Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Kohlbrugge's prediking in het licht van de Nadere Reformatie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kohlbrugge's prediking in het licht van de Nadere Reformatie

II

21 minuten leestijd

Tooh zou ons verhaal gebrekkig en eenzijdig zijn, wanneer wij het hierbij lieten. Wel heb ik even met nadruk deze kant naar voren gehaald, omdat ik meen, dat in de waardering van Kohlbrugge deze zijde te veel verwaarloosd is. Maar dat doet intussen niets af van het feit, dat er ook diepgaande verschillen kunnen worden aangewezen. Zodat het toch terecht is, wanneer iemand, uit het klimaat van de Nadere Reformatie komend, door middel van de prediking van Kohlbrugge tot een tweede bekering komt, waarin hij de radicale bevrijding in Christus door het geloof mag ervaren.

De vraag is, waar dat aan kan liggen. Is er bij Kohlbrugge dan zo iets nieuws te vinden, zo iets geheel anders en zo iets radicaal bevrijdends voor iemand, die bij de oude schrijvers is grootgebracht? Ik denk van wel. Ook al moet er ge-lijk aan worden toegevoegd, dat hij dan niet alleen bij Kohlbrugge terecht kan, maar ook al bij Luther en niet zelden ook bij de Schotse schrijvers zoals b.v. Andrew Gray. Maar Kohlbrugge moet hier bij uitstek worden genoemd, omdat het door hem zo toegespitst wordt en daarom zo bevrijdend wenkt. Ik meen, dat wij dit het duidelijkst kunnen maken door ook weer een aantal aspecten in het kort te noemen.

Ik begin bij een schijnbaar formeel aspect, nl. de vorm, waarin Kohlbrugge zijn preken giet. Die is op een bevrijdende wijze anders dan die van de oude schrijvers. Bij de oude schrijvers treffen wij de strakke indeling aan tussen explicatio en applicatio (uitleg en toepassing). Eerst de exegetisch-dogmatische (uitlegkundigleerstellige) uitleg van de tekst en daarna de toepassing ervan. Bij Kohlbrugge daarentegen lopen uitleg en toepassing door elkaar heen en spontaan in elkaar over. Dit lijkt slechts een formele zaak te zijn, maar dat is het beslist niet. Dit verschil heeft zelfs diepe achtergronden. Dat wordt duidelijk, wanneer wij opmerken, dat die strakke indeling van explicatio en applicatio ook niet bij Luther en Calvijn is terug te vinden. Ze komt dus bij uitstek voor in de periode van de Orthodoxie. En dat was tevens de tijd van de scherpe scheiding tussen object en subject, het voorwerpelijke en het onderwerpelijke, iets dat in die tijd van het rationalisme in de lucht hing en dat door Descartes op een wijsgerige formule is gebracht. We zien dan hoe het objectieve en het subjectieve steeds meer van elkaar gescheiden worden en op een steeds grotere afstand van elkaar raken, zodat tenslotte beide een eigen leven gaan leiden.

In de prediking krijgt dat deze vorm, dat in de eerste helft van de preek niet alleen de leer wordt behandeld, maar dat dit doorgaans geschiedt op een abstract-rationele (afgetrokken-verstandelijke) manier, die ver afstaat van de vv'erkelijkheid van de mens. En hoe groter deze afstand wordt, des te meer krijgt daarna ook de toepassing een eigen plaats. Deze wordt op haar beurt dan ook verzelfstandigd en krijgt eveneens een abstract (afgetrokken) karakter. Natuurlijk vinden wij dit niet bij alle oude schrijvers even sterk zó terug. Er zijn óók voorbeelden te noemen, waarin de pastorale gerichtheid door de hele preek heen speelt. Zoals b.v. bij Smijtegelt. Maar het is wèl het overwegend stramien.

Welnu, dat vinden wij bij Kohlbrugge heel anders. Bij hem sprankelt de preek van het begin af aan. Uitleg en toepassing zijn bij Kohlbrugge vaak één. Daardoor leeft zijn prediking ook nu nog, nu de scheiding tussen object en subject lang niet zo sterk meer functioneert. Wie daarom gewend is geweest om altijd alleen preken van oude schrijvers te lezen, weet niet wat hem overkomt, als hij de preken van Kohlbrugge onder ogen krijgt. Die tintelen voor hem. Maar ik zei al: diezelfde tinteling vervult ons ook, als wij Luther lezen. Op zeer directe wijze voelen wij aan, hoe God en mens hier bij elkaar gebracht zijn, de leer bij het leven. De mens komt direct voor God te staan^ en anderzijds iaalt God in Christus af tot de mens, tot de >verkelijke mens, en komt hem zeer nabij. Dat 'Cohlbrugge hier zo anders gepreekt heeft dan ie oude schrijvers, zal ongetwijfeld mede veroorzaakt zijn door zijn studie van de reformato- "en, met name van Luther. Met hem had hij ook gemeen, dat hij een afkeer had van alle filosotie (wijsbegeerte). Dat hadden de oude schrijv'ers doorgaans niet. Sterker: de predikers van de Nadere Reformatie hebben ondanks hun vermaningen tegen het meegaan met de geest des tijds zelf in hun prediking het geestelijk en wijs- •^erig klimaat van hun tijd geïntegreerd. Daarn waren zij kinderen van hun tijd, iets dat 'uist van Kohlbrugge moeilijk kan worden gelegd. Die stond met zijn theologie en prediking haaks op zijn tijd. Hij zal dus ook niet bij de voorbereiding op zijn preken zó de handboeken van de gereformeerde dogmatiek bij de hand gehouden hebben als de oude schrijvers dat hebben gedaan. Bij hem komt juist daardoor een grote levendigheid en speelsheid in zijn prediking, waarbij hij van de eerste woorden af aan de mens en de gemeente in hun concrete situitie op het oog had. Duidelijk blijkt dat uit de 'ele inleidingen, die hij telkens op zijn preken houdt, en waarbij hij aansluit bij wat er vorige veek is gepreekt of wat er in die tussenliggenle dagen in de ^gemeente en om haar heen is .gebeurd. Zó krijgt èn de uitleg èn de toepassing n] Kohlbrugge hun „Sitz im Leben" (plaats in iet leven) van de gemeente. En wat vooral beangrijk is: op deze wijze is door Kohlbrugge lan de Schrift weer vrij baan gegeven, zodat zij weer levend en krachtig doorklinkt.

Toch gaat dit intussen bij Kohlbrugge nog dieper. Niet slechts zijn aandacht voor het concrete leven van de mens en de gemeente speelt hier een rol, maar ook zijn geloofsmatige doorbreking van het schema objectief-subjectief, wanneer hij bezig is met de vertolking vr a het Woord Gods. Kohlbrugge heeft op een voluit reformatorische wijze opnieuw de kracht van het Woord Gods ervaren.

In de eerste helft van onze lezing hebben wij erop gewezen, dat bij Kohlbrugge de Heilige Geest en Zijn werk hun eigen volwaardige plaats krijgen. Daarom is het een Barthiaanse mis-interpretatie (foutieve uitleg), wanneer J. Loos een verbindingslijn trekt tussen de geloofszakelij kheid van Kohlbrugge en het Christocentrisme van Barth. Maar wel is het zó, dat Kohlbrugge de krachtige werking van de Geest geheel en al ervaren heeft in en door de kracht van het Woord Gods. Daarom kon het onderscheiden-zijn van Woord en Geest bij Kohlbrugge nooit een dualistisch (tweeslachtig) karakter krijgen. Het afstand scheppen tussen Woord en Geest, tussen de waarheid en de beleving der waarheid, heeft Kohlbrugge bewust als een bezwaar van de orthodoxe prediking aangevoeld. In een brief aan Stephen de Clercq spreekt Kohlbrugge over de objectieve waarheden: de wet, die ons verdoemt — Christus die wij moeten hebben — de eeuwige verkiezing en een leven van heiligheid —, terwijl dan de vraag gesteld wordt naar de middelen om daartoe te komen, waarbij dan de leer van de Heilige Geest wordt vermeld en de krachten, het geloof, waarmee wij wat doen. Zó typeert Kohlbrugge het orthodoxe denken. Kohlbrugge geeft dan aan De Clercq de raad om, in plaats van midden in deze verzameling leerpunten, midden in het leven te gaan staan (Vergelijk O. Noordmans, a.w., blz. 15v.). Omdat Kohlbrugge aanvoelde, dat leer en leven hier uit elkaar getrokken waren en op steeds grotere, ja zelfs onbereikbare afstand van elkaar stonden.

Dat Kohlbrugge deze critische houding innam, is geheel te verklaren uit zijn ervaring van de levende kracht van het Woord Gods. Met name in zijn preken over Johannes 1 komt dit op een indrukwekkende wijze naar voren. Gods Woord is het scheppende Woord. Dat Woord, dat in den beginne gesproken heeft: Er zij licht; en er was licht. Ditzelfde Woord is vlees geworden in Christus. En zoals Christus is komende in de wereld, zo komt dit Woord Gods ook nu nog voortdurend in de verkondiging in de wereld en tot de gemeente. ,,Want waar het Woord komt, terstond maakt het de dingen anders dan zij vroeger waren. Daar is ineens een nieuwe schepping, een nieuw verbond, een nieuwe mens. Want daar komt Christus en brengt mede Zijn leven. Zijn Geest, Zijn genade, Zijn vrede, ware vreugde, eeuwige aflaat van alle zonden, waarachtige verlossing van de duivel en de dood. Daar komen alle oude dingen niet meer in aanmerking. Er is een geheel nieuwe toestand, waarin men overgegaan is" (,,20 Predigten", citaat bij J. Loos, a.w., blz. 93).

Opvallend is de nauwe verbinding^ die Kohlbrugge legt tussen Gods scheppende Woord en Christus. In zijn preek over Johannes 1 : 1—3 gaat hij daar uitvoerig op in (10e twaalftal, blz. 290v.v.). Het lijkt me onjuist om hier een uitwerking aan te geven in de lijn van Karl Barth en de christocentrische theologie na hem. Daarvoor is deze laatstgenoemde theologie veel te rationeel (verstandelijk), wat vooral tot uiting komt in haar eenzijdige consequenties, waardoor andere centrale aspecten van de boodschap der Schriften worden verwaarloosd. Bij Kohlbrugge gaat het erom de leven-scheppende kracht van het Woord Gods aan te geven en tegelijk, daarmee verbonden, te laten zien hoe dit scheppende Woord meteen het herscheppende Woord is, dat vol is van het heil des Heren.

Deze visie op het Woord Gods is de diepste achtergrond van de kracht van Kohlbrugge's prediking. Daarmee is meteen ook een belangrijk verschil met de prediking van de Nadere Reformatie aangegeven. Ook in de Nadere Reformatie stond de prediking centraal getuige de vele prekenbundels, die in deze tijd zijn uitgegeven en die menige druk beleefden. Men was er ook toen van overtuigd, dat de prediking het moest en kon doen. Toch is er een diepgaand verschil. Door de sterke onderscheiding tussen het subjectieve en het objectieve, ook als hermeneutisch (uitlegkundig) beginsel in het omgaan met de Schrift, kreeg de Woordverkondiging iets theoretisch en sloot zij in de uitlegging van de Schrift^ zoals gezegd, ook heel dicht aan bij de min of meer scholastieke dogmatiek (verstandelijke geloofsleer). En dit bleef gehandhaafd ook in het toepasselijke deel van de preek, zodat deze toepassing zich kenmerkte door een analytische (ontledende) beschrijving van het geloofsleven en de geloofsproblemen. Dit beschrijvende vooral verraadt zijn objectivistisch karakter. De diepste oorzaak ligt daarin, dat men Woord en Geest niet in die eenheid verstond als waarin Luther en Calvijn en later ook Kohlbrugge ze verstonden en in hun prediking in practijk brachten. Daarom is de prediking van vele oude schrijvers wel leerzaam, juist in hun analyse (ontleding) van de zielsgestalten met hun vragen en problemen en hun antwoorden, maar zij is geen gebeuren. Niet zelden dragen de preken van de oude schrijvers de vorm en het karakter van een verhandeling. Bij Kohlbrugge is de prediking wèl een gebeuren, omdat het Woord Gods zelf als een levend gebeuren plaatsvond in de bediening van het Woord.

Dit nabij elkaar brengen van God en de mens, van het Woord en het werk van de Geest, heeft bij Kohlbrugge echter ook nog een andere wor-tel, die overigens direct met de vorige is verbonden. Wij spraken reeds over de nauwe verbinding tussen het Woord en Christus. Dat vindt bij Kohlbrugge een speciale uitwerking in wat hij geschreven en gepredikt heeft over de betekenis van de vleeswording van dit Woord. Wij denken aanzijn verhandeling over Mattheüs 1, waaruit Kohlbrugge ook voor zijn eigen geloofsleven zoveel troost heeft geput tot op zijn sterfbed toe. Daarin ziet hij Christus zó diep in het vlees ingaan, dat hij juist de meest kwalijke namen uit het geslachtsregister naar voren haalt om te laten zien, welk vlees Christus is geworden. Het is het vlees van Rachab, de hoer, van Thamar en van Ruth en van Bathseba. Het is dat vlees, dat verdoemelijk is voor God, maar dat intussen toch ook ons eigen vlees is. Dat vlees heeft God in Christus verkozen.

Deze visie op de vleeswording des Woords vormt de achtergrond van het feit, dat Kohlbrugge in zijn prediking de Here Jezus zo ontzaglijk dicht bij de zondaar brengt. Daarin volgt Kohlbrugge het spoor van Luther, die immers gezegd heeft, dat wij Jezus nooit te diep in het vlees kunnen trekken. Omdat wij de Here Jezus nooit te dicht bij de zondaar kunnen brengen. Dat heeft Kohlbrugge diep verslaan. En dat geeft aan zijn prediking haar evangelische en bevrijdende kracht.

Ik wil niet zeggen, dat dit in de Nadere Reformatie geheel gemist wordt. Zeker niet. Als ik b.v. denk aan de preek van A. Comrie over I Petrus 2 : 7 „U dan, die gelooft, is Hij dierbaar" (Vergelijk zijn ,,Eeniige eigenschappen des zaligmakenden geloofs", 4e druk. Leiden, 1747), dan wordt ook daar de Here Jezus op een indringende wijze ons voorgesteld. En dat vinden wij bij vele anderen evenzo. Maar toch moet worden gezegd, dat niet zelden de afstand tussen Jezus en de mens krampachtig in acht genomen wordt, omdat er zovele tussenstations zijn, die moeten worden gepasseerd, voordat wij aan Christus-zelf toe (mogen) komen. Het is bekend, dat dit in deze traditie na die tijd eerder erger dan minder geworden is. Wellicht zal dit voor een deel te wijten zijn aan labadistische invloed of althans aan de geest van het Labadisme, waarvan Wilhelmus a Brakel al moest getuigen, dat in deze prediking de zielen werden opgehouden om tot Jezus te gaan (Vergelijk zijn „Leere en leydinge der Labadisten", 2e druk, Rotterdam, 1738).

Het zou een onderzoek waard zijn om na te gaan, in hoeverre deze afstand tussen Kohlbrugge en de Nadere Reformatie ook ligt aan de christologische inzichten, met name wat betreft de vleeswording des Woords. De Labadie, gekomen uit de Rooms^Katholieke Kerk en deze eigenlijk nooit geheel achter zich gelaten hebbende, zal hier stellig anders over gesproken hebben dan Luther en Kohlbrugge. Want hoe dieper Jezus in het vlees getrokken wordt en loe beter verstaan wordt, dat in dit vlees geen ;oed woont, omdat het verkocht is onder de onde, des te troostvoller en bevrijdender wordt iet evangelie, dat het Woord, dat Jezus is, vlees ^ geworden.

Hiermee laat zich een andere gedachte ver- )inden, die evenzeer voor de prediking van vohlbrugge van grote betekenis is geweest. Wij edoelen zijn spreken over de ontvangenis van 'ezus in de schoot van Maria. Kohlbrugge's acent op de vleeswording van het Woord irengt hem ertoe, eveneens het accent te legen op het geloof. Allereerst het geloof van Mala, die in de ontvangenis van dit Woord zich an het Woord heeft gehouden en zó moeder an Jezus is geworden. Kohlbrugge zegt ergens, 'at dit vaststond in Maria's hart: God en Zijn Voord gelden méér bij mij dan de wereld en aar ijdele pracht (Schriftverklaringen, 4, blz. 78). En wat heeft Jezus-zelf anders gedaan dan .ich in het geloof vastklemmen aan Zijn God n Vader? Zó is Hij, hoewel levende in het zonuge vlees, zonder zonde geweest, en zó heeft Hij et heil voor ons verworven. Zó wordt echter et heil werkelijkheid ook voor ieder kind van rod, wanneer hij of zij in het geloof zich houdt an Gods Woord. Dit zware accent in Kohlbruge's prediking op het geloof is daarom zo berijdend, omdat het de mens afbrengt van zichelf en van al het zijne en hem geheel en al erpt op Christus en Zijn volkomen gerechtigheid, die in Zijn Woord ons wordt geschonken. Ook daarin ligt een diepgaand verschil tussen e prediking van Kohlbrugge en die der Nadere eformalie. Weer moet het worden gezegd, dat eze elementen zeker niet in de prediking van e oude schrijvers worden gemist. Maar dan el nadat men eerst uitvoerig bezig is geweest iet het vermelden van de kenmerken, waaraan len kan weten of men een waar kind des Heon is. Pas als alle kenmerken genoemd zijn en len beseft, dat de zozeer gewenste zekerheid an het geloof daardoor toch niet verkregen is, > erpt men de mens op Christus en op Zijn be- )fte. Kenmerkend hiervoor is het boekje van Koelman over „De natuur en de gronden des eloofs" (3e druk, 's-Gravenhage, 1732). Daarin lOemt hij een groot aantal kenmerken, en naiat de vraag gesteld is, of men hieraan genoeg eeft, en daarop vervolgens een negatief ant- - oord v.'ordt gegeven, gaat Koelman weer nieue kenmerken noemen. En als ook die niet voloende zijn om de zekerheid te schenken, dan I omt in Koeltmans uiteenzetting Christus-zelf iet Zijn betrouwbare belofte naar voren, naar ie de mens direct wordt verwezen.

Welnu, die lange weg wordt door Kohlbruge niet bewandeld. Hij wijst zijn gemeente echtstreeks op Christus. Hij wijst de mens de ' orte weg om als een verlorene-in-zichzelf het oheel en alleen met Christus te wagen. En dat an, omdat deze Christus hem zeer nabij is, hem in alles gelijk is geworden, uitgenomen de zonde. Natuurlijk heeft ook dit laatste zijn diepere achtergronden. Dat in de Nadere Reformatie zoveel gewerkt is met de kenmerken van het geloof, heeft o.a. zijn oorzaak daarin, dat men uitging van een anthropocentrische opvatting (een opvatting, waarbij de mens in het middelpunt staat) over de genade. Met behulp van de scholastieke onderscheidingen sprak men van de habitus en actus fidei, de hebbelijkheid en dadelijikheid van het geloof. Een manier van spreken, die in en na de strijd met de Remonstranten nog méér ingang vond, evenals het veelvuldig spreken over de wedergeboorte als een instorting van een nieuwe hoedanigheid (qualitas). Ongetwijfeld heeft men hiermee de reformatorische leer van de sola gratia (genadealléén) willen voorstaan, maar wèl is het zó, dat door gebruikmaking van deze filosofische (wijsgerige) termen aan de genade onwillekeurig een ontisch-anthropologisch kara.kter werd verleend, zodat het nieuwe leven van de H'edergeborene te veel gezien werd los van het levende Woord, van het vleesgeworden Woord en van het gepredikte Woord. Het kreeg een eigen bestand als een vermogen tot geloven, dat onuitroeibaar is en dat zich ontwikkelt tot daden van het geloof. Ik denk hier vooral aan de manier, waarop Alexander Comrie hierover heeft geschreven in zijn Catechismusverklaring (Zondag 7).

Bij Kohlbrugge vinden wij van deze wijsgerig gekleurde, anthropocentrische benadering (benadering, waarbij de mens centraal staat) niets. Bij hem is het alles veel meer theocentrisch en christocentrisch (zó, dat God en Christus in het middelpunt staan). Bij Kohlbrugge is de genade de genadige gezindheid Gods in Christus en het staan van de mens in deze relatie coram. Deo (voor het aangezicht Gods). Daarom krijgt bij Kohlbrugge de rechtvaardiging een méér centrale plaats dan de wedergeboorte, terwijl dit in de Nadere Reformatie precies andersom is. Hiermee houdt verband, wat Kohlbrugge geleerd heeft over het beeld Gods. Maar vooral moeten wij dit zien in het licht van een teruggrijpen van Kohlbrugge op de prediking van de reformatoren, waarin tegenover Rome en de scholastieke theologie, die de genade als een gratia infusa, een ingestorte genade, beschouwden, de genade als de favor Dei, de gunst Gods, is beleden in haar theocentrisohc en trlnitarische volheid en kracht (waarbij God, de Drieenige, in het middelpunt staat).

Daarom is het wel waar, dai Kolilbrugge de syllogismus (sluitrede; Heid Cat. vr. 86: ,,dat elk bij zichzelf van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zij") kent, zoals wij gezien hebben. Maar er is toch een opmerkelijk verschil met de wijze waarop deze syllogismus in de Nadere Reformatie is gehanteerd. De syllogism.us heeft in de Nadere Reformatie een anthropocentrisch karakter, terwijl zij bij Kohlbrugge een theocentrisch karakter draagt. Wij denken terug aan het voorbeeld, dat ik hiervan gaf. Kohlbrugge zegt van David, dat hij ervan verzekerd was, dat hij iets had. En wat had hij dan? En dan antwoordt Kohlbrugge: „Een God, die vergeving wil schenken, een Heer, wiens eigendom hij is". Ook in het bij zichzelf van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zijn staan God en Christus centraal.

Dit brengt ons tenslotte tot de gratia interna, de inwendige genade. Het is beslist onjuist en een Barthiaanse interpretatie (uitleg) van Kohlbrugge, wanneer men meent, dat Kohlbrugge deze gratia interna ontkent. Dat doet hij geenszins. Hij erkent deze juist volop. Maar wat deze gratia interna inhoudt, daarin ligt het grote verschil. In de Gereformeerde Orthodoxie is dit de habitus fidei (hebbelijkheid des geloofs) of het semen fidei (zaad des geloofs) of de wedergeboorte of hoe men dat ook noemt. Bij Kohlbrugge is het de Christus-zelf, die in onze harten woont door Zijn Heilige Geest.

Omdat de Nadere Reformatie hier sprak van een habitus en een semen ging zij ook spreken van een ontwikkeling van dit nieuwe leven. En die ontwikkeling werd steeds meer uitgewerkt in een weg met vele stadia, die, de één na de ander, moesten worden doorgemaakt. Bij Kohlbrugge is het Christus-zélf in en door de Heilige Geest-zélf, die in ons woont. Daarbij gaat het niet om een ontwikkeling langs een weg met vele stadia, maar om de radicaliteit van de werkelijkheid, dat men in Christus is, ja dan nee. Hier is geen sprake van weinig of veel, maar van alles of niets.

Daarom kent Kohlbrugge wél de vele gestalten van het geloof, maar hij kent niet de opeenvolgende stadia op een bekeringsweg, die in systeem gebracht kunnen worden en zó de voorgeschreven weg gaan vormen, waarlangs de christen moet gaan.

En dat geldt dan niet alleen de toeleidende weg tot Christus, maar dat geldt ook de weg der heiliging uit Christus. Het is bekend, dat Kohlbrugge, met name in zijn conflict met Da Costa en ten diepste met de hele godsdienstige wereld uit zijn dagen, een trapsgewijze heiligmaking heeft afgewezen. De vraag, of Kohlbrugge hier geheel in reformatorische geest heeft gedacht, laat ik buiten beschouwing. Ik wijs er alleen op, dat de diepste achtergrond hiervan ligt in Kohlbrugge's benadering van wat het wezen der genade is. Genade is, dat de mens met God, met Zijn Woord, met Christus-zelf, verbonden is door de Heilige Geest. Daar komt niets en niemand tussen. Daarom is Christus ook tot heiligmaking gegeven, tot een volkomen heiligmaking, en niet alleen tot rechtvaardigmaking. Omdat het om Christus-zelf gaat en om de gehele Christus, daarom kan er geen sprake zijn van een méér of minder. 198

Het kan voor ieder, die Kohlbrugge kent, duidelijk zijn, dat hij hiermee niets af heeft willen doen van de realiteit van het christelijk leven Maar wél heeft hij alle nadruk erop laten vallen, dat het nieuwe leven geen ogenblik op eigen benen kan staan, maar geheel en al gegeven is in Christus en in het geloof, dat met Henverbonden doet zijn.

Het blijkt, dat dit voor de practische uitwerking grote gevolgen heeft. Dat komt ook hier weer het duidelijkst naar voren, wanneer wij het vergelijken met de Nadere Reformatie. Daar wordt namelijk niet alleen de z.g. toeleidende weg, als de weg tot Christus, gereglementeerd in een aantal stadia en ervaringen, maar ook het christelijk leven in de heiligmaking ondergaat deze zelfde reglementering. Met als gevolg een wettisch gekleurd leven. Natuurlijk moeten wij dan weer bedenken, dat dit vele malen doorkruist wordt door een voluit evangelische benadering.

Tegelijkertijd is hiervan het gevolg, dat het geloofsleven een eigen terrein beslaat, zowel ir de innerlijke zielsbelevingen los van de dage lijkse levenspractijk, alsook in de naar buitei tredende eigen sfeer van heiligmaking, die even zeer zich richt op dingen, die doorgaans buitei het gewone dagelijkse leven staan. Hoe verde; wij komen in het Gereformeerd Piëtisme, des tt duidelijker tekent zich dat af. Het gaat om eei akosmische (van de wereld afgescheiden vroomheid, met een eigen code, zonder inhoudelijke relatie tot het aards-maatschappelijke, po litieke en culturele leven.

Nu wordt dit laatste ook vaak van Kohlbrug ge gezegd, dat hij apolitiek en acultureel is, enz Toch heeft het mij nu juist getroffen, hoezeei Kohlbrugge het leven met God plaatst midder in het concrete leven van alle dag. Hij doet dal niet maatschappij critisch of cultureel, maar hij doet het wél volop reëel en door-en-door gewoon, naar mijn smaak heel wat reëler en levensechter dan zij, die in onze dagen zo druk zijn met de maatschappijstructuren en de politiek en de volken uit andere werelddelen, maai ook veel reëler, levensechter en gewoner dai zij die de vroomheid beperken tot de godsdienstige sector van het leven inclusief een aanta als schibboleth (wachtwoord, Richteren 12 : 6' fungerende maar niet reële en uitwendige ge dragsregels. Dit reële gaat bij Kohlbrugge ge paard met een niet-wettische benadering vai de heiliging. Kohlbrugge heeft geen vaste codt ontworpen, die zich laat gelden als een wet me! vele geboden en verboden. Maar Kohlbrugge doet een beroep op het geweten, dat door he1 bloed van Christus is gereinigd en dat daarmee een antenne heeft ontvangen om de aanwezigheid van God te ontwaren, die niet in toorn maar in gunst op ons neerziet. Wie zó leeft, leeft niet wettisch, maar juist daardoor des te lauwer, omdat niemand minder dan God-zelf degene is, van wie zijn leven afhangt. Ik ben me bewust lang niet alles gezegd te lebben, wat over dit onderwerp gezegd zou <unnen worden. Om des tij ds wil heb ik in het aatste deel mij ook nagenoeg geheel ervan ontlouden, citaten van Kohlbrugge aan u door te ',even. Ik besef, dat dit een groot gemis is. Maar mders zou het te lang worden. Ik hoop althans ets in het midden gebracht te hebben, dat nutig is voor doordenking en bespreking^ en dat .og weer eens licht heeft doen vallen op de nan, aan wiens prediking wij door Gods genale zoveel te danken hebben.

Opmerkingvan de eindredacteur Terwille van die lezers, die hieraan behoefte ebben, heb ik van een aantal woorden, die under bekend zijn, tussen haakjes een verklaing gegeven. Deze woordverklaringen komen ;us niet voor rekening van prof. Graafland, aaar geheel voor mijn rekening. Wèl hoop ik, at de hooggeleerde referent, voor wiens uitvoeig en diepgaand referaat wij hem grote dankverchuldigd zijn, met mijn woordverklaringen ten olie accoord kan gaan. Graag beveel ik de "zing en herlezing van dit referaat in de bemgstelling van onze lezers zeer hartelijk aan.

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 december 1977

Kerkblaadje | 8 Pagina's

Kohlbrugge's prediking in het licht van de Nadere Reformatie

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 december 1977

Kerkblaadje | 8 Pagina's