Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ds. Wittewrongel Over Het Oppronken -5-

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ds. Wittewrongel Over Het Oppronken -5-

23 minuten leestijd

In de vorige vier artikelen 1 hebben we gezien dat ds. Petrus Wittewrongel in zijn Christelijke huishouding tegen het vieren van roomse hoogtijdagen (hfdst. 99), tegen kaart- en dobbelspelen (hfdst. 100), tegen brasserij en dronkenschap (hfdst. 101) en tegen het dansen (hfdst. 102) gewaarschuwd heeft. In het daaropvolgende hoofdstuk (103) keert hij zich tegen het oppronken van onze lichamen en huizen. 2 Daarop willen we in dit artikel ingaan.

“Er is nog een groot kwaad dat in de gezinnen van de Christenen doorgebroken is”, namelijk “de onverdraaglijke dartelheid” die te bespeuren valt in “de kleding”, in “de gehele versiering van onze lichamen” en in de versiering van “de huizen waarin wij wonen”, aldus Wittewrongel. Velen schijnen er alleen maar op gezet te zijn om hun lichamen en hun woningen “zo sierlijk mogelijk op te pronken”. En men is “zo verzot” op die ijdelheden dat men op dit punt geen tegenspraak kan verdragen. Wittewrongel wil evenwel alle Christelijke vaders en moeders getrouw hiertegen waarschuwen, waarmee hij in het spoor gaat van vele oude leraren zoals Tertullianus, Augustinus, Chrysostomus en anderen. Wat zij in den brede hebben aangedragen tegen het oppronken, wil hij in het kort trachten samen te vatten.

Hij spitst zijn betoog toe op twee hoofdpunten, te weten: waarin die ongeoorloofde pracht en praal bestaat (1) en welke bijzondere redenen er zijn om alle vaders en moeders van zo’n groot kwaad af te trekken (2).

Niet alle versieringen van onze lichamen en van onze huizen wijst Wittewrongel af. Om beter duidelijk te kunnen maken wat niet geoorloofd is, noemt hij eerst een aantal zaken die wel geoorloofd zijn. Hij gaat daarbij in op de versieringen van ons lichaam door kleding (a) en door andere uitwendige versierselen (b), alsook op de versieringen van onze woningen (c).

a. Kleding

Het dragen van kleding is op zichzelf geoorloofd en ook nodig. God heeft het Zelf noodzakelijk en dienstig geoordeeld, want Hij heeft na de val Adam en zijn vrouw rokken van vellen aangedaan. Kleding is nodig om onze lichamen tegen allerlei schadelijke weersinvloeden te beschermen en om - uit oogpunt van eerbaarheid - onze schandelijke naaktheid te bedekken. Kleding te missen en dus naakt te moeten gaan wordt in Gods Woord als een straf van God gezien en gekleed te gaan als een zegen van God.

In de Bijbel is er sprake van allerlei soorten van kleding zoals lijnwaadsklederen (linnen ondergoed), wisselklederen (meer kostbare bovenkleding), bruiloftsklederen, gescheurde klederen, kleding van fijn linnen en purper, reismantels enz. Hieruit blijkt al dat afhankelijk van iemands staat, toestand, beroep en omstandigheden een meer of minder sierlijk kleed gedragen mag worden.

Niet alle uiterlijke versiering door kleding is dus als een kwaad der zonde te veroordelen. Wittewrongel acht het geoorloofd om zich bijvoorbeeld bij speciale gelegenheden wat meer te versieren. Wel dient altijd Christelijke matigheid daarin betracht te worden. Wat nog als gematigd gezien kan worden, is mede afhankelijk van iemands staat en beroep. Iemand die bijvoorbeeld door het bekleden van een hoog ambt boven anderen verheven is, mag ook in deftigheid van kleding boven anderen uitsteken. Uit de Schrift blijkt dat die in de koninklijke huizen en hoven waren, deftiger gekleed gingen dan de gewone man (Matth. 11:8; Luk. 7:25).

Wittewrongel wil het dragen van een eenvoudig kleed in alle opzichten aanprijzen, maar hij gaat er niet in mee dat iemand op grond van het dragen van een eenvoudig kleed heiliger is dan een ander. Hij beklemtoont daarbij dat het het meest “op een eenvoudig en oprecht hart” aankomt. 3

b. Andere versierselen

Behalve de versieringen door kleding zijn er ook nog andere geoorloofde versieringen van het lichaam. De apostel Paulus vermaant weliswaar dat de vrouwen (…) met schaamte en matigheid zichzelven moeten versieren, niet in vlechtingen des haars, of goud, of parelen, of kostelijke kleding, maar (…) door goede werken (1 Tim. 2:9-10). En de apostel Petrus geeft een soortgelijke vermaning (1 Petr. 3:3-4). Maar wij moeten die vermaningen, aldus Wittewrongel, “niet met de ketter Pelagius zo opvatten alsof die apostelen daarmee alle uitwendige versiering van het lichaam volledig zouden hebben willen wegnemen”, net alsof bijvoorbeeld “het vlechten van het haar op zichzelf ongeoorloofd zou zijn”. Nee, het haar is de vrouw ook tot sieraad gegeven. “Zo kan ook het vlechten ervan op zichzelf niet verkeerd zijn”. En wat de uitwendige sieraden betreft, van Daniël lezen we dat Bélsazar hem benoemde tot de derde heerser in zijn koninkrijk en hem bekleedde met purper en met een gouden keten om zijn hals (Dan. 5:29). Als dat een kwaad der zonde in zich gehad zou hebben, dan zou Daniël dit wel geweigerd hebben, evenals hij het eten van de spijze des konings geweigerd had, zo stelt Wittewrongel. Hij acht dus het dragen van sieraden op zichzelf niet verkeerd, mits het eenvoudig blijft. 4

c. Versiering van onze huizen

Ook is het op zichzelf geoorloofd om “een goed en gemakkelijk huis te bouwen”, als de matigheid daarin maar in het oog gehouden wordt. “De Christelijke religie eist niet van ons dat wij met de filosoof Diogenes in een rond vat zouden kruipen en met de beker van een holle hand ons water scheppen om te drinken. Dat wij op een plank of in het stro zouden slapen en ons in een lemen hutje of herderstent of met het geringste proberen te behelpen. Want onze Zaligmaker Zelf heeft het gebruik van die uitwendige gemakken van huisvesting (…) niet verworpen”. Het bezitten en genieten van die uitwendige gemakken van huisvesting wordt in de Schrift zelfs als “zegeningen” van God gezien.

Verder acht Wittewrongel ook het “gebruik van schilderijen, van muziekinstrumenten en wat tot versiering van onze huizen en hoven strekken kan”, op zichzelf niet ongeoorloofd, “als het maar niet misbruikt wordt”. 5

Na deze algemene opmerkingen over wat wel geoorloofd is, gaat hij het verkeerde aanwijzen.

1. Ongeoorloofde pracht en praal

Wittewrongel constateerde dat in zijn tijd de ijdelheid en hoogmoed des harten zozeer uitgebarsten waren en vertoond werden in uitwendige pracht en praal dat Gods vreselijke toorn over de huisgezinnen te verwachten was. De regels van de Christelijke zedigheid, eenvoudigheid en matigheid werden ver te buiten gegaan. Dit was zowel het geval ten aanzien van de versieringen van het lichaam door kleding (a) en door andere uitwendige versierselen (b), als ten aanzien van de versieringen van onze huizen (c).

a. Pracht en praal door kleding

De Christelijke zedigheid, eenvoudigheid en matigheid in het versieren van het lichaam door kleding wordt op diverse manieren te buiten gegaan.

Ten eerste “wanneer wij ons willen kleden boven onze staat en daardoor trachten een naam te maken”. Het is een van de doeleinden van de kleding om daardoor de verschillende staten van de mensen van elkaar te kunnen onderscheiden. Daarom kan het niet goed zijn, zo oordeelt Wittewrongel, dat mensen van de geringste stand zich gaan kleden als de aanzienlijksten, dat een dienstknecht zich gaat kleden als zijn heer en een dienstbode als haar vrouw.

Ook wanneer wij eer gaan stellen in het dragen van sierlijke kleding, al zijn wij een man of vrouw van aanzien, dan gaan wij de maat te buiten. “Onze kleren behoren ons immers te laten denken aan onze verloren onschuld”, aan onze val in Adam. Als wij niet in de zonde gevallen waren, hadden wij geen kleren behoeven te dragen. “Wat voor redenen kunnen wij dan hebben om ons daar zozeer op te verheffen?” De uitwendige pronkzucht in de kleding is een schandvlek en een zonde. Wat hoog is onder de mensen, dat is: ‘wat de wereldse en vleselijke mensen hoog achten’, is een gruwel voor God, zegt Christus (Luk. 16:15).

Eveneens wordt de maat overschreden als men een “overdadige veelheid” aan kleding bezit. Wij mogen kleren hebben voor de zomer en voor de winter, voor dagelijks gebruik en voor speciale gelegenheden, voor vreugdevolle en voor droeve omstandigheden. “Maar wanneer nu iemand kleren op kleren zou willen hopen die men niet nodig heeft en die in zijn kasten en koffers zodanig op elkaar stapelen dat zij dikwijls in een jaar of twee geen zon en geen maan zien, dat is een overdadige verkwisting”, aldus Wittewrongel. Die ondeugd wordt ook door de apostel Jakobus ten aanzien van de rijken bestraft als hij zegt: Uw klederen zijn van de motten gegeten geworden (Jak. 5:2). Ja, als wij zo veel kleren, zegt Wittewrongel even verder,

“in onze koffers hebben dat ze daarin verschimmelen en wij ondertussen de arme en naakte broeder ongekleed laten gaan, dan is dat een onweersprekelijk bewijs dat wij in dit stuk ook veel te werelds zijn. Immers denken wij dan nauwelijks aan het voorschrift in Lukas 3 vers 11: ‘Die twee rokken heeft, dele hem mede die geen heeft.’

Of als wij ook zo hoogmoedig geworden zijn en zo’n veelheid van kleding beminnen dat wij alle dagen in andere kleren gezien willen worden, dan is dat een zondige hoogmoed en verwaandheid en een onverdraaglijke overmoed.”

En wanneer men altijd smaakvol gekleed wil gaan, hiervoor veel moeite doet en hiermee veel tijd verslijt, om zo meer de mensen dan God te behagen, dan is er evenzeer sprake van een ongeoorloofde pracht en praal in het stuk van de kleding.

Hetzelfde moet gezegd worden “wanneer wij al te veel hangen aan de nieuwe mode en manieren van de wereld”, wanneer wij die “al te gemakkelijk” of zelfs “meteen” overnemen, “hoe vreemd die voor het oog ook zouden mogen zijn”. Dat is een zonde die gruwelijk is in Gods ogen. Temeer als die nieuwe mode zo is dat “zelfs de leden die de natuur en de eerbaarheid bedekt willen hebben”, ontbloot worden. Wittewrongel wil weliswaar “over het hart van veel Christenen niet te scherp oordelen”, niettemin vreest hij “dat velen slechts een zeer gering besef van de naaktheid van hun ziel gehad hebben en evenmin daarover ook ooit echt beschaamd zijn geweest, als zij zich er niet voor schamen om boven hetgeen betamelijk is, hun eigen naaktheid aan anderen te tonen”. 6

b. Pracht en praal door andere versierselen

Wat het versieren van het lichaam door andere versierselen dan door kleding betreft, maakt Wittewrongel onderscheid tussen versierselen die niet het ontwerp van God omtrent ons lichaam en ons haar veranderen, en versierselen die dat wel doen. Tot de eerste groep rekent hij bijvoorbeeld de vlechtingen van het haar en het dragen van sieraden, tot de tweede groep het kleuren van het haar en de make-up.

Wat het vlechten van het haar en het dragen van sieraden betreft, de apostelen Paulus en Petrus hebben daarvoor algemene regels gegeven, zoals hierboven al opgemerkt is. Dit soort versieringen zijn op zichzelf niet af te keuren, mits ze de grenzen van eerbaarheid, eenvoudigheid en matigheid niet te buiten gaan. En mits men niet alleen en voornamelijk zich daarmee bezighoudt. Al wat hierin buitensporig is, is een zonde voor de Heere. Het versieren van het lichaam dient voor een mens niet het voornaamste te zijn, maar het versieren van zijn ziel met Christelijke deugden.

Geheel anders is het gelegen met het kleuren van het haar en met make-up. Dat soort versieringen zijn op zichzelf al zondig. Wittewrongel merkt op dat versieringen van het lichaam die in de Heilige Schrift gebrandmerkt worden dat ze niet met de eer van God en onze belijdenis kunnen samengaan, ongeoorloofd zijn en daarom op geen enkele wijze goedgepraat kunnen worden. Omdat onze lichamen tempels van de Heilige Geest (1 Kor. 6:19) behoren te zijn, mogen we ons lichaam met zulke versieringen niet verontreinigen. Dit soort versieringen zijn in het bijzonder, zo schrijft hij,

“de verfoeilijke versieringen waardoor mensen zelfs het werk van hun God trachten te verbeteren. Bijvoorbeeld: dat de vrouwen het haar in alle Christelijke zedigheid tot een sieraad gebruiken, is niet ongeoorloofd. Maar als zij zonder noodzaak, uit enkel hoogmoed en lichtzinnigheid, zich met het haar van een ander gaan oppronken en de kleur veranderen, dan is dat een ijdelheid en het geeft te kennen dat zij met hetgeen God hun gegeven heeft, niet tevreden zijn. (…)

Nog onverdraaglijker is het dat zij hun ogen schilderen en hun gezichten blanketten. Dat is de zonde van de vervloekte Izébel (2 Kon. 9:30) en de hoogmoedige kinderen van Israël (Jer. 4:30; Ezech. 23:40). Dat is een kwaad dat gruwelijk is in de ogen van God en zeer zwaar door Hem gestraft is, zoals dat uit de genoemde plaatsen op te maken is. Het is een ware list van de duivel, waartegen de oude leraren van de kerk zich in hun tijd zeer scherp verzet hebben”. 7

Wittewrongel haalt vervolgens van die oude leraren of kerkvaders een aantal waarschuwende uitspraken tegen het gebruik van make-up aan. Zo heeft de oude leraar Cyprianus gezegd: “Zou een kunstig schilder het wel verdragen dat de hand van een ander een of andere nieuwe kleur op zijn werk zou leggen? In het minste niet!” En de kerkvader Chrysostomus heeft opgemerkt “dat zij die zich blanketten, gelijk zijn aan degenen die enige drek op een gouden beeld zouden werpen”. Ja, wat is het opmaken van de ogen en het gezicht anders, aldus Hieronymus, “dan dat zij hun Schepper verwijten dat Hij hen niet mooi gemaakt heeft?” “De oude leraar Augustinus heeft een geheel traktaatje daarover geschreven, waarin hij in den brede al de soorten van blanketten verfoeit en afkeurt.”

Ook merkt Wittewrongel op dat “een ingetogen en zedige dame” het haar “niet in het wild laat zwieren” zoals de hoeren wel doen. En dat wij geen versiersel mogen aandoen “dat met de eerbare zedigheid en schaamte in strijd is”. De oude leraar Cyprianus heeft daarom onder het vrouwelijk geslacht diegenen zeer ernstig bestraft “die zich zo probeerden op te pronken om daardoor de ogen van de dartele jongemannen naar zich toe te trekken en tot onkuisheid van het vlees te laten ontbranden”.

Verder acht Wittewrongel het een “onverdraaglijke” aanmatiging als wij ten eerste “te veel tijd met deze ijdele pronkerijen doorbrengen” en er druk mee zijn om “onze lichamen op te tooien”. Ten tweede als wij in het versieren van onze lichamen te verkwistend zijn. En ten derde als wij ons boven onze stand versieren. “Al zijn we nog zo rijk, wij moeten niet menen dat wij alles met het onze mogen doen wat wij willen. Wij zijn er rentmeesters van en zullen er ook rekenschap van moeten geven. Wij zouden nooit iets aan de ijdele pronk moeten willen besteden dan wat wij met een goede consciëntie bij de Heere in rekenschap zouden durven brengen en ons niet kan verhinderen om de schuldige milddadigheid aan de armen te bewijzen”. 8

c. Pracht en praal in of van ons huis

Wittewrongel keurt evenzeer de overdadige pracht en praal in huizen en huisraad af. Dit ziet hij als daadwerkelijke of ogenschijnlijke uitingen van hoogmoed en ijdelheid des harten. Gelijk de versieringen van het lichaam door kleding en andere uitwendige versierselen binnen de maat van de Christelijke zedigheid, eenvoudigheid en matigheid moet blijven, zo ook de versieringen van onze woningen. Concrete zaken die hij veroordeelt, zijn dat men huizen timmert “als kastelen, net alsof men hier eeuwig zou blijven wonen”, dat men die huizen “met onnodig en overdadig huisraad” boven zijn stand versiert en zo “vele duizenden” verkwist, en dat men de huizen met “ergerlijke tapijten” en onzedelijke schilderijen aankleedt. 9

2. Bijzondere redenen tegen pracht en praal

“Het is een schande voor onze reformatie dat wij (…) zo overdadig en weelderig zijn geworden”, zo betoogt Wittewrongel. Velen willen door middel van hun kleding “boven de ander uitsteken en zo duur mogelijk gekleed gaan”. Velen zijn boven hun stand gekleed, zodat er in de kledij geen onderscheid meer is tussen onderdanen en overheden, tussen knechten en heren enz. Velen zijn zo verzot op mooie kleren dat zij er hun hart en zinnen op zetten en er in hun gedachten gedurig mee bezig zijn. “Veel vrouwen zijn zo oneerbaar in hun kleding dat zij met naakte halzen en met armen die tot hun schouders en de ellebogen ontbloot zijn, lopen, hun borsten openleggen, zeer tot aanmerkelijke ontstichting van de vromen”.

En velen “laten het haar zo wild zwieren of het is zo versierd, gestrikt en gekruld, het gezicht zo geblanket en met zwarte pleistertjes beplakt dat het een gruwel is om te zien.” Velen zijn zo hoerachtig opgepronkt, met zoveel kostbaarheden en lichtzinnige kleding omhangen” dat zij op “kermispoppen” lijken. Bovendien is het met veel mannen niet beter gesteld. Ze lopen opgepronkt rond. Onder andere hebben ze te lang haar dat gekruld en gepoederd is, en wijduit hangende haarlokken. Ook is de pronkzucht in de huizen doorgebroken. Velen kennen in hun koninklijke gebouwen en in hun prachtige en overdadige huisraad geen maat in hun trotsheid.

“Zo ziet men”, aldus Wittewrongel, een geslacht dat “hoogmoedig is geworden” en dat “de wereld met volle zeilen navolgt”, een geslacht dat zich in verregaande mate schuldig maakt aan de zonde van pronkzucht. 10

Argumenten

Wittewrongel probeert vervolgens alle Christelijke vaders en moeders door middel van verscheidene argumenten van dit pronkkwaad af te trekken en af te schrikken. Eerst schetst hij uitvoerig de aard van dit kwaad (a) en vervolgens belicht hij andere aspecten van dit kwaad (b).

a. De aard van het kwaad

Wittewrongel stelt dat pronkerijen uit de hoogmoed en de onkuise dartelheid van het hart oprijzen. Voorts dat God de zonden van hoogmoed en onkuisheid haat en een gruwel acht. En dat een zonde die uit een andere zonde oprijst die in Gods ogen een gruwel is, ook “een gruwelijk kwaad der zonde” moet zijn. Dat is dus het geval met de pronkzucht.

Daarnaast is de pronkerij op zichzelf al zondig, want die zich hieraan schuldig maken, zondigen ten eerste tegen God. Niet alleen omdat men dan Gods Woord niet acht dat op Christelijke matigheid, eenvoud, ootmoed en nederigheid aandringt, maar ook omdat men door pronkerij “Gods scheppingsgaven en Zijn goede zegeningen zo schandelijk” misbruikt en verkwist.

Ten tweede zondigt men tegen zichzelf, daar men dan zoveel opheeft met het versieren van het lichaam, terwijl men aan de ziel niet denkt. “Al te grote versiering van het lichaam geeft een naaktheid van de ziel te kennen”, schrijft Wittewrongel. Dezulken maken hun eigen lichaam “tot een afgod”. “Zij maken zich tot een slaaf van de wereld en van al de wereldse begeerlijkheden. Zodoende vergeten zij de versiering van hun zielen ten enenmale”. Christen ouders zondigen bovendien tegen hun belijdenis, want zij hebben bij de Doop beloofd dat zij “alle verwaandheid en pronkerij van de wereld zouden verzaken”.

En ten derde zondigt men ook tegen zijn naaste, want men geeft met pracht en praal grote ergernis: de vromen worden erdoor bedroefd, de zwakken nemen er aanstoot aan, anderen worden erdoor gehinderd en de partijen nemen daaruit gelegenheid om de gereformeerde religie in diskrediet te brengen. Wee dan dien mens door welken de ergernis komt, zegt Christus (Matth. 18:7b). Tevens is het in het algemeen zo dat zij die veel aan pracht en praal uitgeven, de arme naaste naakt laten gaan en gebrek laten lijden.

Pronkerij is verder een vruchtbare baarmoeder van diverse andere zonden. Het ontsteekt vleselijke wellusten, zowel bij degenen die er vermaak in hebben om zich zo ijdel en lichtzinnig op te pronken als bij degenen die hen in zo’n hoerengewaad aanschouwen. Ook leidt de pronkzucht tot veel hoogmoed. De hoogmoed baart eerst de pronkzucht en vervolgens wordt de mens opgeblazen over zijn uiterlijke pracht. Verder kost het oppronken veel tijd. Dit zorgt dus voor onnutte tijdverkwisting. En behalve een dief van de tijd, is pronkzucht ook een dief van de beurs. Wij verkwisten dus ook ons geld. “Maar wat het droevigst van alles is: deze pracht en praal zal ons, indien wij ons niet bekeren, met de rijke man in het Evangelie, die zich met purper en fijn linnen bekleedde en alle dagen prachtig leefde, naar lichaam en ziel eeuwig verderven en in de hel doen neerstorten (Luk. 16:19, 23).”

Als er dan zoveel kwaad in deze zonde steekt, wat voor uitnemendheid of profijt is er dan voor een mens in die pronkerijen te vinden? In wezen geen. Het brengt de mens geen uitnemendheid noch voordeel aan, wel grote schade. “Hij beeldt zich grote eer en aanzien in”, maar “hij wordt verachtelijk in de ogen van God en bij de mensen. Hij wordt op z’n best nog benijd en hij is met zichzelf niet tevreden”, zodat op hem Christus’ waarschuwing van toepassing is: Een ieder die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden (Luk. 18:14). 11

b. Andere aspecten

Om alle vaders en moeders nog temeer van de pronkzucht af te brengen, wijst Wittewrongel nogmaals op de oorzaak waarom wij kleding moeten dragen. Hij schrijft:

Let eens op het juiste gebruik van onze kleding en waartoe God ons die heeft gegeven. Dat zal ons ook meteen van al onze uiterlijke pronkzucht kunnen aftrekken. Want die zijn ons gegeven om onze naaktheid te bedekken. Hoe zullen wij ons dan verheffen op hetgeen ons alle dagen onze zonde en schande laat gedenken en niets anders is dan een schandvlek van onze ongehoorzaamheid? Zal een dief met de strop om zijn hals en het brandmerk dat hij op zijn rug heeft ontvangen, nog mooi willen zijn en zich daarop willen beroemen? Op hetgeen ons tot een oorzaak van diepe vernedering moet zijn, mogen wij ons niet verheffen.

Verder, als de klederen gegeven zijn om ons tegen de hitte of koude en andere schadelijkheden van de lucht te beschermen, wat doen ze dan anders dan dat ze ons te binnen brengen wat voor ellendige schepselen wij door de zonde zijn geworden en met wat voor ongemakken wij nog alle dagen moeten worstelen? (…) Laten wij nooit in hetgeen zijn oorsprong in de zonde heeft, onze verwaandheid of uiterlijke pronkzucht laten zien”! 12

Vervolgens wijst Wittewrongel op het aspect dat ons lichaam door de zonde “een ellendig vat” geworden is. In de Schrift wordt gesproken over het lichaam der zonden des vleses (Kol. 2:11) en het lichaam des doods (Rom. 7:24). Als wij sterven wordt het lichaam tot spijze van de wormen of vissen, zodat het verteerd en vernietigd wordt. En is niet de mens (…) een made, en des mensen kind (…) een worm (Job 25:6), zoals Job dat uitdrukt. Zal dan “een made en worm, enkel stof en as, zo trots willen zijn en zich in de uiterlijke pronk van kleding en andere versierselen boven anderen zoeken te verheffen?”

Verder vraagt Wittewrongel ons om te overdenken wat voor “onaanzienlijke en eenvoudige kleren” het geweest zijn waarmee God onze eerste voorouders heeft gekleed: Hij maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen en toog ze hun aan (Gen. 3:21). “Zullen wij dan zo overdadig (…), zo hoogmoedig en ijdel in het stuk van onze kleding willen zijn? Waar is onze dankbaarheid voor Gods grote goedertierenheid dat Hij ons de kleren vergund heeft, als wij die tot zo’n pracht of praal willen misbruiken?”

“Konden wij maar eens naar behoren denken”, zo merkt Wittewrongel vervolgens op, aan de omstandigheid van Christus op aarde. Hoe nederig Christus op deze wereld gewandeld heeft en hoeveel Hij ook voor de hoogmoed en ijdele verwaandheid van de Zijnen borgtochtelijk heeft moeten lijden. “Het zou ons, die Zijn leden zijn en ons daarvoor uitgeven, schaamrood doen staan” als “wij zo’n overdaad en weelderigheid in het stuk van onze kleding en andere versierselen van ons ellendig lichaam zouden laten zien.”

Wanneer “wij ook dikwijls aan ons einde en de vier uitersten - onze dood en begrafenis, opstanding, dag des oordeels en het eeuwige leven - zouden willen denken”, hoe spoedig zouden wij al onze pracht en praal dan afleggen en doen verdwijnen. En “wat een geringe dunk zouden wij van al de uiterlijke versiering van onze lichamen hebben, als wij”, indien wij ware burgers van de hemel zijn, maar eens goed bedachten “hoe heerlijk en blinkend onze kleren in de hemel zullen zijn.” Dan zouden wij met die aardse kleren niet zoveel ophebben. 13

Ten slotte

Wittewrongel noemt het “een onfeilbaar bewijs van onze zorgeloosheid en een zekere voorbode van ons verderf, als wij dit kwaad onder ons niet beteren en elk in zijn eigen huis gaat beginnen”. Wij willen dit artikel daarom besluiten met nog enkele vermaningen van hem tegen het oppronken aan te halen:

“De pracht en praal in de kleding en in de huizen behoort niet tot het Koninkrijk van Christus, maar tot het rijk van de duivel, de wereld en de zonde. Het komt op het uiterlijke niet aan, zal een ander zeggen. Maar het komt daar ook wel terdege op aan. God wil zowel ons lichaam als ons hart hebben. En als het kwaad van de zonde zich uitwendig vertoont, dan is het al zeer hoog geklommen. (…) Op de gewoonte zich in dezen te beroepen, kan hier niemand helpen (…). Wij moeten de regel van onze Meester meer volgen dan de algemene sleur van de wereld. Hij heeft tegen ons gezegd: Ik ben (…) de Waarheid (Joh. 14:6) en niet: Ik ben de Gewoonte. De wereldskinderen moeten naar ons en wij niet naar hen toe komen.

De vrouwen die menen dat zij ook hierin hun mannen mogen en moeten behagen, moeten weten dat zij nog meer hun God moeten trachten te behagen. Opdat hun kuise ‘wandel in vreze’ en onderdanigheid aan hun mannen, vergezeld met ‘het onverderfelijk versiersel van een zachtmoedigen en stillen geest’, het meest geschikte middel zijn mag om degenen die de woorden ongehoorzaam zijn, des te beter in te winnen en tot God te brengen (1 Petr. 3:1-4). (…)

Er is nu over deze zaak genoeg gezegd om ons daarnaar te richten. Laten wij maar altijd nauw onderzoeken wat wij zonder zonde in dezen mogen doen of laten, opdat wij nimmer iets doen waarmee wij onze God zouden onteren of onze naaste zouden ergeren en onszelf naar lichaam en ziel enige schade zouden toebrengen. Laten wij er goed op toezien dat wij die belijdenis doen van het Christendom en voor kinderen van God, zonen en dochters van de Allerhoogste, doorgaan, onze belijdenis niet beschamen en ons aan de kinderen van de duivel en de wereld gelijkmaken. Laten wij niet iets doen door hoogmoed en dartelheid of wat met de eerbaarheid en Christelijke zedigheid niet samen kan gaan. Laten wij de voorbeelden van de godzaligen en niet de algemene gewoonte en de loop van de wereld navolgen, opdat wij onze goede naam en faam niet schaden.

En om te besluiten: omdat alle pracht en praal in het Woord van God zo scherp is verboden omdat het op zichzelf zo’n groot kwaad der zonde is en zo’n vruchtbare baarmoeder van alle goddeloosheid, laten wij onze harten daarvan trachten af te trekken. Wij moeten ons meer bezighouden met onze ziel dan met ons lichaam te versieren. O, dat onze zielen ‘in heilige sieradiën’ (Ps. 110:3) en met de heiligmakende genaden van de Heilige Geest met ‘des konings dochter (…) geheel verheerlijkt inwendig’ zouden mogen zijn (Ps. 45:14)!” 14


Noten:

1) Zie: In het spoor, decembernummer 2016, p. 332-335, februarinummer 2017, p. 14-19, meinummer 2017, p. 105- 108 en julinummer 2017, p. 134-140

2) Zie: P. Wittewrongel, Oeconomia Christiana of Christelijke huishouding, dl. 5, Wijk en Aalburg 2016, p. 447-482 (hierna: Wittewrongel)

3) Wittewrongel, p. 449-451

4) Wittewrongel, p. 451-453

5) Wittewrongel, p. 453-456

6) Wittewrongel, p. 456-462

7) Wittewrongel, p. 462-463

8) Wittewrongel, p. 463-466

9) Wittewrongel, p. 466-468

10) Wittewrongel, p. 468-470

11) Wittewrongel, p. 471-475

12) Wittewrongel, p. 476

13) Wittewrongel, p. 477-479

14) Wittewrongel, p. 479-482

Fotoverantwoording:

a t/m d: Depositphotos

Dit artikel werd u aangeboden door: In het spoor

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 oktober 2017

In het spoor | 60 Pagina's

Ds. Wittewrongel Over Het Oppronken -5-

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 oktober 2017

In het spoor | 60 Pagina's