze ziel vol onrust; dan ziet het er in ons binnenste treurig uit; indien toch de Heere met ons in het gericht gaat, hoe zullen wij dan bestaan ? In zulke nood prediken *) ons echter dat woord van Johannes èn dat woord van onzen Heiland : God ziet niet naar uw zonden; Hij vraagt niet, hoe ellendig het met u gesteld is ; H j vraagt alleen, of gij gelooft in den Zoon, of gij u met al uw zonden geworpen hebt in de armen van den Heere Jezus Christus. Hebt gij dat gedaan, en volhardt gij daarbij, dan gedenkt Hij aan uw zonden in eeuwigheid niet, dan heeft Hij ze achter Zijn rug geworpen in een zee van eeuwige vergetelheid ; dan ziet Hij u aan in Zijn Zoon, dan is er voor u bij Hem geen grimmigheid, maar enkel genade, dan hebt gij hef eeuwig leven en zijl gij aan dood en verderf voor alto: s ontrukt !
Op het geloof in den Zoon komt het aan in heel ons leven.
Op het geloof in den Zoon komt het aan, ook nu, nu wij ons voorbereiden op de komende Avondmaalsviering. Ook heden vraagt God niet naar onze zonden, maar alleen of wij als verloren zondaren ons heil zoeken in Jezus alleen, of wij Hem huldigen als onzen enigen Heiland en algenoegzamen Zaligmaker.
Daarom onderzoeke een iegelijk onzer zichzelf, of wij waarlijk in den Zoon geloven. En als wij dat in oprechtheid doen, dan komt eraispoe('-g nieuwe aanvechting op. Er wordt immers bij ons zoveel gevonden, wat met dit geloof in strijd is. Het geloof is een doodeenvoudig ding, en tnch is het een zwaar stuk voor ons, die vlees zijn. Ja, wij ervaren, dat het voor ons een onmogelijke zaak is. En dat vermeerdert de nood, wanneer we staan tegenover de Tafel des Heeren. Zullen wij het wagen toe te treden ? Zal de Heere ons niet afwijzen, ons niet voor onwaardige disgenoten houden en met Zijn oordelen bezoeken ?
Laat ons het antwoord op deze bange vragen des harten vernemen, naar aanleiding van de bekende geschiedenis, die ons zoeven voorgelezen is. Wij gaan hierbij uit van het woord, dat uw aandacht vindt in onze text: Markus Q : 24b „Ik geloof, Heere ! kom mijn ongelovigheid te hulp!" Dat is de dringende noodkreet van den vader van den maanzieken jongeling. Laat ons tot onze eigen bemoediging overdenken : 1 in welke nood deze vader verkeerde, Il wat hij in die nood deed, en II! welke uitkomst hij zo verkreeg. Alzo prediken wij u in dit uur van voorbereiding.
I
„Ik geloof, Heere ! kom mijn ongelovigheid te hulp!" Dat was inderdaad een dringende noodkreet.
Dat was inderdaad een dringende noodkreet. Daarom kwam het er, zoals Markus zegt, bij dien vader onder tranen uit. Deze nood vond zijn oorzaak in de schrikkelijke strijd, die er in de ziel van dien man gevoerd werd, in de worsteling met de ongelovigheid, met de macht van het ongeloof, die hij bij zichzelf ontwaarde
Die man was tot den Heere Jezus gekomen, omdat zijn vaderhart grote smart leed. Hij had een zoon, die er ellendig aan toe was. Deze zoon was „maanziek" (Matth. 17 : 15), d. w. z. hij leed aan vallende ziekte, aan toevallen, die optraden met het wassen of het afnemen der maan. Bovendien was hij doof en stom. En dat alles onder invloed van een duivelsen geest, waarvan hij bezeten was. Hoe ellendig zijn toestand was, blijkt wel uit de beschrijving, die de vader er van geeft, als hij zegt: „Meester! ik heb mijn zoon tot U gebracht, die een stommen geest heeft. En waar hij hem ook aangrijpt, zo scheurt hij hem, en hij schuimt en knerst met zijn tanden en verdort... En menigmaal heeft hij hem ook in het vuur en in het water geworpen om hem te verderven (vs 17, 18, 22). De maanzieken kregen plotseling hevige krampen, die met gebrul gepaard gingen; zij vielen schuimbekkend entandenknersend leraarde, zodat zij altijd in gevaar verkeerden, want als zij bij vuur of water waren, vielen zij daar natuurlijk in. Op de duur sleepte deze ziekte „verdorring" met zich, d.w.z. verzwakking van de krachten, afstomping van de geestvermogens en vermagering van de ledematen.
Die vader dan was met zijn zoon gekomen om bij den Heere Jezus genezing te zoeken, verlossing van dien stommen geest. Maar hij had den Heere Jezus niet aangetroffen. Toen had hij de discipelen des Heeren gevraagd, dien geest uit te werpen, — of liever, getuige zijn eigen woord, hij had hun gezegd, dat zij dien geest zouden uitwerpen. Zij waren hiertoe echter niet in staat. De jongeling bleef in de macht van dien duivel en in de ellende, die daarvan het gevolg was. Een schone gelegenheid voor de Schriftgeleerden om de discipelen des Heeren lastig te vallen en met hen te twisten ; waarover kunnen we licht vermoeden, n.l. over de vraag, waarom zij dien stommen geest niet konden uitwerpen. De Schriftgeleerden hebben de discipelen zeker wel bespot en hun hun onmacht verweten, om hen dan als volksverleiders te brandmerken. — Intussen is de Heere Jezus genaderd en vraagt den Schriftgeleerden : „Wat twist gij met dezen ?" Hierop deelt de vader mee 106 wat er geschied is : de ellende, waaraan zijn zoon ten prooi is, en dat hij tevergeefs bij de discipelen om hulp was gekomen. Dit doet den Heere Jezus uitbarsten in de bittere klacht: „O ongelovig geslacht! Hoe lang zal Ik nog bij ulieden zijn? Hoe lang zal Ik u nog verdragen ?" Hij beklaagt Zich dus over het ongeloof, waarop Hij hier stuit, en geeft niet onduidelijk te verstaan, dat ongeloof de oorzaak is, dat de macht van dien stommen geest niet is verbroken. Evenwel zal de duivel niet triumferen. Daarom zegt Hij: „Brengt hem tot Mij !" En dan wordt de maanzieke tot Jezus gebracht. De onreine geest voelt, waar het om gaat. Deze Jezus is immers gekomen om de werken des duivels te verbreken. Jezus'nabijheid betekent voor den onreinen geest: het onderspit delven. Daarom spant deze nog eenmaal alle krachten in om het hem dreigend lot af te weren. Hij scheurt den maanzieke, terwijl hij hem met krampen aantast. De ongelukkige stort neer en wentelt zich, al schuimende. Een meewarig schouwspel! De Heere Jezus vraagt den vader: „Hoe lange tijd is het, dat hem dit overkomen is ?" Het antwoord luidt: „Van zijn kindsheid af".
En de vader voegt er aan toe, hoe erg het wel geweest, hoe ver het meer dan eens gekomen is : „Menigmaal heeft hij hem ook in het vuur en in het water geworpen om hem te verderven". Diep bewogen door het ellendig schouwspel smeekt hij den Heiland : „Maar zo Gij iets kunt, wees met innerlijke ontferming over ons bewogen en help ons". De vader acht dus de mogelijkheid van genezing afhankelijk van de vraag, of Jezus iets vermag. De discipelen bleken niet in staat, den stommen geest uit te werpen. O, als dit zo moeilijk geval ook maar niet boven de macht van den Meester uitgaat! De vader hoopt, dat Jezus bij machte zal zijn te helpen, maar is blijkbaar niet zonder vrees. Hij staat daar als iemand, die tegenover een dokter staat en zegt : „O dokter ! als u er nog enige raad op weet, als u er nog iets aan doen kunt, help ons dan !", terwijl de toekomst nog leren moet, of de dokter wel tot helpen in staat is. — En wat doet nu de Heere Jezus? Hij zegt: „Zo gij kunt geloven, alle dingen zijn mogelijk dengene, die gelooft". Hiermee verlegt de Heere Jezus het zwaartepunt. Hij zegt hiermee zoveel als: „Het is niet de vraag, of Ik iets vermag, maar of gij kunt geloven!" Hij maakt dus de genezing van den zieke afhankelijk van het geloof van den vader: „Zo gij kunt geloven, dan is alles in orde, want alle dingen zijn mogelijk dengene, die gelooft".
Dit woord van den Heere Jezus grijpt den vader geweldig aan en doet in zijn ziel een ontzettende strijd ontbranden : „Zo gij kunt geloven ... ." Dit woord houdt den vader vast op zijn weg en dwingt hem, tot zichzelf in te keren. Toen de Heere Jezus van ongeloof sprak, heeft de vader natuurlijk gedacht aan het ongeloof der discipelen en het aan hen geweten, dat de duivel niet uitvoer. De Heere Jezus doet hem echter verstaan, dat hij de oorzaak bij zichzelf te zoeken heeft. „Zo gij kunt geloven" .... o hij voelt het, het is hier een beslissend punt, van zijn geloven is alles afhankelijk! „Zo gij kunt geloven".... n I. dat Ik macht heb over deze ontzettende plaag, dat de stomme geest voor Mij wijken moet I „Zo gij kunt geloven" .... o hoe graag wil de vader het geloven, wil hij daarom alles op Jezus laten aankomen en zijn kind in Diens hand stellen, van de uitkomst verzekerd — maar, wat gedachten van twijfel doorkruisen zijn brein .... hij gevoelt, hoe onmogelijk het voor hem is om te geloven ; de ongelovigheid van zijn eigen hart wedt hem ontdekt.... wat is dat een ontzettende macht, hij kan er zich niet aan ontworstelen .... en toch, het moet, anders blijft de boze geest heerschappij voeren . . ..! Een ontzettende strijd wordt in zijn binnenste gestreden.
Volkomen gelijk aan deze strijd is de strijd, die er menigmaal heerst in de ziel van hen, die in den Heere Jezus Christus geloven. Ook voor hen is er een strijd om te geloven. Het gaat immers om het geloof; hiervan hangt alles af, de zaligheid, het heil der ziel in leven en in sterven, voor tijd en eeuwigheid. Dit heil ligt in het deelgenootschap aan Jezus Christus en al Zijn weldaden. Wie in Hem gelooft, die heeft deel aan Hem en al Zijn goed. Maar juist dat geloven ! O, er zijn tijden, waarop zij met alle vrijmoedigheid belijden ; „ik geloof in Jezus Christus; aan Hem geef ik mij over — van ganser harte ;" waarop zij zo vffn harte zingen: „o Heer, aan Wien ik mij vertrouw". Er zijn echter ook heel andere tijden. Tijden, waarop zij meer dan ooit gevoelen : nu komt het er op aan ! gelooft gij werkelijk ? verlaat gij u wezenlijk op Hem alleen, met heel uw hart ? gelooft gij, niet slechts dat Hij machtig is te behouden, dat Hij voor zondaren gestorven is, maar ook dat Hij machtig is ü te behouden, dat Hij voor ü gestorven is, dat gij dus in Hem voor eeuwig aan het verderf ontrukt zult zijn en daarom in gerechtigheid zult opwaken ?
Gemeente! wanneer dit alles zo beslist afhankelijk gesteld wordt van ons geloof en wij dus gedwongen worden tot onszelf in te keren, — wanneer wij dan voor de vraag komen te staan : „Zo gij kunt geloven" .... o, dan wordt het ons bang om het hart. Wij begeren van harte te geloven, wij willen niet anders dan geloven, de nood der ziel dringt er toe, wij erkennen het: „in Jezus alleen is mijn heil'" — en toch, hoe wordt ons hart door vrees geslingerd .... hoe onmogelijk is het ons dit vast te houden .... wij kunnen het niet geloven, wij durven het niet geloven, omdat onze zonden zó verschrikkelijk zijn, dat wij te allen dage Gods toorn verdiend hebben .. . wij willen gaarne „amen" zeggen op Gods beloften, die in Christus Jezus ja en amen zijn, — en toch, het wil er niet uit.... door de ongelovigheid, die er in ons binnenste heerst. Wij voelen ons met ontzettende banden gebonden. Een vreselijke strijd wordt in de ziel gestreden.
II
Hoe zullen we daar uitkomen ? Hoe zullen wij doorbreken tot den Heere Jezus Christus? Want daar gaat het toch om, dat wij ons van ganser harte op Hem verlaten, dat in ons leven te allen tijde waarheid zij wat wij zingen : „Jezus ! Uw verzoenend sterven blijft het rustpunt van ons hart". Hoe zullen wij dan doorbreken tot den Heere Jezus Christus ?
Het antwoord op deze vraag vernemen we uit hetgeen Markus schiijft: „En terstond, de vader des kinds, roepende met tranen, zeide : ik geloof, Heere ' kom mijn ongelovigheid te hulp !" Hieruit zien we, hoe die vader tot het waarachtig geloof doorgebroken is : hij schreeuwde uit zijn nood tot den Heere Jezus, omdat zijn ongelovigheid hem tot nood geworden was.
Let er eens op. Gemeente ! hoe oprecht die vader voor de dag komt! Hij legt eerlijk voor den Heiland bloot, hoe het er bij hem uitziet en welk een strijd er in zijn binnenste heerst! Hij doet zich volstrekt niet voor, alsof hij iets bezat, wat toch niet bij hem gevonden werd. Hij spreekt het eerlijk uit, welk een ongelovigheid er in hem woont, hoe groot de macht van het ongeloof is, zó groot, dat hij niet in staat is te geloven, ofschoon de begeerte van zijn hart niet anders is dan te geloven.
„Ik geloof, Heere ! kom mijn ongelovigheid te hulp !" Hiermee spreekt die vader dit uit: „Heere ! ik moet geloven, en ik wil niet anders dan g-eloven, maar ach! ik ben er geheel en al onmachtig toe ; als het van mij moet komen, dan komt het in eeuwigheid niet tot het geloof!" Het is wel eenoprechte erkentenis van volslagen onmacht, van de diepste ellende. Die vader wanhoopt aan zichzelf en geeft alle verwachting van zichzelf ten enenmale op. Hij blijft echter in zijn ellende niet zitten Hij kan het in zijn ongelovigheid niet uithouden, want dan moet hij omkomen. Hij breekt in tranen uit. En dan werpt hij zich met zijn ongelovigheid in de armen van den Heere Jezus met de bede: „kom mijn ongelovigheid te hulp!" Dat is toch duidelijk een zich overgeven aan de genade des Heeren. Wat spreekt er anders uit die bede dan de smeking : „Heere ' neem mij toch aan, zoals ik ben! Anders is het hopeloos. Anders is er geen hulp voor mij en mijn kind". Zo werpt hij zich met een luide schreeuw in de armen van den Heere Jezus, geheel en al van zichzelf afziende en alleen op de genade des Heeren steunende. In de ziel van dien vader leefde wat er uitgesproken ligt in de bekende versregel: „'k Werp mij raad'loos in Uw armen !" Hij stelde alles in 's Heeren hand. Aan den Heere Jezus klemde hij zich krampachtig vast, terwijl hij tegen zijn ongelovigheid de genade des Heeren inriep en de verlossing van zijn ongelovigheid van Hem afsmeekte.
Zie, Gemeente ! zo is die vader midden door zijn diepgevoelde ongelovigheid heen doorgebroken tot den Heere Jezus Christus. En dat is ons tot 0''ze vertroosting beschreven, opdat wij goede moed hebben en doen ais hij, wanneer het met ons gesteld is zoals het met hem gesteld was. Ook bij ons moet het tot zulk doorbreken komen. Want als wij niet doorbreken tot den Heerejezus Christus, dan moeten wij in onze nood en ellende omkomen. Eerst als wij tot Hem doorgebroken z'jn, .zullen wij het genot smaken van Zijn heil. D^ch breek maar eens door, wanneer de ongelovigheid u kluistert!
De ervaring van allen, die de Heere geroepen hp>"ft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht, is aan de ervaring van dezen vader uit het Evang'^Me gelijk. Zij allen ondervinden, welk een zwaar stFik het geloof is ; welk een zwaar stuk het is, te geloven, dat óns heil waarlijk in Jezus Christus vpst ligt, dat God óns waarlijk al onze zonden vergeven en ons in genade aangenomen heeft alleen om de verdienste van Jezus Christus. Zij allen ervaren, dat het voor hel vlees een ^mogelijkheid is, hoewel zij het zonder den Heere Jezus en Zijn verdienste niet kunnen stellen.
A^iar als dat in waarheid onze ervaring is, dan k'-nnen wij het daarbij niet laten blijven, in onze ciCTelovigheid kunnen wij het dan niet uithouden. D")ch waarheen ons te wenden? O, laat ons doen wat die vader van den maanzieken jongeling deed ! Laat ons tot den Heere Jezus Zelf ons wenden. Laat ons Hem eerlijk zeggen, hoe het er bij ons uitziet. Laat ons onze ongelovigheid H-="m klagen ; laat ons Zijn genade tegen die ongelovigheid inroepen. Laat ons onszelf, zoals wij zijn, in Zijn armen werpen. Anders is de zaak voor eeuwig verloren.
Wacht niet, tot het eens beter met u gesteld zal zijn. Waclit niet, in de hoop, dat er wel eens een tijd zs' aanhreken, dat ge van die ongelovigheid geen last meer zult hebben, dat gij haar te boven zi'lt zijn Want die tijd komt nimmer, zolang het waar is, dat wij in zonde ontvangen en in ongerechtigheid geboren zijn, en dus midden in de dood liggen Wie daarop wachten wil, die moet or-jkomeri. Die vader zou ook omgekomen zijn, d. w. z. de stomme geest zou over zijn geliefd k'nd heerschappij behouden hebben en daardoor ooV hemzelf in zijn ellende hebben doen blijven, zo hij gewacht had op het verdwijneii van zijn or:Telovigheid. - Wie door den Geest des Heeren zijn ongelovigheid heeft leren kennen, die kan o"k met geen mogelijkheid daarop wachten. W.Tnt hij weet, dat hij in eeuwigheid zich niet U'* die ongelovigheid kan opwerken. Er is er sh^hts Een, Die daarvan verlost, n.1 de Heere Jr-zus Christus Zelf. Laat ons daarom met onze ongelovigheid tot Hem gaan en onszelf, zoals w'i zijn, in Zijn armen werpen met de bede : „Ik geloof, Heere ! kom tnijn ongelovigheid te hi''p!" Want wie zo tot Hem doorbreekt, die w^rdt niet beschaamd.
III
Dat zien we aan de uitkomst, die de vader van den maanzieken jongeling verkreeg. Wij lezen immers : „En Jezus ziende, dat de schare gezamenlijk toeliep, bestrafte den onreinen geest, zeggende tot hem : gij stomme en dove geest! ik beveel u, ga uit van hem en kom niet meer in hem. En hij roepende en hem zeer scheurende, ging uit; en het kind werd als dood, alzo dat velen zeiden, dat het gestorven was. En Jezus, hem bij de hand grijpende, richtte hem op; en hij stond op" (vs 25—27).
De Heerejezus heeft dus dien man, die zich in zulk een diepe nood in Zijn armen wierp, geen verwijten gedaan vanwege de ongelovigheid, waarover hij klaagde. Geen woord van afkeuring zelfs is er uit Zijn mond gekomen. Hem, die zich aan Zijn genade alleen beval met bekentenis, oprechte bekentenis, van volslagen onvermogen, heeft Hij in genade aangenomen. Hem heeft Hij Zijn heil doen zien, door de macht van Zijn genade aan den ongelukkige!! jongeling te verheerlijken. Daarbij ging het wel door nieuwe nood heen, maar de uitkomst was heerlijk. Toen de onreine geest het bevel : „ga uit van hem en kom niet meer in hem!" vernomen had spande hij voor het laatst alle krachten in. Met een geweldige schreeuw, en onder verschrikkelijke stuiptrekkingen ven den jongeling, voer de geest uit. De van den onreinen geest verloste werd als een dode, zodat velen al zeiden dat hij gestorven was. Maar zo gaat het niet, wanneer de Heerejezus genade bewijst. Hij grijpt den jongeling bij de hand en richt hem op : daar staat hij dan, gezond en wel, in het bezit van al zijn vermogens, een sprekend bewijs van hetgeen de ontferming des Heeren vermag. Gemeente ! hier ligt voor ons in onze nood tn aanvechting een machtige vertroosting, waarmee -de Heere ons vertroost en die daas om ook niet van ons weggenomen zal worden.
Vrees maar niet, dat gij met uw noodkreet: „Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp !" bij den Heere Jezus geen gunstig onthaal zult vinden. Vrees maar niet, dat Hij u zal afwijzen, dat Zijn oren voor zulk geroep gesloten zijn. Hij is zo geheel anders dan gij u in uw nood wel voorstelt. Gij denkt misschien, wanneer Hij spreekt: „Zo gij kunt geloven, alle dingen zijn mogelijk dengene, die gelooft", dat Hij daar een voorwaarde stelt, voor de vervulling waarvan gij eerst moet zorgen. Maar zo is het niet. Zijn heil is niet aan een voorwaarde gebonden ; het is een geheel vrije gift. Hij verwacht van u geen vervulling van enige voorwaarde; integendeel, Hij Zelf brengt alles tot stand wat gij nodig hebt; Hij Zelf is het. Die ook de hand schept, die Zijn gave in ontvangst neemt. Ga maar gerust tot Hem, terwijl gij aan uzelf vertwijfelt, o mens ! Werp u zo in Zijn armen, en ge zult ervaren, dat Hij juist den ellendige heerlijk helpt. En nu zal aanstaande Zondag de Tafel des Heeren toegericht worden. En deze Tafel wordt toegericht voor allen, die in Hem geloven. Zij, en geen anderen, worden aan die Dis genodigd. Zijt gij daarover in nood, terwijl gij uw ongelovigheid met smart ervaart en aan uzelf ondervindt, hoe onmogelijk het voor een mens is om te geloven ? Zijt gij daarover in nood, dat gij niet geloven ku:it, dat u waarlijk ai uw zonden van God vergeven zijn alleen om de verdiensten van Christus, hoewel gij geen andere hoop hebt dan dezen Christus alleen ? Roept ook gij het in diepe nood uit: „Ik geloof, Heere ! kom mijn ongelovigheid te hulp !" ? — Vrees dan niet! Denk niet, dat de Heere u zo niet aan Zijn Tafel ontvangen wil. De duivel tracht u dat wel wijs te maken, omdat hij u zo graag van de Dis des Heeren wil afhouden. De schijnvrome wereld tracht het u ook wel wijs te maken, omdat zij op zichzelf steunt en zich in haar binnenste bestraft voelt, wanneer zij u zó, op genade alleen drijvend, naar de Tafel des Heeren ziet gaan. Uw eigen hart siddert en beeft, omdat gij uw algehele onwaardigheid kent. Maar de Heere is meer dan uw hart en Hij kent alle dingen. Hij, Die den vader van den maanzieken jongeling niet teruggestoten heeft, maar hem genade bewees, — Hij is nog Dezelfde, in Zijn gezindheid is niet het minste veranderd. Hij zal ook u in genade aannemen en u volgaarne aan Zijn Dis ontvangen. Blijf dan niet van verre staan, maar treed toe, Hem aanroepend : „Ik geloof, Heere ! kom mijn ongelovigheid te hulp!" Hij zal u voorzeker alles schenken, wat Hij Zijn volk aan Zijn Dis bereid heeft, toen Hij sprak: „Doet dat tot Mijn gedachtenis !" AMhN.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 2 juli 1949
Kerkblaadje | 8 Pagina's