Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van geslacht tot geslacht

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van geslacht tot geslacht

19 minuten leestijd

‘Vervolgens is Bii Provensiaal kerkbestuur Beslooten om Domene Ledeboer van de kansel te stooten omdat de Proovensieaale en klassikale lede De zuijvere waarheijd volgens gods woord niet konde dulde.’ Vol verontwaardiging schreef C. Veldhuijzen (1789-1859) het op in zijn ‘Geslagt Lijst.’ Het had hem zelf ook zijn ambt gekost: ‘En evenzoo is met Deze Cornelis Veldhuijzen ook om die rede van de post van ouderling ontslaagen En ook ABram Koorenwinder.’ Maar dat is lang niet het enige dat er uit de familie Veldhuijzen te vertellen valt. Voor meerderen gold wat over Cornelis’ zoon werd opgeschreven: ‘Door des Heeren Geest en genade uit de duisternis overgebracht in Zijn wonderbaarlijk licht.’

In 1838 was Veldhuijzen met het schrijven van zijn geslachtsregister begonnen. ‘Dit boekje vervaardigd voor mijn echtgenoot Johanna Schaap.’ Zij was zijn tweede vrouw, een boerendochter uit Benthuizen.

In de buurtschap Hoogeveen werden hun acht kinderen geboren. De zevende telg overleed slechts enkele uren na zijn geboorte op 16 september 1840. Dat was nog geen twee maanden voordat kerkelijk Benthuizen in beroering kwam en Veldhuijzen met zijn predikant en het merendeel van de gemeente buiten de Nederlandse Hervormde Kerk kwam te staan.

Veldhuijzens ambtstermijn van twee jaar was eerst al verlengd ‘om enige kwesties en in ’t jaar 1840 werd dominee Ledeboer zo krachtig met de waarheid van Gods heilig Woord en de geloofsformulieren bevestigd dat hij het wetboek van de Haagse Synode en de gezangen van de preekstoel heeft geworpen en heeft zich kort daarna verbonden in eenheid met de Afgescheidenen, waar ik en mijn vrouw Johanna Schaap na overtuiging op grond van de formulieren met onze zes kinderen ook verenigd zijn en zijn tegelijk aangesloten aan de ware Christelijke kerk’ (spelling nu aangepast). Ds. L.G.C. Ledeboer en de beide ouderlingen werden afgezet. ‘Doch de diakenen Grotendorst en Diephout zijn van ons afgevallen en zijn weder tot de staande kerk overgegaan’, noteerde Veldhuijzen misnoegd.

Gode gekocht

Het is duister waarom Koorenwinder en Veldhuijzen in Ledeboers gemeente niet als ouderling zijn blijven dienen. Koorenwinder (1790-1869) ging uiteindelijk terug naar de Hervormde Kerk en werd er opnieuw ouderling. Veldhuijzen bleef ds. Ledeboer echter trouw. In 1843 bood hij Johannes Nieuwendorp onderdak, die lesgaf op het illegale schooltje van Ledeboers gemeente.

Veldhuijzens dochter Petronella trok naar Lisse. Haar man, Johannes van Aalst, behoorde daar tot de oprichters van de Kruisgemeente en was er bijna 25 jaar diaken en scriba. Eén van hun zoons overleed op 33-jarige leeftijd. Een andere zoon las daarover in een brief van diaken C. Segers: ‘O, Van Aalst, ik wens mij en u, ook uw vrouw en gezin, (toe) de genade van de Heere Jezus Christus te mogen leren kennen. Zoals uw broeder Cornelis heeft ervaren, die nu al juicht voor de troon der genade met alle de gezaligden en zijn kroon mag nederleggen voor het Lam Gods met de uitroep: Gij hebt ons Gode gekocht met Uw bloed.’

Onder een korenberg

Petronella’s broer Dirk (1833-1867) nam het bijhouden van het geslachtsregister van zijn vader over. Met grote letters schreef Dirk op welke slagen de familie troffen: ‘Op de dertiende augustus 1859 werd onze broeder Willem Veldhuijzen plotseling uit ons midden weggerukt door het instorten van een korenberg, waaronder hij, eer redding mogelijk was, het leven heeft verloren, oud 21 jaren.’

Hun vader heeft hem maar kort overleefd: ‘Op de veertiende december des jaars 1859 behaagde het de Heere onze waarde vader Cornelis Veldhuijzen dit tijdelijk leven met het eeuwige te doen verwisselen, na een langdurige kwijnende ongesteldheid, in de ouderdom van bijna 71 jaren.’

Kranke vriend

Zelf wist Dirk ook wat ziekte was. Zijn huwelijk met Klazina van der Knijff uit de buurtschap Benthorn werd in 1860 niet in het gemeentehuis van Benthuizen gesloten, maar ten huize van de bruidegom. De reden was zijn lichaamszwakte: hij leed aan tuberculose. Tbc; de gevreesde tering. In deel 2 (blz. 458-463) van de verzamelde geschriften van ds. Ledeboer zijn de gedichten te vinden die de predikant voor Dirk Veldhuijzen schreef: ‘Aan een kranken vriend te Benthuizen.’

Dirk overleefde zijn predikant overigens vier jaar. Tussen alle familiegebeurtenissen noteerde Dirk diens overlijden op 21 oktober 1863: ‘Leendert Geradders Cornelis Leedeboer’, die in werkelijkheid Lambertus als eerste naam had, maar zo zal Dirk hem nooit genoemd hebben.

Voor de Gereformeerde Gemeente brak een onzekere periode aan: de houten kerk was eigendom van ds. Ledeboer geweest. Er was wellicht geen geld om het gebouw te kopen, of de gemeente miste de nodige rechtspersoonlijkheid. Eén van de gemeenteleden zorgde echter voor een oplossing: Dirks moeder kocht de schuurkerk op 2 maart 1864, zodat Ledeboers gemeente er diensten kon blijven houden.

J. van Dam publiceerde (in 1987 in het Kerkblad der Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland en in 1992 in Komt luistert toe, deel 5) enkele brieven van Dirk Veldhuijzen. Aan zijn vriendin (hij noemde haar Klaasje) schreef Dirk in 1854 dat hij rond een Avondmaalszondag bij ds. Ledeboer had gelogeerd, omdat hij te zwak was om ’s zondags naar Benthuizen te lopen.

Van duisternis tot licht

Na de aantekeningen van Dirk verschijnt er een ander handschrift in het geslachtsregister. Weduwe J. Veldhuijzen-Schaap (1801-1888) noteerde Dirks overlijden: ‘mijn geliefde oudste zoon, na een uittering van bijna veertien jaren, in de ouderdom van bijna vierendertig jaren, ons nalatende een weduwe en vier kindertjes, te jong hun verlies te kunnen beseffen.’ Ze kon er nog iets achter schrijven: ‘Geboren te Hoogeveen 3 juli 1833. Door des Heeren Geest en genade uit de duisternis overgebracht in Zijn wonderbaarlijk licht 3 maart 1854. Aangenomen tot lidmaat van de uitwendige kerk des Heeren 21 april 1854 door ds. L.G.C. Ledeboer.’

Dirks jonge weduwe schreef in de ‘Dood Advertentie’: ‘Daar zijn leven aan God gewijd was, zo mogen wij zeggen dat zijn sterven gewin is. De Heere vertrooste mij in deze weg en doe mij Gode zwijgen. Hij ontferme Zich over mijn vier kinderen.’

Haar schoonmoeder Johanna Veldhuijzen-Schaap moest nog vaker het overlijden van een kind of kleinkind melden. Zoals dat van dochter Neeltje, ‘nalatende negen hulpbehoevende wezen.’ Sommigen van hen nam ze in huis, maar moest ze later aan de dood afstaan na langdurige ziekten, zoals die in die tijd zoveel jonge levens afsneden. Er was geen kruid tegen gewassen, al zocht men dat wel. Het werd achterop het geslachtsregister genoteerd: ‘Een ons bruine honing. Een dooi van een ei. Twee lepels rootsuiker. Een citroen uitnijpen. En twee lepels beste brandewijn. Goed voor de borst.’

Brieven aan oma

De weduwe van de jong overleden Dirk Veldhuijzen hertrouwde in 1870 met Pieter van der Graaf en verhuisde naar Rijnsaterwoude. Haar dochter Cornelia Johanna (1861-1886) nam daar de pen ter hand om haar zielservaringen te vertellen aan haar grootmoeder Veldhuijzen-Schaap in Benthuizen of aan haar ‘vriend en vriendin De Bruin.’ J. van Dam publiceerde drie van deze brieven in februari 1986 in het Kerkblad der Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Johanna, zoals ze werd genoemd, had geen zussen; alleen drie broers. De oudste, Cornelius (1863-1940), trad in het huwelijk met zijn achternicht Chiela Joanna van der Tang (1867-1927). Ooit had oud-ouderling C. Veldhuijzen namens ds. Ledeboer (die in de gevangenis zat) diens huis verkocht aan Maarten van der Tang. Nu trouwde Veldhuijzens kleinzoon met Van der Tangs kleindochter. Chiela Joanna is omschreven als ‘een stil, eenvoudig mens; sprak weinig; ook niet over haar geestelijk leven. Maar was veel in haar bidvertrek; dan hoorden ze haar zuchten.’

Voogd

Chiela Joanna’s broer Laurens (Laus) van der Tang (1868-1916) en zijn vrouw, Lydia Biemond (1868-1909), waren al eerder overleden. Van beiden is getuigd dat ze een goede ruil deden. Hun zwager Cornelius Veldhuijzen werd voogd over hun kinderen en leidde ook Laus’ begrafenis in Zoetermeer. In het nageslacht van Laurens en Lydia van der Tang-Biemond komen we de namen tegen van de predikanten L., C. en L.J. Vogelaar en O.M. van der Tang. Lydia was overigens een dochter van J. Biemond (1837-1904) uit Abbenes, die weleens uit oefenen ging (zie Oude Paden van september 2014).

Schuldovernemende Borg

Cornelius Veldhuijzen had een halfbroer, Abraham van der Graaf (1871-1955). Na zijn overlijden kon ook van hem getuigd worden dat hij nu beter af was. Zijn nicht herinnerde hem op zijn sterfbed aan de geschiedenis waaruit hij jaren geleden onderwijs had ontvangen: hoe met de apostel Paulus allen behouden aan het land gekomen waren.

Ook in de volgende generatie waren er bij wie genade in hun hart werd verheerlijkt. Cornelius en Chiela Joanna Veldhuijzen-van der Tang hadden een ongetrouwde dochter, Neeltje (1895-1982). Ze kwam eens op een plaats waar verheugd gezongen werd en kreeg toen een lofzang van Groenewegen in gedachten: ‘Zouden d’ arme wereldlingen, juichen, zingen, in de boeien van de hel, en zult gij, Zijn uitverkoren, en herboren, zitten als in druk en kwel?’

Neeltje was als thuislezer opgegroeid. Nadat ze echter ds. M. Heikoop in Utrecht de gangen van het geestelijk leven had horen verklaren, voelde ze zich gedrongen zich bij de Gereformeerde Gemeenten aan te sluiten. Lange tijd correspondeerde ze met Dirkje van Stuijvenberg (1892-1983) in Waardenburg. Hun vaders waren bevriend met elkaar.

Dirkje was een zus van ds. A. van Stuijvenberg. Die had een bakkerszaak in Woerden. Hij verkocht de winkel aan Jan Hamelink (1875-1931; bekend door zijn levensbeschrijving) en werd medefirmant in de veevoederhandel van zijn schoonvader A. Blok, totdat hij in 1932 werd toegelaten tot de Theologische School van de Gereformeerde Gemeenten.

In augustus 1927 schreef Neeltje Veldhuijzen aan Dirkje van Stuijvenberg: ‘Ik kreeg laatst nog eens een ogenblik een terugzien hoe de Heere voor het eerst me een gezicht gaf in mijn diepe doodstaat, met die waarheid: Wie is zij die daar opklimt uit de woestijn, enz., en diep schuldig moest ik het hoofd neerbuigen vanwege mijn slechte afmaking. Dat schaamte en schaamrood me beklede voor dat hoge Wezen. (...) Het is zo gedurig dat ik ondervinden moet: Uit dezen boom geen vrucht in der eeuwigheid.’

Er bleef een brief bewaard die Neeltje van haar vriendin Aaltje Zuidam (1894-1927) uit Waarder ontving. Aan Annie van Asselt, dochter van een godvrezend echtpaar in Hillegom, schreef Neeltje in mei 1928: ‘Het is nu zo zes weken geleden dat de Heere Jezus als een schuldovernemende Borg en Middelaar ingetreden is voor mijn diep schuldige ziel, een ook voor mij heeft uitgeroepen: Het is volbracht; aan het vloekhout des kruises, en de vloek die op mij lag op Zich geladen heeft en dat alles uit eeuwige zondaarsliefde. (...) Ik leef nu als een Koningsdochter, ja als een vrijgekochte van die lieve Heere Jezus en zal eenmaal uitroepen: Gij hebt ons Gode gekocht met Uw bloed. En dat uit vrije genade.’

Annie moest niet denken dat Neeltje schreef om zichzelf te verheffen: ‘O nee, ik ben niet beter dan anderen, en moet soms uitroepen: Mij, de grootste der zondaren, is barmhartigheid geschied, en waarom ik, dat de Heere naar zo één heeft willen omzien, die met verheven schilden opstond tegen dat heilige Wezen en niet anders deed dan tegenwerken.’

Bevriend met de Van Woerdens

Er liepen ook lijnen van de families Veldhuijzen en Van Stuijvenberg naar de familie Van Woerden in het Friese dorp Akkrum. Cornelius Veldhuijzen was op 1 mei 1886 in Rijnsaterwoude een kaashandel begonnen. Op de kaasbeurs in Amsterdam trok zijn zwarte petje de aandacht van een andere handelaar. Die knoopte een praatje met hem aan en zo maakte Veldhuijzen kennis met Cornelis Bernardus van Woerden sr. (1860-1932), vertaler van Engelse en Schotse geschriften (zie kader). Ze raakten bevriend en de gezinnen logeerden bij elkaar.

Veldhuijzens zoon Dirk (1892-1967) trouwde in 1914 met Van Woerdens dochter Catharina Alida (1892-1974). Zij verhuisde naar Bodegraven, waar hij vanaf mei 1913 woonde omdat zijn vader daar in dat jaar een pakhuis kocht. In 1920 verhuisde vader Veldhuijzen zelf ook van Rijnsaterwoude naar Bodegraven. Dirk en Catharina behoorden tot de Oud Gereformeerde Gemeente in Nederland te Waddinxveen, maar lazen ’s zondags thuis. Vaak las Dirk een preek van ds. B. Smijtegelt, van oefenaar W. Floor of uit de serie Bibliotheek Overjarig Koren (preken waarbij uitgeverij Romijn & Van der Hoff exemplaren van het blad Eskol insloot).

Van Catharina Veldhuijzen-van Woerden bleven brieven bewaard uit de periode 1907-1967. Ze correspondeerde onder anderen met Betje Duijzer-van Scheers te Brakel (zoals door J.P. Neven beschreven in het boek Uw gangen zo vol roem en eer) en Maria de Lange-Kastelein in Geersdijk op Noord-Beveland. Aan haar kinderen, haar broer Piet (ouderling in de Gereformeerde Gemeente te Akkrum) en vrienden schreef Catharina over haar geestelijk leven. ‘De Heere is goed en recht’, was het eerste wat ze tegen haar man zei toen ze na een operatie bijkwam uit de narcose. En ze schreef over ‘de goedheid Gods, tegenover zo’n doorbrenger en afwijker.’ ‘Wij willen niet gaarne kreupel over de aarde gaan, maar Mefiboseth mocht aan ’s Konings tafel komen aanzitten.’

Ommekeer

Begin 1918 schreef C. Veldhuijzen aan C.B. van Woerden te Akkrum over ‘de vele bemoeienissen die de Heere met onze kinderen houdt en voornamelijk vanaf zaterdag 12 januari. Eerst met onze zoon Johannes en daarna met Maarten, in de weg van ontdekking en overtuiging van hun verloren toestand, zodat ze verleden week wegens zielekrankheid niets geen tijdelijk werk konden verrichten. Ik was ermee verlegen en beschaamd en verblijd.’

Op 22 januari kwam Veldhuijzen terug in Rijnsaterwoude na een bezoek aan zijn kinderen in Bodegraven. Bij thuiskomst hoorde hij dat zijn dochter Annie aan Van Woerden had geschreven wat er met haar beide broers was gebeurd. ‘Doch daar kwam bij dat Annie gistermiddag, nadat ze ulieden geschreven had, zo tot ruimte voor haar ziel gekomen is en toen ik thuiskwam, huppelde ze van blijdschap, en deze nacht dacht ze van de liefde Gods in haar ziel te bezwijken. Ze hoopt ulieden er zelf nog weleens over te schrijven. Maar geliefde vriend en vriendin, wat heb ik in die kinderen toch moeten waarnemen dat de Heere de zonde tot zonde maakt onder het oog van een heilig en rechtvaardig God en tegen de hoogste majesteit Gods begaan, en dat op de consciëntie van een mens komt te binden door het ontdekkend licht des Heiligen Geestes. O, dat roepen en schreeuwen en wringen van mijn zoon Johannes, waarop zaterdagavond een genadige wending is gevolgd (hoewel hij geen zaken voortbrengt als mijn dochter Annie, toch was vanwege de verlichting van zijn drukkende last der zonden en hopen op God zijn blijdschap zo groot dat hij springende en huppelende van zielevreugd was).

Doch daarop is maandag zulk een zielsbenauwdheid gevolgd, dat het was alsof de duivel hem scheurde. Wij hebben toen tot de halve nacht een wonderlijke tijd doorgebracht. Kennelijk was de Heere in het midden en bracht een stille kalmte in zijn gemoed. En nu gaat en loopt hij tussen hoop en vrees.

Ulieden kunt begrijpen hoe verlegen ik met alles ben en hoe ik mijn eigen gemis gevoel en dat ik nu geen hart heb om zulke weldaden te erkennen. Maar u kunt begrijpen hoe blijde ik ben en de liefdeband onderling met vrouw en kinderen die ik nu gevoel, daar kan ik geen spraak van geven. O, wat ben ik toch een hard en ongevoelig mens.’

Annigje (Annie), die doof was, was toen 26 jaar, Johannes (Hannes) was 19, Maarten 17. Kort nadat Annie tot ruimte kwam, werd ze psychisch ziek. Ze werd in 1918 in een gesticht opgenomen. Als haar vader op bezoek kwam en over geestelijke zaken sprak, werd ze kalm en leek ze niets te mankeren. In 1932 schreef hij echter: ‘Haar verstand is geheel weg.’ In het gesticht is ze in 1938 op 47-jarige leeftijd overleden.

Medeleven van ds. Roelofsen

Dat was niet de eerste slag die Cornelius Veldhuijzen trof; elf jaar eerder was zijn vrouw weggenomen. ‘Waarde Vriend! De Goedgunstigheden van Hem die in den Braambos woont zij U en Uw Kinderen van harte toegewenst!’, schreef ds. H. Roelofsen uit Zeist hem op 26 maart 1927 in zijn condoleancebrief nadat Chiela Joanna Veldhuijzen-van der Tang op 60-jarige leeftijd na een smartelijk ziekbed was overleden. ‘Lieve Vriend! U is ook wel bekend dat de Heere Zijn arm volk oefent in kruis en beproeving van hun geloof, zo in verdrukking als in uitredding, dat de Heere getrouw is in Zijn kastijding en Zijn beloften. Ik denk zo dat het een grote gift is als de Heilige Geest plaatsmaakt voor de Bloedbruidegom.’

‘O! Lieve Vriend! het wonder wordt voor mij al groter en groter’, schreef de predikant. ‘Daar zou voor mij geen tekst noodzakelijker zijn dan die bekende korte woorden: U dan die gelooft, is Hij dierbaar. Dit blijft toch een vaste waarheid. Hoe zieker wij ons leren kennen en gevoelen, hoe meer geloofsgebruik van Christus er beoefend wordt!’

Ds. Roelofsen, die pas met emeritaat was gegaan als predikant van de Gereformeerde Gemeente in Zeist, schreef: ‘Wij zijn door ’s Heeren goedheid redelijk wel, in hope van U en de Uwen ook, hoewel ik nog veel zwak in mijn hoofd blijf.’

Een zuchter afgelost

C. Veldhuijzen had het na het overlijden van zijn vrouw ‘benauwd omdat hij niet wist wat haar eeuwige bestemming was.’ ’s Nachts werd hij bij Ezechiël 9:4 bepaald: ‘Teken een teken op de voorhoofden van de lieden die zuchten.’

Enkele dagen later kreeg hij een briefje van Van Asselt uit Hillegom. Die schreef: ‘Veldhuijzen, je vrouw is Boven, hoor. Voordat ik het overlijdensbericht van je vrouw ontving, kreeg ik deze woorden in mijn hart: Teken een teken op de voorhoofden van de lieden die zuchten.’

Van Asselt was niet de enige die daarvoor geloof ontving. In november 1932 schreef Veldhuijzen er nog over, toen hij een brief van de gezusters Florijn beantwoordde: ‘Het is nu al ruim 5 jaar geleden dat mijn geliefde vrouw tussen hoop en vrees de eeuwigheid is ingegaan, hoewel er velen van het volk waren die er een goede gedachte van hadden, en na haar dood nog iets of veel ervan hebben mogen ondervinden dat ze behoorde onder de lieden die zuchten.’

In Bodegraven had de weduwnaar twee zoons en twee dochters om zich heen wonen. Soms ging hij een paar dagen naar Utrecht, waar een zoon en twee dochters een kaas- en boterwinkel dreven. ‘We mogen onder het gemis van mijn geliefde vrouw nog veel voorrechten genieten die diep verbeurd zijn. Och, mochten wij er maar een recht besef en gevoel van omdragen.’

Nuttige wegen

In 1925 werd in Bodegraven een Gereformeerde Gemeente geïnstitueerd. De eerste diaken was J.G. Hakkenberg (1886-1960), die met een zus van C.A. Veldhuijzen-van Woerden was getrouwd. Zij waren de ouders van ds. D. Hakkenberg.

Jan Hakkenberg verzorgde de boekhouding in de kaashandel van C. Veldhuijzen. Ook gaf hij Veldhuijzens kinderen les: zij mochten niet naar school omdat ze niet ingeënt waren. Er bleven schriftjes bewaard waarin brieven met geestelijke inhoud en stukjes van ds. Ledeboer te lezen zijn die ze tijdens de lessen overschreven. Later begon Hakkenberg een eigen kaashandel. Toen hij in 1938 25 jaar getrouwd was, schreef Veldhuijzen aan het jubilerende paar: ‘Ik ben oud geworden en buiten alle tijdelijke werkzaamheden gekomen en heb nu veel tijd te overdenken de dagen van ouds en de jaren die voorbijgevlogen zijn, want wij vliegen daarheen, Psalm 90. Tien ik ulieder bericht las, kunt gijlieden wel denken dat mij nog veel in gedachte is gekomen uit die vroegere jaren, daar ik toch zovele jaren met u en ulieder ouders van beide zijden heb omgang gehad, die nu allen zijn gegaan de weg der ganse aarde.’

Hij had er gemengde herinneringen aan, schreef hij eerlijk: ‘Ik heb veel genoegen en vriendschap van hen vele jaren mogen genieten, die ik nooit vergeten mag, maar ook veel leed en dat kan en mag ook op zijn pas en tijd gezegd worden.’ Het was een nuttige ervaring: ‘De Heere wil ons door zulke, voor ons vlees onsmakelijke, wegen in de vernedering brengen.’

Cornelius Veldhuijzen overleed in 1940. Zijn dochter Neeltje schreef: ‘Vader heeft veel verlangende uitgezien om afgelost te worden, met een levendige betrekking om dan zonder zonde de Heere te kunnen dienen.’ Zijn ziekbed was een preekstoel; hij prees de dienst des Heeren aan.

Een buitenstaander binnengehaald

Zijn schoondochter C.A. Veldhuijzen-van Woerden schreef aan de oud gereformeerde ds. B. Toes over de ziekte van haar man, die in eigen waarneming alles miste. Maar nadat Dirk Veldhuijzen op 23 februari 1967 was weggenomen, schreef zijn vrouw aan haar broer Piet: ‘Dirk zei op zijn ziekbed: ’t Zal een nauwelijks, nauwelijks zalig worden zijn. Maar toen de Heere de Weg ontsloot, zei hij: De Heere doet wonderen, Hij alleen, Hij alleen.’

Aan ds. Joh. van der Poel schreef ze: ‘De Heere is een wonderdoend God, en heeft dat betoond aan mijn geliefde man. Door alle bestrijdingen, „Hoe kom ik nog tot God bekeerd”, opende de Heere die enige Deur waarin de Heere met zulke goddelozen te doen kon hebben, „zo’n goddeloze als ik ben”, slaande met de hand op zijn hart. O, hij lag als een buitenstaander, en in het laatst werd de deur zo wijd geopend. O, o, zei hij, met opgeheven handen, „mag ik binnengehaald worden?” Stil is hij nog een poosje blijven liggen, als iemand die uit de strijd mocht rusten, met blijdschap op zijn gelaat. En met gevouwen handen ging de laatste adem eruit.

Mocht het nog wat nalaten voor ons nageslacht. Het heeft veel indruk gemaakt, daar mijn man ze allen heeft aangesproken in liefde.’

Thuis bij God

Catharina Veldhuijzen-van Woerden was nu weduwe geworden. Ze noteerde op 6 december 1967: ‘O, lieve Heere, mijn hart is één klomp zonde. Daar moet ik onder zuchten. Hoe raak ik ooit mijzelven kwijt. En deze nacht viel er in mijn hart: Mijne genade is u genoeg. O, dierbare Heere Jezus, wat gevoel ik een betrekking om in U aangezien te mogen worden. Gewassen en gereinigd in Uw dierbare bloed.’

Ze overleed op 17 maart 1974, een week voor haar 82e verjaardag. ‘De overledene heeft haar wens verkregen’, schreef ouderling B. Roest van de Gereformeerde Gemeente in Scherpenzeel. ‘Zij is thuis bij God en in God voor eeuwig. Catechismus 21 en 22. Ja, geheel de gezaligde tot in eeuwigheid. Juichen en loven. Wij zijn der woorden vol, ook heimwee naar boven al dagen. Ook Grietje vol, ook over Anna v. Vliet (J.P. van Vliet-Lolkus, 1885-1974, LV). God de ere. Wee de wereld der ergernis, zoveel Lots in de poort. Een halve eeuw ruim met de overledene geleefd. Ja, was ook met vader Veldhuijzen ingeschakeld toen hij naar huis ging. God zij met u, en u allen. Gods Koninkrijk zal komen. En door de voleinding de oordeelsdag. Zal niet in uw midden zijn, zwak, duizelig, vol van uw moeder, en al de uwen, gemeenschap der heiligen.

God drie-enig zij met ons. Jezus is op komst. Wees aan de Heere bevolen. Mijn hoofd beeft, slecht schrijven, maar jullie verdragen dat wel.’

In de ondertekening vermeldde hij ook zijn huishoudster, G.H. Brons: ‘Uw Roest en Grietje.’ Roest is zelf nog geen zeven maanden later afgelost.

Annigje Grolleman uit Hasselt schreef op 30 mei 1974 aan ouderling P.H. Duijzer van de Gereformeerde Gemeente in Brakel: ‘Al mogen ze oud worden, zo worden er toch veel van Gods volk weggenomen. Nu in een kort poosje vijf die ik kende en die (hier) wel geweest zijn, als vrouw De Lange, (en) de weduwe Veldhuijzen, waar uw moeder zoveel van hield.’

Een krat vol brieven

Van de dertien kinderen van het echtpaar D. Veldhuijzen-van Woerden (van wie er één levenloos geboren was) voegden er zich meerderen bij de Gereformeerde Gemeenten. Zoon Dirk werd diaken in Bodegraven. Diens jongste broer, B.G. Veldhuijzen in Bodegraven, ging later terug naar de Oud Gereformeerde Gemeente in Nederland te Waddinxveen. In dat kerkverband werd zijn zoon, die ook Dirk heet, in 2017 diaken in Alphen aan den Rijn.

Deze B.G. Veldhuijzen verzamelde veel brieven uit het voorgeslacht. Daar staat veel meer in dan in dit artikel geciteerd kon worden. Als gedenkstenen voor Gods werk in de lijn der geslachten.

Dit artikel werd u aangeboden door: Oude Paden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 2019

Oude Paden | 48 Pagina's

Van geslacht tot geslacht

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 2019

Oude Paden | 48 Pagina's