Boekbespreking
Offert Gode dank. Uit het leven van ds. G. van de Breevaart en P. van de Breevaart-Snoei, 134 pagina’s. Boekbinderij en Uitgeverij F.N. Snoek. Prijs 17,95. ISBN 9789491272561
Offert Gode dank
De heer G. Kroon uit Hendrik-Ido-Ambacht schreef een mooi boek over ds. Gerrit van de Breevaart (1902-1974). Dit jaar is het vijftig jaar geleden dat de predikant van de vrije Oud Gereformeerde Gemeente te Hendrik-Ido-Ambacht overleden is. De auteur geeft aan dat hij het boekje met vier preken heeft mogen samenstellen voor de kinderen en kleinkinderen en anderen die er belangstelling voor hebben. De familie Van de Breevaart stelde materiaal ter beschikking dat in het in 1975 uitgekomen boek De strijd gestreden niet voorkomt. Van meerwaarde zijn de vele foto’s die zijn opgenomen, maar ook dat gebruik is gemaakt van notities van mevrouw P. van de Breevaart-Snoei, de vrouw van de predikant. Korte kaderteksten over personen uit de directe omgeving van de familie Van de Breevaart geven dit boek iets extra’s.
Gerrit van de Breevaart was tuinder in Hendrik-Ido-Ambacht en kende al vroeg indrukken van dood en eeuwigheid. Hij groeide op in een gezin waar veel van Gods kinderen over de vloer kwamen. Hij kreeg dierbare lessen van ds. J.H. Bogaard, zowel tijdens de kerkdiensten als op de catechisatie. Na zijn militaire dienstplicht kwam Gerrit weer te werken op de tuinderij. De auteur schrijft: ‘Maar zijn hart was zo onrustig in hem en zijn onbekeerde staat viel hem zwaar. Soms werd zijn hart weleens door ds. Bogaard verklaard, zelfs zo dat hij dacht dat er voor hem alleen gepreekt was, maar anderzijds werd hij steeds meer aan zichzelf ontdekt. Hij ervaarde dat alles onder de vloek lag en in die vervloekte staat had hij zich moed- en vrijwillig begeven. Dit ging hem zodanig bezetten dat hem alle hoop op zalig te worden gans ontviel, temeer omdat hij besefte dat God een God was Die het recht moest handhaven.’ Van de Breevaart viel op zijn knieën in een schuurtje en aanvaardde daar het onmogelijke van zijn kant om zalig te worden. En bij de erkenning dat God recht is in al Zijn weg en werk, werd hem door de Vader de Middelaar geopenbaard.
In 1928 leerde Gerrit Pietje Snoei kennen, met wie hij acht jaar later trouwde. Zij kerkte in Capelle aan den IJssel bij ds. Vlot. Het is de bijzondere leiding van God – die in hoofdstuk 3 beschreven wordt - hoe zij elkaar op de gezelschappen leerden kennen. Ze huurden eerst een huis vlak bij de tuinderij en twee jaar later bouwde aannemer Stoop een vrijstaand huis.
Op oudejaarsavond van het jaar 1940 voelde Gerrit van de Breevaart zich gedrongen om te preken, in plaats van een preek te lezen. Dat heeft hij gedaan over Klaagliederen 3 vers 22. Daarna sprak hij verschillende zondagen, totdat er verzet kwam in zustergemeenten. Na veel gebed werd dit ingetrokken en kon hij op zondagen voorgaan. De bevestiging vond plaats op 20 april 1942 door ds. H. Hofman uit Schiedam en ds. H. Vlot uit Capelle aan den IJssel. Twee dagen later deed hij intrede met een preek uit 1 Korinthe 2 vers 1 en 2. De toeloop van kerkgangers zorgde ervoor dat het kerkje aan de Onderdijkse Rijweg al snel te klein was. Op 2 februari 1951 werd de eerste paal geslagen voor een nieuw kerkgebouw en op 12 mei 1952 legde ds. Van de Breevaart de eerste steen. Op 15 februari 1952 mocht ds. Van de Breevaart voor het eerst in het nieuwe kerkgebouw voorgaan. De nieuwe kerk bevindt zich op een steenworp afstand van het oude kerkgebouw.
Ds. G. van de Breevaart nam een grote plaats in binnen zijn gemeente, maar zeker ook daarbuiten. Hij was onder meer bestuurslid en vanaf 1971 voorzitter van de stichting Mbuma zending en sprak op de zendingsdagen. Op een dankdag eindigde de predikant zijn preek met de volgende woorden: “Straks, als we aan het einde van onze loopbaan gekomen zijn, en we mogen verwaardigd worden om het moede hoofd neer te leggen - als een arme zondaar - aan de borst van Christus.” Die dag kwam voor hem – na een lange periode van ziekte - op 14 mei 1974.
De auteur voegde een viertal preken toe, waarvan een drietal dankdagpreken met als thema Offert Gode dank. Het geheel is keurig uitgegeven door Boekbinderij en Uitgeverij F.N. Snoek te Ermelo. J.P. Neven
Dewijl zijn dagen bestemd zijn. Uit een brief van mevrouw P. van de Breevaart-Snoei over de ziekenhuisopname van haar man.
Op maandag 1 oktober 1973 werd ds. Gerrit van de Breevaart, predikant van de vrije Oud Gereformeerde Gemeente te Hendrik-Ido-Ambacht opgenomen in het ziekenhuis voor verder onderzoek. De pijnen die hij had werden ondragelijk. Eerder al onderzocht de internist hem, foto’s werden gemaakt. Na vier dagen volgde opname in het Refaja Ziekenhuis in Dordrecht. Er zaten vlekjes op de longen. Over de dagen in het ziekenhuis schrijft mevrouw Petronella van de Breevaart-Snoei over haar man in een brief van 14 oktober aan Annigje Grolleman uit Hasselt.
Ernstige tijding
Toen de tijding kwam dat ds. Gerrit van de Breevaart opgenomen moest worden, zei de predikant tegen zijn vrouw: ‘Dat kon weleens het begin van het einde zijn’. Mevrouw Van de Breevaart schrijft: ‘En ik deelde die gedachte. En heeft besloten zich op te laten nemen, maar heeft die week dinsdags en ’s woensdags en zondags nog gepreekt. Woensdag en zondag hier in Ambacht. ’s Woensdags uit 2 Samuël 15 vers 25 en 26. “Indien ik genade zal vinden in des Heeren ogen, zo zal Hij mij wederhalen, en zal ze mij laten zien, mitsgaders Zijn woning. Maar indien Hij alzo zal zeggen: Ik heb geen lust tot u; zie, hier ben ik, Hij doe mij zoals het in Zijn ogen goed is.” “Maar dat laatste versje” - zei hij – “durf ik niet te zeggen dat ik zo ben. Maar wel begeer ik zo te mogen zijn.” Het was een kostelijke preek, die zeer beslag op me legde.’ De nacht van zaterdag op zondag had ds. Van de Breevaart hevige pijn. De vrijdag daarvoor was hij nog op het sterfhuis van een gemeentelid geweest. Zondagmorgen werd er rouw in de kerk gebracht. Mevrouw Van de Breevaart schreef verder: ‘Ik dacht dat het niet zou gaan, maar op de preekstoel knapte hij weer op en kreeg er weer de kracht voor. En sprak in de kerk uit Job 5 vers 10 en 11 en ’s avonds uit Hebreeën 12 vers 1 en 2 met zeer veel ruimte voor zijn ziel.’ Wat hij niet wist was dat dit zijn laatste preek zou zijn. De nacht daaropvolgend had ds. Van de Breevaart zeer veel pijn, hij werd maandag opgenomen in het ziekenhuis.
De uitslag van de onderzoeken was niet goed: ds. Van de Breevaart bleek een gezwel tussen de long en de luchtpijp te hebben en opereren was niet mogelijk. In Rotterdam kreeg hij echter wel bestralingen. Mevrouw Van de Breevaart schreef: ‘Je begrijpt wel, Annigje, dat dat alles grote beroering in mijn ziel en gezin en gemeente teweeg gebracht heeft. Want we kunnen hem niet missen. En was ik ook zeer verslagen de eerste dagen. Toen is mij gaan bezetten Job 14 vers 5: “Dewijl zijn dagen bestemd zijn, het getal zijner maanden bij U is; en Gij zijn bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal.” O Annigje, daar kwam zo in mee de Majesteit van God, dat Hij daarover beschikt, dat mijn man die ik van Hem gekregen had, niet van mij maar van Hem was. En ik kreeg zo te buigen. Ook toen hij me zei van dat gezwel, was het in mijn ziel: ‘Uw wil is altijd wijs en goed; ’t is majesteit al wat Hij doet; dat ieder stil daarin berust’, en Uw bevelen doe met lust.’ Ik kon mezelf niet begrijpen, zoals ik het kon aanvaarden en aan Hem overgeven. Wat had ik daar een gemak van en ik hoefde niet in paniek te zijn. Zondags werd ik bestreden dat ik niets om mijn man gaf, anders kon ik zo niet zijn. En had ’s middags wat gerust en werd ik wakker en het greep me ineens aan dat ik mijn man moest verliezen.’
Vertroost
Mevrouw Van de Breevaart werd vertroost: ‘Ik heb gevoeld dat ik het in het vlees niet dragen kon, maar alleen met Gods genadige ondersteuning. En de andere dag was ik weer beter, en word gedurig gesterkt onder het lezen van het Woord, inzonderheid deze week uit Jesaja 43, het 1 e , 2 e en 3e vers en ook het 15 e vers. Ja het gehele hoofdstuk legde zulk een beslag op me. O, als we dat Woord niet hadden en die God van het Woord als onze Toevlucht; waar moesten we dan blijven?’
Over haar man schrijft mevrouw Van de Breevaart: ‘Mijn man zelf mag nog lijdzaam zijn, maar zijn hart zit nog zo aan de gemeente en zijn gezin. Maar hij kan er nog maar niet onder komen en gewillig loslaten. Het is ook zulk een grote verandering voor hem, altijd was hij bezig en nu als gevangen man uitgezet. Veel pijn en geen vooruitzicht op beterschap. Daar kan hij ook niet inkomen en wat een lijdensweg zal hier nog aan vast zijn. Wel mag hij ervaren en geloven in zijn leven een grond gevonden te hebben in het verzoenend lijden en sterven van Christus, vloeiende uit een getrouwe Verbondsgod, gelovende Zijn eigendom te zijn.
Vorige week, toen mijn man dat onderzoek moest hebben onder narcose, las hij ’s avonds toen ik bij hem was Psalm 91 en daar alleen is verberging in te vinden. O, hoe groot als we hier die Schuilplaats hebben leren kennen en onze toevlucht mogen zoeken onder de schaduw van Zijn vleugelen, totdat de verdervingen zijn voorbijgegaan en wij in de voetstappen der schapen onze voeten mogen zetten.
O geliefde vriendin, mag het met u nog wat gaan? U weet ook wel van drukwegen, ja uw gehele leven is door druk gegaan. En toch geen schade geleden, hè? Het lichaam dood om der zonden wil; maar de geest is leven om der gerechtigheid wil, tot roem van Gods genade. Die uit- en doorhelpt.
Mevrouw Van de Breevaart beëindigt de brief aan haar Hasseltse vriendin als volgt: ‘Ik hoop dat ik gesterkt mag worden in mijn zwakheid en God Zich over ons ontferme. En bezwijkt dan ons vlees en hart, Hij de rotssteen is van ons hart en ons deel in eeuwigheid. Dat we elkanders lasten nog mogen dragen en elkander op mogen dragen. Hij is de almachtige God. Ook de hartelijke groeten van mijn man. Nu geliefde vriendin, de hartelijke groeten van uw liefhebbende vriendin in Mesech.’
A. Bel, Door de woestijn naar Kanaän. Verhalen uit vroeger jaren, 155 pagina’s. Uitg. Gebroeders Koster. Prijs 15,90. ISBN 9789463702768
Er zijn van die boeken die je in één adem uitleest en die je ook graag anderen in handen geeft omdat ze een rijke en verrijkende inhoud hebben. Dat geldt zeker voor de bundel Door de woestijn naar Kanaän. Het is blijkens de ondertitel een bundel van veertig verhalen uit vroeger jaren. Schrijver is A. Bel, een van de redactieleden van Oude Paden en onmiskenbaar kenner van de kleine kerkgeschiedenis.
Die ondertitel heeft wel een dubbele betekenis. Het zijn niet alleen verhalen die gaan over vroeger, maar ze zijn ook al eerder gepubliceerd. Bel schreef ze voor De Saambinder, voor Om Sions Wil en voor Oude Paden. Maar dat hindert niet. Zoals vroeger bij moeder thuis een opgewarmde maaltijd soms nog lekkerder smaakte dan de verse, zo is het lezen van deze bundeling van verhalen een aangename en tegelijk leerzame bezigheid.
Man en Bruidegom
De titel Door de woestijn naar Kanaän is ontleend aan de levensgeschiedenis van Kaatje van der Wekken (1813-1885), een boerin uit Kerkwerve op Schouwen. Na het overlijden van haar man verhuisde ze met haar kinderen naar Zierikzee. Bij Kaatje, die al vanaf haar jeugd besefte dat de Heere haar toeriep zich te bekeren, kwam er op middelbare leeftijd een hartelijke levensvernieuwing. Zelf schreef ze: ‘Het was mij een bijna onoverkomelijk verlies, maar de Heere ontnam mij het ene om mij het andere in de plaats te geven. Hij nam mijn man, die mij zo lief was, weg, maar Hij gaf Zichzelven in de plaats terug. Ik moet geloven dat de Heere Jezus toen mijn Man en Bruidegom is geworden. Dat mocht ik toen zo duidelijk geloven en ondervinden. De ruiling was dus niet kwaad, hoewel mijn vlees er niet mede instemde en er gedurig nog tegenaan druist.’
Kaatje dacht, toen ze net op de weg des levens was, dat ze niet meer zoveel last van de zonde zou hebben. Ze meende spoedig naar de hemel te zullen gaan. Ze dacht dat ze voortaan alleen maar zou leven zoals de Heere wilde. In die dagen kwam ze bij een oude christin. Die zei: ‘Meisjelief, denk nu niet dat je de strijd te boven bent. Nu begint de strijd pas goed. Welkom in het strijdperk.’ Kaatje was verontwaardigd. Ze dacht zelfs dat de vrouw niet had beleefd wat zij had meegemaakt. Ze zei dat ze de Heere, haar Zielenvriend, niet zou vergeten en niet kon vergeten. Ze meende dat ze ‘van deugd tot deugd’ zou gaan en zo in Sion zou aankomen. De oude dame gaf onder tranen aan dat ze Kaatje zeker niet zou misgunnen hetgeen ze van de Heere had ontvangen. ‘Maar,’ zei ze, ‘je zult zien dat het niet altijd zo zal blijven. Denk maar aan wat de Heere gesproken heeft door een van Zijn profeten: “Ik zal haar lokken en zal haar voeren in de woestijn, en Ik zal naar haar hart spreken.” Denk daar maar veel aan, het is nu voor u de lokkenstijd, maar misschien komt u spoedig in de woestijn.’ Kaatje begreep dat toen niet, maar heeft er later veel aan moeten denken. Haar levensreis liep door de woestijn naar Kanaän, het land der ruste.
Pleisterplaatsen
De veertig schetsen spreken alle over het woestijnleven van Gods kinderen. Moeiten bleven hen niet bespaard. Maar er waren ook Elims. En juist deze pleisterplaatsen, waar zij soms na zovele bange tegenspoed weer mochten ademhalen, krijgen in deze miniaturen aandacht. Dat maakt het boek zo aantrekkelijk. Niet omdat de mensen zo bijzonder waren, maar omdat hun God zo wonderlijk handelde. Dat is de waarde van het lezen van dit soort boekjes, waarover nog weleens wat meewarig en soms zelfs misprijzend wordt gesproken. Zeker ook voor jongeren heeft de bundel betekenis. Zij kunnen in sommige hoofdstukken lezen hoe de Heere naar jonge mensen omkijkt. Zoals gebeurde bij de twee jonge schilders die een klus moesten doen bij het landhuis in Oegstgeest waar Barend Gerritsen tuinbaas was. Tussen de middag zag Barends vrouw, Gerritje, dat de twee schilders zonder bidden begonnen te eten. Dat werd haar tot nood en daarom nodigde ze volgende dag bij de eerste schaft de twee jonge mannen uit om hun brood bij haar op te eten. Ze beloofde koffie en thee. Toen de mannen zaten, zei vrouw Gerritsen: ‘Ik zag gisteren dat jullie niet bidden voor het eten.
Daarom wil ik met en voor jullie een zegen vragen.’ Voordat de jongens iets konden zeggen, vouwde ze haar handen en vroeg ze een zegen voor het eten, droeg ze het tweetal op aan de troon der genade en bad ze om de beklering van de twee jongens. Tijdens het eten vertelde ze over de zegen die er is in het dienen van de Heere en aan het eind van de maaltijd dankte ze de Heere.
Dampige mokken
Duidelijk was te zien dat de jongemannen het bidden niet echt op prijs hadden gesteld. Ondanks die afkeer van het bidden en spreken over de dienst des Heeren won de koffie het ook in de volgende dagen. De vrouw van de tuinbaas zorgde voor de dampige mokken en sprak tijdens het eten steeds weer over de noodzaak van bekering. Enkele jaren later kwamen de schilders op een avond terug. En toen vertelden ze dat de Heere hen te sterk was geworden. Het gebed van de tuinmansvrouw was als een vuur in hen gaan branden. Ze gingen leren schuldige zondaren te zijn en ze hadden vergeving gevonden in het bloed van het Lam. In de bundel die Bel samenstelde komen voorvallen uit het leven van bekende en onbekenden uit de kleine kerkgeschiedenis aan de orde, zoals de bekering van ds. A.P.A. du Cloux, de bezoeken van de tienjarige Jakob Eigeman aan ds. Ledeboer in de gevangenis, de eenzame positie van de rechtzinnige ds. Johannes Drost die in het midden van de negentiende eeuw werd genegeerd door zijn ambtsbroeders, pastorale ervaringen van de gereformeerde ds. J.D. van der Velden die een warme band had met eenvoudige kinderen van God. Kortom, dit boek biedt veel voor weinig geld. U begrijpt het: Koop het, lees het (dat gaat vanzelf) en geef het cadeau aan familie, vrienden, (on)bekenden en zeker ook aan jongeren. Opdat velen zien wie de Heere wil zijn voor Zijn kinderen. W.B. Kranendonk
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 december 2024
Oude Paden | 64 Pagina's