Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Meditatie

21 minuten leestijd

Twee mensen gingen op in den tempel om te bidden; de een was een farizeeër en de ander een tollenaar. De farizeeër staande, bad dit bij zichzelven: O God, ik dank U dat ik niet ben gelijk de andere mensen: rovers, onrechtvaardigen, overspelers, of ook gelijk deze tollenaar. Ik vast tweemaal per week; ik geef tienden van alles wat ik bezit. En de tollenaar van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God, zijt mij zondaar genadig. Ik zeg ulieden: Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die. Lukas 18:10-14a

Een bekende gelijkenis. Twee mensen gingen op in den tempel. Eén van die denkt dat hij in het rechte spoor gaat en straks naar de hemel. Wat is dat voor een man? Een farizeeër. Was dat dan zo’n slechte man? Nee, die farizeeër was alleszins godsdienstig. Wij zouden zeggen: een voorbeeld voor de maatschappij. Farizeeërs konden uren lang staan te bidden op de hoeken van de straten. Deze farizeeër ging op naar de tempel. Een bekend beeld in Jeruzalem. De tempel was namelijk gebouwd op de Tempelberg, die via trappen te bereiken was. Deze farizeeër ging op om daar te bidden. Maar niet alleen hij. Er ging nog iemand op naar de tempel: een tollenaar. Twee soorten mensen dus. Meer soorten zijn er niet. Wij zijn óf dood in de eerste Adam óf levend in de tweede Adam, in Christus. Twee wegen, twee soorten mensen, maar ook tweeërlei einde.

De farizeeër vergat eigenlijk te bidden. Hij begon immers gelijk al te danken. Op zichzelf zouden wij zeggen: dat is nog niet zo verkeerd als u werkelijk de Heere zou mogen lieven, loven en danken. Ja, dat is ook zo, maar waar ging die man hier voor danken? Hij zegt: O God, ik dank U dat ik niet ben gelijk de an dere mensen: rovers, onrechtvaardigen, overspelers, of ook gelijk deze tollenaar. Deze farizeeër had het goed getroffen met zichzelf en hij wist ook goed hoe de mensen buiten hem waren en wat er van hen te verwachten was. Wij zouden zeggen: deze farizeeër had kennis van het ‘buitenland’. Maar weet u wat deze man miste? Hij miste de kennis van het ‘binnenland’. Maar hoe is dat bij ons? Hebben wij nog ware zelfkennis? Waar is onder ons die tere vreze des Heeren gebleven, dat nabije leven? We zijn zoveel kwijt, ja, we zijn schier alles kwijt. Van God afgegaan! Wij kunnen onszelf daarbij - verstandelijk - wel insluiten, maar als God het niet doet, dan hebben we nog niets. Maar als God ons erbij in gaat sluiten, dan gaat het waar worden wat de dichter van Psalm 106 dichtte (vers 4):

Wij hebben God op ’t hoogst misdaan;

Wij zijn van ’t heilspoor afgegaan;

Ja, wij en onze vaad’ren tevens,

Verzuimend alle trouw en plicht,

Vergramden God, den God des levens,

Die zoveel wond’ren had verricht.

De farizeeër zegt: O God, ik dank U dat ik niet ben gelijk (…) deze tollenaar. Wat kende hij die tollenaar goed! Ik zie die tollenaar daar achterin de tempel staan. Die man durfde niet verder te komen. Die tollenaar bad bij zichzelf, maar als hij het gebed van die farizeeër gehoord heeft (farizeeërs waren in het algemeen gewend hun gebed hardop te doen, opdat iedereen het zou horen), dan heeft die tollenaar moeten zeggen: ‘Als die farizeeër ooit een waarheid heeft gesproken, dan heeft hij dat nu gedaan!’ Want daar achterin de tempel stond nu werkelijk één die bij inleving de slechtste van de slechtsten was. Ik zou willen vragen: ‘Zijn er in ons midden nog van die slechtste van de slechtsten? Niet in de uitleving, maar in de inleving tussen God en onze arme ziel. Dan komen we vandaag nog in de binnenkamer terecht. Dan hebben we het niet meer over een ander. Dan gaat het niet over al die partijen, want het is een grote chaos in ons land, omdat we God verlaten hebben. Maar dan komen we met alles in de binnenkamer op de knieën. Mocht er zo nog eens gebed gevonden worden! Soms wordt het voorbeeld genomen van die drie in ambtskleding: een advocaat die pleit, een officier die strijdt en een dominee die bidt. Maar geliefden, hebben we nog een verborgen gebedsleven voor onszelf, voor onze naasten en voor onze Staatkundig Gereformeerde Partij? Die partij is ver weg, maar in zoverre proberen we die partij zeker ook nog een warm hart toe te dragen, maar je komt daarbij wel in moeilijkheden terecht, namelijk: hoever kunnen we hierin nog meegaan, want we zijn een schip waarvan we moeten vrezen dat de bodem er allang onderuit is, waardoor we zakken en zinken. Mocht God in Nederland achterin de tempel nog eens tollenaars verwekken!

In het leven van die tollenaar was wat gebeurd. Die tollenaars waren niet van die beste mensen, die waren niet van het beste soort. Ze werden door het volk veracht. Ze inden immers belasting over de ruggen van hun eigen volk voor de vijand, voor de Romeinen, en door teveel te vragen, verrijkten ze zichzelf ermee. Die tollenaars stonden daarom beslist niet in eer en aanzien. Dit blijkt ook wel uit hetgeen ze over de Heere Jezus zeiden, namelijk: Deze ontvangt de zondaars, en eet met hen (Luk. 15:2b). Hier zien we dan zo’n tollenaar gaan. Ik zie als het ware in gedachten deze man bezig. Hij is aan het werk in het tolhuis. Allerlei papieren en paperassen liggen daar. Weet u wat die man tussen al die papieren, tussen al dat werk, tegengekomen is? Hij is een brief tegengekomen. Wat voor een brief? Een schuldbrief. Bent u die ook tegengekomen, geliefden? Heeft u die ook al thuisgekregen? En aan die schuldbrief was een doodsbrief gehecht. Daar werd het eeuwigheid in de tijd voor die man. Daar werd zonde zonde en schuld schuld. Toen kon hij niet langer buiten de deur kijken, maar ik hoor hem nu in zijn tolhuis zeggen (Ps. 51:2a ber.):

Want ik gevoel de grootheid van mijn kwaad;

Mijn zonde zie ’k mij steeds voor ogen zweven;

’k Heb tegen U, ja, U alleen, misdreven;

Uw wil en wet, hoe heilig, stout versmaad.

Ik heb gedaan wat kwaad was in Uw oog;

Bij dezulken wordt de brug naar de wereld opgehaald en tot de zonden roepen ze: henen uit, henen uit! Het wordt bij hen praktijk wat in Psalm 45 vers 5 (berijmd) tot de bruid wordt gezegd: Verlaat, vergeet, wat ooit u kon bekoren, Uws vaders huis, uw volk, en wat voorheen U dierbaar en beminnenswaardig scheen. Zij krijgen nu Zijn Woord lief, Zijn dag, Zijn volk en ook de genademiddelen. Daarom ging die tollenaar op naar de tempel, maar hij keurde zich daar geen plaatsje waardig, in tegenstelling tot de farizeeër. Hij stond daar achterin die tempel. Er staat: En de tollenaar van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar den hemel. Die man heeft de breuk tussen God en zijn arme ziel mogen inleven.

De scheiding die er lag: hij stond van verre en wilde zelfs de ogen niet opheffen naar de hemel. Die man keek naar beneden, want hij zag zich geplaatst voor een heilig en een rechtvaardig God, voor Wie hij geen bestaansrecht en bestaansgrond had. Als u op dat plaatsje komt, geliefden, dan wordt het u een wonder dat de aarde zich nog niet vaneengescheurd heeft, dat de hemel u nog dekt en de aarde u nog draagt.

De tollenaar sloeg op zijn borst, zeggende: O God, zijt mij zondaar genadig. Wat heeft ons land en volk nodig? Wat heeft ook de Landelijke Stichting nodig? Wat hebben ik en u nodig? Wat de tollenaar beleefde! Die man wist waar de kwaal zat en gevoelde die met smart. Hij sloeg niet op zijn hoofd, nee, op zijn borst waar zijn hart zat, zijn verdorven hart. Hij riep uit: O God, zijt mij zondaar genadig. We zien een onheilige zondaar die mag bukken voor een heilig God. De man was in eigen oog alles onwaardig. Dan gaat de mond dicht, dan komen we in de binnenkamer terecht. Dan zal het ons tot schuld worden hoever we zijn afgeweken, persoonlijk en als land en volk. Maar dan zou er nog hoop en verwachting zijn. Want vrije, soevereine genade past juist bij een mens die nu werkelijk zondaar en schuldenaar voor en onder God gemaakt mag zijn. Genade past bij een misdadiger in eigen ogen, bij een dood- en doemschuldige, bij een die zich geheel strafwaardig keurt, bij een die met de dichter uitroept: ’k Erken mijn schuld, die U tot straf bewoog; Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig (Ps. 51:2 ber.)

Geliefden, er kan zoveel namaak zijn. Want we kunnen een tollenaarsgestalte en een tollenaarshouding hebben. We kunnen een tollenaarsgebed doen, maar een tollenaars hart is door God geschonken. Dat hebben we nodig in ons vaderland en in het kerkelijk leven. Dat hebben we ook persoonlijk nodig op weg en reis naar de eeuwigheid.

Twee mensen gingen op in den tempel om te bidden. Bij die tollenaar gingen er twee mensen in één persoon op: de oude en de nieuwe mens. Die farizeeër kende die tollenaar niet, maar die tollenaar kende wel die farizeeër in zijn binnenste, ja, hij gruwde ervan. Hoelang heeft hij die farizeeër moeten meedragen? Wel heel eenvoudig: totdat de adem er bij de tollenaar uitging. Toen was hij verlost van die farizeeër in zijn binnenste.

Die tollenaar sloeg op zijn borst, zeggende: O God, zijt mij zondaar genadig. Hij stond daar in de ware verootmoediging, in de breuk tussen God en zijn arme ziel, met ootmoed bekleed voor een heilig en een rechtvaardig God, Die te allen tijde recht komt te doen. Hij hief zijn ogen niet op, nee, hij keek naar beneden. Maar wat zegt de Heere Jezus dan: Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die; want een ieder die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.

Geliefden, die tollenaar heeft leren kennen dat hij buiten het spoor liep, dat hij van de weg des levens, het smalle pad, af was en de brede weg had verkozen. Maar dat hebben wij allen gedaan in ons verbondshoofd Adam, in onze diepe val in het paradijs. Zijn wij dat ook al aan de weet gekomen, zodat we moesten uitroepen: ‘O God, ik ben het spoor kwijt’? En ook na ontvangen genade is het: ‘Als U mij niet behoedt en bewaart, dan ga ik opnieuw van het spoor af.’ De dichter van Psalm 119 vers 88 (berijmd) wist daarvan. Hij zegt: Gelijk een schaap heb ik gedwaald in ’t rond, dat, onbedacht, zijn herder heeft verloren. Hij kon het spoor zelf niet rechthouden. Dan roepen we uit: ‘O God, zal ik mij toch niet bedriegen? Zou dit toch wel het rechte spoor, het schapenspoor zijn om die enige Herder te mogen volgen?’ Ai, zoek Uw knecht, zo smeekt vervolgens de dichter, en breng mij, schoon ik Uw wetten schond, in de rechte schaapsstal, stier mij in rechte sporen, ‘opdat ik U in vrede en in stilheid dienen moge’ (kanttekening 80), want Uw geboden heb ik niet vergeten.

Door welke wegen het dan ook heen gaat en hoe donker de tijden ook zijn, God volvoert Zijn raad. Daarom gaat het aan Gods kant toch goed, geliefden! Het gaat niet goed als u ziet op alles wat er rondom ons gebeurt. Dat is waar, maar toch gaat het goed, want God volvoert Zijn raad dwars door alles heen. Alle teugels liggen in Zijn hand, Hij regeert over alle volkeren. Het gaat wel naar het einde toe. We behoeven daar geen profeet voor te zijn. Hij komt, Hij komt, om d’ aard’ te richten, de wereld in gerechtigheid (Ps. 98:4 ber.). Als we het Bijbelboek Openbaring lezen, dan zien we dat de tekenen der tijden in vervulling gaan en dat het einde aller dingen nabij is. Maar ook in deze tijd zal de Heere toch nog een Kerk vergaderen. Er zullen er nog toegebracht moeten worden. Maar waar horen we het nog, geliefden, dat er een mens waarachtig tot God bekeerd wordt? Ik zeg niet dat de Heere niet meer werkt, dat zou on- Bijbels zijn, maar waar komt u nog een mens in zijn ongeluk tegen, die de schuldbrief thuisgekregen heeft bij God vandaan en bij wie de brug naar de wereld is opgehaald? Bij wie zonde zonde en schuld schuld wordt. Dan kan men met de wereld niet meer mee. Ik zeg het niet als grond, maar we zullen toch weten uit welke grote nood en dood we verlost moeten worden, verlost zijn geworden en nog gedurig verlost moeten worden. O God, zijt mij zondaar genadig! Ja, er schoot geen weg en geen middel meer over. God kan niet van Zijn recht en de zondaar kan niet van de schuld af. Dan is het kwijt, dan is het verloren. Maar is het bij ons wel eens waar geworden dat we die Goddelijke deugden liever hebben gekregen dan onze eigen naam en zaligheid? Ook de deugd van dat Goddelijke recht? Is het wel eens waar geworden in ons leven dat God geen kwaad meer kon doen? De HEER’ is recht, in al Zijn weg en werk (Ps. 145:6 ber.). Die het vatten kan, die vatte het, maar in dat eren van die Goddelijke deugden gaat de ziel haar laatste vreugde beleven. Daar ligt de zaligheid van de Kerk. Dan kan het voor een zondaar en schuldenaar niet meer tegenvallen, nee, dan is het: wat U doet, is goed. U bent recht in al Uw weg en werk. Maar juist dan mag het eeuwig meevallen in Christus. Die tollenaar ging af gerechtvaardigd in zijn huis, vrijgesproken van schuld en straf en met een recht ten eeuwige leven. Hij had de vrede in en door Christus met God de Vader verkregen.

Geliefden op weg en reis naar de eeuwigheid, waar is onze reis naartoe en hoe is onze reis? Reizen we nu als een tollenaar of als een farizeeër? Ik hoor er misschien wel een zeggen: ‘Ja, zoals die farizeeër, zo ben ik niet, hoor, maar zoals die tollenaar, dat durf ik ook niet echt te zeggen.’ Maar daar zijn toch geen drie soorten van mensen? Het is óf dood óf leven. We kennen deze gelijkenis. We kunnen wel denken veel op te hebben met die tollenaar, maar uiteindelijk als we die weg gaan met de tollenaar, dan kost het uw naam, uw eer, ja, dan kost het een gehele mens. En dat willen we niet. Nee, zonder wedergeboorte zal niemand God zien.

We zijn veel kwijt. Ds. G.H. Kersten en ds. P. Zandt, dat waren allebei Godvrezende mensen, die mochten daar in de Tweede Kamer spreken: ‘Alzo zegt de Heere!’ Die mochten daar in de vreze des Heeren staande blijven ondanks alle tegenstand. Daar ging nog veel vanuit, niet in het minst ook van ds. Zandt als hij spreken mocht. Moeten we dan niet zeggen, geliefden, dat we zeer veel kwijt zijn, ja, bijna alles kwijt zijn? Alles kan er maar mee door en alles gaat ook door, geliefden. Wat zijn we dan ver weg. We zien daar die twee mannen die zo het Woord ook in ’s lands vergaderzalen hebben mogen brengen. Wat zijn we daarvan afgeweken! Nu moeten we niet naar een ander gaan wijzen, maar hoe zijn wij? Hoe zijn wij daaronder? Hoe staat het tussen God en onze arme ziel? Geliefden, we hebben het land geen behoudenis aangedaan! Het is waar dat het een Godswerk is, het is een eenzijdig Goddelijk werk. Dat is allemaal waar, maar de eis ligt er. Hoedanig is dan uw en ons leven? Ten tijde van de Eerste Wereldoorlog was er nog een volk in Nederland dat bidden geleerd had bij God vandaan. Zij kregen toegang tot de Genade-troon voor land en volk. Toen werden de kanonnen in Nederland gehoord, maar ze zijn niet over de grens gekomen. In de Tweede Wereldoorlog was er ook nog een biddend volk, maar een toegang tot de Genadetroon voor land en volk werd hun niet meer toegelaten. Toen is de vijand over de grens gekomen. Maar hoeveel ware bidders zijn er nu nog? Nu hebben we geen grenzen meer. Alles is open en alles gaat door. We laten alles in, en wat van God is, dat moet weg uit ons vaderland! We zouden wel moeten uitroepen: Och, dat mijn hoofd water ware en mijn oog een springader van tranen! Zo zou ik dag en nacht bewenen de verslagenen der dochter mijns volks (Jer. 9:1). Maar…ondanks dat we ver zijn afgeweken, laat de Heere onder dit alles toch nog Zijn Woord uitgaan. Er moeten nog zondaren getrokken worden uit de macht der duisternis en overgezet in Gods wonderbaar en heerlijk licht.

De tollenaar wist niet te bidden. Hij was gemaakt tot een ledig vat, een ontblote en een ontgronde bidder. Dat ook wij nog eens tot zulk een ledig vat gemaakt mochten worden! Dat is Gods werk. Het ontledigen is net zo goed van God als het vervullen, als de uitkomst, maar een mens kan dat niet zien als hij erin zit, als het nood is. Dan kan hij dat niet bekijken. Maar als hij in de uitkomst mag delen, ja, dan mag hij van achteren wel eens zeggen: ‘O God, het is alles uw werk geweest.’ Dan zullen de uitgangen daarvan ook zijn: Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen (Ps. 72:11 ber.).

De farizeeër meende naar de hemel te gaan, maar ging naar de eeuwige rampzaligheid. De tollenaar, die de eeuwige rampzaligheid zich waardig keurde, heeft het eeuwige leven verkregen. Ik hoor dan ook die tollenaar zingend naar huis gaan: Door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen (Psalm 89:8 ber.). Want het vloeit uit de eeuwigheid, uit het Goddelijke welbehagen vandaan. Daar is raad gehouden: Ik zeide wel: Hoe zal Ik u onder de kinderen zetten, en u geven het gewenste land, de sierlijke erfenis van de heirscharen der heidenen? Maar Ik zeide: Gij zult tot Mij roepen: Mijn Vader; en gij zult van achter Mij niet afkeren (Jer. 3:19). O, die verkiezende liefde des Vaders, maar ook die verlossende en verzoenende liefde des Zoons, Die Zich van eeuwigheid Borg heeft willen stellen en in de volheid des tijds gekomen is om tollenaren en zondaren zalig te maken. Wat zou het een wonder zijn als ook wij mochten getuigen dat aan de grootste en voornaamste der zondaren barmhartigheid geschied is! Maar dan komen we ook op onze knieën terecht voor land en volk en vorstenhuis. Daar we tezamen toch zo diep verdronken liggen in de zonde. Als we denken aan het bezoek bij de paus door onze koning met zijn gezin, als we dan zo’n foto van hen - in het zwart gekleed - bij de paus in de krant zien staan, hebben we toen nog geweend? Ik sluit er mijzelf bij in, geliefden. Zijn we er nog mee in de binnenkamer geweest? Er liggen gebeden voor het Oranjehuis, in de voorgeslachten, voor de nageslachten. U zult misschien denken: ‘Nee, van ons koningshuis, daar kan nu niets meer van terechtkomen.’ Maar denkt u eens aan koning Manasse. Daar was toch ook geen hoop en verwachting meer dat het met hem nog ooit goed zou komen? Voor de Heere is niets te wonderlijk! De Heere mocht onze geëerbiedigde koning eens in zijn hart grijpen. Dan kan het wel eens zijn dat hij snel koning af is. Ik ben bang dat het niet meer geduld wordt. Maar dan zou hij wel met de buit naar huis gaan. De Heere mocht ook nog werken en schenken dat in ’s lands vergaderzalen, landelijk, provinciaal en gemeentelijk, en ook door de Landelijke Stichting, nog tot Zijn eer gesproken mag worden, en opgeroepen tot de Wet en tot de Getuigenis.

We zijn veelal te goed om slecht te zijn. Van nature zijn we allen vanwege en door onze diepe val farizeeërs. We zijn in de grond van de zaak veel te vroom om een tollenaar te zijn. We reizen naar de eeuwigheid met misschien een handjevol godsdienst en we hebben er genoeg aan. Maar als we daarmee de eeuwigheid moeten aandoen, dan hebben we geen grond, geliefden! Geen fundament! Ik denk nog een ogenblik aan die wijze en die dwaze bouwer. Ze hebben allebei een huis gebouwd. Daar was uitwendig geen verschil te zien. Wij zouden zeggen: ‘Het is allebei echt.’ Maar bij de een was het fundament niet in orde, zijn huis was niet op de rots gebouwd. Van dat huis lezen we: En de slagregen is nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid en zijn tegen hetzelve huis aangeslagen, en het is gevallen, en zijn val was groot (Matth. 7:27). Het leek allebei van God, maar zo was het niet. Wijlen ds. C. Smits drukte het wel eens zo uit: ‘Die dwaze bouwer zat al met een oudvader achter op zijn terras, toen de wijze bouwer nog aan het graven en verdiepen was.’ Die tollenaar heeft ook mogen graven en verdiepen. Weet u waar hij terechtgekomen is? Bij de eerste Adam. Had hij toen het fundament gevonden? Nee, toen was het verloren, geliefden, toen was het kwijt. Daar deed God een afgesneden zaak. Maar toen mocht hij uit en door genade gebracht worden bij de tweede Adam, bij Christus. Wat staat daarvan opgetekend: Want die Mij vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen van den HEERE (Spr. 8:35). In de trappen en maten is de Heere vrij, maar het komt wel op die zoete geloofsvereniging met Christus aan, geliefden! Het komt wel op dat dierbare gemeen- schapsleven met dat Lam Gods aan, Dat de zonde der wereld wegneemt (Joh. 1:29b). De Heere mocht het onder ons werken en schenken. Wat zouden we er goed mee zijn voor tijd en eeuwigheid. Bid om Gods lieve Geest en vraag toch: O God, bekeer me nog gelijk Gij al Uw oude volk bekeerd hebt, gelijk Gij ook deze tollenaar bekeerd hebt. Ik zeg ulieden: Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis. Deze tollenaar werd niet door een mens rechtvaardig gesproken, niet door een dominee, maar door God. En dat enkel en alleen in die ene Rechtvaardige, in die aangebrachte gerechtigheid van de Zoon Zijner eeuwige liefde, hem toegepast door Gods lieve Geest. Dan hoor ik die tollenaar zingen (Ps. 68:10):

Geloofd zij God met diepst ontzag!

Hij overlaadt ons, dag aan dag,

Met Zijne gunstbewijzen;

Die God is onze zaligheid.

Wie zou die hoogste Majesteit

Dan niet met eerbied prijzen?

Hebben wij dat ook wel eens in waarheid mogen zingen? Dan is het door de nood, door de dood gegaan, want God doet altijd een afgesneden zaak op aarde. Elke weldaad die God in het leven schenkt, gaat door het afgesnedene heen. Wil een mens dat? Nee, geliefden, een mens wil in leven blijven, hij wil wat hebben en wat zijn. Maar waar de Heere werkt, daar komt er een ogenblik in het leven dat hij niet anders meer wil dan dat wat God wil. Dan wordt hij ervoor ingewonnen en overwonnen. Dan wordt de wil Gods hem lief en dierbaar, ook al zou hij dan voor eeuwig verloren moeten gaan. Maar dan… als Zijn volk zich mag schuldig kennen, dan zal de HEERE aan Zijn verbond gedenken. Zolang wij nog iets zijn, dan is er geen plaats voor Christus. Maar als de mens mag verdwijnen, dan gaat Christus verschijnen. Daar ligt het leven, daar ligt de zaligheid. Het gaat door het afgesnedene, door de dood, heen naar het leven. Niets uit de mens, maar alles uit Hem!

De Heere mocht Zijn volk en kinderen, zover het er nog mag zijn in ons vaderland of daarbuiten, nog eens op de rechte plaats brengen, want alles ligt verscheurd en verdeeld. Ook na ontvangen genade blijven Gods kinderen mensenkinderen die menigmaal van de plaats af zijn. Het zal een wonder zijn als het eens een keer anders is. Ik moest zo denken aan wijlen ds. G.H. Kersten. Het is voor mij ook maar uit overlevering, maar er was een classisvergadering in Rotterdam. Ds. M. Blok was voorzitter van die vergadering, maar ds. Kersten nam het voortouw. Ds. Blok zat er eigenlijk, om zo te zeggen, maar een beetje voor spek en bonen bij. De vergadering werd feitelijk door ds. Kersten geleid. Aan het einde van die vergadering zei ds. Kersten dat ds. Blok maar moest eindigen. Ds. Blok had gezwegen in die vergadering. Hij zegt: ‘Dat is goed, dominee, dan zullen we eerst een versje zingen en dan zal ik proberen te eindigen met gebed.’ Toen gaf ds. Blok op Psalm 66 vers 5. Dat vers begint met: Een net belemmerd’ onze schreden; een enge band hield ons bekneld; Gij liet door heerszucht ons vertreden. Dit sloeg naar binnen bij ds. Kersten. Toen kreeg hij de vergadering terug en weet u wat er gebeurde? Daar liepen de tranen uit de ogen van ds. Kersten. Hij zei: ‘Ds. Blok, u hebt gelijk. Ik ben een grote dwaas.’ Kijk, wat zou het een zegen zijn als wij ons ook zo als ‘een grote dwaas’ kwamen waar te nemen. Dan zouden we voor God en voor elkaar bukken. Dat zij zo.


Datum jaarvergadering

Onze eerstvolgende jaarvergadering is gepland op Deo volente zater dagmiddag 13 mei 2017 in een zaal van de Gereformeerde Gemeente-centrum (Nairacstraat 24) te Barneveld. De vergadering vangt aan om 13.30 uur. Op deze vergadering zijn alle mannen die belangstellen in de staatkundig gereformeerde beginselen, van harte welkom, ook al zijn ze geen abonnee op ons blad In het spoor. Het programma van deze middag volgt later. Noteert u nu alvast de datum in uw agenda!

Het bestuur

Dit artikel werd u aangeboden door: In het spoor

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 2016

In het spoor | 68 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 2016

In het spoor | 68 Pagina's