Groen van Prinsterer en de theologie
WisaRien dat de titel van mijn toespraak u bevreemdt. Zij hangt echter samen met Groen's levensdevies: "Een Staatsman niet! een Evangelie-belijder!" In zijn Parlementaire studiën en schetsen (15 januari 1866) schrij hij: "Een predikant te heten begeer ik niet. Een predikant... op politiek terrein afgedwaald, en die in de tweede Kamer spreekt, als stond hij op de kansel, maakt een onbehagelijk en, ronduit gezegd, vrij mal figuur
Als Evangelie-belijder, niet als naar politiek terrein afgedwaald predikant, was het dat ik, zonder de aspiration der eeuw gering te schatten, haar ongeloofstheorie, overal, waar ik ze ontmoet of opgezocht heb, bestreed. Als Evangelie-belijder heb ik getracht de hoofdgedachte, waaraan min leven gewijd werd: 'Tegen de Revolutie het Evangelie", ook voor mijn wetenschappelijk gevormde landgenoten te doen verstaan." Uit deze regels blijkt hoe rijke inhoud het woord "Evangelie-belijder" voor Groen had. Hij wil zijn wetenschappelijk gevormde landgenoten het Evangelie doen verstaan als de antipode van de revolutie en de moderne theologie. Hij neemt daarin de aspiratiën van zijn tijd voluit ernstig. "De vrijzinnigheid is in Kerk en Staat, ik mag het historische feit niet ontkennen, meesteres van het Nederlandse volk" (Narede van vijfjarigen strijd 1855, biz. 123).
In het geschrift het Nederlandsche Zendelinggenootschap uit 1848 heeft Groen dit breder uitgewerkt: "De belijdenis, waartoe men geroepen wordt, staat telkens met de aard der tijden, waarin men leeft, in verband. Het belijden, waarin de kracht des Christelijken geloofs zich openbaart, ligt niet altijd in het getrouwelijk opzeggen van al de artikelen des geloofs, niet altijd in een onvoorwaardelijk onderschrijven van de Symbolische Schrift... het belijden is het uitkomen voor de waarheid op het punt waar de verdediging bezwaar heeft (moeilijkheden oplevert), waar het belijden met lijden vergezeld is. Gelijk de aanval het kritieke punt wijst, zo volgt uit de aard der verloochening de aard der belijdenis, welke in ieder tijdsgewricht den gelovigen voegt. Door zodanig belijden alleen is het dat de Kerk wordt behouden en dat de waarheid over de dwaling triumfeert. Altijd ene waarheid is er, wier belijdenis, terwijl men aan de ganse waarheid vasthoudt, speciaal belang heeft... Ten aanzien van de waarheid is plichtsbetrachting en moedbetoon aan de orde van de dag."(blz. 139,140).
Het is duidelijk, dat zodanig Evangelie-belijden grenst aan de theologie. Men heeft Groen dan ook menigmaal een "theologant" genoemd. Zijn theologie heeft echter geen wetenschappelijke pretentie, maar houdt zich aan het beginsel dat door de Reformatie weer aan het licht gebracht is: door het geloof gewekt en in het geloof ontwikkeld. Het is een theologie, die gehoorzaam is aan het bevel' "Onderzoekt de Schriften." In de reeds eerder geciteerde Narede schrijft hij: "Er is een godgeleerdheid, die de gelovige dagloner wijzer maakt dan den ongelovige theologant." Wij mogen daarom onder Groen's theologie niets anders verstaan dan Evangelie-belijden tegenover de aspiratiën van zijn tijd
Dat Groen's theologie identiek is met Evangelie-belijden, blijkt uit zijn kritiek op de etfiisch-irenische richting in de Hervormde Kerk van zijn dagen. Tot deze richting behoorden aanzienlijke, bekwame en gelovige theologen. Hun theologie was echter volgens Groen geen Evangelie-belijden. Zij was niet door het geloof gewekt en uit het geloof ontwikkeld. Hun theologie was vertalen, transponeren in de sleutel van de moderne tijd, wetenschappelijk begrijpelijk maken, hermeneutiek. Zij stonden zo dicht bij hun tijd dat zij tot principiële kritiek niet meer in staat waren.
In een klein geschriftje Natuurlijk of ongerijmd? (] 864) heeft Groen zijn fundamentele bezwaren tegen de ethische theologie bondig onder woorden gebracht. Hij schrijft daarin dat hij niets weten wil van: Eén doel, twee wegen! De weg der ethisch-irenischen voert van het rechte spoor af. De ethisch-irenischen lijden aan onvastheid van beginsel en veranderlijkheid van mening Zij verrichten niets tot herstel, maar veel tot sloping van de Kerk. Hun grondfout is hun verwantschap met de dwaling van de tijd, met het liberalisme en de moderne theologie. Terwijl zij tolerant en toegeeflijk zijn tegenover de modernen, nemen zij een polemische houding aan tegen de orthodoxen en confessionelen. Dat komt, omdat zij de historische Kerk hebben losgelaten en zich blind staren op de Kerk der toekomst. Zij hebben zich overgegeven aan ongelooflijke illusion omtrent de toekomst
Een ander verwijt van Groen tegen de ethisch-irenische richting is hun 'esprit de corps'. Hij verstaat daaronder hun leven in de elitaire predikantenstand, waarin zij al te veraf leven van de ambachtsman en dagloner, van de bevolking op het platteland en in de armoedige hut. In hun stand leven zij onder de betoverende invloed van de moderne wetenschap en de mocht van de publieke opinie. En omdat zij de bedwelming van de eer, de erkenning en de roem niet missen kunnen, houden zij vrede met iedereen en bewaren zij de beste verstandhouding met degenen, van wie zij in hun geweten overtuigd zijn, dat zij onchristelijke en zelfs godslasterlijke dwalingen uitstrooien (Het regt der hervormde gezindheid, biz. 82w.).
Hieruit blijkt, dat Groen de bedwelmende invloed van de tijd en de publieke mening als de voornaamste oorzaak ziet van de ontkrachting van de christen als Evangelie-belijder. Wie eer, aanzien en erkenning zoekt, is tot belijden niet in staat Groen gebruikt er het schier onvertaalbare woord amadouement voor: het buiten werking stellen van de veerkracht van een veer Zo schreef hij. "wij in de hogere en aanzienlijke klassen der maatschappij zijn in menig opzicht ondergeschikt aan de invloed van een valse wetenschap, van politieke berekening, ja zelfs van een verslapping en toegeeflijkheid [amadouement), waardoor in onze beschouwing de zuiverheid der omtrekken gevaar loopt en de wezenlijke stand der zaken door een nevel omhuld wordt..." [Adviezen in de Tweede Kamer der Staten-Generaal, il, bIz. 131, 132).
Deze afkeer van Groen van de ethisch-irenische richting laat zien, waar het voor Groen op aankwam in het belijden van het Evangelie. Deze stroming geeft de waarheid prijs op het punt, waar de verdediging bezwaren met zich meebrengt, en waar plichtsbetrachting en moedbetoon aan de orde van de dag is. Zij levert zich door de zuigkracht van het liberalisme en de moderne theologie over aan die "ongelooflijke illusiën omtrent de toekomst."
Dat Groen-zelf in zijn Evangelie-belijden de waarheid geraakt heeft op het punt, waar belijden met lijden vergezeld gaat, bewijst zijn levensgeschiedenis. Het is bekend, hoe hij in de Kamer door Thorbecke bejegend werd als iemand, die met zijn tijd niet mee kon komen en die zich "des fausses idees" gevormd had, "sur la situation du monde d'aujourd'hui" ("foutieve gedachten" gevormd had "over de toekomst van de hedendaagse wereld"). Hoe hij door zijn politieke tegenstanders werd afgeschilderd als voon/echter van een heersende Kerk en als voorstander van een absolute despotie.
Toch was dat niet zijn zwaarste levenskruis. Zijn grootste verdriet was de teleurstelling, die hij beleefde met de ethisch-irenische richting, met wier leidsiieden hij de samenwerking zozeer had begeerd, en die zich van hem afkeerden met het verwijt van "leer zonder leven, dorre dogmatiek, ketterjacht en inquisitie" [Natuurlijk en ongerijmd?, bIz. 19). Op grond daarvan klaagt hij: "Ik geld voor het tegendeel van wat ik ben" en "Vreemdeling ben ik na veertigjarige strijden en lijden in mijn eigen land' [Nederlandsche Gedachten, 24 juli 1873) In meerderheid hebben de leidinggevende figuren in Kerk en Staat Groen's Evangelie-belijden afgewezen. "De ethisch-irenische richting heeft, in Kerk en Staat, over ons, in het voordeel der gemeenschappelijke wederpartijders, de overwinning behaald. Dat wij uit het veld geslagen zijn, is grotendeels haar werk" [Voorberigt van de Verspreide Geschriften, Deel /). Groen's medechristenen hebben dus de importantie van het devies: 'Tegen de Revolutie het Evangelie'' niet gepeild. Dat geldt zelfs van Da Costa en, naar mijn gedachte, ook van Abraham Kuyper. Hun theologie was te zeer verwant aan en gebonden door het tijdsbeginsel don dat zij tot zodanig belijden in staat waren, dat de Kerk wordt behouden en de waarheid over de dwaling triumfeert. Als voorbeeld citeer ik
enkele regels uit Do Costa's gedicht: Aan Nederland in de lente van 1844.
Neen! Geen sluimren! - neen! geen stilstaan!
Al wat leven mist, mist God.
't Zij dan leven! 't Zij beweging! maar bewe
ging zij hier kracht;
geen verplaatsing slechts, door 't schudden
van den bodem voortgebracht;
geen vervoering door den prikkel van een
smaaklijk zwijmelgift;
geen verbloemde goud- of staatszucht; geen
gehate fractiedrift.
Ja, 't zij leven, 't zij herleven door dit weer
gespaarde volk!
maar een leven niet van droomen, stout
gegrepen uit een wolk,
niet ontvoerd aan vreemde zeden als een nut
telooze roof, -
neen! ontwikkeld uit den wortel van
Geschiedenis en Geloof!
In zijn wezen vrucht der tijden, - in zijn vorm
van dezen tijd!"
In welk opzicht was nu voor Groen van Prinsterer het Evangelie de antipode van de Revolutie? Zeker niet in de zin als men in onbegrip hem zo vaak verweten heeft. Groen ontleende aan het Evangelie geen conservatieve, reactionaire, absolutistische levens- en wereldbeschouwing. Het duidelijkst blijkt dat uit Groen's houding tegenover de Utrechtse contra-revolutionaire Factie. Van haar anti-papistische, repristinerende opvattingen had Groen een afkeer "Wij willen niet in hun schuit overgaan; voor God en onze consciëntie niet!" [Nederlandsche Gedachten, 20.6 en 8.7. 1873). Het blijkt ook uit het feit, dat hij na het kritieke jaar 1848 niets moest hebben van de zich alom openbarende "reactionaire mousson" (moesson). Van de socialisten en communisten erkende hij het goed recht "een wijziging der maatschappij te verlangen, waardoor aan het ergerlijk en hartverscheurend contrast van overvloed en gebrek, brooddronkenheid en brodeloosheid, genot en jammer een einde wordt gemaakt [Grondswetsherziening en Eensgezindheid, biz. 190). Groen was dus allerminst een handhaver van de maatschappelijke status quo.
Het punt, waar Groen het Evangelie beleed als de antipode van de Revolutie, was de moderne leer der perfectibiliteit (mogelijkheid tot vervolmaking) en het er wezenlijk mee verbonden vooruitgangsdenken. Ten opzichte hiervan kon er voor Groen geen sprake zijn van irenische toegeeflijkheid en verdraagzaamheid. Hier is voor de christen plichtsbetrachting en moedbetcx)n aan de orde van de dag. Hier staan tegenover elkaar waarheid en mening, openbaring en subjectiviteit, beginsel en beginselloosheid, geloof en ongeloof De grote representanten (vertegenwoordigers) van deze antipode waren Groen en Thorbecke Groen schreef kort voor de dood van Thorbecke op 15 mei 1872: 'Thorbecke geeft sedert meer dan dertig jaar in Nederland de toon aan. In harmonie met de grondtoon der eeuw. Zijn leus was: Het kan niet anders De mijne: Ik mag niet anders" {Nederlandsche Gedachten).
Een samenvatting van zijn antithetische stellingname ten opzichte van het revolutionaire vooruitgangsdenken heeft Groen gegeven in de leuze: "Er staat geschreven! en Er is geschied!". Deze uitwerking ervan vinden wij in het geschrift: Proeve over de middelen waardoor de waarheid wordt gekend en gestaafd uit 1858. Zowel in zijn Ongeloof en Revolutie als in de Nederlandsche Gedachten stelt hij die leuze centraal "Ik eindig met de verklaring dat ik, tegen alle wijsheid der mensen, bij het gevoel van eigen zwakte, twee woorden als onderpand der zege, ten leus heb: Er staat geschreven! en Er is geschied!
Een fundament tegen elk schutgevaarte, een wortel tegen iedere wervelwind van filosofisch ongeloof bestand".
Het voouitgangsdenken en de theorie der perfectibiliteit zijn voor Groen, de ondermijning van de fundamenten van de Kerk, Staat en Maatschappij. Zij leveren de mensheid uit aan ijdele illusiën en storten haar in de afgrond van anarchie en dictatuur Niets heeft tegenover dat procesdenken en dat vooruitgangsgeloof bestand. Alles wordt meegesleurd in die stroom. Alleen het Evangelie, dat als centrum heeft de verzoening door het kruis van Christus, biedt weerstand. Het kruis is het onvergankelijk middelpunt van de wereldgeschiedenis (Proeve, bIz. 47).
V/ij constateerden, dat Groen van Prinsterer als Evangelie-belijder een onbegrepen en eenzaam christen geweest is temidden van zijn tijd- en geloofsgenoten. Ondanks het oerreformatorisch karakter van zijn theologie, die door het geloof gewekt en in het geloof ontwikkeld was, is hij een vreemde eend gebleven in de theologische bijt. Zo bleef hij tot zijn dood een vreemdeling in eigen Land en Kerk.
Intussen is een eeuw verstreken. Moeten wij niet zeggen, dat die eeuw Groen in het gelijk gesteld heeft tegenover Thorbecke en de liberalen, tegenover Opzoomer en de moderne theologen, tegenover Van der Brugghen en de ethisch-irenischen, en ook tegenover Da Costa? Bijkans een eeuw lang heeft de filosofie van de vrijheid, van de perfectibiliteit, van het vooruitgangsdenken met haar ongelooflijke illusies, zich kunnen uitvieren. Een eeuw lang is het subjectivisme met zijn beginselloosheid, zijn pragmatisme, zijn afbrekende en ondermijnende kritiek op de Openbaring, de Schrift, de Historie, kortom met zijn revolutionaire kracht, in staat geweest om zich te ontplooien. Staat, Kerk en Maatschappij zijn door dit vooruitgangsdenken met zijn ongelooflijke illusion losgewrikt van hun fundamenten en aan het tijdsproces ondergeschikt gemaakt. De historie heeft men geofferd aan de toekomst. Wat Groen in de vorige eeuw aanwees als de Revolutie kennen wij thans als de macht van de ideologie: het fascisme, pacifisme, anarchisme, positivisme, marxisme, maoïsme. Van het stelsel der perfectibiliteit en van het vooruitgangsdenken is de ideologie de rijpe vrucht. Een ideologie is immers een toekomstillusie op wetenschappelijke basis, en daarom een gepland, methodisch, gewelddadig ingrijpen in de werkelijkheid. Daarom is elke ideologie in wezen onhistorisch. Zij neemt geen genoegen met snoeien en kappen, maar eist ontworteling. Zij is radicaal. In de honderd jaren na Groen's verscheiden is Europa het laboratorium en het slagveld geweest van dergelijke revolutionaire machten, dergelijke "idées-forces" (bezielende krachten), die alles voor zich opeisen, alles aan zich onderwerpen, niets en niemand ontzien, historische rechten en vrijheden vertrappen - en die dat alles doen met een dubbel aureool. Het aureool van wetenschappelijkheid en het aureool van religiositeit Ideologieën zijn daarom bijkans onkwetsbaar Als een net worden zij over het ganse bestaan uitgeworpen, zodat alle gedachten gebonden en vleugellam gemaakt worden. Zij zijn totalitair Het zijn deze ideologieën als de rijpe vruchten van het revolutiebeginsel, die thans als "boze machten in de lucht" en als "wereldbeheersers"(Efeziërs 6:12) overal heerschappij voeren. Daarom kan thans een zinnig mens, die niet ideologisch doof, blind en stom is, niet anders doen dan Groen gelijk geven tegenover Thorbecke, Opzoomer, Van der Brugghen, Da Costa en al hun nazaten. Met dien verstande, dat wij in onze eeuw het woord "anti-revolutionair" van Groen liever veranderen in "anti-ideologisch".
Maar wél moet daarbij gezegd worden, dat men pas in de volle zin des woords, en zoals Groen het voorgeleefd heeft, "anti-revolutionair", ""anti-ideologisch" is, wanneer men daaraan toevoegt: Tegen de ideologie het Evangelie! Immers alléén het Evangelie heeft bestand tegen de ideologie en biedt kracht tot weerstand tegen de ideologen. Alléén het Evangelie! Elke andere macht, die een ideologie bestrijdt, wordt automatisch in die strijd zelf een ideologie. Dat is de tragiek van alle anti-fascistische en alle anti-communistische fronten
Alléén het Evangelie kan de ideologie weerstaan, omdat het Evangelie het kruis der verzoening stelt tot middelpunt van de wereldgeschiedenis. Daarmee is elke theorie der perfectibiliteit, elke toekomstillusie, alle vooruitgangsdenken onmogelijk geworden. Tegenover de ideologie met haar wetenschappelijke en religieuze aureool en haar meeslepende zuigkracht voor de natuurlijke mens stelt het Evangelie het harde onloochenbare feit van het Kruis. En de gehoorzame Evangeliebelijder doet niet anders dan tegenover de aspiratiën van zijn tijd in telkens nieuwe vorm herhalen: "Er staat geschreven! Er is geschied!".
Ongetwijfeld zal het u nu duidelijk zijn, waarom ik tot u spreken wilde over Groen van Prinsterer en de theologie. Groen's theologie was immers het stellen van het Evangelie tegenover de ideologie. En van hoe grote, actuele betekenis is dat in onze door ideologieën geknevelde tijd! Maar wel is er reden om te eindigen met de verzuchting: Zulke Evangelie-belijders, - zijn die er nog in onze eeuw?
'jToespraak gehouden op 19 mei 1976 in de Waalse Kerk te 's-Gravenhage, ter gelegenheid van de herdenking van de 100ste sterfdag van Mr Guillaume Groen van Prinsterer
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 18 augustus 2001
Ecclesia | 16 Pagina's