Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De betekenis van de Septuaginta

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De betekenis van de Septuaginta

31 minuten leestijd

Dr. Aalders en de LXX

HHet is u bekend dat dr. W. Aalders in zijn laatste levensjaren meerdere boeken schreef over de LXX, de vertaling van het Oude Testament in het Grieks. Wat hij nauwelijks wist en ook niet kon weten, was dat op het moment dat hij zijn boek schreef, ook veel andere geleerden zich bezig hielden met de Septuaginta. Eén van hen was professor Martin Hengel uit Tübingen. Wat hij ook niet kon weten, was dat dat

de bestudering van de LXX in korte tijd wereldwijd een enorme vlucht zou nemen. Elk jaar verschijnt bij uitgeverij Mohr Siebeck een verzamelband met lezingen van specialisten over de Septuaginta en dit jaar zal daar een eerste deel het licht zien van een nieuw lexicon op de LXX. Gelukkig blijft de interesse niet beperkt tot de universiteiten. Die Deutsche Bibelgesellschaft gaf in 2009 een integrale Duitse vertaling uit van de LXX. Ook in Italië verscheen onlangs een mooie vertaling.

Tegen deze achtergrond springt de betekenis van de LXX nog duidelijker in het oog dan in de tijd van dr. Aalders het geval was.

In deze lezing wil ik eerst het nodige naar voren brengen over het ontstaan van de LXX, vervolgens iets zeggen over het karakter ervan, daarna stilstaan bij het boek Daniël en tot slot ingaan op de betekenis van de LXX voor de prediking van Christus. Als vanzelf blijkt dan, hoop ik, welke betekenis de LXX heeft voor de kerk van nu.

Het ontstaan van de LXX

Ptolemeus I en de vertaling van de Torah Wie iets wil zeggen over het ontstaan van de LXX kan niet anders dan te rade gaan bij de zogenaamde brief van Aristeas die geschreven werd ongeveer 140/130 v.Chr. Aristeas vertelt erin hoe ten tijde van koning Ptolemeus I Soter, de eerste Griekse koning van Egypte, in Alexandrië de vertaling van de Torah, de eerste vijf boeken van Mozes, tot stand kwam. Ptolemeus regeerde over Egypte van 305 tot 283 voor Christus.

Ptolemeus I stond aan het begin van een nieuw tijdperk in de geschiedenis: dat van het hellenisme. Ptolemeus had als generaal gediend onder Alexander de Grote, die rond 330 v.Chr. kans had gezien de Perzen te verslaan, die eeuwenlang de scepter zwaaiden over het Midden-Oosten en Klein-Azië (het huidige Turkije). Hij veroverde achtereenvolgens: Klein-Azië, Libanon, Syrië, Israël, Egypte, Libië en die streken die wij nu Jordanië, Irak en Iran, Afghanistan, Bangladesh en India noemen. Hij deed dat in minder dan tien jaar tijd. Door zijn toedoen lag de hele ‘toenmalige wereld’ open voor de Griekse cultuur.

Alexander stierf in 323 v.Chr. op 33-jarige leeftijd. In Egypte had Alexander aanwijzingen gegeven voor de bouw van een stad aan de Middellandse Zeekust: Alexandrië. Alexandrië groeide in korte tijd uit tot een stad met een honderdduizenden inwoners. De stad trok duizenden Joden aan die een substantieel deel van de bevolking uitmaakten. Er woonden meer Joden in Alexandrië dan in Jeruzalem.

De vraag die geleerden bezig houdt, is of het waarschijnlijk is dat een Griekse koning een dergelijk vertaalproject in gang zette? Er is veel wat pleit voor de historiciteit van wat Aristeas beweert.

Veel wijst erop dat de koning een buitengewoon brede belangstelling had, ondermeer het feit dat hij in Alexandrië een bibliotheek stichtte, waar al snel honderdduizenden werken van de meest uiteenlopende auteurs te vinden waren. Het is aannemelijk dat Ptolemeus ook interesse had voor een vertaling van de Torah. De Joden, die, zoals gezegd een wezenlijk bestanddeel vormden van de bevolking van Alexandrië, kunnen zijn belangstelling daarvoor hebben gewekt.

Het is ook mogelijk dat de motivatie van de koning ingegeven werd door politieke motieven. Omdat er veel Joden in zijn rijk woonden, deed hij er goed aan hun een relatieve zelfstandigheid te geven. Zo was het ook geweest in het Perzische Rijk. Maar evenals de Perzische koningen wilde hij in dat geval op de hoogte zijn van hun wetten en gebruiken. De behoefte aan een vertaling van de Torah werd daardoor vergroot.

Wellicht heeft de koning bovendien inhoudelijk belangstelling gehad voor de Joodse godsdienst. Er was veel wat de Grieken met de Joden gemeenschappelijk hadden. Dat gold vooral hun filosofen en tragediedichters. Het was ook hun overtuiging dat God een Geest is, dat Hij de wereld schiep, dat er een onzichtbare werkelijkheid is, waarop de mens zich vooral moet richten, dat de mens afhankelijk is van God en dat hij als hij zich daarvan niet bewust is, in zijn hoogmoed vastloopt en in een situatie komt, waaruit alleen God kan verlossen. Zij troffen in het Jodendom soortgelijke gedachten aan. Hengel zei over deze ontmoeting tussen Joden en Grieken: ‘Het was als bij Adam en Eva. Toen Adam Eva zag, riep hij uit: “Dit is ditmaal been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees” – en de vonken zijn eraf gesprongen.’

Aristeas vertelt dat Ptolemeüs I voor de totstandkoming van een goede vertaling een beroep deed op de schriftgeleerden in Jeruzalem. Zeventig van hen kwamen naar Egypte. 1 Zij vertaalden elk afzonderlijk de vijf boeken van Mozes. Het feit dat zij allen met exact dezelfde vertaling kwamen, onderstreepte het goddelijke karakter ervan. 2 Aristeas vertelt dat er, toen de vertaling gereed was, op het eiland Pharos, in de Nijl, een groot feest werd georganiseerd, waaraan zowel Joden als niet-Joden deelnamen. Ruim een eeuw later vertelt Philo dat het in zijn dagen nog steeds een gebruik was om jaarlijks op het eiland de totstandkoming van de LXX te vieren.

Het kan dus heel goed zijn dat de koning zelf het initiatief nam tot de vertaling van de Torah. In dat geval hebben de Joden er hun medewerking aan verleend.

De Joodse gemeenschap

Het is echter ook mogelijk dat het initiatief tot de verta-ling van de Joden uit Alexandrië kwam en dat de koning ‘slechts’ zijn medewerking verleende.

De Joodse gemeenschap begreep heel goed dat een vertaling van de eerste boeken van Mozes van grote betekenis was.

1. Een vertaling bood de mogelijkheid om de rijkdom van hun geloof aan de Grieken en andere volken duidelijk te maken.

2. Velen van hen spraken geen Hebreeuws. Zij moesten zich tijdens de erediensten behelpen met een mondelinge vertaling. Door een geschreven vertaling kon men direct uit de Schrift lezen en men kon deze direct verstaan. Het voorlezen uit de Septuaginta moet voor de Joden in Alexandrië (en in andere steden in de diaspora) als een Pinksterwonder geweest zijn!

Rond 300 v.Chr. werd de Torah vertaald. Pas veel later kwam men ertoe de profeten en de geschriften, de andere twee bestanddelen van het Oude Testament, te vertalen. Waarschijnlijk werden – na de Torah – de Psalmen het eerst vertaald. De Joden zelf namen daartoe het initiatief. In de eredienst namen zij een belangrijke plaats in. Daarop vertaalde men de profeten en het merendeel van de zogenaamde ‘geschriften’.

Aristeas beperkt zich in zijn verslag over de totstandkoming van de LXX tot de vertaling van de Torah. Deze werd, zo vertelt hij, beleefd als een wonder. De vertaling gold als geïnspireerd: ‘Er mocht niets aan worden toegevoegd of van worden afgedaan.’ Men kan ervan uitgaan dat in de tijd dat Aristeas zijn brief schreef ook de vertaling van de andere oudtestamentische boeken als gezaghebbend werd gezien, zij het dat men doorgaans meer waarde hechtte aan de Torah dan aan de profeten en de geschriften. Dat was ook het geval in Israël, waar vooral in en rondom Jeruzalem veel Griekse Joden woonden. Het is zeker dat sommige oudtestamentische boeken in Jeruzalem in het Grieks vertaald werden, bijvoorbeeld het boek Esther.

De karakteristieken van de LXX

Vertalen is interpreteren – dat geldt van elke vertaling, ook van de LXX. De vertalers van de LXX deden echter meer. Ze veroorloofden het zich om, in het licht van de centrale boodschap van een boek of hoofdstuk hier en daar (verhelderende) wijzigingen aan te brengen. Daarmee wijzigden zij, voor hun besef, de boodschap niet. Ze verdiepten deze en brachten de eigenlijke inhoud ervan naar voren.

Er is veel voor te zeggen dat de ontmoeting met de Griekse wijsheid hen hielp om de rijkdom van hun eigen geschriften des te meer te onderkennen. Aristobolos, een Joods filosoof van rond 170 v.Chr. en bewonderaar van Plato, begreep juist door Plato te lezen, dat Mozes dingen had gezien, die Plato slechts ‘uit de verte’ zag. Hij maakte dankbaar gebruik van inzichten van Plato, in de uitleg van de Schrift. Tegelijk moeten hij en anderen hebben gehoopt dat de Grieken door kennisneming van de Schrift onder de indruk zouden kunnen raken van wat Israël de volkeren te bieden had. Dat verklaart het enthousiasme dat in de vertaling van de LXX vaak voelbaar is.

Wat is kenmerkend voor de LXX? Ik noem enkele karakteristieken:

1. De grote nadruk op de schepping en op de wijsheid die ten grondslag ligt aan de schepping. In de schepping licht Gods wijsheid op. De Septuaginta onderstreept dat de stem van de wijsheid die in de schepping hoorbaar is, dezelfde is als de stem van God in de Wet, die aan Israël is geschonken. In de Wet spreekt God echter veel duidelijker dan in de schepping. Juist omdat Israël dit voorrecht heeft ontvangen, kan het andere volkeren, die ook iets van Gods stem opvingen, tot een licht zijn. God had ook aan de heidenen de nodige wijsheid gegeven. Zij zouden ontvankelijk zijn voor de boodschap ervan, die daar enigszins bij aansloot, maar die deze ook overtrof.

2. Gods heil draagt een universeler karakter dan in de Hebreeuwse Bijbel. Omdat de andere volkeren bij Gods schepping horen, draagt God ook zorg voor hen. Zo lezen we in de LXX dat God aan álle volkeren een engel heeft gegeven, die hen leidt (Deut. 32:8). In Jesaja 42:13 staat dat God tegen de heidenen zal uittrekken als een ‘krijgsman’. In de LXX staat juist dat Hij de oorlog teniet zal doen! In Psalm 2 staat dat de koning, die Gods zoon wordt genoemd, de heidenen zal ‘weiden’ met een ijzeren staf, terwijl in de MT staat dat hij hen zal ‘verpletteren’.

3. Daarmee hangt een andere trek van de LXX samen: de vertalers leggen minder nadruk op de betekenis van het land Israël en meer op Gods verbintenis met het volk Israël: God kan overal aangeroepen worden. Hij woont overal. Zijn land is behalve Israël de hele bewoonde wereld, de oikoumènè!

4. De LXX is vaak milder van toon waar het gaat over de betrekking van God tot Israël. Een voorbeeld kan volstaan. In Exodus 20 zegt de Here God: ‘Zie ik zend mijn Engel voor u uit, die zal u op de juiste weg leiden naar het beloofde land. Wie hem tegenspreekt zal hij niet vergeven.’ In de LXX lezen we: ‘Zie Ik zend mijn boodschapper voor u uit, die zal u op de juiste weg leiden, ook als u hem tegenspreekt zal hij niet van u wijken.’

5. In de LXX is de verhouding van God tot de Heiland van de wereld enigszins anders getoonzet. De Redder was al voor de schepping bij God en werd uit God geboren. Een parallel met de Wijsheid, met wie God overlegde voordat Hij de wereld schiep en die uit Hem geboren werd, ligt voor hand. In Jesaja 53 is de verhouding tussen God en de Knecht des Heren inniger en minder ‘wrang’ dan in de MT. In het Hebreeuws staat dat God de Knecht des Heren ‘verbrijzelde’. In de LXX staat het tegenovergestelde: ‘U hebt de plaag van Hem afgenomen.’

Het boek Daniël

Crisis

Rond 150 v.Chr. waren de meeste boeken van het Oude Testament in het Grieks vertaald.

Juist dan breekt in Israël een enorme crisis uit. Inmiddels valt Israël niet meer onder het bewind van de Ptolemeeën in Egypte. In 198 v.Chr. had Antiochus III Jeruzalem veroverd, waardoor Israël tot het machtsgebied van Seleucië behoorde. In 168 v.Chr. beging zijn zoon Antiochus Epiphanes een grote vergissing. Mede op verzoek van Grieksgezinde Joden, onder wie zelfs familieleden van de hogepriester, ontwijdde hij de tempel. Wetsgetrouwe Joden komen, onder leiding van Judas Maccabeüs kwamen in opstand en behaalden de overwinning. Ze wijdden de tempel opnieuw in. Ook daarna is Israël tientallen jaren het toneel van strijd, waaruit de Maccabeeën als overwinnaars tevoorschijn komen. Israël krijgt zelfs de grenzen die het had ten tijde van koning David (iets wat vanaf de ballingschap niet voorgekomen was).

De Maccabeeën vertoonden gaandeweg echter alle karakteristieken die alle despoten van destijds kenmerkten. Ze kenmerkten zich door hardvochtigheid. Zo dwongen ze de heidenen die in de veroverde gebieden woonden zich te laten besnijden. Hun optreden naar rivalen toe was soms meedogenloos en zorgde voor een scheiding der geesten: behalve dat zij de titel koning aannamen, trokken zij het hogepriesterschap naar zich toe. Mede als reactie daarop ontstonden rond 150 v.Chr de sekten die wij uit het Nieuwe Testament kennen: die van de farizeeën (die zich toelegden op de naleving van de Wet) en de sadduceeën (de priesters). Anderen vormden de secte van de Essenen. Zij dachten met nostalgie terug aan de verdreven hogepriester Onias die zijn toevlucht had gezocht in Egypte en daar een tempel bouwde. Weer anderen trokken zich terug in de heuvels bij Qumran.

De populariteit van Daniël

Juist in deze tijd van crisis en verwarring zag een nieuw boek het licht, dat al snel vertaald werd in het Grieks, het boek Daniël. Het mag een wonder heten dat het aanvaard werd als één van de heilige geschriften. Dat men het boek zoveel waarde toekende, was omdat het de verhalen die van Daniël in omloop waren, bundelde en er een boodschap in te vinden was, die direct van toepassing was op de tijd van crisis die men beleefde. Het boek behoort tot de zogenaamde apocalyptische literatuur. In deze literatuur wordt de geschiedenis op zo’n manier (vaak beeldend) geduid dat duidelijk wordt wat Gods bedoeling in de geschiedenis is, waar God naar toe werkt en hoe Hij zal verlossen. Het boek Daniël maakte duidelijk dat het intiatief tot de verlossing geheel bij God ligt. Hij zal de impasse waarin de wereldgeschiedenis gekomen is, op eigen initiatief doorbreken en zo een nieuwe toekomst scheppen.

Daniël 2 en 7

En toch: ondanks de populariteit van het boek Daniël, is het duidelijk dat men met de eigenlijke boodschap van het boek moeilijk raad wist. Dat betrof vooral twee hoofdstukken: Daniël 2 en 7.

Daniël 2 beschrijft de droom van Nebukadnezar waarin deze een geweldig groot beeld ziet, dat door een steen, die van een berg kwam afrollen verwoest werd. Daniël 7 beschrijft een visioen waarin de profeet vier afschrikwekkende dieren ziet. Het zijn vier wereldrijken. Dan ziet Daniël iemand als een Mensenzoon. Deze komt op de wolken naar God toe en ontvangt (in tegenstelling tot de dieren) de macht over alle volkeren en de hele schepping.

De parallellen tussen beide hoofdstukken springen in het oog. In beide gevallen is sprake van vier rijken. In beide gevallen wordt hun alle macht ontnomen. De steen die naar beneden komt en die een einde maakt aan de wereldrijken is een beeld van de Zoon des mensen. De Mensenzoon is de Messias, in en door wie het Koninkrijk van God doorbreekt en gestalte krijgt.

De eigenlijke boodschap van deze hoofdstukken is niet makkelijk te doorgronden. In Qumran trof men meerdere fragmenten van de profetie aan. Wat men echter niet aantrof was een fragment van Daniël 7:13, waarin staat dat de Zoon des mensen alle macht ontvangt. Heeft men moeite gehad met deze tekst, omdat deze haaks stond op de gedachte die in Qumran leefde dat de Messias ooit met geweld het Koninkrijk van God op aarde zou vestigen, zoals dr. Aalders vermoedt? Verklaart dit ook de moeite die de zeloten hadden met Daniël 7:13? 3

Op de sadduceeën zal Daniël weinig tot geen aantrekkingkracht hebben uitgeoefend. Zij aanvaardden uitsluitend de boeken van Mozes en waren sowieso beducht voor de apocalyptische literatuur. De farizeeën zullen aangesproken zijn door Daniëls wetsgetrouwheid en door het laatste hoofdstuk waarin sprake is van de opstanding uit de doden, een leerstuk dat door de sadduceeën, hun rivalen, werd ontkend. Zoals gezegd: met Daniël 2 en 7 wist men moeilijk raad.

De rabbijnen en het boek Daniël

Is het feit dat het geschrift in ongeveer 100 n.Chr., toen de rabbijnen de Hebreeuwse canon vaststelden, niet bij de profeten, maar bij de geschriften werd ingedeeld, daar ook een bewijs van? En dat terwijl het boek in de LXX wel een plaats kreeg bij de profeten.

Welke reden hadden de rabbijnen voor hun keuze?

Het kan zijn dat de canon van de profeten in Jeruzalem in de laatste eeuwen voor Christus al ‘gesloten’ was, omdat men ervan uitging dat na de ballingschap geen nieuwe profeten meer zouden opstaan. Het kan goed zijn dat de Joden in Alexandrië deze opvatting niet deelden: de canon was niet gesloten. De rabbijnen gingen in dat geval rond 100 n.Chr. in het spoor van de traditie van Jeruzalem.

Er is echter ook een andere mogelijkheid. In dat geval werd Daniël in Jeruzalem aanvankelijk wel gerekend tot de profeten. Na de ervaring met de apocalyptisch ingestelde zeloten, waren de rabbijnen echter kopschuw geworden voor alle apocalyptische literatuur. Om die reden rekenden ze Daniël niet tot de profeten.

De vraag is of er niet nóg meer speelde? Heeft men Daniël deze plaats niet gegeven omdat juist de christenen veel waarde hechtten aan de profetie van Daniël, juist ook omdat het boek Daniël in het leven van de Here Christus een buitengewoon belangrijke rol speelde? Is het zo dat de christenen in navolging van Christus wèl raad wisten met de profetie van Daniël, juist waar het de apocalyptische hoofdstukken betreft?

De profetie van Daniël in het leven van Christus

In het leven van de Here Jezus Christus heeft de profetie van Daniël een bijzonder belangrijke rol gespeeld.

Dat blijkt allereerst uit het feit dat Hij zich keer op keer de ‘Zoon des mensen’ noemt en aan deze titel een messiaanse klank geeft. Op één aspect van de Zoon des mensen legt Christus vanaf de eerste periode van zijn optreden (Hij is dan nog in Galilea) alle nadruk: dat Hij alle macht van God ontving: ‘Vader, Ik dank U dat U deze dingen verborgen hebt voor de wijzen en verstandigen, maar ze aan de kinderkens hebt geopenbaard.’ 4 (Mattheus 11). Christus zegt dat Hijzelf aan de kinderen de Vader laat kennen en dat de Vader de kinderen openbaart dat Hij van de Vader alle macht ontving ofwel de Zoon des mensen is. De ‘kinderen’ krijgen dus hetzelfde te zien als Daniël! De ‘wijzen en verstandigen’ zagen dat niet.

Als Jezus na de periode in Galilea naar Jeruzalem trekt om zijn lijden en sterven tegemoet te gaan, blijkt Hij des te meer belang te hechten aan de profetie van Daniël. Meer dan eens houdt Hij zijn discipelen voor dat de Zoon des mensen zal lijden en weer zal opstaan. Het is alsof Hij zichzelf aan de profetie van Daniël optrekt en de discipelen wil laten delen in het uitzicht dat Hij heeft.

Vooral in de week die voorafgaat aan zijn lijden, speelt de profetie van Daniël een bijzonder belangrijke rol. Er is veel voor te zeggen dat dit vooral geldt van de tekst in de LXX.

De Septuaginta en de boodschap van

Christus

Jezus en de Griekse wereld

In de week voor zijn lijden en sterven verblijft Christus elke dag in Jeruzalem en dat met name op het tempelplein. Het zijn de dagen voor het Joodse Paasfeest. Dat betekent dat er duizenden en duizenden pelgrims de stad bevolken. Zij spreken Grieks. Mede door de grote toevloed van pelgrims is men in Jeruzalem zo vertrouwd met de Griekse wereld, dat Martin Hengel de stad typeert als een Joodse en hellenistische stad. Schattingen wijzen uit dat naast veel pelgrims ook een groot deel van de eigen bevolking (10 tot 20 procent) uitsluitend Grieks sprak. De Griekse taal is er zo ingeburgerd dat vrijwel iedereen zich erin verstaanbaar kon maken. Veel Joden spraken zowel Aramees als Grieks.

Geheel in overeenstemming daarmee is dat de Septuaginta in Jeruzalem voluit bekend was. In Jeruzalem konden de pelgrims terecht in een grote synagoge waar de eredienst in het Grieks werd gehouden. Ook de schriftgeleerden waren vertrouwd met de LXX. Zij namen de vertaling zo serieus is dat zij er al decennialang gepaste (kleine) correcties in aanbrengen. Het kan dan ook niet anders dan dat zij op de hoogte waren hoe de vertalers in de LXX de Hebreeuwse bijbelteksten interpreteerden.

Martin Hengel en velen met hem gaan ervan uit dat de Here Jezus in zijn jonge jaren het Grieks al enigszins machtig is geworden. Nazareth lag dichtbij Sephoris, een Griekse stad in aanbouw. Het is waarschijnlijk dat Jozef er als timmerman meer dan eens werkzaamheden uitvoerde. Er zijn in de Evangeliën aanwijzingen dat Christus Grieks sprak. Zo sprak Jezus met de Syro-Phenisische vrouw, die een Griekse was. Hij sprak met Pilatus. Is het niet meer dan waarschijnlijk dat ook de Here Jezus belang stelde in de Septuagintvertaling en er enigszins mee vertrouwd was? In de Evangeliën zien we dat Hij bij bepaalde gelegenheden uit de Septuaginta citeert, ondermeer na de intocht in Jeruzalem. Dat Hij dit juist dan doet, behoeft ons niet te bevreemden, zeker niet als we bedenken dat Hij de laatste dagen voor zijn sterven in Jeruzalem omringd werd door de schare, die, zoals Marcus schrijft, versteld stond over zijn leer. Velen van hen zullen pelgrim geweest zijn.

De week voor Jezus’ sterven

Als we dit weten, zijn de volgende momenten van bijzondere betekenis: de intocht in Jeruzalem en de tempelreiniging, de gesprekken daags erna; de gelijkenis van de wijngaardeniers; het gesprek met de discipelen over de tempel; het laatste gesprek op het tempelplein (over Psalm 110) en tot slot het verhoor voor het Sanhedrin.

1. De intocht

Bij de intocht in Jeruzalem zingt de schare Psalm 118: ‘Gezegend Hij die komt in de Naam des Heren.’ Jezus wordt vol vreugde en uitbundig onthaald. De farizeeën en de oudsten kijken geërgerd toe. Zij weigeren Jezus te huldigen als de zoon van David.

Dan reinigt Jezus, tot hun woede, de tempel en motiveert zijn daad met een verwijzing naar de profeten Jesaja en Jeremia: ‘Er staat geschreven: Mijn huis zal een huis van gebed genoemd worden voor alle volkeren en u hebt het tot een rovershol gemaakt.’ Als de kinderen Jezus blijven omringen en ‘Hosanna’ zingen, dringen de farizeeën er bij Hem op aan dat Hij dit verbiedt! Jezus neemt hen in bescherming. Zijn antwoord is veelzeggend: ‘Hebt u niet gelezen: uit de mond der kinderen hebt U zich lof bereid, met het oog op (of tegenover) uw vijanden?’ (Matth. 21: 16). De kinderen begroeten en eren Hem. Zij begrijpen wie Hij is! Het meest opmerkelijk is dat Jezus citeert uit Psalm 8 in de versie van de LXX! 5 De Griekse tekst past in deze situatie het beste. De kinderen zingen Gods lof en huldigen, terwijl ze Hosanna zingen, Jezus als Messias. Jezus ziet hun zingen in het licht van Psalm 8 in de LXX. Dat is niet verwonderlijk. In de Psalm gaat het over de mensenzoon, van wie in de Griekse tekst staat dat Hij ‘voor korte tijd minder is geworden dan de engelen’ 6 maar ‘met eer en heerlijkheid is gekroond’. Hebben de kinderen begrepen wie Jezus is en waar zijn weg toe leidt? Hebben ze iets van zijn grootheid gezien en begrepen dat Hij de Zoon van God is, die alle macht toekomt? Dat zou overeenkomen met wat Jezus in Galilea over de kinderen naar voren bracht: God heeft hèn geopenbaard dat Hij de Zoon des mensen is! Wilde Hij door Psalm 8 in de LXX te citeren aan de schriftgeleerden doorgeven dat dit ook hier het geval is?

Jezus zegt bovendien: ‘Als de kinderen niet zouden spreken, zouden de stenen het doen’, en verwijst daarmee impliciet naar zowel Psalm 118 als naar Daniël 2. Beide haalt Hij een dag later aan, als Hij zinspeelt op de komende verwoesting van Jeruzalem.

2. Het gesprek op het tempelplein

De volgende dag treft de Here Jezus de getergde schriftgeleerden op het tempelplein. Ze komen op Hem af en vragen Hem indringend wie Hem de bevoegdheid heeft gegeven om te doen wat Hij gisteren deed. Jezus antwoordt met een tegenvraag: ‘De doop van Johannes, was die uit de hemel of vanuit de aarde?’ (Marcus 11: 27vv). Deze vraag brengt hen in een lastig parket. Ongetwijfeld hebben ze gehoord wat er gebeurde toen Jezus zelf de doop van Johannes onderging. De hemel ging open en een stem zei hoorbaar: ‘Deze is mijn Zoon, mijn Geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb.’ Dit woord van de Vader is een citaat uit Psalm 2. In deze Psalm ligt dus het antwoord op hun vraag naar zijn bevoegdheid. De schriftgeleerden en degenen die op het tempelplein stonden, kenden deze Psalm uit de LXX. Juist in de LXX is hij zeer instructief. Er staat dat de Gezalfde zegt: ‘Ik ben door de HEER aangesteld op de Sion om zijn besluit te proclameren. Hij zei tot Mij: U bent mijn Zoon, eis van Mij en Ik zal de heidenen geven tot uw erfdeel.’

Psalm 2 (LXX) onderstreept het gezag van de Zoon. Hij neemt, in onderscheid van de MT, zélf het woord en zegt ‘aangesteld’ te zijn op de Sion om dáár te ‘proclameren’ wie Hij is, iets wat zelfs voor de heidenen van betekenis is. Dit komt helemaal overeen met wat Jezus beoogde met de tempelreiniging. Het huis van zijn Vader moest een huis zijn ‘voor alle volkeren’. Dáár zou de Messias moeten worden gehuldigd. Door het verzet van uitgerekend de oudsten van het volk was het er niet van gekomen! Op de vraag of de doop van Johannes uit de hemel was of uit de aarde willen ze niet antwoorden. Om die reden antwoordt Jezus hèn niet, nu zij Hem vragen naar zijn bevoegdheid. Ze staan niet open voor het antwoord dat Hij zou kunnen geven. Daarom geeft Hij ‘slechts’ een indirect antwoord door te verwijzen naar Psalm 2 – een antwoord dat hen te denken gaf, zeker in het licht van de LXX-tekst.

3. De gelijkenis van de wijngaardeniers Direct erna spreekt de Here Jezus de gelijkenis uit over de wijngaardeniers. Zij weigerden de vruchten van de wijngaard aan hun heer te geven en doden om die reden zijn knechten en zelfs zijn zoon. Wat zal de heer met hen doen? Hij zal de wijngaard afnemen en deze aan anderen geven. Zo zal God ook doen met de oudsten van het volk! De stad Jerzualem zal verwoest worden en de heidenen zullen tot geloof komen! Jezus haalt in dit verband Psalm 118 aan, de Psalm die bij de intocht werd gezongen: ‘Hebt u niet gelezen: de steen die de bouwlieden verworpen hebben, is een hoeksteen geworden? (...) Wie op deze steen valt, zal verpletterd worden en op wie hij valt, zal hij vermorzelen.’ (Matth. 21: 44). Jezus verwijst impliciet naar de droom van Daniël in Daniël 2 waar Nebukadnezar ziet dat de steen die van de berg afrolt het beeld in het dal vermorzelt. Jezus zelf verbindt dus Psalm 118 met de droom van Daniël.

4. De verwoesting van de tempel

De volgende dag bevindt Jezus zich met zijn discipelen op de Olijfberg. Ze hebben zicht op de schitterende tempel die in de verte imponerend het zicht op de stad bepaalt. De discipelen roepen uit: ‘Kijk eens naar de fraaie tempel!’ Jezus antwoordt: ‘Geen steen blijft op de andere.’ Dan volgt er een uitvoerig betoog waarin Jezus spreekt over een ophanden zijnde crisis en de verwoesting van Jeruzalem. Hij verwijst uitdrukkelijk naar Daniël: ‘Wanneer u de gruwel der verwoesting ziet, waarvan gesproken is door de profeet Daniël, zult zien staan op de heilige plaats, laten zij die in Judea zijn, vluchten.’ (Marcus 13: 14). Hij spreekt vervolgens over het einde van de wereldgeschiedenis en zegt: ‘Deze generatie zal niet voorbijgtaan, totdat al deze dingen gebeurd zijn’, om daar aan toe te voegen: ‘Maar die dag en dat uur is aan niemand bekend, ook aan de engelen in de hemel niet, ook aan de Zoon niet, maar alleen aan de Vader.’ (Markus 13: 32).

De laatste tekst is in de bijbelse theologie zeer omstreden. Veel theologen gaan ervan uit dat het vers niet door Jezus zelf is gesproken, maar een latere toevoeging is. Zij zijn ervan overtuigd dat Jezus had verwacht dat de wereldgeschiedenis binnen afzienbare tijd tot een einde zou komen. Hij vergiste zich echter. Daarop hebben de eerste christenen hebben Hem de woorden van de tekst in de mond gelegd.

De vraag is echter of het uitgesloten is dat Jezus in hetzelfde gesprek beide uitspraken deed. Het probleem wordt opgelost als we veronderstellen dat de Here Christus in het gesprek heeft gedacht aan de profetie van Daniël, zoals we die (opnieuw) vinden in de LXX. Vooral Daniël 12 is in dit opzicht belangrijk.

In Daniël 12 laat een engel Daniël zien welke beproevingen het volk Israël moet doorstaan. Daniël is onthutst door het leed waarvan hij hoort en vraagt: ‘Wanneer zal er een einde zijn aan de wonderen waarvan u gesproken hebt?’ De engel die in Naam van God met hem spreekt, antwoordt: ‘Aan het einde van de tijden.’ Daniël vraagt naar het tijdstip van dit einde. De engel geeft een cryptisch antwoord. Als Daniël antwoordt dat hij de engel niet begrijpt, zegt deze: ‘Als de greep van de vijand die de vrijheid van Israël in de wegstaat verslapt en teniet gedaan wordt.’ Opnieuw vraagt Daniël: ‘Maar wanneer zal dat zijn?’ Dan wordt de engel concreter. Hij zegt: ‘Als het offer voor altijd ophoudt en de verwoesting die aan de tempel gegeven wordt, voorbereid wordt.’ Als Daniël dan nog niet tevreden is en doorvraagt naar het moment waarop dat zal zijn, zegt de engel: ‘Ga bij deze vraag vandaan – er zijn nog tijden en uren die moeten komen.’ Op precies dezelfde wijze spreekt Christus. Hij voorzegt de verwoesting van Jeruzalem en de tempel en zegt dat de tijd van het einde van de wereld is ingegaan. Tegelijk zegt Hij dat er nog tijden moeten komen en geeft Hij aan dat het niet aangaat om zich teveel bezig te houden met de vraag wanneer het werkelijke einde zal zijn. De bepaling van dat tijdstip ligt in de hand van de Vader, de engelen weten het niet, zelfs de Zoon des mensen weet niet wanneer dat zal zijn.

5. Psalm 110

De dag erop is Jezus opnieuw op het tempelplein. Een menigte mensen staat om Hem heen. Zij horen hem graag. De schriftgeleerden houden zich op in zijn buurt. Plotseling stelt Jezus hun een vraag. Dit keer gaat de vraagstelling van Jezus zelf uit. Dit gebeurde zelden of nooit. Het tekent het belang van het moment en het belang van de vraag zelf. De Here Jezus vraagt: ‘Hoe kunnen de schriftgeleerden zeggen dat de Christus de zoon van David is? David zelf zegt door de Geest: De HERE heeft gezegd tot mijn HERE, zet u aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gesteld heb tot een voetbank voor uw voeten. Als Hij zijn HERE is, van welke plaats is Hij zijn zoon?’ (Marcus 12: 35). De Here Jezus bedoelt: waar komt Hij, als Hij Davids HERE is èn zijn zoon, vandaan?

Opnieuw schuilt in de LXX-versie van de Psalm het antwoord. In de Psalm spreekt God in vers 3 tot Davids HERE. Hij zegt: ‘Bij U berust de heerschappij op de dag van uw macht, in de glans van uw heiligen: uit de schoot heb Ik U voortgebracht, voor de morgenster.’ De oorsprong van Davids HERE, die ook zijn zoon is, is God zelf. God bracht Hem voort, voorafgaand aan de schepping (de morgenster). Hij is het dan ook die aan Gods rechterhand mag plaatsnemen.

In het licht van de LXX is er een antwoord mogelijk op Jezus’ vraag: ‘Hij die Davids Zoon is, is uit God!’ We kunnen nog verder gaan en zeggen: de HERE, die uit God is, kan de zoon van David zijn, omdat Hij mens werd!

Mogen we hieruit afleiden dat Christus met zijn vraag naar de uitleg van Psalm 110 zinspeelt op het grote mysterie van zijn Persoon? Laat Hij met een verwijzing naar Psalm 110 en wellicht in het bijzonder naar de versie in de LXX doorschemeren wie Hij is, namelijk Gods Zoon, uit het geslacht van David? (Dit is de kernbelijdenis van de vroeg-christelijke gemeente, men zie Romeinen 1: 3). Is het zo dat de Here Christus met deze vraag zichzelf openbaart – en dat op het tempelplein, midden in Jeruzalem, aan iedereen die oren heeft om te horen?

Uitdrukkelijk vermeldt Marcus dat Jezus deze vraag stelt terwijl een grote menigte naar Hem luistert.

6. Jezus voor het Sanhedrin

Uit alle Evangeliën wordt duidelijk dat de schriftgeleerden Hem op de vraag over Psalm 110 geen antwoord konden geven. Of weigerden ze Hem het antwoord? Moesten ze toegeven dat ze voor een raadsel stonden, dat alleen opgelost kon worden als ze instemden met waar Jezus op zinspeelde?

Dit laatste kan opgemaakt worden uit wat de volgende dag gebeurt, als Jezus gevangen is genomen en voor het Sanhedrin is geleid. De hogepriester vraagt Hem: ‘Bent u de Christus (Gezalfde)?’ Het antwoord van Jezus is buitengewoon opvallend. Hij houdt de hogepriester voor: ‘Als Ik u antwoord geef, gelooft u me niet. Als Ik u iets vraag, geeft u geen antwoord.’ (Lukas 22: 67, 68). Het lijdt geen twijfel dat Jezus verwijst naar de beide momenten waarop Hij de afgelopen dagen de schriftgeleerden een vraag stelde en daarop geen antwoord kreeg: de vraag naar de doop van Johannes en naar de uitleg van Psalm 110. Jezus voegt eraan toe: ‘Vanaf nu, zult u de Zoon des mensen zien, zittend aan Gods rechterhand.’ Uitdrukkelijk verbindt Hij in deze woorden Daniël 7 met opnieuw Psalm 110.

Dan roept het Sanhedrin uit: ‘U bent dus de Zoon van God?, waarop de Here Jezus zegt: ‘U zegt dat Ik het ben!’ In deze woorden schuilt een bijna goddelijke ironie. Jezus bedoelt: eindelijk zegt u het, het juiste antwoord is toch uit uw mond gekomen, ondanks dat u me eerder niet wilde antwoorden! Het Sanhedrin reageert woedend: ‘Wat hebben wij nog voor getuigen (om Hem te beschuldigen) nodig? We hebben het zelf uit zijn mond gehoord.’

Omdat Jezus zei Gods Zoon te zijn, wordt Hij ter dood veroordeeld. Zo gaat de gelijkenis van de wijngaardeniers in vervulling. Het Sanhedrin verwerpt de steen, die op hen zelf zal vallen.

Deze steen is echter tot een hoeksteen geworden van een nieuw gebouw: de Zoon des mensen is verhoogd, Hij stond op, voer ten hemel en zit aan Gods rechterhand, vanwaar Hij als een herder-koning aan alle volkeren laat proclameren dat Hij de Christus, de Gezalfde is.

De prediking van het Nieuwe Testament

Kort voor Hij ten hemel voer, ontbood Jezus zijn discipelen in Galilea. Daar toonde Hij zijn heerlijkheid en zei: ‘Zie, Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde. Ga dan heen en verkondig het Evangelie aan alle volkeren!’ (Matth. 28:18-19). Ze hebben dit gedaan, vooral met gebruikmaking van de LXX. De brieven van de apostelen, de prediking van Petrus en andere christenen van het eerste uur, zoals Lukas die weergeeft, evenals de brief aan de Hebreeën, bewijzen het.

Martin Hengel schrijft: ‘Het is waarschijnlijk dat na Pinksteren al snel woorden van Jezus in het Grieks werden vertaald en de eerste christenen een theologie ontwikkelden met een eigen terminologie. Dit hing samen met het feit dat vooral diaspora-Joden werden aangetrokken door de prediking van de apostelen, wat mogelijkerwijs een direct gevolg was van de activiteit van Jezus, die ook diaspora-Joden aantrok.’ 7 Er valt veel voor te zeggen dat deze diaspora-Joden door Jezus werden aangetrokken omdat zijn verkondiging en die van de discipelen aansloot bij de LXX.

Het hoeft ons dan ook niet te verbazen dat de LXX de Bijbel werd van de eerste christenen. Daarom schreef Martin Hengel: ‘De vorming van de bijbelse traditie is in zijn geheel beschouwd in het Nieuwe Testament tot een afronding gekomen en daarom voor het eerst in een diepere zin canonisch. (...) Een christelijke theoloog kan nooit instemmen (genoegen nemen, HK) met de Masoretische canon.’ 8 Er zou daarom veel mee gewonnen zijn als de kerk van vandaag naast de Masoretische tekst ook de Griekse tekst tot uitgangspunt zou nemen van haar theologie. Het zou haar helpen om het werk van Christus op grootsere wijze te verstaan. Vooral zou het haar helpen om in de geschiedenis die steeds meer een crisis-karakter krijgt, het uitzicht op de verheerlijkte Christus te behouden, om zo uit Hem te leven.

H. Klink, Hoornaar

Noten

1 De brief van Aristeas laat duidelijk uitkomen dat men in Jeruzalem met de vertaling akkoord ging. In het Jodendom is nooit bezwaar gemaakt tegen een vertaling van de heilige geschriften in het Grieks, ook al nam men aan het eind


2 Aan deze legende ontleent de vertaling haar naam. Septuaginta betekent ‘zeventig’.

3 Men zie daarvoor het levensverhaal van Flavius Josephus.

4 ’In de tekst staat veelzeggend het Griekse woord ‘apokaluptein’.

5 In de Masoretische tekst staat dat God zich ‘sterkte heeft gegrondvest’ uit de mond van de kinderen, in de LXX dat God zich ‘lof heeft bereid’.

6 In de Hebreeuwse tekst staat: ‘weinig minder’.

7 Martin Hengel: The Hellenization of Judaea in the First Century after Christ, Londen 1989, blz. 18.

8 Martin Hengel: The Septuagint as Christian Scripture, Londen 2004, blz. 126 (Hengel citeert Hartmut Gese).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 27 juli 2019

Ecclesia | 17 Pagina's

De betekenis van de Septuaginta

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 27 juli 2019

Ecclesia | 17 Pagina's