Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het Oordeel van de Schrift Over de Zonde van Homoseksualiteit

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het Oordeel van de Schrift Over de Zonde van Homoseksualiteit

32 minuten leestijd

Nergens in de Heilige Schrift wordt in positieve zin over een homoseksuele leefwijze gesproken, maar steeds in negatieve zin. 1 Toch menen velen in onze dagen dat een homoseksuele relatie die gebaseerd is op liefde, door de Bijbel niet veroordeeld wordt, omdat zij veronderstellen dat de passages over homoseksualiteit in de Schrift alleen betrekking hebben op homoseksuele prostitutie en op homoseksueel misbruik en geweld. In dit artikel willen we eerst aan de hand van Genesis 19, Leviticus 18/20, Romeinen 1, 1 Korinthe 6:10 en 1 Timotheüs 1:9-10 laten zien dat die veronderstelling niet juist is. En vervolgens willen we trachten een antwoord te geven op een drietal vragen, namelijk is homoseksualiteit wel zo’n zware zonde, behoort de homoseksuele praxis strafbaar te zijn en zijn ook de homoseksuele gevoelens zondig?

1. De veroordeling op grond van Genesis 19

Tegen het veroordelen van de homoseksualiteit op grond van de in Genesis 19 beschreven geschiedenis van de omkering van Sódom en Gomórra wordt onder meer aangevoerd dat het in Sódom veeleer ging om de schending van het gastrecht. In Genesis 19 vers 5 lezen we dat de mannen van Sódom tot Lot riepen: Waar zijn die mannen, die dezen nacht tot u gekomen zijn? Breng hen uit tot ons, opdat wij hen bekennen. De vertaling van het Hebreeuwse woord ‘yadda’, dat door de Statenvertalers met ‘bekennen’ vertaald is, zou volgens sommige moderne wetenschappers echter moeten luiden: ‘konden leren kennen’. Zij voeren aan dat in Sódom de regel gold dat geen gasten ontvangen mochten worden zonder de goedkeuring van de oudsten van de stad. Lot zou die regel geschonden hebben. Daarom werd hij gedwongen om zijn gasten naar buiten te brengen, opdat men die ‘konden leren kennen’. Hieraan voegen ze nog toe dat het Hebreeuwse woord ‘yadda’ 943 maal in het Oude Testament voorkomt en slechts in tien gevallen een seksuele betekenis heeft. Op grond van een en ander concluderen ze vervolgens dat de mannen van Sódom geen seksuele bedoelingen gehad hebben, maar alleen ongastvrij geweest zijn. Aan die ‘misdaad’ werd immers zwaar getild. Gastvrijheid stond hoog in het vaandel, zoals onder meer uit de handelwijze van Abraham en Lot ten aanzien van hun gasten duidelijk blijkt (zie Genesis 18 en 19).

Dit laatste is waar, maar dat de mannen van Sódom geen seksuele bedoelingen gehad hebben, is niet waar. Als Lot zijn gasten alleen maar naar buiten moest brengen om aan de mannen van Sódom de gelegenheid te geven zijn gasten (op onschuldige wijze) te leren kennen, dan is Lots antwoord en zondig aanbod om in plaats van die mannen zijn twee dochters die geen man bekend hebben, naar buiten te brengen (Gen. 19:7-8a), onlogisch en zinloos. En dan zou ook de apostel Judas het mis gehad hebben toen hij schreef dat de inwoners van Sódom en de omliggende steden gehoereerd hebben, en ander vlees zijn nagegaan, en dat zij in hun ondergang tot een voorbeeld voorgesteld zijn van Gods rechtvaardige toorn en straf tegen die zonde (Judas vs. 7; zie ook kanttekening 38). Bij het zinsdeel opdat wij hen bekennen merken de kanttekenaren dan ook terecht op dat uit het antwoord van Lot is af te leiden ‘welke gruwel’ de mannen van Sódom hier bedoelen, namelijk de gruwel van homoseksualiteit (de kanttekenaren verwijzen de Bijbellezer hierbij ook naar Leviticus 18:22 en 20:13, Romeinen 1:26-27, 1 Korinthe 6:10 en Judas vers 7).

Anderen merken op - en helaas zijn die niet alleen buiten de gereformeerde gezindte te vinden - dat het Goddelijke oordeel over Sódom en Gomórra niet gezien moet worden als een straf tegen homoseksualiteit in het algemeen, maar specifiek tegen homoseksueel geweld en misbruik alleen. Omdat de mannen van Sódom, van den jongste tot den oudste toe, Lots mannelijke gasten gezamenlijk en met geweld wilden verkrachten, achten zij dit oordeel niet van toepassing op een ‘duurzame’ relatie van twee mannen of vrouwen die ‘in liefde’ door een ‘homohuwelijk’ aan elkaar verbonden zijn. Daarmee gaan zij echter voorbij aan de woorden die de HEERE kort voor de omkering van Sódom en Gomórra tot Abraham sprak, namelijk: Dewijl het geroep van Sódom en Gomórra groot is, en dewijl haar zonde zeer zwaar is, zal Ik nu afgaan, en bezien of zij naar haar geroep, dat tot Mij gekomen is, het uiterste gedaan hebben; en zo niet, Ik zal het weten (Gen. 18:20-21). De HEERE ging dus - menselijkerwijs gesproken - een onderzoek instellen of Sódom de maat vol gezondigd had; of het toppunt bereikt was. In Ezechiël 16 vers 49 lezen we dat Sódoms ongerechtigheid onder meer was: hoogmoed, zatheid van brood en stille gerustheid en het niet sterken van de arme en nooddruftige. Dit waren, zo schrijft ds. M. Henry, “de eerste druppels” in die maat der zonde “die ten laatste door hun onnatuurlijke vuilheid vervuld werd.” Dit waren de eerste treden, die “slechts de deur openden” voor zwaardere zonden en misdrijven. “Trapsgewijs” bereikte men zo “het toppunt van boosheid en goddeloosheid” 2 , namelijk die homoseksuele groepsverkrachting die men met geweld wilde uitvoeren.

Tussen die eerste treden en dit uiterste toppunt lagen nog diverse andere treden. Het hoereren, het nagaan van ander vlees, waarover de apostel Judas schrijft, de algemeenheid van die zonde, het openlijk uitspreken daarvan (Jes. 3:9) vormden de voorlaatste treden die gezamenlijk met het uiterste toppunt, de met geweld voorgenomen massale groepsverkrachting, de maat der zonde vol maakten. Toen kwam het oordeel Gods. Niet alleen over het uiterste toppunt, maar ook over die decadentie als geheel, ook over de onderliggende treden. Dit betekent dat Sódoms omkering wel degelijk ook een scherpe veroordeling inhoudt van de homoseksualiteit in het algemeen.

2. De veroordeling op grond van Leviticus 18 en 20

In Leviticus 18:22 lezen we: Bij een manspersoon zult gij niet liggen met vrouwelijke bijligging; dat is een gruwel. In Leviticus 20:13 wordt hetzelfde gezegd: Wanneer ook een man bij een manspersoon zal gelegen hebben met vrouwelijke bijligging, zij beiden hebben een gruwel gedaan; (…). We vinden hier een duidelijke en scherpe veroordeling van de homoseksuele praxis. Maar men brengt ertegen in dat het hier specifiek alleen zou gaan om een veroordeling van de homoseksuele ‘tempelprostitutie’ die bij de Kanaänieten en andere heidense volken voorkwam, waarbij schandjongens misbruikt werden door mannen.

Dat het hier alleen om een veroordeling van die cultuurgebonden homoseksualiteit zou gaan, is echter om verschillende redenen moeilijk vol te houden. Ten eerste staan de beide teksten in de Bijbel tussen straffen op ethische overtredingen (seksuele vergrijpen) in en niet tussen cultuurgebonden verboden. Weliswaar is er in Leviticus 18 vers 21 sprake van een straf op kinderoffers, waaraan de kinderen Ammons zich te buiten gingen. Toch is dit gebod niet slechts een cultuurgebonden gebod, want ook de strekking van dit gebod is ethisch van aard. 3 Niemand zal immers willen beweren dat dit verbod nu niet meer geldt. Verder staat het verbod op de homoseksuele praxis in beide hoofdstukken in “direct verband met de bepalingen ten aanzien van echtbreuk, incest en bestialiteit (Lev. 20:10-12 en 14-16), zaken die niet direct aan een afgodische cultus verbonden zijn”. 4 Specifiek alleen het verbod op homoseksualiteit op de heidense cultus betrekken en de verboden ten aanzien van onder andere incest en bestialiteit niet, is dan ook “exegetische willekeur die geen recht doet aan het geheel van de Schrift.” 5

Ten tweede wordt in beide teksten gezegd dat een man niet mag liggen bij een man met vrouwelijke bijligging. De toevoeging met vrouwelijke bijligging maakt duidelijk dat in deze teksten de homoseksuele daad op zichzelf veroordeeld wordt, onafhankelijk of die daad nu als (tempel)prostitutie plaatsvindt of binnen een vriendschappelijke relatie. Die homoseksuele daad schendt en doorkruist de orde die God onder meer op seksueel terrein vanaf het begin gewild en in de Schepping gelegd heeft, namelijk dat een man zijn vader en moeder zal verlaten en zijn vrouw zal aankleven en met haar tot één vlees zal worden (Gen. 2:24). Dat is de natuurlijke orde, de scheppingsorde. Een man met een man daarentegen wordt hier feitelijk als tegennatuurlijk afgewezen.

Omdat het hier dus over het schenden van Gods schep pingsorde gaat, is tegelijk weerlegd de tegenwerping dat de beide teksten uit Leviticus in de tijd van het Nieuwe Testament geen betekenis meer zouden hebben. Gods scheppingsorde is universeel en daarom aan tijd noch plaats gebonden. Een verbod op het schenden daarvan dan ook.

Ten overvloede zij nog opgemerkt dat het universeel zijn van Gods scheppingsorde heel duidelijk blijkt uit het antwoord dat Christus gaf op de vraag van de farizeeën of het een mens geoorloofd is zijn vrouw te verlaten om allerlei oorzaak? Christus antwoordde: Hebt gij niet gelezen, Die van den beginne den mens gemaakt heeft, dat Hij hen gemaakt heeft man en vrouw? En gezegd heeft: Daarom zal een mens vader en moeder verlaten en zal zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vlees zijn? Alzo dat zij niet meer twee zijn, maar één vlees. Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet (Matth. 19:4- 6). Noch de val in Adam noch Christus’ komst in het vlees heeft dus de normerende betekenis van Gods scheppingsorde voor het huwelijks- en seksuele leven veranderd of ontkracht. Daarom, wie homoseksualiteit niet langer als een gruwel, maar als een gave van God ziet waaraan men binnen een duurzame homorelatie vorm mag geven 6 , is een visie toegedaan die geheel haaks staat op de Schrift.

3. De veroordeling op grond van Romeinen 1

In Romeinen 1 schrijft Paulus dat de heidenen, die tot op zeker hoogte God kenden, God als zodanig niet hebben verheerlijkt of gedankt; maar verijdeld zijn geworden in hun overleggingen en verduisterd van verstand. Zij hebben de heerlijkheid des onverderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mens en van gevogelte en van viervoetige en kruipende gedierten. Zij hebben de waarheid Gods veranderd in de leugen, en het schepsel geëerd en gediend boven den Schepper (Rom. 1:21, 23, 25). Daarom heeft hen God ook overgegeven in de begeerlijkheden hunner harten tot onreinheid, om hun lichamen onder elkander te onteren.(…), overgegeven tot oneerlijke bewegingen; want ook hun vrouwen hebben het natuurlijk gebruik veranderd in het gebruik tegen nature; en insgelijks ook de mannen nalatende het natuurlijk gebruik der vrouw, zijn verhit geworden in hun lust tegen elkander, mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende, en de vergelding van hun dwaling, die daartoe behoorde, in zichzelven ontvangende (Rom. 1: 24, 26-27). Hoe duidelijk en krachtig wijst Paulus in deze verzen de homoseksuele daden als onreinheid, als oneerlijke bewegingen, ja, als een tegennatuurlijke schandelijkheid af. “Dat is niet vreemd, omdat het Nieuwe Testament de lijn van het Oude Testament voortzet”, aldus dr. A.A.A. Prosman in zijn studie Homoseksualiteit tussen Bijbel en actualiteit. 7

Niettemin is vanuit diverse invalshoeken geprobeerd om deze verzen te ontkrachten.

Vrij algemeen in onze dagen is de misvatting dat Paulus in Romeinen 1 slechts veroordelend zou spreken over mensen die een heteroseksuele natuur hebben, maar zich homoseksueel gedragen. Die mensen zouden zo tegen hun eigen natuur ingaan, terwijl mensen met een homoseksuele gerichtheid zich juist natuurlijk zouden gedragen als zij een homo seksuele omgang met iemand van hetzelfde geslacht zouden hebben, en daarom niet te veroordelen zouden zijn.

Afgezien van het feit dat dit op zich al een vergezochte redenering is, is de misvatting hierbij dat Paulus het in Romeinen 1 niet heeft over de natuur van individuele personen, niet over hun natuur, maar over de natuur, over de natuur zoals God die geschapen heeft. Met een tegennatuurlijke omgang bedoelt Paulus “een omgang die ingaat tegen de bedoeling van de Schepper”, een omgang die geen recht doet aan “de gegeven orde dat man en vrouw voor elkaar bestemd zijn” 8 , kortom, een omgang die indruist tegen de scheppingsorde. Dat is uit het tekstverband, met name uit de verzen 18-20 en 25, duidelijk op te maken. Ook de Griekse woorden die Paulus in de verzen 26 en 27 voor mannelijk (thèlus) en vrouwelijk (arsèn) gebruikt, sluiten aan bij en vormen een herinnering aan het spraakgebruik in Genesis 1:27 (man en vrouw schiep Hij hen), waar in de grondtaal ook over mannelijk en vrouwelijk gesproken wordt. “Dat betekent dat Paulus in Romeinen 1 voortdurend denkt vanuit Gods bedoeling met Zijn schepping”, zo concludeert dr. Prosman. 9 Verder valt op dat in Romeinen 1 - evenals in Leviticus - de homoseksuele daden als zodanig door Paulus als tegennatuurlijk worden aangemerkt en als schandelijkheid veroordeeld (mannen met mannen), ongeacht door wie en met welke intentie die zijn bedreven. Dus niet “wat wij al of niet als tegennatuurlijk ervaren of gevoelen (subjectief), maar wat door God als onze Schepper, als onze Maker als zodanig wordt aangemerkt vanuit zijn Scheppingsorde (objectief), is normatief”, aldus ds. J. Noordam in zijn boek De huiver van Leviticus. 10 Naast ruwe zijn er weliswaar wat meer ‘verfijnde’ vormen van homoseksualiteit, maar dat zijn slechts verschillen in gradatie van dit kwaad. Het blijft hoe dan ook de zonde van homoseksualiteit. Evenals er ontucht in verschillende vormen en gradaties is en uit verschillende intenties gepleegd kan worden, nochtans blijft het allemaal ontucht. 11

Hiermee is in wezen ook de redenering weerlegd die schuilgaat achter de gevleugelde opmerking: ‘Wij weten vandaag meer dan Paulus’. Men stelt namelijk: ’Paulus heeft niet geweten wat wij vandaag wel weten van de psychologische kanten van homofilie. Hij heeft niet geweten van een homoseksuele relatie in liefde en trouw, voortkomend uit een intense homoseksuele gerichtheid. Hij kende alleen maar het overgegeven worden aan perverse vormen van homoseksualiteit. Paulus was hierin een kind van zijn tijd; hij wist niet beter. Daarom heeft zijn veroordeling ook alleen maar betrekking op die perverse vormen.’

We hebben hierboven al gezien dat Paulus de homoseksuele daden als zodanig veroordeelt, onafhankelijk van de intentie en de vorm (pervers of minder pervers). Alleen al daarom gaat die redenering niet op. Hieraan voegen we verder nog toe dat die redenering ten diepste een vorm van Schriftkritiek is. Want Paulus schrijft in Romeinen 1 niet zijn privémening noch wat hij ervan wist, maar wat de Heilige Geest hem heeft ingegeven en weet. 12 Zouden wij het dan nu beter weten dan de Heilige Geest? Dit te stellen zou een gruwelijke vermetelheid zijn.

Ook is het zeer onwaarschijnlijk dat Paulus niet van een homoseksuele relatie in liefde en trouw, voortkomend uit een intense homoseksuele gerichtheid, geweten heeft. Het oude Griekenland was in elk geval wel bekend met het verschijnsel van een diepe of hardnekkige homoseksuele gerichtheid. Daarover bestaat documentatie. Dat geldt eveneens voor de tijd van het Romeinse Rijk. 13

Verder weten we dat bijvoorbeeld keizer Nero (37-68 na Chr.) achtereenvolgens met twee mannen getrouwd is geweest. “In beide gevallen was de verbintenis een openbare en officiële gebeurtenis met groot ceremonieel vertoon.”

Dr. Prosman komt op grond van diverse studies over de homoseksualiteit in de oudheid dan ook tot de conclusie “dat duurzame homoseksuele relaties, op basis van vrijwilligheid, in de wereld waarin het Nieuwe Testament ontstond, wel degelijk bekend waren en zelfs algemeen voorkwamen.” 14 Met grote waarschijnlijkheid kan dus worden aangenomen dat Paulus hiervan geweten heeft. 15

4. De veroordeling op grond van 1 Korinthe 6:10 en 1 Timotheüs 1:9-10

Naast de al aangehaalde teksten zijn in het kader van ons onderwerp ook 1 Korinthe 6:10 en 1 Timotheüs 1:9-10 van belang. In 1 Korinthe 6 vers 10 vinden we de woorden: Dwaalt niet: noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beërven. En in 1 Timotheüs 1 vers 9 en 10 lezen we dat Paulus schrijft: … dat den rechtvaardige de wet niet is gezet, maar den ongerechtigen en den halsstarrigen, (…) den doodslagers, den hoereerders, dien die bij mannen liggen, den mensendieven, den leugenaars, den meinedigen, en zo er iets anders tegen de gezonde leer is. In beide teksten is het Griekse woord arsenokoitai vertaald met: die bij mannen liggen. Dit Griekse woord, dat kennelijk ontleend en samengesteld is uit de Griekse vertaling van Leviticus 18:22 en 20:13, duidt “op een man die met een andere man seksuele omgang heeft.” En ontuchtigen in de eerste tekst is een verta-ling van het Griekse woord malakoi, waarmee hier bedoeld zijn “mannen of jongens die in een gelijkgeslachtelijke omgang de vrouwelijke, passieve rol spelen.” 16 Wanneer mannen (en vrouwen) zich met dergelijke zaken inlaten, gaan zij tegen de wet en de gezonde leer in en zullen zij het Koninkrijk Gods niet beërven, zo blijkt uit deze teksten. Ook in deze teksten vinden we dus een scherpe veroordeling van de homoseksuele leefwijze.

Na een bespreking van de diverse Schriftgegevens die betrekking hebben op homoseksualiteit concludeert ds. J. Noordam dat “nergens in de hele Bijbel enige ruimte wordt gelaten voor een positieve waardering van een homoseksuele leefwijze.” Op grond van de hierboven behandelde teksten uit de Schrift kunnen we dit alleen maar beamen. Ook stelt hij: “Als de Bijbel dan zó duidelijk over de homoseksuele omgang spreekt en dit iedere keer weer in verband brengt met heidendom, ongeloof en andere grote zonden, waarom wordt dan steeds weer geprobeerd om een homoseksuele leefwijze ook in het leven van Christenen te legitimeren, in plaats van juist aan te geven in welk verband God homoseksualiteit ziet en hoe ernstig Hij juist de homoseksuele praxis opneemt.” 17

5. Is homoseksualiteit wel zo’n zware zonde?

In de hierboven aangehaalde teksten uit Leviticus (18:22 en 20:13) wordt de homoseksuele praxis uitdrukkelijk een gruwel genoemd. Volgens ds. L. Beels in zijn Sodoms zonde en straffe (1731) toont de Wetgever hiermee “hoe zwaar die onnatuurlijke vermenging bij Hem weegt. Ofschoon alle zonden gruwelijk voor de Heere zijn en de mens gruwelijk en afschuwelijk maken in Zijn ogen”, heeft het “evenwel Gods Geest” behaagd deze onnatuurlijke zonde

“met een bijzondere nadruk een gruwel te noemen om elk temeer daarvoor een afgrijzen in te boezemen en opdat niemand dan met verbaasdheid en ontroering van alles wat in en aan hem is, daaraan zou denken. En men heeft wel te letten dat dit woord meestal in de Heilige Schrift gebruikt wordt als er melding geschiedt van ongemene, van ongehoorde goddeloosheid die bovenmate schrikkelijk en afschuwelijk is. Hierom was het met reden te verwonderen als er mensen gevonden werden zo verbijsterd dat zij dachten alsof deze zonde zo hoog niet opgenomen werd door de grote God, Die nochtans daarom Sódom en die gehele landstreek zo vreselijk gestraft heeft, tijdelijk en eeuwig, en Zijn volk Israël daarvoor waarschuwt als voor ‘een gruwel’.” 18

Omdat God vooral om die zonde van het nagaan van ander vlees Sódom en Gomórra met zo’n bijzonder zwaar oordeel gestraft heeft en dit oordeel voor anderen tot een afschrikwekkend en waarschuwend voorbeeld gesteld heeft van Gods rechtvaardige toorn tegen deze zonde (zie Judas vs. 7), kan moeilijk nog ontkend worden dat deze zonde voor God bijzonder zwaar en hemeltergend is. Temeer, daar God ook mede vanwege deze zonde de Kanaänieten uit hun land, uit Kanaän, verdreven heeft (Lev. 18:24-29; Lev. 20:22-23) en als strafbepaling op het bedrijven van deze onnatuurlijke zonde de doodstraf gesteld heeft. Zo’n zware straf werd in Israëls burgerlijke wetgeving alleen op zware zonden gesteld, want het is een Bijbelse regel dat lichte zonden licht en zware zonden zwaar gestraft behoren te worden.

Verder moge het duidelijk zijn dat zij die zich te buiten gaan aan homoseksuele daden, ontucht bedrijven. Zij houden Gods wet niet (zie onder meer de uitleg van het zevende gebod in de Heidelbergse Catechismus, vraag en antwoord 108 en 109), zoeken en bedoelen daarom Gods eer niet en houden Hem niet in erkentenis. Een en ander blijkt duidelijk uit Romeinen 1, waar Paulus de homoseksuele daad noemt een begeerlijkheid van het hart tot onreinheid, een ontering van elkaars lichaam, een oneerlijke beweging, tegennatuurlijk, een verhit worden in lust tegen elkander en een bedrijven van schandelijkheid (Rom. 1:24, 26-27). Ook wordt bij hen gevonden “een schandelijke verachting van Gods oogmerk in de schepping van de mens”, aldus ds. Beels. God schiep niet alleen mannen of alleen vrouwen, maar uitdrukkelijk man én vrouw (Gen. 1:27), opdat door de vereniging van man en vrouw het menselijk geslacht zich op aarde zou vermenigvuldigen. Zowel na de schepping als na de zondvloed gaf God deze opdracht aan de mensheid: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde (Gen. 1:28; 9:1, 7). Maar wat doet de homo seksueel? Hij werpt het zaad in een akker waarin het, zo zegt ds. Beels, “nooit zal” en “nooit kan opkomen”. Hij vervult zo Gods opdracht niet en veracht de kinderzegen (Ps. 127 en 128). Hij leeft dus door het onderhouden van een homoseksuele relatie in voortdurende ontucht en schendt openlijk het door God ingestelde huwelijk als een verbond tussen één man en één vrouw (Gen. 2:22-24). Ook maakt het feit dat de homoseksuele daad niet alleen bedreven wordt, maar met zijn tweeën, de zaak nog des te erger: men verwoest door deze verschrikkelijke zonde ook zijn naaste.

Bovendien zondigt hij die de homoseksuele daad begaat, tegen zijn eigen lichaam, want ’s mensen lichaam behoort de Heere toe en behoort te zijn een tempel van de Heilige Geest, heilig en rein. Door homoseksuele daden wordt echter het lichaam “de Heere ontstolen en gemaakt tot een tempel van de duivel, een woonstede van verfoeilijke onreinheid”, aldus ds. Beels in zijn al eerder aangehaalde boek. 19 Dat dit waar is, is duidelijk af te leiden uit de volgende woorden die Paulus aan de gelovige Korinthiërs schreef: Doch het lichaam is niet voor de hoererij, maar voor den Heere, en de Heere voor het lichaam. En God heeft ook den Heere opgewekt, en zal ons opwekken door Zijn kracht. Weet gij niet dat uw lichamen leden van Christus zijn? Zal ik dan de leden van Christus nemen en maken ze leden ener hoer? Dat zij verre. Of weet gij niet dat die de hoer aanhangt, één lichaam met haar is? Want die twee, zegt Hij, zullen tot één vlees wezen. Maar die den Heere aanhangt, is één geest met Hem. Vliedt de hoererij. Alle zonde die de mens doet, is buiten het lichaam; maar die hoererij bedrijft, die zondigt tegen zijn eigen lichaam. Of weet gij niet dat ulieder lichaam een tempel is des Heiligen Geestes, Die in u is, Dien gij van God hebt, en dat gij uws zelfs niet zijt? Want gij zijt duur gekocht; zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn. (1 Kor. 6:13-20).

Uit dit alles blijkt dan overduidelijk dat de homoseksualiteit een zware zonde is. Vanwege de onnatuurlijkheid nog zwaarder dan overspel tussen man en vrouw. Om niet tekort te doen aan de Bijbelse boodschap zullen we hieraan, hoewel dit geheel tegen de tijdgeest ingaat, vast moeten houden. Helaas moet geconstateerd worden dat op dit punt de Visienota (homo)seksualiteit (juni 2008) en de Handreiking sociale veiligheid en seksuele diversiteit (februari 2014) van de VGS wel tekortschieten. 20

Als laatste zij in dit verband nog opgemerkt dat homoseksualiteit behalve een zware zonde, ook een roepende zonde is. De HEERE zei tot Abraham dat het geroep van Sódom en Gomórra groot was en haar zonde zeer zwaar (Gen. 18:20). Ds. M. Henry tekent hierbij aan dat “de ongerechtigheid van Sódom een schreeuwende ongerechtigheid was; dat is: zij was zó tergend dat zij God drong om te straffen.” 21 Uit de al eerder aangehaalde woorden van de apostel Judas (vs. 7) blijkt dat naast andere zonden met name het hoereren en nagaan van ander vlees - dat in Sódom en Gomórra algemeen geworden was (Gen. 19:4) en waarover openlijk gesproken werd (Jes. 3:9) - de maat der zonde hebben volgemaakt en het verschrikkelijke, maar rechtvaardige oordeel Gods hebben opgeroepen, te weten de omkering van die steden.

Een en ander betekent dat ook ons land - vanwege de op grote schaal bedreven en in de vorm van homohuwelijk en partnerschap openlijk goedgekeurde zonde van homoseksualiteit - sterk om de oordelen Gods roept, zodat het met recht een wonder mag genoemd worden dat Nederland als land nog bestaat en dat wij als Nederlanders hier nog in vrijheid mogen wonen. Feitelijk is het geen vraag meer of er oordelen Gods over ons komen, maar wanneer die komen. De oordelen Gods kunnen niet uitblijven. 22

Met opzet schrijven we ‘over ons’, omdat niet alleen ‘de wereld’, maar ook ‘wij’ persoonlijk en als gereformeerde gezindte schuldig staan aan ’s lands decadentie, aan het verlaten van het heilspoor. Ook wij hebben God op ’t hoogst misdaan (Ps. 106:4 ber.). Gave God ons daarvan de rechte inleving! Lot heeft dag op dag zijn rechtvaardige ziel gekweld door het zien en horen van Sódoms ongerechtige werken (2 Petr. 2:8). En wij?

6. Behoort de homoseksuele praxis strafbaar te zijn?

De reformatoren en gereformeerde theologen uit de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw zijn unaniem van mening geweest dat zij die de zonde van homoseksualiteit met de daad hebben bedreven, door de overheid streng en zwaar gestraft behoren te worden. Behalve op het strenge oordeel Gods over Sódom en Gomórra, beriepen zij zich daarvoor vooral op de reeds aangehaalde wetten uit Leviticus 18:22 en 20:13. Deze wetten behoren weliswaar tot de zogenaamde Oudtestamentische burgerlijke wetten waarvan in het algemeen geldt dat deze in de meest letterlijke betekenis alleen aan oud-Israël waren gegeven en voorgeschreven, maar de moraal van deze wetten - in zoverre die moraal gegrond is op de scheppingsorde en/of op wat naar Gods Woord en wet rechtvaardig en billijk is - heeft een universele strekking voor alle tijden. En dat is in de wetten van Leviticus 18:22 en 20:13 het geval. Eerder hebben we namelijk al gezien dat het verbod op het liggen van een man bij een andere man met vrouwelijke bijligging de scheppingsorde doorkruist (Gen. 1:27; 2:24). En wat destijds onder oud-Israël een gruwelijke onkuisheid was en dus in strijd met het zevende gebod, is dat nu nog. En wat toen vanwege de gruwelijkheid van de zonde rechtvaardig en billijk zwaar gestraft moest worden, behoort nu nog streng gestraft te worden, want de rechtvaardigheid en billijkheid daarvan is niet veranderd, verminderd of gewijzigd. Bij God is immers geen verandering of schaduw van omkering (Jak. 1:17b). Kortom, ook de Nederlandse overheid behoort de homoseksuele daad, die naar uitwijzen van de Schrift (Leviticus 18 en 20) in het rijtje van incest, pedofilie en bestialiteit thuishoort, streng te straffen. Dat is haar Bijbelse taak en plicht. Daarom is het niet goed om over dit aspect te zwijgen, ook niet in het onderwijs aan onze jeugd. Maar laat dan wel dit onderwijs vergezeld gaan met de waarschuwing dat het feit dat onze overheid precies het tegenovergestelde doet, aan individuele personen beslist geen vrijbrief geeft om dan maar het recht in eigen hand te nemen, zoals de mohammedanen soms wel doen. Niet individuele personen, maar de overheid is in dezen Gods dienares!

7. Zijn homoseksuele gevoelens zondig?

Christus zei tot Zijn discipelen: Gij hebt gehoord dat van de ouden gezegd is: Gij zult geen overspel doen. Maar Ik zeg u, dat zo wie een vrouw aanziet om dezelve te begeren, namelijk tot onkuisheid, die heeft alrede overspel in zijn hart met haar gedaan (Matth. 5:27-28). Hieruit blijkt dat een man die een andere man aanziet om hem in seksuele zin te begeren, alrede in zijn hart de zonde van de homoseksuele praxis met hem gedaan heeft. De begeerte tot die zondige daad is dus al zonde. Door onze eigen begeerlijkheid, zo schrijft de apostel Jakobus, worden we van het goede afgetrokken en verlokt tot het kwade (Jak. 1:14). En zodra de wil van de mens erin toestemt, volgt de zondige daad (Jak. 1:15a). Onder die eigen begeerlijkheid hebben we de kwade lusten van het bedorven vlees te verstaan, die van nature sinds Adams val in ieders hart huizen (kanttekening 52) en waartegen de ware gelovigen zijn leven lang te strijden heeft (zie Heidelbergse Catechismus, vraag en antwoord 56). Die zondige begeerten zijn kwade vruchten van een kwade boom, want een goede boom kan geen kwade vruchten voorbrengen (Matth. 7:17-18). Die kwade boom of bron is ons zondig en verdorven hart. Dus niet alleen de daad en de daadwerkelijke opwellingen van die kwade lusten, gevoelens, begeerten of gedachten in ons hart zijn zondig, maar ook de aangeboren aanwezigheid van die kwade lusten in ons hart, ook die verdorvenheid van ons hart zelf.

Verder zij nog opgemerkt dat de uit ons verdorven hart opwellende begeerten naar het bedrijven van een zondige daad, waaronder de homoseksuele begeerten, in strijd zijn met het tiende gebod. De Heidelbergse Catechismus laat daarover in vraag en antwoord 113 geen misverstand bestaan. Op de vraag “Wat eist van ons het tiende gebod?” wordt namelijk geantwoord: “Dat ook de minste lust of gedachte tegen enig gebod Gods in ons hart nimmermeer kome, maar dat wij te allen tijde van ganser harte aller zonden vijand zijn en lust tot alle gerechtigheid hebben” (zie tevens Romeinen 7:7 en kanttekening 26 daarbij). Terecht schreef dan ook prof. J. Douma in de eerste druk (1973) van zijn boekje over homofilie:

“Ongetwijfeld verbiedt de Schrift niet alleen homoseksuele handelingen, maar ook de gedachten, dromen en begeerten die naar zulke handelingen uitgaan. Dat alles is zondig, omdat het strijdt met de wet van God.” 23

De tegenwerping dat de mens toch niets aan de aangeboren aanwezigheid en aan de opwellingen van die kwade lusten in zijn hart kan doen en dat deze ons daarom niet aan te rekenen zijn, snijdt geen hout, want God heeft de mens volkomen goed en naar Zijn evenbeeld geschapen - zonder kwade lusten en met het vermogen om die te weerstaan -, maar de mens heeft zichzelf door moedwillige ongehoorzaamheid in die zondige staat gebracht (Heidelbergse Catechismus, vraag en antwoord 9). Nee, niet alleen de homoseksuele daden, woorden en gebaren, maar ook de in ons hart aanwezige en actief zijnde homoseksuele gevoelens, gedachten, lusten of hoe we die ook noemen, zijn zondig. Daarmee verwerpen we de uitspraak - in onder andere het Visiedocument van de Christelijk Gereformeerde Kerken (2013) - dat “een homoseksuele gerichtheid op zichzelf geen zonde is en ook homoseksuele gevoelens en verlangens dat niet per se zijn.” 24 Met David belijden we - mocht het zijn in waarheid en oprechtheid! - dat we in ongerechtigheid geboren en in zonde (…) ontvangen zijn (Ps. 51:7), waarbij we onder ongerechtigheid in dezen hebben te verstaan: de erfzonde, de aangeboren verdorvenheid, het vlees en de inwonende zonde (zie kanttekening 10). Ja, reeds van het uur van onze ontvangenis af maakt die inwonende zonde ons tot voorwerp van Gods toorn (Ps. 51:3 ber.).

Ten slotte zij voor alle duidelijkheid nog opgemerkt dat we personen van wie we weten dat zij tegen hun homoseksuele gevoelens strijden, in deze zo moeilijke strijd van harte hebben te ondersteunen.

En discriminatie is nooit op zijn plaats! Personen die er een homoseksuele leefwijze op na houden, leven goddeloos. Vanuit de Schrift is dat duidelijk. We mogen dit niet verbloemen. Maar dit geeft ons en onze kinderen op geen enkele wijze een vrijbrief om zulke personen uit te schelden, te pesten of hen op een andere haatdragende of gewelddadige wijze te bejegenen. Want de Bijbel leert ons wel de zonde te haten, maar niet de zondaar! Ook een persoon die er een homoseksuele leefwijze op nahoudt, is onze naaste. Er is zelfs geen enkele reden om ons boven zo’n persoon te verheffen, daar wij allen ‘van dezelfde lap gescheurd zijn’, allen dezelfde diepe en intense verdorvenheid van het hart, zoals verwoord in Romeinen 3, van onze ouders geërfd hebben. Dit betekent dat in ieders hart dezelfde zaden van verdorvenheid te vinden zijn, het zaad van homoseksualiteit niet uitgezonderd. Het is alleen Gods weerhoudende genade als er niet uitkomt wat erin zit. Het is Gods weerhoudende genade als homoseksuele gevoelens en lusten ons niet zodanig overheersen dat we vervallen tot homoseksuele gebaren, woorden en daden.

Wel wijst de Schrift ons erop dat we met hen die openlijk goddeloos leven en daar hardnekkig bij blijven, geen nauwe vriendschappelijke omgang behoren te hebben (Ps. 1; Matth. 18:17). Concreet betekent dit dat we aan personen die er openlijk een homoseksuele leefwijze op nahouden, wel burgerlijke vriendelijkheid behoren te bewijzen en hen in nood behoren te helpen, maar met hen geen directe of nauwe familiaire omgang mogen hebben. Dit geldt vanzelf ook als een man en een vrouw samenwonen zonder getrouwd te zijn of als men bewust ‘met alles’ gebroken heeft. Als het goed is, houden we in dezen één lijn aan, zodat er geen sprake is van discriminatie.

Voor ouders is het zeer pijnlijk en ingrijpend als een zoon of dochter er een homoseksuele leefwijze op na is gaan houden. Het voert te ver en het is hier de plaats niet om daarop verder in te gaan. Slechts willen we de opmerking maken dat we met het bovenstaande geen oordeel hebben willen uitspreken over die ouders die hun huis voor hun eigen kind blijven openstellen op voorwaarde dat hij of zij zijn of haar homoseksuele partner niet meebrengt naar huis.

Ten besluite

De zonde van de homoseksuele praxis, die door de Schrift uitdrukkelijk een gruwel wordt genoemd, wordt in ons land door onze overheid in plaats van strafbaar gesteld, actief bevorderd, openlijk als ‘normaal’ erkend (onder andere door wettelijke regelingen als partnerschap en ‘homohuwelijk’) en als een ‘recht’ verdedigd. Dit seculiere ‘drijven’ gaat zelfs zover dat personen die geen ‘homohuwelijk’ willen en kunnen sluiten, niet meer in aanmerking kunnen komen voor de functie van ambtenaar van de burgerlijke stand. Niet zij, maar juist personen die een homoseksuele relatie onderhouden, behoren hiervan uitgesloten te worden, want de Schrift plaatst homoseksualiteit qua ernst van de zonde in het ‘rijtje’ van incest, pedofilie en bestialiteit. Zonden die een zware straf verdienen. Van overheidswege wel te verstaan, want haar komt het zwaard toe (Rom. 13:4) en niet aan individuele personen.

Dit seculiere, antichristelijke ‘drijven’ inzake homoseksualiteit wordt ook in het onderwijs gevoeld. Iedere basisschool en school voor voortgezet onderwijs is verplicht voorlichting te geven over homoseksualiteit. En docenten die er een homoseksuele leefwijze op na houden, mogen op grond van dit zo zondige openbare feit door een schoolbestuur niet ontslagen worden. Recent lijkt dit ‘ontslagverbod’ door een initiatiefvoorstel van D66, VVD, PvdA, SP en Groen- Links zelfs nog verder aangescherpt te zijn. 26 Een schoolbestuur behoort echter in dezen Gode meer gehoorzaam te zijn dan de mensen. Dit betekent dat het schoolbestuur een docent die er een homoseksuele relatie op nahoudt of samenwoont en daarbij blijft, toch zal moeten wegsturen. En de voorlich-ting over homoseksualiteit aan de leerlingen behoort beperkt te blijven tot het bijbrengen van de Bijbelse kaders inzake homoseksualiteit. Maar helaas wordt ook in de gereformeerde gezindte op dit punt niet meer met één mond gesproken en begint men maar al te zeer toe te geven aan het seculiere ‘drijven’. In het volgende nummer hopen we daarom Deo volente op een aantal min of meer netelige kwesties inzake homoseksualiteit in te gaan.

We willen ten slotte dit artikel beëindigen met twee toepasselijke vragen en mochten we daarmee in waarheid tot onszelf inkeren: Kwellen wij onze ziel ook gelijk de rechtvaardigen Lot, die vermoeid was van den ontuchtigen wandel der gruwelijke mensen…? Want deze rechtvaardige man, wonende te midden van de inwoners van Sódom, heeft dag op dag zijn rechtvaardige ziel gekweld door het zien en horen van hun ongerechtige werken (2 Petr. 2:7-8). En kennen wij onszelf - in waarheid - door het ontdekkend licht van de Heilige Geest? Als daar iets van in de beoefening mag zijn, zullen we ons in ieder geval niet kunnen verheffen boven een homoseksueel.

Noten:

1) J. Noordam, De huiver van Leviticus, Zoetermeer 1994, p. 60 (hierna te noemen: Noordam); Visiedocument ‘homoseksualiteit en homoseksuele relaties’, versie 9.35, CGK, 2013, p. 50 (hierna te noemen: Visiedocument CGK); R. Seldenrijk, Als je je anders voelt, Amsterdam 2004, p. 184 (hierna te noemen: Seldenrijk)

2) M. Henry, Verklaring van het Oude Testament, dl. 6, Kampen 1995, p. 91-92

3) Noordam, p. 56

4) Visiedocument CGK, p. 31

5) G.J. van Aalst, ‘Standpunten over homofilie schuiven’, in: De Saambinder, 31 januari 2008

6) Redactie, ‘Kerk mag niet zwijgen over homoseksualiteit’, in: RD, 20 februari 2014

7) A.A.A. Prosman, Homoseksualiteit tussen Bijbel en actualiteit, Heerenveen 2013, 107 (hierna te noemen: Prosman). Dit is een studie die op verzoek van de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) verschenen is.

8) Visiedocument CGK, p. 29

9) Prosman, p. 107

10) Noordam, p. 60

11) J. Douma, Homofilie, Kampen 1988, p. 65 (hierna te noemen: Douma)

12) Noordam, p. 60

13) Visiedocument CGK, p. 27, 39-41

14) Prosman, p. 162-164

15) Visiedocument CGK, p. 27, 41

16) Visiedocument CGK, p. 29-30; Douma, p. 71-72; Prosman, p. 116-119

17) Noordam, p. 61

18) L. Beels, Sodoms zonde en straffe…, Amsterdam 1730, p. 67-68 (hierna te noemen: Beels)

19) Beels, p. 73

20) Visienota (homo)seksualiteit, VGS, Ridderkerk 2008, p. 5; Handreiking sociale veiligheid en seksuele diversiteit, VGS, Ridderkerk 2014, p. 11

21) M. Henry, Verklaring van het Oude Testament, dl. 1, Kampen 1995, p. 128

22) F. Mallan, Het verbond met Abraham, Alblasserdam 2008, p. 124

23) J. Douma, Homofilie. Ethisch kommentaar, Amsterdam 1973, p. 91

24) Visiedocument CGK, p. 76

25) Er is geen relatie tussen de personen op de foto en de tekst op de kaart.

26) ‘Enkelfeitconstructie definitief uit AWGB’, in: RD, 21-05- 2014


Aantal homohuwelijken in Nederland

Op 1 april 2001 is het huwelijk in Nederland opengesteld voor partners van gelijk geslacht. In de eerste negen maanden daarna maakten meteen bijna 2.500 paren gebruik van de mogelijkheid om te trouwen. In de eerste jaren daarna daalde het jaarlijkse aantal gesloten homohuwelijken. Vanaf 2004 is dat aantal min of meer stabiel. Jaarlijks worden er tussen de 1.100 en 1.400 huwelijken tussen twee mannen of twee vrouwen gesloten. Iets meer lesbische vrouwen dan homomannen treden in het huwelijk. In totaal zijn in Nederland vanaf 1 apil 2001 tot 1 juli 2014 naar schatting op grond van de cijfers van het CBS zo’n 19.000 homohuwelijken gesloten.

-Bron: CBS, De Nederlandse samenleving 2012, Den Haag/Heerlen 2012, p. 174-


Onnatuurlijke onreine sodomitische gruwelen

“De man moet naar het vrouwelijke en de vrouw naar het mannelijke geslacht uitzien, want zodanigen heeft ook God de Heere samengevoegd. Hij schiep ze man en vrouw en bracht de vrouw tot Adam. Die beiden zijn ook geschikt om door huwelijk tot uitbreiding van het menselijk geslacht verenigd te worden. Zodoende strijden hiertegen al de onnatuurlijke bewegingen en vermengingen als daar zijn geweest de onreine sodomitische gruwelen, waarom God de Heere de vijf steden met vuur van de hemel verteerd heeft, zodat die vruchtbare landstreek een onvruchtbare grond is geworden en niet anders dan een Dode Zee, een mare mortuum, zo genoemd omdat er niets in leeft. Ware gruwelen der heidenen, die God overgegeven heeft in een verkeerden zin. Mannen met mannen, vrouwen met vrouwen, schandelijkheid bedrijvende (Rom. 1:26-28). Daar wijst de apostel ons aan dat het een zonde tegen de natuur is, een onreine zonde, ja, zelfs ook een straf van de zonde, die God de Heere Zelf een zonde die zeer zwaar is (Gen. 18:20), noemt.”

- Ds. P. Wittewrongel, Christelijke huishouding, dl. 1, Wijk en Aalburg 2013, p. 144-

Dit artikel werd u aangeboden door: In het spoor

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juli 2014

In het spoor | 56 Pagina's

Het Oordeel van de Schrift Over de Zonde van Homoseksualiteit

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juli 2014

In het spoor | 56 Pagina's