‘Het is goed wat de Heere doet’
Kaatje van der Wekken en haar vrienden
Zo heel veel is er niet bekend over Kaatje van der Wekken. Kapitein Pieter ’t Hart, een van haar vrienden, heeft wat over haar verteld in een boekje dat in 1889 verschenen is. In het boekje zijn ook een aantal brieven opgenomen, maar dan gaat het om een betrekkelijk kleine periode (1874 tot 1885). Een uitgebreide levensgeschiedenis kan dus niet worden weergegeven. Toch zijn er bij nader onderzoek voldoende gegevens naar voren gekomen voor het schrijven van een levensschets. In dit artikel wordt ook aandacht gegeven aan haar vrienden, kapitein P. ’t Hart, ds. P. van Dijke en Matthijs en Toontje Poirot. Van de eerstgenoemde is wat bekend, van ds. Van Dijke veel en van het echtpaar Poirot niet zo heel veel.
Kaatje van Dongen (ze werd in de registers ingeschreven onder de naam Van Donge) werd op 18 maart 1813 geboren in Noordgouwe, een dorpje op het eiland Schouwen. Haar ouders waren Anthony van Dongen en Huberina Landegent. Hun voornamen worden in de diverse akten in veel verschillende varianten vermeld. ‘Antonis’ en ‘Hubrina’ werden later de namen die velen van het nageslacht zouden dragen.
Als beroep van de vader werd genoemd: garde côte, kustwacht. Hij diende als zodanig bij de 121 e compagnie van het Franse leger. In de huwelijksakte werd overigens vermeld dat hij ook kanonnier was. Veel jongemannen werden in die tijd gedwongen om dienst te nemen in het Franse leger, en ook Leendert van Dongen is daar niet aan ontkomen.
Catharina is wat je zou kunnen noemen een internationale naam, maar Kaatje (daarvan afgeleid) is toch wel exclusief Nederlands. Het doet daarom wel wat vreemd aan in een geboorteakte te lezen: ‘… à la quelle il a declaré de vouloir donner le prenom Kaatje’ – aan wie hij verklaarde de voornaam Kaatje te willen geven. Maar het was in de tijd van de Franse overheersing, en toen Napoleon in 1810 het Koninkrijk Holland had ingelijfd bij zijn keizerrijk, werden de Franse wetten ook in ons land van kracht. Zelfs de geboorteakten moesten voortaan in de Franse taal worden opgesteld.
Jeugdjaren en huwelijk
Kaatje heeft niet lang in Noordgouwe gewoond. Al spoedig verhuisde het gezin naar Brouwershaven. In maart 1814 kreeg Kaatje een zusje, maar dat heeft maar drie maanden geleefd. Anderhalf kwam een jongetje levenloos ter wereld en in 1817 ontvingen vader en moeder Van Donge opnieuw een dochtertje.
Op 19 december 1820 kwam er opnieuw verdriet toen moeder van Dongen overleed; ze was nog maar 33 jaar oud.
In 1824 hertrouwde Antonis van Dongen met Johanna Hermanse. Zij is na het overlijden van haar man bij haar stiefdochter Kaatje in Kerkwerve gaan wonen en daar is ze in 1872 overleden.
Op 21 november 1834 trouwde Kaatje van Dongen in Kerkwerve met de in dat dorp geboren en getogen 29-jarige Leendert van der Wekken. Volgens de huwelijksakte was de bruid dienstbode en de bruidegom arbeider. Hij was afkomstig uit een boerengeslacht en in 1838 was hij in staat om zelf een boerderij te kopen. Die was gelegen aan de Verseputseweg in Kerkwerve. Het was vroeger waarschijnlijk een zogenoemde stolpboerderij, waarvan er op Schouwen-Duiveland meer dan vijftig geweest zijn, maar de laatste werd in 1956 gesloopt. Een stolpboerderij was gekoppeld aan de veehouderij. Stallen, hooiopslag, dorsvloer en woonhuis kwamen onder het ene piramidevormige dak samen. Na het overlijden van Kaatje van der Wekken is de boerderij aan de Verseputseweg grondig verbouwd. Het woongedeelte is blijven bestaan, maar verder is er veel veranderd. ‘Mariahoeve’ heet de boerderij nu. Nog steeds woont er iemand die Van der Wekken heet.
Twaalf kinderen heeft het echtpaar Van der Wekken-van Dongen ontvangen. Vijf van hen zijn op jonge leeftijd overleden; een zoon is overleden toen hij 21 jaar oud was.
Dood en leven
Het gezin Van der Wekken behoorde tot de Nederlandse Hervormde Kerk. In 1849 sloot Kaatje van der Wekken zich aan bij de Christelijk Afgescheiden Gemeente in Zierikzee. Drie jaar later werd haar man Leendert er ook lid. Spoedig volgden nog andere families uit Kerkwerve. In Zierikzee was in 1841 een Christelijk Afgescheiden Gemeen te ontstaan. In 1852 kwam de eerste predikant, ds. A.F. Kok.
Hij diende de gemeente tot 1860. Op 4 april 1863 overleed Leendert van der Wekken op de leeftijd van 58 jaar; zijn vrouw Kaatje was vijftig jaar oud toen ze als weduwe achterbleef. Op de boerderij was zij het toen die het de eerste tijd voor het zeggen had. Het was een flinke vrouw, die wist wat ze wilde.
Toen haar man overleed, waren al enkele kinderen de deur uit. Zoon Antonis had in Kerkwerve een eigen boerderij. Adriaan, de oudste zoon, is ongehuwd gebleven en is thuis blijven wonen. Johannes trouwde na enkele maanden en vertrok naar een boerderij in Duivendijk en Marinus bleef na zijn huwelijk met zijn vrouw Keetje bij de Vaate op de ouderlijke boerderij wonen. Zij kwamen later in het bezit van de boerderij.
Aan het eind van haar leven schreef Kaatje dat de Heere haar vanaf haar prilste jeugd had toegeroepen dat zij zich tot Hem zou wenden met al haar noden. Ze mocht toen zien dat Hij al die tijd haar niet had losgelaten. Maar de dood van haar man werd voor haar het leven voor haar ziel, zo werd het in de levensbeschrijving onder woorden gebracht. Zelf schreef ze hierover: ‘Het was mij een bijna onoverkomelijk verlies, maar de Heere ontnam mij het ene om mij het andere in de plaats te geven. Hij nam mijn man, die mij zo lief was, weg, maar Hij gaf Zichzelven in de plaats terug. Ik moet geloven dat de Heere Jezus toen mijn Man en Bruidegom is geworden. Dat mocht ik toen zo duidelijk geloven en ondervinden. De ruiling was dus niet kwaad, hoewel er mijn vlees niet mede instemde, en er gedurig nog tegen aandruist. Maar de Heere is, en blijft de Getrouwe, niettegenstaande onze ontrouw. (…) Ik heb nergens meer over te klagen dan over mijn eigen ontrouw en ongeloof. Dat houdt mij veeltijds laag aan de grond. Maar ook mag ik wel eens van vreugde opspringen in de God mijns heils. O. wat hebben de psalmen mij wel verkwikt, als het van rondomme zo duister was, en de zielenvijand zo zijn best deed, beliefde het de Heere wel eens juist door het zingen van een psalmvers ruimte te schenken. Psalm 68 vers 3 oude rijm is mij dikwijls tot troost geweest:
Verblijdt u in God met ootmoed.
Hij is der wezen Vader goed, En een Beschermer krachtig Der weduwen in billigheid; In den tempel vol heiligheid Heeft Hij Zijn woonst eendrachtig.
Hij is ‘t, Die de eenzamen geeft
Een huis dat vol van kind’ren leeft,
Na haar langwijlig wachten. De gevangenen Hij ontslaat, En verstrikt de boosdaders kwaad
Ja laat z’ in ’t land versmachten.
Door de woestijn naar Kanaän
Toen ze pas op de weg des levens was, dacht ze dat ze niet meer zoveel last zou hebben van de zonde. Nu was ze er, en ze zou spoedig naar de hemel gaan. Ze zou alleen maar zó leven als de Heere het wilde. Ze bezocht in die tijd een oude christin.
Ze stortte haar hart voor haar uit. ‘Meisjelief’, zei die vrouw, ‘denk nu niet dat je de strijd te boven bent, nu begint de strijd pas goed. Welkom in het strijdperk.’ Wat was Kaatje boos! Ze dacht: zelf is ze verachterd in de genade, en misschien heeft ze zelf niet meegemaakt wat ik heb mogen ondervinden en daarom zegt ze dat. Ze dacht het niet alleen, ze zei het ook tegen die vrouw. ‘Nee’, zei ze, ‘mijn Zielenvriend vergeten, Die mij heeft opgezocht uit mijn zondenwegen, dat is onmogelijk. De strijd is gestreden. Jezus heeft ook voor mij uitgeroepen: “Het is volbracht.” Op die volbrachte gerechtigheid hoop ik het nu te wagen. Ja, met de psalmist kan ik zeggen: “Ik zal gaan van deugd tot deugd, totdat ik in Sion al met vreugd, zal komen en daar den Heer’ aanschouwen.” Die oude christin begon te schreien en ze zei: ‘Ja, mijn kind, ik misgun je het voorrecht niet dat je te beurt gevallen is, en ik neem je goede voornemen ook niet kwalijk, maar je zult zien dat het niet altijd zo zal blijven. Denk maar aan wat de Heere gesproken heeft door een van Zijn profeten: “Ik zal haar lokken en zal haar voeren in de woestijn, en Ik zal naar haar hart spreken.” Denk daar maar veel aan, het is nu voor u de lokkenstijd, maar misschien kom je spoedig in de woestijn.’
Kaatje begreep de woorden van die vrouw niet, en ze geloofde ze ook niet. Maar daarna sprak de Heere: ‘Gij zult het na dezen verstaan.’ Later heeft ze er vaak aan moeten denken, toen wist ze het bij ondervinding: ja, de reis loopt door de woestijn naar Kanaän, het land der ruste.
Na het overlijden van haar man verlieten Kaatje van der Wekken en haar kinderen de gemeente in Zierikzee. Kaatje van der Wekken voelde zich meer aangetrokken tot de prediking van ds. Pieter van Dijke (1812-1883), predikant in Sint-Philipsland. Ds. Van Dijke was in 1851 door ds. L.G.C. Ledeboer tot predikant bevestigd, nadat hij tevoren al jarenlang oefenaar geweest was.
’s Middags geen dienst
In maart 1872 meerde kapitein Pieter ’t Hart zijn schip af in Brouwershaven. Het was de Ceres, een schoener, gebouwd in 1848. Het schip was zijn eigendom. Eerder had hij als kapitein op twee andere schepen gevaren, de hoeker François en de schoener Alida, maar die waren niet zijn eigendom, hij was op die schepen in loondienst werkzaam geweest.
Pieter ’t Hart was geboren op 13 juni 1830 in Pernis. In 1855 trouwde hij in Zwartewaal met Neeltje de Groot. In Zwartewaal werden ook hun drie kinderen geboren. Een zoontje is op jonge leeftijd overleden.
Pieter ’t Hart was achtereenvolgens visser, winkelier en in 1865 werd hij zeekapitein. Grote schepen waren het niet waarop hij voer. Het waren tweemasters met een lengte van circa twintig meter. De bemanning bestond uit ongeveer tien mensen. Hoewel het kleine schepen waren, trotseerde men er de wereldzeeën mee. Zeer veel van dergelijke schepen zijn echter vergaan, zo wijzen krantenberichten uit. Kapitein ’t Hart heeft driemaal schipbreuk geleden. In 1867 strandde de François en in 1870 zonk de Alida. In de beide gevallen kon de bemanning gered worden. Schipper French van de Olive Leaf, die de bemanning van de Alida gered heeft, heeft toen van koning Willem III een zilveren medaille ontvangen. ‘Voor mensch lievend hulpbetoon’ stond erop. En verder prijkte er een afbeelding van de koning op. In 1877 zou ook de Ceres vergaan. De bemanning werd opgepikt door een visser. Het verlaten wrak is toen op de Vlaamse Banken gestrand en uit elkaar geslagen.
Toen ’t Hart in Brouwershaven zijn lading had gelost, bleef hij daar nog enkele dagen op orders wachten. Toen het zondag werd, ging hij met zijn vrouw, de stuurman en de matrozen naar de kerk. Ze kwamen terecht in de Christelijke Gereformeerde Kerk, waar ze onder het gehoor zaten van ds. J.H. Wiersma, predikant van de Christelijke Gereformeerde Kerk in Zierikzee. Ds. Wiersma was een voortvarend man. In de drieënhalf jaar dat hij predikant in Zierikzee is geweest, heeft hij in de nabijheid van Zierikzee twee gemeenten gesticht: in Brouwerhaven en in Scharendijke.
Tot zijn verwondering hoorde ’t Hart dat er ’s middags in Brouwershaven geen dienst was. Alleen als er een dominee was, werd er een kerkdienst gehouden. Datzelfde gold ook voor Scharendijke. ’t Hart bracht een ouderling (hij woonde in Scharendijke) onder het oog dat dit niet goed was. Hij wees op de tent der samenkomst in Israël, waar de lampen altijd moesten branden en de deuren altijd moesten openstaan.
Die ouderling nam de woorden ter harte, en toen duidelijk werd dat de kapitein nog wat langer in Brouwershaven zou verblijven, vroeg hij of hij de komende zondag in Scharendijke zou willen voorgaan. ’t Hart had dat nog maar één keer gedaan, in Schotland, op verzoek van een presbyteriaanse dominee. Na de Heere gebeden te hebben om wijsheid en hulp, nam hij het voorstel aan. Het gerucht dat een zeekapitein in Scharendijke zou preken, verbreidde zich snel op Schouwen-Duiveland. ‘Op bijna alle dorpen was het in slechts enige dagen bekend geworden’, zo schreef de kapitein zelf.
Die dag werden er banden gelegd
Ook in Kerkwerve was het bericht gekomen dat een zeekapitein in Scharendijke zou voorgaan. Schoondochter Keetje vertelde het tegen haar schoonmoeder. Kaatje reageerde beslist afwijzend. Nee, ze zou er beslist niet naartoe gaan. Letterlijk zei ze: ‘Het zal die vent wel nergens anders om te doen zijn dan om de mensen te bedriegen.’ Trouwens, ze wist het maar al te goed hoe die zeelieden waren, ze had toch zelf in Brouwershaven gewoond? ‘Moeder, u moet ze toch niet allen over één kam scheren, er zal toch wel eens een enkele goede bij zijn’, zei Keetje. Maar haar schoonmoeder hield vol: ‘Ik ga er volstrekt niet naartoe.’ Ze voegde er nog aan toe dat ze gehoord had dat er de vorige zondag de hele dag een vrijmetselaarsvlag in de top van de mast had gewaaid.
Die zondag gingen haar kinderen naar Scharendijke en Kaatje zou naar een buurvrouw gaan. Uiteindelijk liet ze zich overhalen om toch maar mee te gaan. Ze zou dan daar bij een nichtje blijven. Maar toen ze in Scharendijke kwamen, stond het nichtje net gereed om óók naar de kerk te gaan. ‘Waar ga je heen?’ vroeg Kaatje. ‘Naar de kerk.’ ‘Laat jij je werkelijk ook bedriegen door die vent?’ ‘Dat zal hij zeker niet doen’, zei het nichtje en het lukte haar Kaatje mee te krijgen.
Het was erg druk bij de kerk. Het kostte moeite om binnen te komen. De kapitein probeerde tussen de mensen door te dringen, maar hij werd tegengehouden. Pas toen ze merkten dat het de spreker zelf was die ze wilden tegenhouden, liet men hem naar binnen gaan. De kapitein begon met te zeggen: ‘Lieve mensen, als wij mogen verwaardigd worden om in de hemelzalen te komen, dan zullen wij niet behoeven te dringen, want daar zal ruimte genoeg zijn voor allen die ervoor zijn uitverkoren.’ Deze woorden vielen in het hart van Kaatje en alle vooroordelen waren meteen verdwenen.
Drie keer heeft de kapitein op die zondag in het kerkje van Scharendijke gesproken. ‘Op die dag zijn tussen mij en de mijnen en moeder Kaatje met de haren en vele andere vrienden daar banden gelegd, die met de dood niet zullen worden verbroken’, zo schreef ‘t Hart.
Het raadsel van die vlag was snel opgelost. Er had wel een vlag gewaaid, maar die had niets te maken met vrijmetselarij. De kapitein was lid van de zogenoemde Bethelgemeente, een internationale vereniging van kapiteins en stuurlieden. Slechts enkele Hollanders waren er lid van, maar verder vooral Engelsen, Schotten, Noren, Russen en Duitsers. Men herkende elkaar wereldwijd aan die vlag.
Spoedig werd kapitein ‘t Hart met name in Zeeland bekend. ‘Ik heb in Zeeland veel vrienden gekregen, ja, ik ben half Zeeuws geworden’, zo schreef hij. Er kwamen uit diverse plaatsen uitnodigingen om te komen spreken. Zo sprak hij regelmatig in Krabbendijke. Toen hij in 1877 voor de derde keer schipbreuk had geleden, en zonder schip kwam te zitten, was hij meer in de gelegenheid om op die preekverzoeken in te gaan. Met ds. Van Dijke waren er goede contacten. Zelfs werd ’t Hart lid van diens gemeente in Sint-Philipsland. Aanvankelijk liet men stilzwijgend toe dat hij oefende in de Ledeboeriaanse gemeenten, maar toen men erachter kwam dat hij ook voorging in allerlei andere groeperingen, ja, dat hij overal preekte waar hij gevraagd werd, werd hem het voorgaan in de Ledeboeriaanse gemeenten verboden. De kapitein bleek in kerkelijk opzicht nogal een vrijbuiter te zijn.
Na verloop van tijd verdween de (inmiddels oud-)zeekapitein van het kerkelijk erf. Na eerst in Maassluis gewoond te hebben (waar zijn vrouw in 1901 overleden is), verhuisde hij naar Vrijenban, gelegen dicht bij Delft. Waarom hij naar Vrijenban verhuisd is? Zijn kinderen woonden er niet. Misschien heeft hij er nog werk gevonden. We weten het niet. Op 23 februari 1906 is hij in Vrijenban op de leeftijd van 75 jaar overleden.
Verbonden
In het boekje waarin de korte levensgeschiedenis van Kaatje van der Wekken is opgenomen en waarin kapitein ’t Hart ook vrij veel over zichzelf vertelt, zijn ook tien brieven opgenomen die Kaatje geschreven heeft aan het echtpaar Poirot in Kockengen. Matthijs Poirot werd op 7 mei 1821 in Heusden geboren. Zijn grootvader was Blaise Maurice Poirot, geboren in Parijs en overleden in Heusden.
J. van Hemert, huisonderwijzer bij C.B. van Woerden in Akkrum, heeft Poirot eens ontmoet ten huize van uitgever/boekhandelaar J. van Golverdinge in ’s-Gravenhage. Poirot heeft toen veel bijzonderheden uit het leven van ds. Ledeboer aan Van Hemert verteld. Ook vertelde hij over zichzelf. ‘Hij deelde mij ook mede de zonderlinge leidingen, welke de Heere met hem gehouden had.’ Helaas schreef Van Hemert hierover verder niets.
Matthijs Poirot trouwde in 1851 (hij woonde toen in Kamerik) in Oudewater met Antonia van Wijngaarden. ‘Toontje’ was haar roepnaam. In de bekeringsgeschiedenis van Margaretha Vermeer wordt ze ‘Toontje Porro’ genoemd. Porro – zo zal menigeen de naam Poirot wel uitgesproken hebben. Antonia Poirot was niet sterk van gestel. Op de dag van haar huwelijk was ze niet in staat naar het gemeentehuis te komen. Nadat er een attest was overlegd, heeft de huwelijksvoltrekking toen in haar ouderlijk huis plaatsgevonden. Later moest ze zich met behulp van krukken voortbewegen.
Poirot en zijn vrouw waren zeer bevriend met ds. L.G.C. Ledeboer. Een enkel jaar na het overlijden van ds. Ledeboer verscheen een bundel met zeventig brieven. Hiervan waren 23 brieven gericht aan Poirot, diens vrouw of aan hen beiden.
Het echtpaar woonde in Kockengen, waar Poirot een bakkerij had. Ook handelde hij in graan. Een specialiteit was de beschuit die hij vervaardigde. In de Opregte Haarlemsche Courant van 13 juli 1857 adverteerde ‘Banket- en Koekbakker’ J. van Burgsteeden uit Utrecht met beschuit, afkomstig ‘uit de gerenommeerde Beschuitbakkerij van M. Poirot te Kockengen.’
Poirot diende jarenlang de Ledeboeriaanse gemeente in Oudewater in het ambt van ouderling. Ook was hij scriba van de algemene vergaderingen van de Ledeboeriaanse gemeenten. Het echtpaar Poirot heeft veel verdriet moeten ondervinden. Elf kinderen zijn uit het huwelijk geboren, maar negen kinderen zijn op jonge leeftijd overleden, de meesten waren zeer jong. Een dochter is op 31-jarige leeftijd overleden, een andere dochter is 75 jaar geworden. Beiden waren ongehuwd.
Toen op 26 maart 1863 een tweeling geboren was, stuurde ds. Ledeboer een brief met het volgende gedicht.
Een God van wonderen:
Eerst laat Hij ’t donderen,
Dan daagt het licht
Van Zijn gezicht.
Een God van krachten,
Die Hem verwachten,
Beschaamt Hij niet,
Maar geeft een lied.
Een dubb’le zegen
Hebt gij verkregen,
Van Hem Die leeft.
En krachten geeft.
Helaas heeft de tweeling niet lang geleefd: Maria Antonia overleed toen ze acht dagen oud was, en vier dagen daarna stierf ook haar broertje Gerrit.
Zoveel vrienden met wie ze van hart tot hart kon spreken had Kaatje niet. Met een buurvrouw kon ze dat wel. ‘Ja, dan geeft de Heere het wel eens dat wij ons hart tezamen voor Hem kunnen uitstorten, daarom ben ik met zielsbanden aan haar gebonden, want ik heb nogal veel halve vrienden en nog kwartvrienden ook.’ Maar met de familie Poirot was er ook een bijzondere band. ‘Wij spreken zo dikwijls over u. Ja, zelfs is het mij meer dan eens gebeurd dat ik over u droomde en in mijn dromen bij ulieden was.’ Tien dagen voor haar overlijden schreef ze nog: ‘De Heere weet dat ik u in waarheid liefheb.’
Niet alleen met ds. Ledeboer, ook met ds. Van Dijke was de familie Poirot bevriend. Poirot heeft zelfs eens ds. Van Dijke vergezeld, toen deze met zijn eigen vaartuig op reis gegaan was om her en der in het land de gemeenten te bezoeken en voor te gaan in de bediening van Woord en sacrament. Dat was in 1868. In een verslag van deze reis deelde Poirot mee dat ds. Van Dijke met bijzondere opening het Woord bediend had. In Genemuiden werden twintig kinderen gedoopt. Overigens was het niet alles goud wat er blonk: tijdens de reis ontmoette Poirot ook mensen die hij omschreef als ‘vreemde geesten, hoge geesten, ja, wargeesten.’
Op den duur raakte Poirot bij de Ledeboerianen wat op de achtergrond. De eerdergenoemde Van Hemert vermeld de dat Poirot zich later aangetrokken voelde tot de Doleantie. ‘De vergaderingen betrekkelijk de Vrije Universiteit en de Doleantie werden ijverig door hem waargenomen en hij logeerde ook wel bij hoofdlieden uit de strijd dier dagen, o.a. bij mr. dr. W. van den Bergh te Voorthuizen, die hij “een tweede Ledeboer” noemde.’
Matthijs Poirot is op 27 oktober 1896 op 75-jarige leeftijd overleden. Zijn vrouw was 67 jaar oud toen ze op 12 januari 1893 overleed.
Onder Zijn geleide
Zeer veel rouw en verdriet heeft Kaatje van der Wekken moeten meemaken, eigenlijk haar hele leven lang. Daarbij kwamen ook de zorgen voor het dagelijks bestaan. Ook die zorgen dreven haar uit naar de genadetroon, om aan de Heere om uitkomst te smeken. Ze schreef eens: ‘Ik heb veel lijden en kruiswegen moeten doorworstelen. Maar de Heere was mij toen bij ogenblikken zo goed, dat ik alles gerust om Zijnentwil kon verliezen. Hij was zo nederbuigend goed om mij een volgbaar hart te schenken.’ In 1874 overkwam kleindochter Kaatje, een dochter van Marinus en Keetje, een ernstig ongeluk. Ze kwam al spelende met haar handje in een machine terecht waarmee haar vader bezig was klaver te snijden voor de paarden. Het handje werd deerlijk verbrijzeld. De Heere heeft willen horen en verhoren, schreef haar grootmoeder, zodat het kindje gespaard bleef. Niet lang daarna viel er een slag die nog veel groter was: in een onbewaakt ogenblijk was het tweejarige meisje naar buiten gelopen en daar is ze in een sloot verdronken. Wat een groot verdriet! Vier dagen nadat het ongeluk met de machine gebeurd was, was grootmoeder Kaatje op een zondagmorgen vroeg, ze lag nog op bed, aan het nadenken over haar kleindochtertje. Wat zou ze later, als ze groot werd, moeten tobben, met één hand. Aan de familie Poirot schreef Kaatje: ‘Maar wat gebeurde er, het was mij of ik met het oog des geloofs zag dat de Heere Zijn rechterhand om haar had geslagen en over haar uitbreidde, en toen was het mij zo zalig. O, wat kon ik ze toen gemakkelijk aan de Heere overgeven. Zij was daar bij Hem zo veilig, in de armen van een almachtig God. Toen was het goed, en ik moest zeggen: “O Heere, ik dank U voor dat kind, dat Gij niet alleen mijn, maar ook mijn zaads God wilt zijn. Zij was nu, dat geloof ik, onder Zijn geleide. Hij zou het maken. En hoewel ik er nu erg onder lijden moet, kan ik dat gebeurde van die zondagmorgen niet kwijtraken en wil ik het kind aan de Heere overlaten.’
In 1877 werd de familie opnieuw getroffen door twee aangrijpende sterfgevallen: in dat jaar overleden twee kleinkinderen van grootmoeder Kaatje. Beiden waren naar haar vernoemd. Het ene meisje was twaalf jaar oud, het andere was nog maar twintig maanden oud.
Tot aan het einde der wereld
Ook Kaatje van der Wekken is eens met ds. Van Dijke en zijn (tweede) vrouw Janna Willemina Maria Meijer (1830-1893) op reis geweest. Dat was in september 1879. ‘Zeven weken lang ben ik op reis geweest met onze geliefde en waardige dominee Van Dijke, zijn vrouw, twee zoons en een knecht, op dominee zijn eigen vaartuig. Veel heb ik gehoord en gezien, en ik ben erbij geweest dat dominee bij de honderd kindertjes achter elkander gedoopt heeft. De Heere heeft hem zeer gesterkt.’
Nadat ds. Ledeboer in 1863 was overleden, was ds. Van Dijke tot zijn overlijden in 1883 de enige predikant van de Ledeboeriaanse gemeenten. Wel waren er enkele oefenaars die hem terzijde stonden. Maar de zorg voor zo’n vijfduizend mensen, verdeeld over twintig gemeenten, kwam grotendeels neer op de schouders van ds. Van Dijke.
Als ds. Van Dijke in Bruinisse, Oosterland of Nieuwerkerk preekte, was ook Kaatje van der Wekken veelal onder zijn gehoor. Het is niet duidelijk of ze lid is geweest van de gemeente Bruinisse. In ieder geval nam ze daar wel deel aan de bediening van het Heilig Avondmaal.
De laatste jaren van zijn leven ging de gezondheid van ds. Van Dijke sterk achteruit. Toch heeft hij met inspanning van al zijn krachten tot het laatste toe zijn dienstwerk verricht. Soms moest men hem de preekstoel ophelpen. Poirot bezocht hem eens en schreef hierover aan Kaatje, die er op haar beurt weer aan kapitein ’t Hart over schreef. ‘Het schijnt dat de Heere bezig is zijn aardse huis te slopen. Hij [Poirot] had veel met dominee gesproken over de Kerk des Heeren hier op aarde, over de vele gemeenten waarover God hem als leraar gezet heeft, over het gemis en verlies dat hun zou treffen als hij kwam te sterven. Maar dominee zei: “Och, laat u dat niet te veel nederdrukken, de Heere heeft het voor mij zo kunnen doen in Zijn kerk of gemeente en ik twijfel niet of Hij zal het ook na mij goed kunnen stellen. Ja”, zo sprak hij, “het is nog veel beter om een leraar verlegen te zijn, dan er mede verlegen te zijn. En al is het dat ik, Zijn geringe dienstknecht, er niet meer zijn zal, het is niets, immers, de grote Meester blijft Zelf met Zijn gemeente als het verheerlijkte Hoofd, tot aan het einde der wereld, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen. Geen nood dus”, zo was zijn laatste woord, “hoewel ik weet dat na mijn vertrek wolven zullen komen, ja, een drom van huurlingen en verleiders gereedstaat om de schare te verleiden, en die de kudde niet zullen sparen, maar zich zullen trachten te mesten met de wol en het vet der schapen, geen nood, Jezus blijft Dezelfde tot in eeuwigheid, en Die zal, zoals Luther zei, Zijn Kerk in stand houden en behoeden, hoe de satan ook woedt.”’
Ds. Van Dijke overleed op 1 maart 1883. ‘O, wat heeft moeder Kaatje eronder geleden, want zij was zeer aan de dominee verbonden’, schreef kapitein ’t Hart. Samen met hem heeft zij de begrafenis in Sint-Philipsland bijgewoond.
Heengegaan in vrede
‘Naar het lichaam ben ik nog al redelijk, hoewel ik zo zachtjes aan oud en versleten raak’, schreef Kaatje in 1880 aan de familie Poirot. In de jaren daarna ging haar gezondheid achteruit. Ze leed aan astma en ook klaagde ze erover dat ze zo’n zwaar lichaam had.
In april 1885 was kapitein ’t Hart weer in Kerkwerve op bezoek. Kaatje stelde voor om een eindje te gaan wandelen, naar een van haar schoondochters. Dat ging met veel moeite gepaard. ‘Omdat ze zo erg zwaar van lichaam was, kon zij moeilijk lopen’, zo schreef de kapitein. ‘Wij wandelden zeer langzaam terug; gedurig moest zij wat rusten. Zo waren wij genaderd tot bij de nieuwe begraafplaats van Kerkwerve. Zij was zo erg vermoeid, dat zij tegen het hek een weinig moest uitrusten. Zeer goed zag ik dat zij mij iets wilde zeggen, dat er iets op haar hart lag wat zij mij wilde openbaren, en ik had niet misgeraden. Ze opende haar mond en zei: “Kapitein, dat is nu de nieuwe begraafplaats, waar nu bijna een jaar op begraven is geworden; van mijn kroost ligt er nog niemand op, die liggen allen op het oude, maar wie weet hoe spoedig de Heere een scheiding tussen ons zal maken en mij hier zal laten rusten. Het is of ik gevoel dat ik niet lang meer op aarde zal verkeren. Zou u mij willen beloven dat u mij dan hier ten grave zult helpen bestellen?” Ik beloofde wat zij mij verzocht.’ Aan de familie Poirot schreef ze op 28 juli 1885: ’Ik geloof dat het niet lang meer zal duren. Spoedig zal ik de reisstaf nederleggen. Wanneer weet ik evenwel niet, maar het is goed wat de Heere doet, ik hoop alles stil af te wachten.’
Tien dagen daarna, op 7 augustus 1885 is Kaatje van der Wekken in haar slaap overleden, zonder doodsstrijd is zij heengegaan in vrede, zo schreef kapitein ’t Hart.
De kapitein heeft haar volgens zijn belofte de begrafenis geleid. ‘Er waren zeer veel mensen’, schreef hij, ‘het was of er een grote der aarde werd begraven; maar het was nog meer: het was het stof van een hemelburgeres, die nu eeuwig met haar Zielenvriend zal zijn, Die haar kocht met Zijn bloed.’
De gedachtenis van de rechtvaardige tot zegening
In 1889 werd door Jacs. Fraanje te Biezelinge (een oom van de latere ds. J. Fraanje) de levensgeschiedenis van Kaatje van der Wekken uitgegeven. In diverse dagbladen vroeg hij door middel van advertenties nogal uitbundig aandacht voor het boekje. Niet alleen over Kaatje van der Wekken gaat het in dit boekje; kapitein ’t Hart vertelt ook uitgebreid over zijn belevenissen. De vijfentwintig brieven zijn alle door Kaatje van der Wekken geschreven. Ze hebben een mooie inhoud. Ze getuigen van een leven dicht bij de Heere. Er blijkt ook uit dat ze goed thuis was in de oude schrijvers. Ze noemt de namen van Hugo Binning, Ambrosius, Watson en Rutherford. In 1929 stuurde uitgever K. Heerschap uit Ouddorp een recensie-exemplaar naar ds. G.H. Kersten, die het besprak in De Saambinder. Het blijkt dat Heerschap alleen een nieuw omslag heeft laten drukken, het binnenwerk was nog de uitgave van Jacs. Fraanje! Ds. Kersten ging in zijn bespreking daaraan voorbij en beperkte zich tot de inhoud. Hij schreef: ‘Wie onder het volk in ’t Zierikzeese land niet onbekend is, heeft meermalen horen spreken over Kaatje van der Wekken. God heeft ook in deze vrouw de waarheid van Zijn Woord bewezen, dat de gedachtenis van de rechtvaardige tot zegening zijn zal. Van de levensweg van Kaatje vindt ge in dit boekje niet veel. De oud-zeekapitein P. ’t Hart (in Zeeland onder de ouden evenmin een onbekende) vertelt van zijn ontmoetingen met Kaatje en door haar met velen van Gods kinderen.’
In 1980 heeft P. Stuut uit Rijssen het boekje opnieuw uitgegeven. Dit is een fotografische herdruk van de oorspronkelijke uitgave van 1889. In 1996 heeft Stuut het boekje nog eens uitgegeven.
Literatuur
• Brieven van L.G.C. Ledeboer, in leven waardig Leeraar bij de Gereformeerde Gemeente te Benthuizen (…), ’s-Gravenhage 1865.
• Het veelbewogen leven en de rijk gezegende arbeid van den nu zaligen heer P. van Dijke (…), Biezelinge z.j. [1884]
• Korte levensgeschiedenis en vijf en twintig brieven van Kaatje van der Wekken Geb. Van Dongen te Kerkwerve (Zeeland), Biezelinge 1889.
• Johs. van Hemert Fz., Aantekeningen, (handschrift – 1904).
• J.C. van Beveren, Om ’t eeuwig welbehagen. De geschiedenis van de Christelijke Gereformeerde Kerk te Zierikzee 1836-1986, Zierikzee 1986.
• J. Huigens, De familie Van der Wekken, z.p. z.j. [1986]
• J. Wesseling, De Afscheiding van 1834 in Zeeland. Deel 2, Barneveld 1989.
• H. Hartman, ‘Dominee Pieter van Dijke’. In: Gereformeerd Weekblad, 17 maart 1993.
• Joh. Westerbeke, De Bruidegom komt! 150 jaar Gereformeerde Gemeente in Nederland te Bruinisse, Middelburg 1998.
• ‘Schouwse stolpboerderij laat lokale schoonheid van vroeger herleven’. In: PZC 11 april 2007.
• A.C. Uitslag, Het Evangeliezaad in de Schouwse kleigrond. De geschiedenis van de Christelijke Gereformeerde Kerk Kerkwerve, z.p. z.j. [2008]
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 maart 2017
Oude Paden | 48 Pagina's