Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Boekbesprekingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbesprekingen

6 minuten leestijd

John Coffey (red.), The Oxford History of Protestant Dissenting Traditions Deel I: The Post-Reformation Era, c.1559-c.1689 (Oxford: Oxford University Press, 2020) 519 p., £ 110.00 (ISBN 9780198702238) en Andrew C. Thompson (red.), The Oxford History of Protestant Dissenting Traditions Deel II: The Long Eighteenth Century, c.1689-c.1828 (Oxford: Oxford University Press, 2018) 464 p., £ 100.00 (ISBN 9780198702245).

Het eerste deel van dit vijfdelige project, waarin de periode van koningin Elizabeth (1558-1603) tot de ‘Glorious Revolution’ (1688) centraal staat, laat zien dat Engeland een eigen reformatiegeschiedenis heeft gekend met aanzienlijke gevolgen voor latere tijden. Deze eigenheid heeft te maken met het verschijnsel van ‘dissent’, dat aanvankelijk binnenkerkelijk begon. Hoewel sterk beïnvloed door continentale hervormers en gereformeerd van grondslag, viel de Engelse kerk van de Reformatie op door eigensoortige elementen als een bisschoppelijke hiërarchie, kathedralen met koormuziek en ambtelijke gewaden. Het ‘half-gereformeerde’ karakter van de kerk was een doorn in het oog van vurige protestantse hervormers of puriteinen, die de kerk wilden zuiveren van deze in hun ogen roomse restanten. Aanvankelijk werd de oppositie vooral gevormd door een presbyteriaanse beweging, die haar hervormingspogingen aan het einde van de zestiende eeuw zag stranden op het verzet van zowel de kroon als de bisschoppen. Intussen hadden separatisten de staatskerk al opgegeven voor illegale gelijkgezinde gemeenten. In de loop van de zeventiende eeuw zag Engeland een sterke toename van allerlei vrije gemeenten en groeperingen, zoals congregationalisten, baptisten en sekten als de quakers. In het eerste onderdeel komt de eigenheid van het spectrum van dissenters – variërend van presbyterianen tot quakers – aan de orde. Terwijl deze stromingen in de woelige jaren veertig tot bloei kwamen, kregen ze na het herstel van de monarchie in 1660 met overheidsrepressie te maken. Pas nadat ook de presbyterianen buiten de staatskerk terecht waren gekomen, werd de term ‘dissenter’ in strikte zin gebruikt, als de verzamelnaam van allen die het oneens waren met het monopolie van de staatskerk op de terreinen van geloof en christen-zijn, en zich daarom buiten haar muren ophielden. Het duurde tot de ‘Act of Toleration’ van 1689 voordat de dissenters vrijheid kregen om ongestoord hun eigen erediensten te beleggen.

In hun verantwoording geven de redacteuren aan dat de gangbare term ‘dissenter’, die wordt gebruikt in deze vijfdelige serie, niet vrij is van problemen. Wanneer in het tweede onderdeel namelijk de internationale invloed van Engeland aan de orde komt, blijkt bijvoorbeeld dat de presbyteriaanse kerkregering bepalend is geworden voor de Schotse kerk en daar dus zeker niet in een onderge-schikte positie terechtkwam als in het buurland, terwijl in Noord-Amerika het congregationalisme de boventoon voerde. Hoewel de term dus in het licht van deze internationale vertakking problematisch is, stellen de redacteuren terecht dat andere begrippen ruim zoveel schaduwkanten kennen.

Het derde onderdeel beschrijft verschillende aspecten van de verhouding tussen dissenters en de omliggende wereld. Aan de orde komt hier hoe de positie van dissenters er plaatselijk en regionaal uitzag; hoe de verhouding met de overheid zich in verschillende perioden bewoog tussen de brandpunten van tolerantie en repressie; hoe ten tijde van legerleider Oliver Cromwell dissenters de overhand kregen, terwijl allerlei sekten sterk opkwamen. Ten slotte komt hier ook nadrukkelijk ter sprake hoe drukpers en geschriften van essentieel belang waren voor de geestelijke ontwikkeling van de dissenters. Het waren werken uit de sfeer van de puriteinse ‘practical divinity’ die een belangrijk onderdeel zouden vormen van de blijvende erfenis van Engelse protestantse dissenters.

In het vierde onderdeel krijgen we meer zicht op de binnenkant van dissenters. Het hoofdstuk over Bijbel en theologie beschrijft niet alleen de centrale plaats van bijbelvertalingen en schriftuitleg, maar gaat ook in op diverse theologische discussies die in de zeventiende eeuw werden gevoerd tussen orthodox-gereformeerde dissenters en hun tegenstanders: arminianen, antinomisten, antitrinitariërs en quakers. Opnieuw blijkt hier dat de Engelse kerk theologisch niet ergens tussen Rome en de Reformatie instond, zoals regelmatig is gesteld, maar een voluit gereformeerd karakter had. Het hoofdstuk over de eredienst en de sacramenten behandelt de puriteinse kritiek op het Book of Common Prayer, de invloed van de Westminster Directory en de betekenis van de eredienst voor dissenters. Terecht komt hierna een hoofdstuk over de prediking, want deze had weliswaar een voorname plaats in dissenterkringen, maar kwam tegelijk in een erg verschillende context voor: de kerkelijk-liturgische inbedding van de prediking onder presbyterianen verschilde namelijk van de meer vrije praktijk in congregationalistische gemeenten en met name van allerlei sektarische groepen. In beide kringen trad namelijk een groeiend aantal lekenpredikers spontaan op. Het eerste deel sluit af met een boeiend hoofdstuk over het leven als dissenter, dat is gebaseerd op recent onderzoek naar kerkregisters.

Het tweede deel van de serie, dat is gericht op de achttiende eeuw, heeft een vergelijkbare structuur als het eerste: een beschrijving van de verschillende groepen dissenters, de invloed buiten Engeland, de maatschappelijke context van dissenters en hoofdstukken over theologie, preken en publicaties. Enkele opvallende aspecten van deze periode lichten we eruit. In de eerste plaats de opkomst van het methodisme, ook wel ‘new dissent’ genoemd – in onderscheid van presbyterianen, congregationalisten, baptisten en quakers, die in de achttiende eeuw als ‘old dissent’ werden aangeduid. Terwijl het methodisme binnen de staatskerk ontstond, groeide het uit tot één van de grootste kerkelijke denominaties van dissenters. Met het methodisme was onlosmakelijk het verschijnsel van ‘revival’ verbonden, dat plaatsvond als gevolg van met name de indringende verkondiging van George Whitefield. Ten tweede het groeiende sociale bewustzijn, dat vooral tot uiting kwam in het pleidooi tot afschaffing van de slavernij, waardoor dissenters niet alleen een positieve invloed uitoefenden maar eveneens respect opriepen in de Engelse samenleving. In de derde plaats de aandacht voor zending, waarmee dissenters hun horizon verbreedden tot buiten Europa en Noord-Amerika, zoals het voorbeeld van William Carey, de vader van de moderne zending, treffend laat zien. Hij richtte zich namelijk levenslang op India. Verder valt op dat het missionaire initiatief werd gedragen door genootschappen die geen directe bindingen kenden aan kerken of overheden, maar wel gebedssamenkomsten belegden en allerlei zendingspioniers uitzonden. Een vierde karakteristiek was de discussie met het opkomende modernisme, die zich voornamelijk richtte op fundamentele geloofszaken als de incarnatie en de Triniteit. Tot slot noemen we de opkomst van het kerkelijk lied ofwel de ‘hymn’, met name door het werk van Isaac Watts en Charles Wesley. Met anderen, onder wie diverse vrouwen, waren zij verantwoordelijk voor een schat aan kerkmuziek, waarin zowel de concentratie op Christus’ verzoeningswerk als de verwondering over de genade centraal staan. Ook deze muzikale bijdrage zou een voorname plaats krijgen binnen de blijvende doorwerking van de dissentertraditie.

Beide delen laten de veelkleurige eigenheid van dissenters op een overzichtelijke en heldere manier zien. Vooral echter maken deze duidelijk dat Engeland niet alleen een eigensoortige protestantse geschiedenis heeft gekend, maar ook een grote geestelijke invloed heeft uitgeoefend op latere tijden.

Dit artikel werd u aangeboden door: Theologia Reformata

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 december 2020

Theologia Reformata | 139 Pagina's

Boekbesprekingen

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 december 2020

Theologia Reformata | 139 Pagina's