‘Brengt van de vissen die gij nú gevangen hebt’
Student D. Rustige op Urk
Aan ds. D. Rustige is in juni en september 2014 in ons blad uitgebreid aandacht gegeven. Maar nu is er aanleiding om opnieuw stil te staan bij deze prediker, wiens naam nog steeds bij velen bekend is. In 1958 blikte ds. Rustige terug op de Tweede Paasdag 1927, toen hij onverwachts voor de vierde keer in twee dagen moest voorgaan.
Dirk Rustige werd op 14 september 1889 in Haarlem geboren. Hij behoorde tot de Christelijke Gereformeerde Kerk. Toen hij zeventien jaar oud was, voelde hij begeerte tot het predikambt, maar op zijn dertigste gevoelde hij een roeping en vervolgens meldde hij zich bij de kerkenraad voor een attest. Vervolgens werd hij door het curatorium van de Christelijke Gereformeerde Kerken toegelaten tot de Theologische School. Dat was op 30 augustus 1921. Omdat hij onvoldoende opleiding had, moest hij eerst enkele jaren de vooropleiding volgen. Het zou daarom nog jaren duren voordat hij een stichtelijk woord mocht gaan spreken.
In Apeldoorn was het voorschrift dat de student zich nergens anders mee bezighield dan met studeren. Maar ook al in die tijd stoorde Rustige zich niet zozeer aan regels en voorschriften. Dat blijkt uit een drietal dingen.
In december 1925 gaf het gereformeerde zangkoor ‘De Lofstem’ in Apeldoorn een uitvoering. De avond werd geopend en gesloten door student Rustige, en hij heeft toen een referaat gehouden over ‘Waarom zingt ge?’.
Een dag later bevond de student zich in het Lutherse kerkje in Zeist onder het gehoor van de voormalige kloosterling J.L.A.B. Duynstee. Het referaat werd in druk uitgegeven en student Rustige voorzag het geschrift van een voorwoord.
In De Bazuin van 26 februari 1926 lezen dat student Rustige in Teuge gesproken had voor de SGP. Het bericht had men overgenomen uit De Standaard, die voor hetgeen toen ten gehore werd gebracht geen goed woord overhad. De Anti-Revolutionaire Partij had er namelijk flink van langs gekregen. K. Schilder deed er vervolgens in De Bazuin zoals hij dat gewend was nog een schepje bovenop.
Deze drie dingen zouden trouwens stof genoeg bieden voor een afzonderlijk artikel. Maar nu gaat het over Urk.
Tweede Paasdag 1927
Na ruim vijf jaar studie mocht student Rustige voor het eerst voorgaan, en Urk was de plaats die hem door het curatorium was aangewezen. Op 17 april 1927 was het Eerste Paasdag, dan zou hij tweemaal voorgaan, en de andere dag nog een keer. Maar het ging anders!
Op 5 november 1958 stuurde ds. Rustige – nadat hij weer eens op Urk gepreekt had - een brief aan Sjoerd Post (1929-2011), waarin hij verslag deed over hoe het op de Tweede Paasdag gegaan was. Rein Post, een schoonzoon van Sjoert Post, was zo vriendelijk de inhoud van deze brief onder de aandacht te brengen. We zijn de heer Post hiervoor zeer erkentelijk. Wat is het mooi dat er steeds weer nieuwe gegevens tevoorschijn komen. In dit geval gaat het dan ook nog om een authentiek document.
De brief luidt als volgt:
Hierden, 5 november 1958
Beste Sjoert,
Je brief was voor mij een verrassing, een levensteken uit Urk. Je moet denken: Urk is voor mij altijd nog zoiets van ‘éérste liefde’. Daar mocht ik voor het eerst ‘het net’ uitwerpen op die gedenkwaardige Tweede Paasdag 1927. Ik had drie keer gepreekt: Eerste Paasdag ’s morgens en ’s middags en ’s morgens van de Tweede Paasdag – en dacht daarna naar huis te kunnen gaan – toen broeder Hoefnagel z’n grijze hoofd boven de kansel uitstak en zei: Denkt u erom, het is vanmiddag wéér kerk, dat u dat afkondigt, het volk rekent erop.
Ik zei: Dat kan ik niet, ik heb er niet op gerekend – ik ben léég gepreekt.
Ja, het moet toch! Dan zal het uitkomen of u roeping hebt.
Wat ik toen afgetobd en afgekropen heb op dat bovenkamertje bij Hoefnagel – eten kon ik niet en denken nog veel minder. Het was tijd om te preken, ze stonden onder aan de trap te roepen, maar ik kon niet, m’n lichaam was opgezet van angst – ik had geen geloof en geen tekst. En toch moest het. Komt u eindelijk!
En zo ben ik naar de preekstoel gegaan. Er was geen doorkomen aan van het volk, er stonden buiten net zoveel als binnen. Toen viel de vrees weg, ik zag geen mensen – alléén zag ik de vloot die was binnengekomen – neen, ik zag alléén God – en ik hoorde alleen het woord uit de mond van Jezus: Brengt van de vissen die gij nú gevangen hebt (Joh. 21:10) – dat was de tekst – onvergetelijke ure, ure voor de eeuwigheid. En er werd vis gevangen. De plaats werd bewogen waar ik stond – er was een deinende beweging in die opeen gepropte menigte.
En toen na de preek – toen kwamen ze – (het huis liep vol) – gewis zullen er nog wel zijn die dit hebben meegemaakt – en daarom was het mij zoo groot nog eens onder dat volk en dat nageslacht te staan. En nu jouw schrijven, dat het ook nu niet tevergeefs is geweest (nu, eenendertig jaar later).
Hoe graag had ik nog enige oudjes bezocht, ook Neeltje Snoek nog willen paaien. Maar de tijd was te kort, helaas. Groet haar nogmaals van me, ook Evert Hakvoort en z’n vrouw niet vergeten.
Deining
In 1928 moest student Rustige de studie afbreken: er waren ernstige bezwaren tegen zijn levenswandel gerezen. Na verloop van tijd kwam er een uitnodiging uit Leerdam om daar voor te gaan. Op zondag 7 oktober 1928 sprak Rustige daar voor de eerste keer. Althans, voor de eerste keer in het gebouw Tavenu, want tijdens de kerstdagen 1927 was hij voorgegaan in de Christelijke Gereformeerde Kerk te Leerdam. Naar eigen zeggen waren er toen banden gevallen.
Nadien sprak Rustige regelmatig in Leerdam, en er ontstond een gemeente. De toeloop was groot. Van een bevestiging was geen sprake, en toen daar eens een kritische vraag over gesteld werd, antwoordde Rustige dat hij ‘niemand had om hem in het badwater te gooien.’
Spoedig volgden meer uitnodigingen. Ook door Urk werd hij uitgenodigd te komen spreken. Dat was een doorn in het oog van de kerkenraad van de Christelijke Gereformeerde Kerk. Het kerkgebouw was vrijwel leeg en het gebouw waar Rustige sprak zat stampvol met mensen. De Amsterdammer plaatste op 12 maart 1930 het volgende bericht. ‘Chr. Geref. Kerk te Urk. Te Urk is, naar men aan de ‘N.H. Ct’ schrijft, naar aanleiding van het optreden van den heer D. Rustige, van Leerdam, vroeger theol. Student te Apeldoorn, een scheuring in de Chr. Geref. Kerk ontstaan.’ Hetzelfde bericht verscheen in diverse andere kranten. Van een scheuring is overigens verder niets bekend. Maar deining heeft het voorgaan van Rustige kennelijk wel gegeven.
Ook in Harderwijk sprak Rustige. En uiteindelijk heeft dat ertoe geleid dat hij in 1937 een beroep aannam naar het nabijgelegen Hierden.
Ds. Rustige preekte op zondag uitsluitend in Hierden, maar als je de predikbeurten die in De Banier raadpleegt, kom je zeer veel plaatsen tegen waar hij doordeweeks preekte. In sommige plaatsen kwam hij vrij frequent, bijvoorbeeld in Dordrecht en Vlaardingen. Maar ook kwam hij wel op Urk, ook nog eenendertig jaar nadat hij er voor de eerste keer was voorgegaan, zoals blijkt uit de brief die hierboven is weergegeven.
Op zondag 7 oktober 1962 preekte ds. Rustige voor het laatst in zijn gemeente in Hierden, daarna was hij niet meer in staat om voor te gaan. Op 28 juni 1963 is hij overleden.
‘Met een kwartier weet heel Urk het’
Urk was ook de plaats waar student E. du Marchie van Voorthuysen voor de eerste keer is voorgegaan. Het curatorium van de Theologische School van de Christelijke Gereformeerde Kerken had bepaald dat hij zondag 25 september 1935 daar een stichtelijk woord zou spreken.
In 1984 vertelde de toen 83-jarige predikant erover. Het is te lezen in 1894 ’t Christelijke Karkien – 1984. 50 jaar geschiedenis van de Chr. Geref. Kerk ‘Eben H aëzer’ Urk.
‘Op zaterdagmiddag werd ik van de boot afgehaald en bij Riekelt Hoefnagel in huis ontvangen’, zo vertelt de predikant. ‘Toen ik er zo’n anderhalf uur was, werd me opeens de vraag gesteld: “Wat dacht u ervan om vanavond te preken?” “Maar dat gaat zo toch niet, ik zou toch morgen preken?”, zo was de reactie. “O, dat kan hier gemakkelijk.” “Maar het is niet eens afgekondigd, niemand weet het”, zo ging het even over en weer. Alle bezwaren werden echter weggenomen. De omroeper zou wel even door de straten van Urk gaan en… met een kwartier weet heel Urk het.’
“Ik dacht bij mezelf: als het mislukt, ach, dan is het maar beter dat het op een zaterdag mislukt dan op een zondag”, aldus ds. Du Marchie van Voorthuysen. Zaterdagavond zat het kerkje stampvol. Psalm 25:1 werd opgegeven. Dan vindt het zgn. voorgebed plaats. “Toen kreeg ik iets dat ik niet had: vrijmoedigheid en kracht. Ach Heere, zei ik, en direct ervoer ik dat wonderlijke dat ik tevoren niet had. Heere, U heeft toch het geluid en de stem gegeven. Ik had altijd last van stotteren, ik was een echte stotteraar, maar vanaf dat moment heb ik er nooit meer last van gehad.”’
Zestien beroepen ontving kandidaat Du Marchie van Voorthuysen toen hij in 1937 beroepbaar werd gesteld. Het beroep van Urk moest hij toen aannemen. Deze gemeente heeft hij gediend tot 1942. Van 1966 tot 1974 was hij weer predikant op Urk, nu in de Oud Gereformeerde Gemeente. Deze gemeente had haar wortels in de gemeente die hij eerder gediend had. Op 18 maart 1986 is hij overleden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 september 2024
Oude Paden | 64 Pagina's