Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Uit het leven van Kees van Steenwijk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het leven van Kees van Steenwijk

De ervaringen van een Leidse weesjongen

29 minuten leestijd

Geestelijke ervaringen wer den nogal eens op schrift gesteld. Men deed dat voor zichzelf, voor de kinderen, voor anderen. Soms met de bedoeling dat het geschrevene in boekvorm zou worden uitgegeven, maar dat behoorde tot de uitzonderingen. Veel waardevolle dingen zijn bewaard gebleven, maar wie zal zeggen hoeveel er op dit gebied verloren is gegaan? Hoeveel zal er in het oudpapier terechtgekomen zijn, omdat het nageslacht er geen enkele waarde in zag?

Het is verheugend dat hetgeen Cornelis van Steenwijk (1833-1895) geschreven heeft over de bemoeienissen die de Heere met hem gehouden heeft, bewaard is gebleven. De ‘geschiedenis’ van het geschrift is ook precies na te gaan. Een dochter van Cornelis van Steenwijk, Jacoba (1866-1957), trouwde met Martinus Hoogeveen. Hun dochter Maartje trouwde met Maarten Veldhuijzen. Toen Maartje Veldhuijzen-Hoogeveen in 1998 op de hoge leeftijd van 99 jaar overleed (zij woonde in Huize Winterdijk in Gouda), bevond zich in de nalatenschap het geschrift met de levensgeschiedenis van haar grootvader. Haar man had die in 1964 overgeschreven vanuit het origineel en aan alles is te zien dat hij dit op een zorgvuldige manier gedaan heeft. Het geschrift kwam vervolgens in het bezit van een neef, de heer W. Oudijn te Ede, die zo vriendelijk was het beschikbaar te stel-len voor publicatie in Oude Paden. Wij zijn de heer Oudijn hiervoor zeer erkentelijk.

Geboorte

Cornelis van Steenwijk werd geboren op 17 december 1833 in de Haarlemmerstraat ‘wijk 6, nr. 301’ te Leiden. Het huis dat nu dit nummer draagt, is gebouwd in 1910, dus in dat huis is Kees van Steenwijk niet geboren. De Haarlemmerstraat heeft een bijzonder kenmerk: het is de langste winkelstraat van Nederland. Zijn ouders waren Cornelis van Steenwijk en Maria van Luijn. Aan de zwierige handtekeningen onder de diverse akten is te zien dat vader Cornelis een man van ontwikkeling geweest is. Dat geldt ook voor grootvader Van Steenwijk, ook een Cornelis. Ook hij had een sierlijk handschrift. Dat was in die tijd een uitzondering: onder veel akten staan namen in een onbeholpen handschrift. Vaak werd zelfs vermeld dat de vader, de bruidegom, de bruid of de getuigen verklaarden niet te kunnen schrijven. Uit het huwelijk van Cornelis

Uit het huwelijk van Cornelis van Steenwijk en Maria van Luijn werden zes kinderen geboren. Cornelis (Kees) was de oudste. Een zoontje overleed toen hij nog maar acht maanden oud was. In de loop van de jaren verhuisde het gezin enkele keren, naar een ander huis in de Haarlemmerstraat en later heeft men ook in de Marestraat en aan de Oude Rijn gewoond.

Afscheid van vrouw en kinderen

Kees van Steenwijk begon zijn levensgeschiedenis met de volgende woorden: ‘Van mijn toestand moet ik zo zeggen: ‘Uw handelingen en uw geboorten zijn uit het land der Kanaänieten; uw vader was een Amoriet, en uw moeder een Hethietische (Ezechiël 16 vers 2). Mijn vader en moeder, broers en zusters met mij waren vervreemd van het leven Gods. We waren dus midden in de wereld en haar begeerlijkheden. Maar van achteren bezien zijn ’s Heeren wegen hoger dan onze wegen.’ Het verhaal van Kees begint in

Het verhaal van Kees begint in 1848, hij was toen veertien jaar. Het enige wat hij meedeelde over de tijd daarvóór, is dat hij ‘vele ambachten gehad had’ en dat ‘alles gedurig afgebroken werd door zonde en ongerechtigheden.’ Maar er ging veel veranderen in zijn leven, in natuurlijk opzicht maar ook in geestelijk opzicht. Op een avond moest hij een boodschap doen bij een kuiper in de Janvossensteeg. Hij had dorst en vroeg om drinken. Hij kreeg een kopje koffie. De vrouw vroeg hem of hij bij haar zou willen werken. Dat wilde hij wel. De volgende dag ging hij samen met zijn moeder ernaartoe om er verder over te spreken. Er was daar een man die vroeg: ‘Ben je al op de reis naar Sion?’ Daar begreep Kees niets van. Hij werd aangenomen en ging aan het werk. Korte tijd daarna kwam zijn vader zonder werk. Als goudsmidsknecht had hij altijd goed zijn brood verdiend, maar nu zat er niets anders op dan te gaan bedelen. Ongevoelig was Kees onder dit alles niet. ‘Er heerste om het zo te noemen een overtuiging in mij, bidden op mijn wijze en verzen zingen en zo meer.’ Heel ingrijpend was dat zijn va

Heel ingrijpend was dat zijn vader het besluit nam om dienst te nemen bij het Oost-Indië Leger. ‘Kolonialen’ werden die militairen genoemd. Vaak waren het mensen die geen kans zagen op een andere manier in hun levensonderhoud te voorzien. Er waren er ook die zo hun kans schoon zagen om op een legale manier de vlucht te nemen. Wie tekende, kreeg meteen een aardig handgeld uitbetaald. Helaas kwam het veel voor, dat het handgeld al voor een groot deel of zelfs helemaal verbrast was voordat men scheep ging naar Indië. Het werfdepot bevond zich in Harderwijk. Van daaruit vertrok men naar Indië. In Harderwijk keek men heel verschillend naar die kolonialen. Het overgrote deel van de bevolking moest niets hebben van de uitspattingen van veel kolonialen, voor anderen was het een bron van inkomsten.

Op een zondagmorgen nam vader Van Steenwijk afscheid van zijn vrouw en vijf kinderen. Het afscheid was des te beklemmender, omdat men ervan doordrongen was, dat dit wel eens een afscheid voor altijd kon betekenen. Het zou blijken dat dit ook het geval was: vader Van Steenwijk is nimmer teruggekeerd in het vaderland.

‘Daar zaten wij nu: moeder en vijf kinderen, zonder de Heere’, schreef Kees.

Kerk en catechisatie

De mensen bij wie Kees in dienst was, het echtpaar Usener, waren erg met hem begaan, niet alleen in materieel opzicht. In hun kuiperij aan de Janvossensteeg kwam de Ledeboeriaanse gemeente bijeen en iedere zondagmorgen werd Kees daar ook verwacht. Hij moest dan een vraag en antwoord van de Heidelbergse Catechismus opzeggen. Dat deed hij tot tevredenheid. Ook woonde hij de catechisaties bij die door ouderling Martinus Bulleman gegeven werden aan de hand van het vragenboekje van Jacobus Borstius.

De naam ‘Janvossensteeg’ wekt de indruk dat er sprake was van een achterafsteegje, maar dat is niet juist. In een jaarboek van de Historische vereniging werd zelfs vermeld dat deze straat in de negentiende eeuw een centrumfunctie had.

Zware slagen

In de negentiende eeuw werd ons land verschillende keren bezocht door cholera-epidemieën In totaal zijn er als gevolg van deze ziekte meer dan 67.000 mensen gestorven. Leiden behoorde tot de steden die het zwaarst getroffen werden. Zeven keer heeft de ziekte er gewoed en er vielen vijfduizend doden. In 1848/1849 was er opnieuw een choleraepidemie. In ons land zijn toen meer dan 23.000 mensen aan deze ziekte overleden. Ook in Leiden waren er veel slachtoffers. Het ziekenhuis was overvol en daarom werd de Lakenhal met spoed ingericht als ziekenhuis. Kees kreeg het benauwd en het

Kees kreeg het benauwd en het bracht hem tot bidden en bijbellezen. ‘Op mijn wijze’, schreef hij, en hij voegde eraan toe: ’Wat is het schepsel toch blind en vol eigenliefde en zelfvergenoeging.’

Ook Kees werd door de ziekte aangetast. ‘Doch de Heere handelde zacht met de jongeling. Ja, Hij deed nog niet naar mijn zonden en vergold nog niet naar mijn ongerechtigheden, hoewel dat toen voor mijn ogen verborgen was, maar uit overtuiging was er uit het benauwd en benepen hart een roepen om bekeerd te worden: Heere, bekeer mij.’ Kees mocht weer beter worden.

Kees mocht weer beter worden. Hij schreef: ‘Het behaagde de Heere mij spoedig te herstellen, door een gering middel dat de baas mij bracht, hetwelk de Heere zegende. Hem kwam er de eer voor toe, maar dit zag ik toen nog niet.’

Toen hij kort daarna tussen de middag naar huis ging om te eten, trof hij zijn moeder ernstig ziek aan, aangetast door de cholera. Vijf kinderen stonden daar bij het bed van hun bijna stervende moeder, die in grote benauwdheid uitriep: ‘O, had ik maar deel aan Jezus.’ Kees wist niets te zeggen. Hij moest erkennen zelf nog een vreemdeling van genade te zijn.

Dokter Van Praag liet haar naar het ziekenhuis brengen.

Twee dagen later werd Stephanus ziek, het negenjarige broertje van Kees. Op 1 augustus 1849 overleed hij en op dezelfde dag overleed ook moeder Van Steenwijk, op veertigjarige leeftijd. In zijn levensgeschiedenis schreef Kees: ‘Of de Heere haar nog genade heeft bewezen, dat is verborgen voor mij. Groot voorrecht als wij op een zaligmakende wijze onszelven leren veroordelen, die zal toch hiernamaals niet geoordeeld worden.’

Naar het weeshuis

Op maandag 6 augustus 1849 liepen een man en een vrouw en vier kinderen door de straten van Leiden. Ze waren op weg naar het Hervormd Weeshuis. Karel, het jongste kind – hij was nog maar drie jaar – zal amper beseft hebben wat er was gebeurd en wat er nu gebeuren ging. Maria Bartha (zes jaar) zal wel wat meer begrepen hebben. Johanna Jacoba was twaalf en Kees was vijftien jaar oud. De kinderen werden naar het weeshuis gebracht door een oom en een tante, een broer en een zus van moeder Van Steenwijk.

Toen ze in het Weeshuis waren, werden ze voorgesteld aan de regenten en de regentessen. Door een schoolmeester werd vervolgens onderzocht of Kees kon lezen en schrijven. Omdat hij dit kon, hoefde hij verder geen onderwijs te ontvangen. Twee dagen later was hij weer in de kuiperij van baas Usener in de Janvossensteeg aan het werk. Op 22-jarige leeftijd zou Kees

Op 22-jarige leeftijd zou Kees het weeshuis weer mogen verlaten, bij leven en welzijn.

Bij leven … Een onderzoek heeft uitgewezen dat van de 720 jongens die gedurende de jaren 1775 tot 1812 in het weeshuis verbleven, er 158 zijn overleden. Het gaat in dat onderzoek wel over een periode eerder dan de tijd dat Kees van Steenwijk in het weeshuis verbleef, maar in de negentiende eeuw zal het niet beter geweest zijn. Misschien zijn er toen zelfs nog wel meer jongens overleden, want ook in het weeshuis zullen er veel slachtoffers gevallen zijn als gevolg van de cholera-epidemieën die toen gewoed hebben.

… en welzijn. Niet minder dan 163 jongens zijn in die periode weggelopen, 154 jongens zijn naar Indië of naar het leger vertrokken en 61 zijn wegens wangedrag uit het weeshuis gezet en dan waren er nog 10 die om andere redenen het weeshuis verlaten hebben. Slechts 174 van de 720 jongens verlieten op volwassen leeftijd het weeshuis.

Goddeloosheid en ijdelheid

In het weeshuis heerste een strak regime, maar dat hield niet in dat Kees een ingetogen leven ging leiden. Integendeel, met schaamte moest hij later belijden: ‘Gods dag ontheiligen, vloeken, liegen, alle goddeloosheid en ijdelheid was in toppunt mijn lust geworden.’ Aan Usener had hij een goede baas en ook diens vrouw had het beste met Kees voor. Maar zijn gedrag liet zó veel te wensen over, dat hij weggestuurd werd. De vader van het Weeshuis zei toen tegen Usener dat het gedrag van Kees misschien wel veroorzaakt werd door het feit dat hij ‘de band van het huis nog niet gewend’ was. Kees mocht toen terugkomen. Naar de zondagse bijeenkomsten ging Kees nu niet meer. Bidden? Nee, dat deed hij ook niet meer. ‘Dat werd voor mij gedaan naar de gewoonte van zulk een gesticht’, schreef Kees. Hij zal bedoeld hebben dat de vader of een van de opzichters van het weeshuis voorging in het gebed en dat hij daarom zelf niet meer hoefde te bidden.

Zijn baas waarschuwde hem regelmatig. Eens zei hij: ‘Kees, ik zou het maar eens wagen met de Heere Jezus.’

Op 6 april 1851 overleed baas Usener, op 43-jarige leeftijd. Dat was voor zijn vrouw en kinderen een grote slag. Moeder Usener moest nu alleen zorgen voor vier jonge kinderen. Zeven maanden na het overlijden van haar man werd nog een dochtertje geboren.

Vrouw Usener zette de zaak voort en dat ging gelukkig goed.

Betoverd

Inmiddels had Kees het plan opgevat om de kuiperij vaarwel te zeggen. Hij wilde matroos worden, samen met een van zijn kameraden. Door het lezen van ‘de zo verderfelijke romans aangaande de zeeën en landen en wat dies meer zij was de grootste prikkeling ontstaan’, zo schreef hij. ‘Voornamelijk die van Zimmermann: De zee, hare bewoners en wonderen, daar werd ik als door betoverd.’

Maar als hij niet goedgekeurd zou worden, zou hij dan weer terug mogen komen? Als dat niet zo was, zou hij een jaar lang in het Weeshuis zelf te werk gesteld worden, en dat betekende hárd werken. Zelfs zou hij dan het weeshuis niet mogen verlaten, behalve voor de kerkgang. Hij zou moeten rondlopen met een ‘T’ op zijn kleding: de T van thuisblijven. Nee, vrouw Usener wilde hem

Nee, vrouw Usener wilde hem niet terugnemen als hij afgekeurd werd. Ze vroeg: ‘Heb je de kosten al overrekend?’ De kosten overrekend? Dat begreep Kees niet. ‘Ik heb geen kosten te overrekenen’, was het antwoord.

Uiteindelijk is Kees geen ma-troos geworden. Hij moest toestemming aan de regenten vragen om het weeshuis te mogen verlaten, en dat durfde hij niet. ‘Mijn hart was zo bezet met bezwaren, dat ik er niet toe kon komen, niettegenstaande ik van velen en voornamelijk van mijn kameraad uitgelachen werd.’ En hij voegde er de woorden van Jeremia 10 vers 23 bij: ‘Het is niet bij een man die wandelt, dat hij zijn gang richte.’

Een wonder De bazin van Kees was in contact

De bazin van Kees was in contact gekomen met een zekere vrouw Galjaard, een oude vrouw die zonder huisvesting gekomen was. Vrouw Usener nam haar in haar huis op. Deze vrouw kwam eens thuis met een bundel traktaatjes bij zich. De titel was: Samenspraak tussen christen, dood, graf en hel. Of Kees er een wilde kopen. Dat wilde hij wel.

Het lezen maakte diepe indruk. Kees kreeg er een diep besef van wat dood en eeuwigheid was. Hij moest met de psalmist uitroepen: ‘De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen.’ In grote benauwdheid ging hij zijn weg. Vrouw Usener zag en merkte het. ‘Wat scheelt er toch aan? vroeg ze. ‘Het is of er een pak om en op m’n hart ligt’, was het antwoord.

Dit alles gebeurde half december 1852, Kees was toen negentien jaar. Met angst en beven zag hij de oudejaarsavond tegemoet. Onderling hadden de jongens geld gespaard om jenever te kopen en rond de jaarwisseling zouden ze die opdrinken. Ook Kees had er geld voor gegeven, maar zijn hoofd stond er helemaal niet meer naar. Hij wachtte zo lang mogelijk met naar het weeshuis te gaan, pas om tien uur kwam hij daar. Hij werd opgewacht door zijn kameraden. Kees vertelde dat hij weigerde mee te doen. Er werd een scherpe pijl op hem afgeschoten: een van de jongens zei: ‘Als je zo blijft, moet je altijd zo’n naar leven leiden.’ Ondertussen was er bij Kees een

Ondertussen was er bij Kees een roepen en zuchten en hij kreeg onmiddellijk antwoord: ‘Doe dat en gij zult leven.’ Kees had geen enkele behoefte meer om mee te doen. Daar stond hij bij zijn krib, als een eenling tussen wel honderd jongens. Toen gebeurde er iets wonderlijks. Even voor twaalf uur, toen het spektakel op het hevigst was, verscheen ineens de weesvader. ‘Weten jullie wel dat jullie allemaal voor twaalf uur in de verdoemenis kunnen zijn?’ Het waren woorden die niet gesproken werden omdat hij bekommerd was om het zielenheil van de jongens, later zou wel blijken dat hij niets moest hebben van ware godsvreze. Maar het gevolg was wel dat de jongens, klein en groot, zo snel mogelijk hun bed opzochten. En Kees zag er een gebedsverhoring in. Hij schreef: ‘Ik geloofde op dat ogenblik dat het alleen om mijnentwil mocht zijn en de Heere kreeg er de eer van. Ja, ik dacht bij mijzelf: als de jongens het wisten, verscheurden zij mij.’ De volgende morgen vertelde hij aan vrouw Usener dat de Heere een wonder had gedaan.

Aanhoudend roepen

Het bleef voor Kees benauwd. Hij schreef: ‘Mijn toestand bleef hetzelfde. Het gewicht der eeuwigheid, een roepen om genade en geen recht te hebben en het billijken van Gods rechtvaardigheid. Het was: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. Ik had in deze toestand te doen met een rechtvaardig God. Ja, en geen uitzicht op die dierbare weg der verlossing.’ Kees ging dan wel de straat op en daar liep hij te zuchten en te roepen om genade. Als hij dan weer in het weeshuis kwam, was daar dan weer de ijdelheid en het vloeken. ‘Dat was een priem in mijn gewonde ziel.’

Toen hij op een avond na zijn werk naar huis wilde gaan en de deur op slot deed, daalde met kracht in zijn ziel: ‘Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.’ Hij ging weer naar binnen en in een hoek van de winkel, achter de tonnen, boog hij zijn knieën. ‘Heere, bekeer mij, dan zal ik bekeerd zijn, Heere, ontferm U over mij’, was zijn gebed. ‘O Heere’, riep hij uit, ‘als ik U niet heb, moet ik voor eeuwig omkomen.’

Kees begon nu de oudvaders te lezen. In een preek van Theodorus van der Groe over de blinde Bartimeüs las hij over het aanhoudend roepen om ontferming. Daarin zag hij ook zijn eigen toestand verklaard.

Afgescheidenen en Ledeboerianen

In Leiden was in 1836 een Afgescheiden gemeente ontstaan. Zij kwam sinds 1840 bijeen in een kerkgebouw aan de Oude Vest; later betrok men een kerkgebouw aan de Hooigracht. Deze gemeente was de zogenoemde ‘Gelderse richting’ toegedaan. De opvattingen van deze richting over de leer en de kerkorde strookten niet met de opvattingen van het merendeel van de Afgescheidenen en hier en daar ontstonden scheuringen. In Leiden scheidde zich in 1848 een aantal leden van de gemeente Oude Vest af. Men ging kerken in een gebouw dat eigendom was van Johannes Dee, dat zich bevond aan de Vliet. Kees heeft het in zijn levensbeschrijving over de Koepoortsgracht (nu heet het Doezastraat). ‘De koepel’ werd het genoemd; daarbij moet gedacht worden aan een klein gebouwtje met een koepelvormig dak. Deze gemeente, die ruim honderd leden telde, nam in 1854 een kerkgebouw aan de Herengracht in gebruik. In deze gemeente gingen bevindelijke predikers voor.

Zoals al eerder gezegd, kwam de Ledeboeriaanse gemeente in de kuiperij in de Janvossensteeg samen, maar in begin 1852 voelde vrouw Usener zich in die gemeente niet meer thuis. Ze meldde zich bij de kerkenraad van de Christelijk Afgescheiden Gemeente die in de koepel bijeenkwam, met het verzoek haar als lid te willen inschrijven. Reden dat ze de Ledeboeriaanse gemeente wilde verlaten, was onder meer dat ze bezwaren had tegen de ouderlingen en zelfs bracht ze naar voren dat er in de gemeente ‘een dode vorm’ was, ‘waarin het leven gemist wordt’. De kerkenraad gaf haar echter te kennen dat hij geen vrijheid had om haar op deze gronden als lid aan te nemen. De classis sprak later uit dat er geen beletselen waren voor haar lidmaatschap.

Over het geestelijk klimaat in deze gemeente lezen we meer in de levensgeschiedenis van Daniël Johannes Parmentier. Hij heeft het in zijn boek over ‘het koepeltje op de rewine’. Vijf bladzijden verder schrijft hij het wél goed: ‘… en zag klaar dat ik in den koepel in de Ruïne moest zijn.’ ‘Ruïne’, dat verwijst naar de gevolgen van de buskruitramp van 1807. Een schip dat bijna achttienduizend kilo kruit aan boord had, was toen ontploft. Er waren 151 doden te betreuren en 220 woningen werden compleet verwoest of onbewoonbaar verklaard. De gevolgen van de ramp waren nog lange tijd zichtbaar. Waar de Ledeboeriaanse gemeente is gaan kerken nadat vrouw Usener haar verlaten had, is niet bekend. Waarschijnlijk is zij opgegaan in de Kruisgemeente, die ds. C. van den Oever uit Rotterdam gesticht had. Deze kocht in 1862 een pand aan de Nieuwe Rijn en richtte dat in als kerk. Hij ontving in juli van datzelfde jaar ook een beroep van de gemeente Leiden, maar hij bedankte. Van 1869 tot 1888 was ds. P. Los Gzn. daar predikant. Van de predikanten die de gemeente later gediend hebben, noemen we ds. G. van Reenen (1904-1912). Tijdens de ambtsbediening van ds. R. Boogaard werd het kerkgebouw aan de Nieuwe Rijn verlaten. In Leiderdorp nam men een fraai, karakteristiek kerkgebouw in gebruik. Dat was in 1989.

Hij was het, Die mijn heil bewerkte

Eén kerkdienst in de koepel werd voor Kees van Steenwijk onvergetelijk. Hij hoorde ds. S.O. Los uit Rotterdam preken over Amos 3 vers 3: ‘Zullen twee tezamen wandelen, tenzij dat zij bijeen-gekomen zijn?’ Kees schreef het volgende: ’Wat stond ik verbaasd en verwonderd! Die leraar ging daar verklaren hoe de mens met de nek naar de Heere staat gekeerd en met het aangezicht naar de wereld, doch dat niet alleen, maar ook wat er nu gebeuren moest en op welk een wijze de Heere dat aangezicht omzet, hoe Hij de zondaar Zijn heilig recht doet billijken. Wat zonk dat in mijn ziel, ja, het was mij zo wonderlijk, het was of hij alles wist en of hem verteld was wat in mijn ziel was omgegaan.’

‘Tot eer van de Heere moet ik zeggen dat daar in die koepel menige dierbare zegen door mij gesmaakt is. Ik kan er niet anders van zeggen dan dat ik veel zaligheid onder die waarheid, die naar de godzaligheid is, heb genoten uit de mond van Zijn dienaren, door de bediening van de Heilige Geest, Die toch de ziel in al de waarheid moet leiden’, zo schreef hij. Eens hoorde hij een preek van ds. H. Joffers over Ezechiël 47 vers 3 t/m 5. Het gaat in die verzen over de wateren uit het heiligdom. De man met het meetsnoer mat tot waar het water gekomen was. Eerst tot de enkelen, toen tot de lendenen en later tot waar men zwemmen moest omdat men er niet kon staan. Nee, een grote christen was Kees van Steenwijk niet, maar hij zei over zichzelf: ‘Als ik mij niet bedrieg, zijn zij tot de enkelen gekomen.’

Het lezen van de geschriften van oude schrijvers werd zijn lust en zijn leven. Dat lezen deed hij niet in het weeshuis, maar ergens buiten. Zo laat mogelijk ging hij dan terug naar het weeshuis. Op een keer was het al tien uur voordat hij thuiskwam. Tien uur, dan zou hij al thuis geweest moeten zijn, want op dat tijdstip gingen de slaapzaaldeuren op slot.‘ Waarom ben je zo laat’, vroeg de weesvader. Kees antwoordde dat hij had zitten lezen. ‘In welke boeken?’ ‘In Brakel en Van der Groe’. Meteen kreeg hij twee klappen met een bezem, waarna de weesvader zei: ‘Dat is uit de oude doos’.

Eens kreeg hij Der vromen ondervinding op den weg naar den hemel van Lambertus Myseras in handen. Hij las over de kenmerken van ware genade. Hij schreef erover: ‘O, daar mocht ik mij door des Heeren goedheid bij die kenmerken vinden, die de Heere door Zijn Geest Zijn volk leert en dat mocht zodanig aan mijn ziel geheiligd worden in die ogenblikken, dat ik wegzonk. David kwam mij voor, huppelende voor de ark, en mijn ziel en lichaam huppelden ook door het vertrek met deze uitroep: O God, wat een genade aan een doemschuldige zondaar die nooit naar U heeft gevraagd noch gezocht heeft.’

Eens was Kees nog maar net aan het werk gegaan toen hij Psalm 118 vers 7 zong: ‘De Heer’ is mij tot hulp en sterkte.’ Hij schreef erover: ‘En toen ik aan dat regeltje kwam: “Hij was het, Die mijn heil bewerkte’, o dat zalige en aangename dat ik daar mocht ondervinden in de geloofsovertuiging dat de Heere het alleen was Die dat heil aan mij bewerkt had. O, die liefdesuitgangen tot Hem, Die in de hemel woont. En daar kwam nog bij een zalige gemeenschap der heiligen. Het is mij niet mogelijk meer te schrijven over wat ik gevoelde in mijn ziel!’

Uw eer alleen

In het weeshuis viel het niet mee voor Kees. Vaak werd hij uitgescholden: ‘Nieuwlichter, fijne nieuwlichter.’ Oudere wezen hadden wat meer vrijheid dan jonge kinderen. Op zondagmorgen waren ze verplicht de kerkdienst in de Hooglandse Kerk of een andere Hervormde kerk bij te wonen, maar daarna mochten ze gaan wandelen of hun familie bezoeken. Maar dat Kees dan ’s middags naar de koepel ging, om daar naar een preek van een Afgescheiden predikant te gaan luisteren, werd hem erg kwalijk genomen. Op de terugweg naar het weeshuis was hij dan bang dat de weesvader hem zou opwachten met de berlijn, dat was een lang eind touw omwoeld met leer. Ook was hij bang dat de jongens hem wat zouden doen. Dan liep Kees te bidden: ’O Heere, leg toch beslag op de monden en harten.’ Het is wel gebeurd dat hij op bed lag na te denken over hetgeen hij in de kerk gehoord had en dat hij zo zalig gesteld was, en ook zo blij was dat hij zonder moeilijkheden was thuisgekomen, dat hij niet uit bed durfde komen. Hij was bang dat de jongens de blijheid op zijn gezicht zouden zien en dan weer zouden beginnen te schelden.

Een goede plek in de kerk was voor de weeskinderen niet weggelegd. Vaak zaten ze op een plek waar ze de predikant niet best konden horen. In de Hooglandse Kerk zaten ze bijvoorbeeld op de galerij. De dominee was daar bijna niet te verstaan. Dat vond Kees niet erg. Van een vriend had hij enkele preken van Smytegelt over de gelijkenis van de rijke man en Lazarus gekregen, en die zat hij daar op de galerij te lezen.

Wekelijks kregen de wezen les van een godsdienstonderwijzer (Kees noemde hem ‘Catechismusleeraar’). Kees hoorde hem eens zeggen dat God de zonde niet zou straffen die Adam gedaan had. Dat leerden alleen de roomsen en de Afgescheidenen. Kees was diep verontwaardigd en liet zich in geen vijf of zes weken op de catechisatie zien. Het verwekte opspraak en toen hij op een maandagmorgen aan het werk was, kreeg hij de boodschap dat hij diezelfde middag zich moest komen verantwoorden bij de weesvader. Voordat hij naar het weeshuis ging, boog hij zijn knieën en vroeg hij de Heere om hulp en bijstand.

Een spervuur van vragen werd op Kees afgevuurd. ‘Waarom ga je niet meer naar de catechisatie?’ ‘Wat heb je aan te merken op de dominees?’ ‘Waarom houd je je afzijdig van de andere jongens?’ Kees gaf beleefd maar ook beslist antwoord op die vragen. Wat die catechiseermeester zei, was tegen de Schrift. En dat gold ook van de predikanten. Wat ze zeiden, kon hij niet goed verstaan, maar al zou hij het wel kunnen horen, dan wilde hij het niet horen. ‘Als ik naar de kerk ga, neem ik een preek van een oude schrijver mee, en lees voor mijzelf een preek.’ ‘Toen werd de man zeer boos’, schreef Kees. ‘Hij zei tegen mij: “Dat zijn allemaal oude boeken van hel en verdoemenis.’ Het antwoord van Kees was: ‘Vader, wat ze zeggen, dat zijn de hoofdzaken.’ En verder, dat hij zich van de jongens afzijdig hield, kwam omdat ze zo vreselijk vloekten.

Kennelijk wist de vader niet wat hij verder met Kees aan moest, want hij droeg de afhandeling over aan de regenten. Opnieuw moest Kees zich verantwoorden. Hij schreef: ‘De Heere liet Zich hier niet onbetuigd, ik mocht met volle vrijmoedigheid Zijn waarheid verdedigen.’ Bepaald vriendelijk werd Kees niet behandeld. Een van de regenten zei: ‘Je bent zot, je hebt het in de kop, wij zullen je in het kolhuis douwen.’ Het kolhuis, dat was een donker, vochtig vertrek, waarin de wezen werden opgesloten die zich ernstig misdragen hadden. Uiteindelijk werd Kees gestraft met huisarrest: zes zondagen mocht hij het weeshuis niet verlaten.

De zaak kreeg nog een onverwacht verloop. De volgende morgen werd het brood gedeeld en daar kwam de vader binnen. ‘De heren regenten hebben tot hun leedwezen gehoord dat er hier zo verschrikkelijk gevloekt wordt’, zei hij. En hij vervolgde: ‘Wie de Naam des Heeren ijdellijk gebruikt, zal niet onschuldig gehouden worden.’

Alle ogen waren op Kees gericht. Dat heeft die nieuwlichter gedaan, die heeft dat tegen de regenten gezegd! Toen hij na zijn werk in het weeshuis kwam, zag hij groepjes jongens staan en ook zag hij de godsdienstonderwijzer met de weesvader staan praten.

Kees had het niet gemakkelijk, maar in zijn hart leefde het: ‘Heere, al wierpen ze me ook over de poort, als het maar om Uw Naam en zaak mag zijn, Uw eer alleen.’ ‘‘s Avonds mocht ik er wat van ondervinden’, tekende Kees op in zijn levensgeschiedenis.

Slagen om Zijn Naam en zaak

Die avond had de opzichter van de zaal waar Kees sliep net het gebed gedaan. Kees stond voor zijn bed toen er enkele jongens op hem af kwamen. ‘Wat heb jij gezegd tegen de regenten? Dat wij zo vloeken?’ Bedeesd zei Kees: ‘Is dat dan niet zo?’ Een van de jongens dreigde dat hij er op los zou slaan. Kees antwoordde dat ze maar doen moesten wat ze wilden. ‘Zo zijn al die nieuwlichters’, zei iemand anders, ‘als je ze op de ene wang slaat, keren ze je de andere toe.’ ‘Dat is de les van de Heere Jezus’, zei Kees. ‘Sla er maar op’ zei een jongen. ‘En toen’, schreef Kees, ‘werd ik door de Heere verwaardigd niet alleen huisarrest, smaad en schelden, maar ook slagen om Zijn Naam en zaak te mogen verdragen onder de luide toejuichingen van ruim honderdvijftig jongens. Maar o, de Heere daalde met deze woorden in mijn ziel: “Wreekt uzelven niet, beminde. O, dat dierbare wat ik daar mocht ondervinden. Het was daar: “Bidt voor degenen die u geweld aandoen.” Ik riep maar: “Heere, bekeer en verander hen.” Dit was dinsdagsavonds.’

Die week viel er verder niets bijzonders voor, het bleef bij schelden.

De zondag brak aan, de eerste zondag dat Kees huisarrest had. Met innerlijk genoegen las Kees twee preken van Wilhelmus van Eenhoorn over Zacharia 10 vers 5. ‘Al had de poort van het huis wijd opengestaan, dan had ik toch niet de minste begeerte om eruit te gaan’, schreef hij. Met de portier sprak hij over de dingen van dood en eeuwigheid en over wat nodig is gekend te worden, wil het wél zijn voor de eeuwigheid. Dat viel bij die portier niet verkeerd, Kees kreeg zelfs een kopje koffie van hem. ‘Het zijn voor de natuur kleine dingen’, schreef Kees, ‘maar ach, ik mocht er ’s Heeren hand zo in zien.’ Toen hij ’s middags weer zat te lezen, kwam de schoolonderwijzer naar hem toe. ‘Mag je er niet uit?’ ‘Nee, meester.’ ‘Vraag het aan de vader.’ Maar dat wilde Kees niet. ‘Dan ga ik het vragen’, zei de meester. Hij kwam terug met de mededeling dat Kees bij de vader moest komen. ‘Nee’, zei de vader, ‘de regenten hebben je die straf gegeven, en die ga ik niet veranderen. Maar nog wat, ik heb gehoord dat je geen gezangen zingt. Is dat zo?’ Kees gaf als antwoord dat hij ze niet allemaal meezong, waarop de weesvader over zijn vader vertelde dat die met een gezang op zijn sterfbed gelegen had. Kees ging er niet op in: ‘Ik liet dat alles dáár.’ Toen kwam er een verrassing: ‘Nu, je kunt weggaan tot acht uur.’

Kees spoedde zich naar de kuiperij in de Janvossensteeg. ‘En zie, daar zaten veel van ’s Heeren volk. Het was een wonder voor hen en mij, zo onverwacht. Daarop zongen wij een versje, namelijk Psalm 35 vers 1.’

Hij hoorde dat ds. J. de Koning die avond in de koepel zou preken en dat men daarheen wilde gaan. Kees ging mee en hoorde een preek over de woorden: ‘Vreest niet, gij klein kuddeken, want het is uws Vaders welbehagen u het Koninkrijk te geven’. ‘Zie, daar ging hij verklaren wat dat kuddeke was, en hoe zij door de wereld heengaan en wat zij daar te verduren hebben. Het was mij goed daar te zijn en ik werd versterkt in mijn weg.’ Hiermee beëindigde Kees van Steenwijk zijn levensgeschiedenis. Nee, toch niet, hij voegde er nog één woord aan toe: Hallelujah.

Verdere levensloop

Wat Kees van Steenwijk over zijn leven geschreven heeft, bestrijkt ongeveer vijf jaar, van 1848 tot 1853, van zijn veertiende tot ongeveer zijn negentiende jaar.

Heeft hij nog meer over zijn leven geschreven? Was het schrift vol en is hij in een ander schrift verdergegaan? We weten het niet. Wat we verder nog kunnen achterhalen, zijn namen en data en adressen. Het zou ál te opsommerig worden om al die gegevens weer te geven, daarom vermelden we slechts enkele dingen. Cornelis trouwde op 29 juni 1859 met de 29-jarige Johanna van Meurs. Kees was toen 25 jaar oud. Uit het huwelijk zijn acht kinderen geboren, van wie er drie op jonge leeftijd zijn overleden. Bij zijn trouwen woonde Kees van Steenwijk in een huis in de Clarensteeg en in datzelfde huis (nummer 4) is hij ook overleden. Het huis is er niet meer, het werd in 1900 afgebroken en op dezelfde plaats werd een ander huis gebouwd.

Op 13 juni 1895 is Cornelis van Steenwijk op 61-jarige leeftijd overleden. Zijn vrouw was toen al overleden, op 30 januari 1887. Ze was toen 56 jaar.

Hallelujah!

Cornelis van Steenwijk besloot zijn levensbeschrijving met: Hallelujah! Een mooi, Bijbels woord. Maar ‘Hallelujah’ wordt tegenwoordig nogal eens geassocieerd met het juichend christendom. Daarom durft menigeen het woord niet op de lippen te nemen.

‘Hallelujah’, dat is het laatste woord geweest dat ds. L.G.C. Ledeboer gesproken heeft: Amen, Hallelujah. Wie het ook vrijmoedig - en zeker niet lichtvaardig - gebruikte, was de oude ds. P. Honkoop uit Yerseke. Hij beëindigde eens zijn preek ermee: Hallelujah! Amen. Er kwam commentaar. Een week later klonk van de kansel: “Hallelujah! Hallelujah! Já: Hállelújah! Amen”.

Literatuur

• Cornelis van Steenwijk, Levensbeschrijving (handschrift).

Levensgeschiedenis en wonderlijke leiding van God, gehouden met den heer Daniël Johannes Parmentier, eertijds fabrikant, overleden den 20sten februari 1901 te Katwijk aan Zee, z.p. z.j.

• J. de Lange, De Afscheiding te Leiden historisch geschetst, Rotterdam 1934.

• P.C.N. Baesjou, A.C. Branderhorst e.a., Leiden 1860-1960, Leiden 1962.

• D.E.H. de Boer e.a. (red.), Hutspot, haring en wittebrood. Tien eeuwen Leiden en de Leienaars, Leiden/Zwolle 1981/1982.

• H.A. Diederiks e.a. (red.), Armoede en sociale spanning. Sociaal-historische studies over Leiden in de achttiende eeuw, Hilversum 1985.

• C. Smits, De Afscheiding van 1834. zevende deel: Classes Rotterdam en Leiden, Dordrecht 1986.

• Ingrid W.L. Moerman en R.J.C. van Manen (red.), Leiden in gaslicht. Een stad in verandering 1800-1900, Utrecht 1989.

• G.P.M. Pot, Arm Leiden. Levensstandaard, bedeling en bedeelden, 1750-1854, Hilversum 1994. • M.P. Dusseldorp-Kingma, Het moeilijke le

• M.P. Dusseldorp-Kingma, Het moeilijke leven. Het leven van de Hervormde Leidse wezen in de periode 1775-1812, doctoraalscriptie Geschiedenis, Rijksuniversiteit Leiden 1996.

Dit artikel werd u aangeboden door: Oude Paden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 2016

Oude Paden | 48 Pagina's

Uit het leven van Kees van Steenwijk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 2016

Oude Paden | 48 Pagina's