Geen Staatszorg, Maar Familiale, Particuliere en Diaconale Armenzorg
Het is al vaak gebeurd dat zij die vanwege principiële overwegingen willen dat de overheid de (verplichte) volksverzekeringen afschaft, voor de voeten geworpen kregen dat men dan de armen en behoeftigen onbarmhartig aan hun lot zou overlaten. Ds. G.H. Kersten en ds. P. Zandt hebben in hun tijd hier ook al mee te maken gehad. In 1952 heeft ds. P. Zandt in De Banier uitgebreid over dergelijke sociale vraagstukken geschreven. In die artikelenserie pleit hij op grond van de Bijbel juist voor een stelsel waarin de armenzorg via familiaal, particulier en diaconaal hulpbetoon wordt vormgegeven en slechts in bijzondere situaties door hulpbetoon van overheidswege. Vanwege de actualiteit van deze materie laten we hieronder een gedeelte uit die serie in herspelde en soms licht hertaalde vorm volgen.
Niet aan hun lot overlaten
Ds. P. Zandt: “Het is wel zo gesteld (…) dat er ten aanzien van het sociale vraagstuk slechts tussen twee wegen te kiezen valt: of de verzekeringsdwang of het prijsgeven aan honger; of de uitkeringen uit de verzekeringsfondsen te doen plaats hebben of de mensen onbarmhartig over te leveren aan de honger. Zelfs een minister van Sociale Zaken richtte in 1937 tot ds. Kersten de vraag: ‘Mag men hen dan aan de honger prijsgeven?’(…) Zeer naar waarheid heeft ds. Kersten [toen] gezegd dat het zo niet gelegen is dat men óf de mensen aan de honger prijsgeeft óf dat men hen met de uitdelingen van de dwangverzekeringswetgeving te hulp komt. En evenzeer naar waarheid dat de staatkundig gereformeerden, al verwerpen zij de dwangverzekeringswetgeving om principiële redenen, de mensen die om de een of andere reden zich in een noodlijdende staat bevinden en hulp behoeven, allerminst aan de honger of aan ontbering willen overleveren. Dit zou ook geheel in strijd zijn met de beoefening van de barmhartigheid, die Christus zozeer heeft aangeprezen, ja, nadrukkelijk bevolen heeft. En die Hij zelfs beoefend heeft willen zien tegenover degenen die ons geweld aandoen, ons haten en vloeken, als Hij beval: Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent hen die u vervloeken; doet wel dengenen die u haten; en bidt voor degenen die u geweld doen en die u vervolgen (Matth. 5:44). Het zou evenzeer in flagrante strijd zijn met de beoefening van de barmhartigheid die in het tijdperk van de eerste Christelijke kerk zo mild en liefderijk betracht werd. (…)
Zou het geheel tegen Christus’ leer en tegen de praktijk van de eerste Christelijke kerk indruisen, indien nooddruftigen, maatschappelijk minbedeelden, invaliden en noodlijdende arbeiders met hun gezinnen aan ontbering en honger werden prijsgegeven, niet minder zou dit lijnrecht inlopen tegen hetgeen Calvijn dienaangaande in zijn geschriften heeft geschreven. Hoe is hij daarin doorlopend als een pleitbezorger voor deze personen opgetreden! Hoe scherp heeft hij ook daarin het rome van zijn tijd bestreden, als het zich niet met al of nagenoeg niets van hun lot aantrok. (…).
Juist mild te hulp komen
Na het voorafgaande behoeft het volstrekt geen nader betoog dat het allerminst op waarheid berust als voorgesteld wordt dat de SGP, wier beginselen geheel naar het Woord van God en overeenkomstig de leer van de Reformatie zijn, geen oor en oog voor de noden van de noodlijdenden, maatschappelijk minbedeelden en arbeiders heeft en dat zij zich zelfs om heel hun wedervaren en lot niet bekreunt. Zo is het wel voorgesteld. Meermalen zelfs in brede kring in het openbaar voorgesteld, maar zo is het allerminst. (…) De feiten hebben dat wel heel klaar in het verleden reeds uitgewezen. In de jaren van malaise, in die van 1930 tot omstreeks 1940, zijn het toch de Kamerleden van de SGP geweest die, waar bij de toenmaals heersende ontzaggelijke werkeloosheid particulier en kerkelijke ondersteuning geen afdoende hulp vermochten te bieden, er bij voortduring bij de regering op aangedrongen hebben om de werkloze arbeiders met hun gezinnen niet schriel, maar mild te hulp te komen. Zij waren de eersten die destijds de regering op de komende geweldige crisis wezen en mede onder de eersten die bij de regering steun en hulp voor de werkloze arbeiders bepleit hebben, en zij zijn daarin niet verflauwd, getuige de redevoeringen welke zij in die jaren in de Kamer gehouden hebben, waartoe zij verwaardigd mochten worden. Met de dwangverzekeringswetgeving echter, waarbij het dwang op dwang is en de Christelijke barmhartigheid geweld wordt aangedaan, kan de SGP niet mee. En dit niet alleen om financiële redenen, daar toch veel te veel aan de strijkstok van de ambtenarij en de bureaucratie blijft hangen en deze uitkeringen schriel zijn in vergelijking met wat de werkgever en werknemer er voor moeten opbrengen, maar veel meer nog om des gewetens wil, daar deze verzekering tegen Gods Woord inloopt.
Gods Woord tot richtsnoer
Ook ten aanzien van het sociale vraagstuk, waarover artikel 9 van het [oude] program van de SGP handelt, bestaan er Goddelijke geboden, hoe zeer in onze tijd ook in het vergeetboek geraakt en hoe zeer ook door velen gehaat, veracht en met voeten getreden, zij zijn er. Deze zijn nog evenzeer met Goddelijke autoriteit bekleed, vragen nog evenzeer onvoorwaardelijke betrachting, eisen nog een even stipte gehoorzaamheid als op de dag waarop zij voor eeuwen geleden door de Heere uitgevaardigd zijn. Moge de tijd al veranderen, het ene geslacht komen en het andere gaan, mogen wij al in een wereld van gestadige verandering leven, het Woord Gods bestaat in der eeuwigheid. En dat Woord biedt ons bij alle wisseling der tijden nog immer de beste wetten, ook ten aanzien van het sociale vraagstuk. (…)
Nee, niet naar menselijk inzicht en menselijke wijsheid dient het sociale vraagstuk bezien en zo mogelijk opgelost te worden, maar naar Gods geboden. En dan (…) heeft men ten aanzien daarvan te rade te gaan, ja, veel meer nog, zich uit liefde gehoorzaam te onderwerpen aan het vijfde gebod, waarin de Heere de band gelegd heeft in het leven in het huisgezin, in maatschappij en staat en waarin Hij bevolen heeft, hoe men zich daarin heeft te gedragen.
Liefde tot de overheden
In dat gebod nu wordt een iegelijk mens van Godswege bevolen achting, eerbied, liefde en gehoorzaamheid te betonen aan de machten die boven hem gesteld zijn. Gode te geven wat Godes is en de keizer wat des keizers is. In Romeinen 13 vers 1 en 2 toch wordt nadrukkelijk gelast: Alle ziel zij den machten over haar gesteld, onderworpen; want er is geen macht dan van God, en de machten die er zijn, die zijn van God geordineerd. Alzo dat die zich tegen de macht stelt, de ordinantie Gods wederstaat; en die ze wederstaan, zullen over zichzelven een oordeel halen. En zelfs heeft de apostel Paulus geschreven in 1 Timótheüs 2 vers 1-2: Ik vermaan dan vóór alle dingen, dat gedaan worden smekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen voor alle mensen, voor koningen en allen die in hoogheid zijn, opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid. Wij zien hieruit dat de Heere ons gebiedt dat wij een hartelijke en innige liefde tot de machten die over ons gesteld zijn, zullen hebben en dat Hij ons verbiedt enige haat in ons hart tegen hen te koesteren of naar buiten te openbaren. Ook in dezen is het ons niet alleen verboden een Kaïns gestalte tegenover hen te vertonen, maar ook integendeel geboden hun liefde te betonen en hen te gehoorzamen, in zoverre hun geboden niet tegen die van God indruisen. Want ook in dezen is Gods Woord van gelding dat men Gode meer gehoorzaam dient te zijn dan de mensen en dat wie vader of moeder liefheeft boven de Heere, Zijns niet waardig is.
Overheden als liefderijke vaders
Heeft alzo de Heere in het vijfde gebod verplichtingen op de onderdaan gelegd. Hij heeft deze daarin ook gelegd op de machten die boven hem staan. Evenzeer als de onderdaan liefde en gehoorzaamheid jegens zijn overheid heeft te betonen en de kinderen tegen hun ouders, evenzeer hebben de machten en de ouders deze tegen hun onderhorigen te bewijzen. Het is dan ook de overheden overeenkomstig het vijfde gebod ten dure plicht gesteld zowel het lichamelijke als het zielenheil van haar onderdanen te zoeken, het land te reinigen van allerlei goddeloosheid, waarover des Heeren toorn van de hemel naar de uitspraak van Romeinen 1 geopenbaard wordt, geen goddeloze en onrechtvaardige wetten in te voeren en geboden zich een voedsterheer van Gods kerk te betonen. Ja gewis, de overheden hebben overeenkomstig genoemd gebod zich als liefderijke vaders tegen hun onderdanen te gedragen, hen in alle opzichten te beschermen en er te allen tijde op uit te zijn om voor hen biddende ook hun tijdelijke welvaart te bevorderen. Daarom hebben zij geen te zware en onnodige belastingen in te voeren, zoals Rehábeam deed, maar zich te gedragen naar het woord van de profeet Ezechiël: En Mijn vorsten zullen Mijn volk niet meer verdrukken, maar het huis Israëls het land laten, naar hun stammen. Alzo zegt de Heere HEERE: Het is te veel voor u, gij vorsten Israëls; doet geweld en verstoring weg, en doet recht en gerechtigheid; neemt uw uitstotingen op van Mijn volk, spreekt de Heere HEERE (Ezech. 45:8-9).
Naar Gods eis heeft alzo de overheid de goeden te beschermen en de kwaden te straffen, opdat er gerechtigheid in den lande wone. Staat het ten aanzien van het vijfde gebod alzo tussen overheid en onderdaan, niet anders is het volgens dat gebod tussen patroon en werknemer, tussen meester en dienstbare gesteld. De laatstgenoemde is tegenover zijn werkgever achting, eerbied, liefde en gehoorzaamheid verschuldigd en heeft, gelijk Gods Woord ons nadrukkelijk leert, zijn heer niet te dienen uit ogendienst, maar om Gods wil en ter ere Gods. In alles betrachtende zijn plicht, zoals de Heere die van hem eist. Omgekeerd heeft de meester zijn ondergeschikte niet met hardigheid of wreedheid te bejegenen, hem geen lasten te dragen te geven die hij niet vermag te dragen. Nee, hier moet de wet der liefde tussenbeide staan. Daarom dient de ondergeschikten een behoorlijk loon gegeven te worden, want anders komt hun geschrei in de oren des Heeren Zebaoths, en de Heere hoort dat geschrei. Gelijk ook niemand zijn dienstbaren lichtelijk om ziekte of ouderdom mag verstoten. In alles heeft de meester de knecht een goed voorbeeld te geven, zijn handelingen immer richtende naar Gods Wet. Want ook in dezen wordt het woord van het Heilige Schrift bewaarheid: Zo de heer, zo de knecht; zo de koning, zo het volk. Werd dan ook in het maatschappelijk leven naar dit Goddelijke voorschrift geleefd, hoe veel te groter zouden de tevredenheid en de vrede onder de mensen zijn, die nu vaak zo geheel zoek zijn. Hoe veel te minder zouden wrok en wrevel, haat en nijd, afgunst en jaloezie op aarde zijn, die het leven van zo menig mens vergallen. Ja, welk een onuitsprekelijke zegen zou dit in het sociale leven voor ziel en lichaam, voor tijd en eeuwigheid brengen.
Wederzijds elkaar dienstbaar zijn
Hoe gewenst en noodzakelijk is het dat door beleving van Gods Wet de grondslag voor deze zo heilzame samenleving ook in het gezin wordt gelegd. Dit is toch de cel waaruit heel het maatschappelijke, sociale leven opgebouwd wordt. Daarom is het dan ook van het allerhoogste belang dat in het gezin naar de geboden van God geleefd wordt, dat de ouders de kinderen in de vreze des Heeren voorgaan en hen deze vanaf hun prilste jeugd als het beginsel van alle wetenschap zoeken in te prenten, dat zij hen in Gods Woord en waarheid onderwijzen en laten onderwijzen naar de kostelijke raad, die Sálomo geeft: Leert den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken (Spr. 22:6). Dit doende zal de band van ongeveinsde liefde, die in onze dagen menigwerf zo zoek is, tussen ouders en kinderen gelegd worden, hetwelk ook in het maatschappelijke leven tot grote zegen strekt. Dan toch zullen de ouders hun kinderen niet voorgaan in een goddeloos, wulps, overdadig en losbandig leven. Niet met de rijke man maar begeren hier op aarde al de dag prachtig en overdadig te leven. Niet met allerlei verkwisting hun goed door te brengen, maar ook nog iets voor hun kinderen nalaten. Dan zullen zij evenmin in gierigheid en hebzucht leven om maar slechts akker aan akker te kunnen trekken, maar ook nog van hetgeen dat zij mogen bezitten, uitdelen ter bevordering van Gods Koninkrijk en tot leniging van de noden van de behoeftigen. Dan zullen de ouders er niet naar staan om op ongeoorloofde wijze van hun kinderen te profiteren en de kinderen evenmin ernaar staan om van hun ouders af te halen wat zij er maar van afhalen kunnen. Dan zullen de ouders beproeven om hun kinderen, door hen enig ambacht, beroep of ambt te laten leren, tot nuttige leden van de maatschappij op te voeden. En dan zullen de kinderen niet gelijk Cham met de gebreken of zwakheden van hun ouders de spot drijven, maar hen - als zij gebrekkig worden of op hun oude dag noodlijdend zijn - niet onbarmhartig aan hun lot overlaten, maar hun graag, voor zover dit maar even in hun vermogen is, de verschuldigde dienst der liefde en der hulp bevestigen. Nee, alsdan zullen wij niet zien wat onze dagen ons soms te zien geven, dat kinderen, als zij in een zekere staat van eer en aanzien gekomen zijn, hun eenvoudige ouders niet meer willen kennen. Alsdan zou het spreekwoordelijk gezegde: ‘Eer brengt een arme vader tien kinderen groot, dan dat tien rijke kinderen hem helpen in zijn nood’, onder ons niet meer in zwang zijn.
De zegenrijke Bijbelse volgorde
Wij weten zeer wel dat wij allerminst naar de zin en smaak van zeer velen van onze tijdgenoten handelen, als wij bij de behandeling van het sociale vraagstuk ter leniging van maatschappelijke noden het vijfde gebod des Heeren betrekken. En toch, hoe zeer de tijdgeest zich daar ook tegen moge verzetten, mag dit geen beletsel zijn om het vijfde gebod bij de sociale kwestie te betrekken, ja moet dit gebod integendeel een iegelijk, als bevattende de deugdelijke grondslag voor een goede maatschappelijke samenleving, worden voorgehouden Stellig mag de SGP, waar zij het heil verwacht van de terugkeer tot Gods geboden, in dezen niet in gebreke blijven. God de Heere verlene haar de moed en de kracht om dit niet te verzwijgen, maar ervoor op te komen en het pleit ervoor te voeren om een iegelijk en ook de overheid voor te houden dat zij naar het vijfde gebod haar handelingen en wetgeving ten opzichte van de sociale kwestie heeft te richten. Daarbij komt als vanzelfsprekend, gelet op de nauwe band die de Heere in het vijfde gebod tussen ouders en kinderen gelegd heeft, in de eerste plaats in aanmerking de eer, de liefde, de trouw en de gehoorzaamheid die de kinderen aan de ouders van Godswege verplicht zijn te bewijzen. Zij zijn de eerst aangewezenen om hun ouders, zo het in hun vermogen ligt, in behoeftige omstandigheden te hulp te komen. Daarmede wenst de SGP de verplichtingen van familie tegenover familie gehandhaafd te zien. Zij kan en mag niet anders, daar de Heere in het vijfde gebod het eist. En nu is het de SGP niet onbekend dat er door de verwording en ontwrichting van het huidige maatschappelijke leven tal van gezinnen zijn die - ook al mochten zij dit van harte willen - hun familie niet die bijstand kunnen verlenen die zij jegens hen wel zouden willen betonen, daar hun middelen daartoe ontoereikend zijn. Daarom wil de SGP, ook al stelt zij naar de eis van Gods wet de verplichting van kinderen tegenover ouders en familie tegenover familie op de voorgrond, ter leniging van de sociale noden ook andere personen en instellingen daarbij betrokken zien en wel de particuliere hulp en die der diaconieën als een van Godswege ingesteld instituut. En ook die der overheid. Ja, ook die der overheid, gelijk onze gereformeerde vaderen deze ook ingeroepen hebben en de Kamerleden van de SGP deze ook ingeroepen hebben, toen zij in de jaren van 1930-1940 bij de grote, toenmaals heersende werkloosheid bepleit hebben dat de overheid met milde hand de werkloze arbeiders met hun gezinnen hulp zou bieden.
De diaconie: een Goddelijke instelling
Waar de SGP overeenkomstig het vijfde gebod en zovele andere uitspraken van Gods Woord de verplichtingen van ouders jegens hun kinderen, van de kinderen jegens hun ouders en van familie jegens familie, alsook de particuliere milddadigheid bij het sociale vraagstuk betrokken wenst te zien, daar spreekt het als vanzelf dat zij dit ook wenst ten aanzien van de diaconie. De instelling van diakenen is toch onbetwistbaar van Goddelijke oorsprong. Dat de Heere Zelf het ambt van de diakenen heeft ingesteld, blijkt onweersprekelijk uit hetgeen ons in Handelingen 6 vers 3-7 daaromtrent beschreven staat, waar wij lezen: Ziet dan om, broeders, naar zeven mannen uit u, die goede getuigenis hebben, vol des Heiligen Geestes en der wijsheid, welke wij mogen stellen over deze nodige zaak. Maar wij zullen volharden in het gebed en in de bediening des Woords. En dit woord behaagde aan al de menigte; en zij verkozen Stéfanus, een man, vol des geloofs en des Heiligen Geestes, en Filippus en Próchorus, en Nikánor, en Timon, en Pármenas, en Nikoláüs, een Jodengenoot van Antiochië; welke zij voor de apostelen stelden; en dezen, als zij gebeden hadden, legden hun de handen op. En het Woord Gods wies, en het getal der discipelen vermenigvuldigde te Jeruzalem zeer; en een grote schare der priesters werd het geloof gehoorzaam.
Een blijvende instelling
Het diakenschap was niet alleen voor die tijd, toen om hoogdringende redenen de goederen samengebracht werden en de kerk uit de gemene boedel leefde. Maar gelijk er altijd armen en behoeftigen in de kerk zullen zijn, zo moet het diakenschap er ook immer zijn en is het in latere tijd ook als een Goddelijke instelling gebleven. Wat duidelijk blijkt uit hetgeen de apostel Paulus in zijn brief aan de Romeinen aangaande de diakenen schreef. Hij schreef daar over hen: Die uitdeelt, in eenvoudigheid; (…) die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid (Rom. 12:8). En niet minder blijk het uit wat hij in zijn brief aan de Filippenzen schreef. Die richtte hij aan die gemeente met de opzieners en diakenen (Fil. 1:1b). Dat het diakenschap een van God gewilde blijvende instelling is, blijkt al niet minder overtuigend uit het feit dat Paulus in 1 Timotheüs 3 Timotheüs onderricht hoedanig de diakenen moeten zijn. Na eerst de vereisten voor het ambt van ouderling beschreven te hebben, schrijft hij in het genoemde hoofdstuk in de verzen 8 tot 10 betreffende de diakenen: De diakenen insgelijks moeten eerbaar zijn, niet tweetongig, niet die zich tot veel wijn begeven, geen vuilgewinzoekers; houdende de verborgenheid des geloofs in een reine consciëntie. En dat dezen ook eerst beproefd worden, en dat zij daarna dienen, zo zij onbestraffelijk zijn. Zo staat het dan onweersprekelijk op grond van Gods Woord vast dat het diakenschap een blijvende van Godswege ingestelde instelling is.
Geen geringe vereisten
Eveneens staat het vast dat de vereisten voor het waarnemen van het diakenschap geen geringe zijn. Naast de reeds genoemde vereisten hebben zij als ware Christenen een voorbeeld voor hun naasten te zijn, inzonderheid in de betrachting van milddadigheid, gelijk de apostel Petrus in 1 Petrus 3 vers 8 heeft geschreven: Zijt (…) medelijdend. De nood van de armen en behoeftigen dient hen te wegen alsof zij zelf in behoeftige en armoedige omstandigheden verkeerden. Ds. Wilh. á Brakel, die wij in dezen het woord wensen te geven, zegt er in zijn werk De Redelijke Godsdienst van “dat de diakenen naast medelijdend ook hebben te zijn:
b. Barmhartig. Dat is een ontferming die genegenheid verwekt om te hulp te komen. Zalig zijn de barmhartigen (Matth. 5:7). Weest dan barmhartig (Luk. 6:36). Met innerlijke barmhartigheid bewogen (1 Petr. 3:8). Hiertegen is zijn hart toe te sluiten, zich hard te maken tegen de armen om niet te geven of - zo men iets om schanden te voorkomen of anderszins moet geven - dat men dan zo geeft alsof men een hond een stuk brood toewerpt.
c. Zorgvuldig en bekommerd hoe de arme mensen het stellen zullen, of ze al genoeg hebben om te leven en om de Heere te danken, gelijk een vader voor zijn kinderen zorgt. Den blinde was ik tot ogen, en den kreupele was ik tot voeten. Ik was den nooddruftigen een vader (Job 29:15-16a).
d. Blijmoedig en vriendelijk. Die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid (Rom. 12:8b), met innerlijke barmhartigheid bewogen, vriendelijk (1 Petr. 3:8b). Een goed woord en een vriendelijk gelaat is zeer verkwikkelijk voor de armen, die door hun armoede terneergeslagen zijn, maar een wreed aangezicht en een scherpe mond snijden door hun ziel.”
Mild
Buiten enige twijfel is het dat het diakenschap, zoals dat in de eerste tijd in de oude Christelijke kerk werd waargenomen, zeer veel leed verzacht heeft en de armen en behoeftigen, voor wie de apostel Paulus in onderscheidene gemeenten collecten heeft gehouden, niet schriel, maar mild in hun noden hulp geboden heeft, waarmede het aan de heidenwereld, waarin hardvochtigheid en wreedheid schering en inslag waren, een voortreffelijk beeld geboden heeft van wat wezenlijke Christelijke barmhartigheid en milddadigheid vermogen. Dit temeer waar in die kerk destijds ook al niet vele edelen, niet vele machtigen, niet vele wijzen naar het vlees waren, maar zij grotendeels bestond uit personen die met handenarbeid hun dagelijks brood verdienden.
Gelijk het ook niet nagelaten heeft op de heidenen een geweldige indruk te maken en een hoogst gunstige mening over het Christendom bij hen post te doen vatten als de Christenen bij besmettelijke ziekten hun woning binnentraden om daarin hun gezins- of familieleden te verplegen die zij - uit vrees voor besmetting uit hun huizen gevlucht - hulpeloos aan hun lot hadden overgelaten. Deze betoonde barmhartigheid heeft er onder Gods gunst sterk aan medegewerkt dat het Christendom onder de heidenen ingang vond.
Mistanden
Naarmate ongeloof en bijgeloof in de kerk toenamen, nam de betoning van barmhartigheid ook van de diaconie hand over hand af. Calvijn beklaagde zich er in zijn tijd terecht zeer bitter over dat in romes kerk ook vanwege de kerk en de diaconie de beoefening van de milddadigheid jegens de armen zo jammerlijk beoefend werd. Hij wees daarbij op het gedrag van twee bisschoppen uit de oude Christelijke kerk, van wie de een, toen hem uit roofzucht naar de schatten van de kerk door de heidenen gevraagd werd, hen naar de armen wees, zeggende: ‘ziet daar de schatten van de kerk’. En de ander in de tijd van hooggeklommen maatschappelijke nood de sieraden en kelken van de kerk te gelde maakte om met het opgebrachte geld de ellende en armoede van hulpbehoevenden te lenigen. Hij bracht het als een ernstige grief tegen romes kerk in dat zij in haar kerken grote sommen gelds aan kostelijk marmer, beelden, sieraden, goud, zilver en edelgesteente ophoopte, terwijl zij haar arme behoeftige leden hongerig en behoeftig in bittere armoede en ellende deed leven.
En ook is het stellig waar dat ook in latere tijden, zelfs in protestantse kerken, door de diakenen niet die barmhartigheid en milddadigheid zijn betracht die er in de oude Christelijke kerk en in de Gouden Eeuw van ons volksbestaan zijn betracht. Ach, daar waren zo menigwerf geen diakenen als Stéfanus er een was, een man vol van de Heilige Geest en van geloof. Vandaar ook is het mede te verklaren dat de betrachting van milddadigheid en barmhartigheid menigmaal schipbreuk heeft geleden bij de waarneming van het diakenschap en dat daarover een minder gunstig oordeel is ontstaan.
Ten besluite
Maar hoeveel er ook aan de beoefening van het diakenschap moge ontbroken hebben - en milddadigheid en barmhartigheid heeft er stellig aan ontbroken -, nochtans mag nimmer vergeten worden dat het een Goddelijke instelling is. En mag ook allerminst toegegeven worden aan de aandrang van velen die het diakenschap maar liefst geheel afgeschaft willen hebben en alle zorg voor armen, behoeftigen, invaliden, maatschappelijk minder bedeelden en arbeiders liefst geheel aan de staat overgedragen verlangen te zien, waarbij wij met de huidige dwangverzekeringswetgeving al een heel eind weegs gekomen zijn. Goed en welbeschouwd heeft de maatschappelijke nood en de niet behoorlijke verzorging van eenieder die nooddruftig is, een diepere oorzaak. Deze is in ongeloof en bijgeloof gelegen, die in onze dagen nog hand over hand toenemen. Naarmate nu deze toenemen, keert men zich hoe langer hoe meer van de diaconale verzorging af en draagt men haar aan de staat over. En al is het nu waar dat de SGP geheel tegen de tijdgeest heeft in te roeien, nochtans handelt zij geheel naar het Woord van God als zij bij de leniging van de maatschappelijke noden ook het diakenschap betrokken wil hebben, daar dit een Goddelijke instelling is, zoals wij in dit artikel met overtuigende bewijzen - aan de Heilige Schrift ontleend - hebben aangetoond.
Bron: ‘De Beginselen der Staatkundig Gereformeerde Partij. Haar program’, no. 87, in: De Banier, 24 april 1952, no. 88, in: De Banier, 8 mei 1952, no. 89, in: De Banier, 22 mei 1952 en no. 90, in: De Banier, 24 juli 1952
Fotoverantwoording:
a) Foto Fotobureau Meijer, Den Haag
b) Foto BHIC
c) Foto Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed [CC BY-SA 3.0 nl (http://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/nl/ deed.en)], via Wikimedia Commons
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 februari 2015
In het spoor | 68 Pagina's