Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Hij, Isrels Wachter sluimert niet ....*

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Hij, Isrels Wachter sluimert niet ....*

24 minuten leestijd

Text: Markus 4 : 35—41.


Een altijd weer aantrekkelijke bladzijde uit het Evangelie hebben wij voor u opgeslagen. Wat is dat toch een heerlijke geschiedenis, hoe kort ze ook is ! Hoeveel troost hebben in de loop der eeuwen tal van geslachten er al uit geput, onder allerlei moeilijke omstandigheden! Want het is de macht van de Here Jezus, die zo indrukwekkend tot uiting komt in het bestraffen van de storm. Hoe bemoedigend is het, in dagen van nood, wanneer de golven en baren zich verheffen en het om ons heen stormt, bepaald te worden bij die enkele woorden van Jezus tot de woelige zee : „Zwijg, wees stil!" Want die enkele woorden brachten onmiddellijk wind en zee tot bedaren. Toch is dit niet het oogpunt, waaruit wij heden de gebeurtenissen op de Galilese Zee willen beschouwen. Er is nog een andere kant aan, die voor ons niet minder van betekenis is en waarop onze aandacht wel moet vallen, wanneer wij het Evangelieverhaal nauwkeurig lezen. Ik denk aan de woorden van de Here Jezus tot Zijn jongeren (vs. 40): „Wat zijt gij zo vreesachtig ? Hoe hebt gij geen geloof ?" Al verschilt ook de uitdrukking enigszins bij Mattheüs en Lukas (8 : 2ó ; 8: 25), toch is de strekking dezelfde, n.1. de discipelen te wijzen op hetgeen bij hen aan de dag is gekomen in de nood, waarin zij hebben verkeerd en waaruit zij door de Here Jezus zijn gered. Ik denk verder aan hetgeen de discipelen na hun redding tot elkander zeggen (vs. 41): „Wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn ?", een uitroep, die met gering verschil ook bij Mattheüs en Lukas (8 : 27 ; 8 : 25) wordt gevonden. Deze beide stukken geven ons een blik op de discipelen van de Here Jezus, die onszelf tot lering strekt.

Laat ons dan met toepassing op onszelf overdenken, hoe het er bij de discipelen van de Here Jezus op de Zee van Galilea uitzag 1 tijdens de storm, en II na het stillen van de storm.

I.

Op de vraag, hoe het er bij de discipelen van de Here Jezus op de Zee van Galilea uitzag, weten wij allen wel een antwoord te geven. Zelfs de kinderen zullen het ons dadelijk zeggen : zij verkeerden in grote nood. Markus zegt het duidelijk genoeg (vs. 37): ,jEn daar werd een grote storm van wind, en de baren sloegen over in het schip, a'zo dat het nu vol werd".

In die nood waren zij onverwacht gekomen. De Here Jezus was de gehele dag bezig geweest, het volk te leren. Het ligt voor de hand, dat Hij moe was — Hij is immers mens geweest evenals wij — en verlangde naar rust. Daarom wil Hij weg uit het gewoel der menigte en zegt tot Zijn discipelen (vs. 35): „Laat ons overvaren aan de andere zijde". Zijn verlangen is voor hen bevel, waaraan onmiddellijk wordt gehoorzaamd. Eigenaardig drukt Markus dit uit, als hij in vs. 36 schrijft: „En zij, de schare gelaten hebbende, namen Hem mede, gelijk Hij in het schip was", of juister: „namen Hem mede in het schip, gelijk Hij was". Er werden niet eerst allerlei maatregelen genomen voor de overtocht, maar Jezus stapte in, en zij voeren weg.

Wat zo vaak op de Galilese Zee gebeurt, dat geschiedde ook ditmaal. Een stormvlaag schiet op 't onverwachtst neer van de bergen en brengt de wateren van het Meer in geweldige beroering. De baren worden opgezweept, het schuimt en spat aan alle kanten. Het Meer staat hol en hoog. De golven beuken het kleine vaartuig. Hetscheepje danst en hobbelt, het wordt geslingerd, heen en weer, op en neer. Het water spoelt over de boorden heen. Ja, het komt zover, dat het scheepje vol water staat. En ge weet, wat dit betekent: de ondergang nabij, want een enkele stoot doet het vaartuig in de diepte verdwijnen ! We kunnen ons voorstellen, hoe de discipelen

We kunnen ons voorstellen, hoe de discipelen zich hebben afgetobd. Allermeest degenen, die met het Meer vertrouwd waren, zoals Petrus en de zonen van Zebedeüs, die in de uitoefening van hun vissersberoep zeker al vaak'met stormen te kampen hadden gehad. Veel konden zij hebben, het roer met vaste hand omklemd, de ogen overal heengeslagen, terwijl zij bevelen gaven of uitvoerden. Maar nu werd het hun toch te machtig. Zij zagen een wisse ondergang voor ogen. Wat te doen ?

Er was nog iemand aan boord, die zich heel niet roerde temidden van al die beroering. Het was hun Meester, Die Zich, moe als Hij was, in het achterschip had te slapen gelegd. Hij scheen van de storm niets te merken, want Hij sliep al maar door. Eerst hebben zij daar geen acht op geslagen. Zij hadden het veel te druk. Bovendien was het gemakkelijk, want Jezus was geen zeeman, wat wist Hij van manoeuvreren af! Als Hij sliep, hielden zij de handen vrij I Maar nu werd het hun toch te kras : in gevaar van verzinken, en dan nog slapen ! Daar gaan enkelen naar Hem toe en maken Hem wakker, terwijl zij Hem toevoegen: ,^Mcester! bekommert het U niet, dat wij vergaan ?" Dit woord geeft ons een blik op de gemoedsgesteldheid der discipelen. Er ligt een verwijt in. Zij hebben het gevoel, dat het haast geen minuut meer kan duren, of zij liggen op de bodem van de zee en Jezus trekt er Zich niets van aan ' Hij laat hen maar voorttobben in de nood en blijft Zelf rustig slapen, 't Is, of het Hem niets kan schelen, dat Zijn discipelen omkomen, ja dat Hij Zelf ook omkomt : Hij verkeert immers in één en dezelfde nood als zij ! Moest Hij niet met hen de hand aan het werk slaan en doen wat Hij doen kon ? Al was Hij geen schipper. Hij kon toch wel tot God roepen om uitredding ! Het was ook inderdaad wel wat vreemd, dat de Here Jezus zo rustig en kalm bleef slapen bij het bulderen van de storm en het koken van de golven. Hij is zeker door vermoeidheid geheel overmand geweest. Best mogelijk ! Er is echter ook nog iets anders voor aan te voeren, waarop meer dan één uitlegger terecht wijst. Jezus wist, wie Hij was. Daarom wist Hij ook, welke weg Hij te gaan had, n.l. de weg, waarlangs Gods genaderaad tot verlossing vanzondarenzou uitgevoerd worden. Aan 's Vaders leiding gaf Hij Zich ten allen tijde geheel en al over. Hij heeft vastgehouden, dat de dood Hem niet kon treffen, zo niet 's Vaders raad was uitgevoerd. M. a. w. Jezus heeft in volkomen geloof geleefd en Zich steeds op Zijn Vader verlaten. Veilig in 's Vaders hoede heeft Hij Zich neergelegd. Zó bleef hij slapen, al loeide de storm, al werd ook het geweld der wateren groot. Voelt gij het niet in de woorden, die Hij straks tot Zijn jongeren richt, in antwoord op hun verwijt : „Wat zijt gij zo vreesachtig ? Hoe hebt gij geen geloof ?" Hieruit blijkt, hoe het met Hem Zelf gesteld was: bij Hem was geen vrees, maar geloof!

Daar hebben de discipelen geen begrip van gehad.

Zij hebben hun Meester niet verstaan, hoeveel zij in de omgang met Hem ook reeds beleefd hadden. Vandaar het gevoel, dat Hij Zich niets van de nood aantrok. Alsof Hem ook het dreigend lot van Zijn jongeren niet ter harte ging en Hij hen maar aan hun lot overliet.

Zo vinden wij hier nog een tweede antwoord op de vraag, hoe het er bij de discipelen des Heren in de storm uitzag ; en dit antwoord luidt: zij hebben hun Meester miskend en harde gedachten aangaande Hem gekoesterd.

Er is nog een derde stuk. Hoort nog eens, wat de Here Jezus tot hen zegt, als Hij de storm gestild heeft: „Wat zijt gij zo vreesachtig ? Hoe hebt gij geen geloof ?" Dat is een ontdekkend woord voor die jongeren

Dat is een ontdekkend woord voor die jongeren geweest.

Oppervlakkig beschouwd, lijkt het eerste wel wat hard, zelfs wat onbillijk. Was het dan werkelijk zo'n wonder, dat zij één stuk vrees waren ? Daar was de situatie van het ogenblik anders wel naar: hun leven was immers in gevaar ! Wat vermochten zij legen wind en golven ? Was het watergraf dan niet naar het zichtbare gereed om hen te verslinden ? Zeker, maar daar wrong juist de schoen! „Het zichtbare", daar hadden zij alleen op gelet. Met iets anders hadden zij niet gerekend, 't Ontbrak hun aan geloof. Dat legt de Here Jezus met die enkele woorden voor hen bloot. Wij moeten toch de woorden des Heren nemen, zoals ze daarstaan. Markus drukt het nog scherper uit dan Mattheüs, die van „kleingelovigen" spreekt. Lukas zegt het ook scherper: Waar is uw geloof ?" Dit verschil is verklaarbaar. Mattheüs heeft n.l. verhaald, dat de discipelen tot Jezus snelden met de kreet: „Here ! behoed ons, wij vergaan !" Zij hebben dus in hun nood de toevlucht genomen tot Jezus en van Hem hulp gevraagd : dat is geloof! Maar aan de andere kant is toch het geloof bij hen zoek, als zij zeggen : „wij vergaan", alsof zij niet veilig waren in Gods hand. Op dit laatste hebben Markus en Lukas de nadruk gelegd, en zo zal het ook bij de discipelen zelf geleefd, zo zullen zij over zichzelf geoordeeld hebben. Zij hebben door hun houding in de nood, zoals de Here Jezus die in enkele trekken tekende, duidelijk getoond, dat zij geen geloof hadden. Dat valt ons wel wat tegen van die discipelen, vooral wanneer wij bedenken, dat het discipelen van de Here Jezus waren, die toch al geruime tijd met Hem omgegaan en veel met Hem beleefd hadden. Markus zelf heeft al één en ander medegedeeld aangaande de werken van de Here Jezus, waaruit toch wel bleek, wat Hij vermocht: de genezing van de bezetene in de synagoge te Kapernaüm (1 : 23 e. v.), van Simon Petrus' schoonmoeder (1 : 30, 31) en tal van andere zieken (1 : 32 e. v.), van een melaatse (1 : 40 e. v.), van de geraakte (2:1e. v.), van de man rnet de verdorde hand (3:1e. v.). Hieruit hadden zij toch wel kunnen afleiden, dat Jezus hen in de storm niet zou laten omkomen.

Ja, zo kunnen wij wel mooi redeneren en tegelijk de discipelen veroordelen. Doch hebben wij hiertoe het recht ? Maken wij het beter ? De geschiedenis, die vóór ons ligt, geeft ons wel alle aanleiding om de hand in eigen boezem te steken. Ervaring is de beste leermeesteres. Onwillekeurig

Ervaring is de beste leermeesteres. Onwillekeurig komt ons in de gedachten wat Mozes tot Israël zegt: „Oij zult gedenken aan al de weg die de Here uw Ood u deze veertig jaar inde woestijn geleid heeft, opdat Hij u verootmoedigde om u te verzoeken, om te weten wat in uw hart was, of gij Zijn geboden zoudt houden of niet" (Deut. 8 : 2). De overdenking van onze weg stemt ons tot ootmoed, ook inzake de vraag, of wij geloof hebben, of niet, onder allerlei omstandigheden. O zeker, er zijn tijden genoeg in ons leven, waarin wij voor de dag komen als mensen vol van geloof, van krachtig geloof, dat voor niets terugdeinst en anderen met grote vrijmoedigheid terechtwijst. Ge verstaat het wel: dat zijn tijden, waarin alles ons naar de zin gaat, waarin wij tenminste niet met gewichtige bezwaren en grote moeilijkheden te kampen hebben ; tijden, waarin de nood voor onszelf op een afstand blijft. Dan zijn wij voor ons eigen gevoel haast „geloofshelden" en hebben vaak een groot woord. Dan kunnen wij op schitterende wijze allerlei Schriftwoorden hanteren om anderen de weg te wijzen, die zij te gaan hebben. Dan is het alsof het geloof iets is, dat wij altijd als iets zichtbaars en tastbaars met ons omdragen en steeds ter beschikking hebben.

Er komen echter ook andere tijden voor in ons leven. Want moeite en verdriet blijven ook de discipelen des Heren niet bespaard. Veel halen wij helaas door eigen schuld ons zelf op de hals. Maar er is toch ook veel, dat ons buiten eigen schuld om treft. Het kan in ons leven weleens stormen, geducht stormen. Een zee van ramp kan met haar golven slaan. Als ernstige ziekte ons aantast of geliefden op het ziekbed neerwerpt; als wij hen straks naar het graf moeten dragen, voornamelijk dierbaren, die nog in de bloeitijd van het leven zijn ; als wij te worstelen hebben met tegenspoed, die een gevolg is van de nood der tijden b.v., en wij zitten te rekenen en nog eens te rekenen, maar weten niet hoe wij rond moeten komen met onze geldmiddelen ; als wij, ofschoon door mensen omringd, toch in betrekkelijke eenzaamheid onze weg moeten reizen, omdat onze omgeving ons niet begrijpt, en hierdoor moeilijkheid op moeilijkheid zich stapelt ; kortom — want ieder kan de voorbeelden gemakkeiijk zelf vermeerderen — als wij in welk opzicht dan ook geen doorkomen zien, hoe staat het dan met ons ? Zijn wij dan misschien ook zo vol moed, staan wij dan ook zo onwankelbaar vast in de overtuiging, dat wij veilig zijn in Gods hand en met Jezus ons geen kwaad kan overkomen ? Of heeft het voor ons dan ook niet meermalen de schijn, alsof de Here Jezus Zich eigenlijk van ons lot niets aantrekt? Wie durft dat werkelijk beweren ? Al houden wij ons vaak nog groot voor onze omgeving, inwendig beeft ons hart, als wij de storm zien aanwakkeren, de golven hoger zien gaan en ons levensscheepje heen en weer wordt geslingerd en in de fel beroerde wateren dreigt te vergaan. Ach, hoe onrustig zijn al spoedig onze bewegingen ! Alles schijnt mogelijk, behalve dat wij er doorkomen. En als wij dan denken aan de Here Jezus, Die maar niets van Zich laat merken, dan is — al spreken wij het niet met zoveel woorden uil — in ons gemoed dezelfde gesteldheid, die er spreekt uit de verwijtende klacht der discipelen : „Meester! bekommert hel U niet, dat wij vergaan ?" — Bovenal is dit het geval, wanneer nood vanwege onze zonde ons overvalt. Als wij ons op onweerstaanbare wijze geplaatst zien vóór Gods heilige Wet en in die spiegel ons beeld aanschouwen, dat allesbehalve met haar eis overeenkomt; als alles ons veroordeelt en wij de vloek der Wet vernemen als onszelf treffend en dan denken aan dood en oordeel — o hoe stormt het dan in ons binnenste! Dan voelen wij ons de ondergang nabij, die wij in geen enkel opzicht kunnen ontgaan. Zijn wij, als de vijand onzer ziel ons hiermee komt kwellen, dan rustig op het Evangelie van de vergeving der zonden om het bloed van Christus ? Rustig, dat wij er toch nog doorheen zullen komen, omdat het Evangelie ons zo duidelijk zegt, dat de Zoon des mensen gekomen is om te zoeken en zalig te maken wat verloren was, om kinderen des doods te maken tot erfgenamen des eeuwigen levens ? Of is het dan niet op menig ogenblik, vooral dan wanneer er in onze duisternis maar geen licht komt, alsof de Here Jezus verre is en verre blijft en volstrekt geen acht slaat op onze nood, maar ons aan ons lot overlaat ? En zoals het in ons persoonlijk leven gaat, gaat

En zoals het in ons persoonlijk leven gaat, gaat het ook op ander terrein. Ik denk met name aan de Kerk. Dat zal u wel niet verwonderen, als gij er eens op let, wie zich in dat scheepje bevonden, dat daar in nood was, n.I. Jezus en Zijn discipelen, d. i. Jezus en een deel van Zijn Gemeente. Het riep mij de Kerk des Heren op aarde voor de geest. Zeker, Jezus is bij haar, is in haar midden, naar Zijn belofte : „Ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot aan de voleinding der wereld". Maar hoe dikwijls is zij gelijk aan die discipelen met een slapende Meester aan boord. De Kerk is in onze dagen gelijk aan een schip in de storm. Hoevelen hebben haar ondergang al voorspeld, op grond van verschillende overwegingen. Zelfs met het oog op de financiële toestand. En inderdaad ziet het er voor de Kerk niet zo heel rooskleurig uit, als wij letten op het betrekkelijk gering aantal jongelieden, dat begeerte heeft tot het predikambt en op het omvangrijk arbeidsveld, dat zoveel krachten vraagt. Temeer, als wij bedenken, dat niet allen, die het predikambt bekleden, met het getuigenis der Waarheid komen, maar met een ander evangelie, dat geen Evangelie is. De vijanden zijn talrijk en waakzaam. Ongeloof en bijgeloof nemen hand over hand toe.

Onze Protestantse vrijheid is niet zonder gevaar. Rome heeft in de laatste jaren waarlijk niet stilgezeten, al hebben wij er naar buiten misschien niet zo heel veel van gemerkt. De onlangs gehouden volkstelling zal straks wel uitwijzen, welk een belangrijke stap Rome verder gekomen is. En ais wij aan de andere kant denken aan de toenemende onverschilligheid en aan allerlei eigenwillige godsdienst, waarbij men zich evenmin als Rome aan Gods Woord houdt als het enig richtsnoer voor geloof en leven, dan zien wij de toekomst hoe langer hoe donkerder worden. Waar moet het heen? Als het steeds erger wordt, zullen wij dan vasthouden, dat de Kerk geen kwaad kan wedervaren, omdat Jezus in haar midden is ? Ook als het er uitziet, alsof Hij Zich van haar nood niets aantrekt ?

Gemeente ! wie eigen ervaring raadpleegt, staat bij al deze dingen niet recht overeind, maar zinkt neer in het stof. De ervaring leert immers, dat het bij ons al niet anders is dan bij de discipelen des Heren. Als het er op aankomt, is er ook bij ons geen geloof. Hoeveel wij persoonlijk ook van de macht des Heren in ons leven ondervonden of in dat van anderen waargenomen hebben,— de nood van het ogenblik ziet er toch weer anders uit dan alle vroegere nood, waarin de Here uitkomst gaf. En wij denken steeds, dat de jongste nood ook de zwaarste is. Als wij dan geen doorkomen zien, ziet het er bij ons uit, alsof er heel geen doorkomen is en er voor ons geen ander voorland is dan omkomen, ondergaan, verzinken.

Zulke ervaring is echter heilzaam. Want zij leert ons breken met het zelfvertrouwen, dat ons van nature zo eigen is. Zij dient om ons te genezen van de waan, dat wij het geloof in de hand hebben, als wij ons onder de banier van het kruis hebben geschaard. Neen, wij hebben het geloof niet in de hand. Als het van ons afhangt, komt er van het geloof niets terecht. Dat moeten wij wel erkennen uit de diepste grond van ons hart. Doch met deze erkentenis zal nog iets anders gepaard gaan. Wij voelen het wel, als het verwijt van de Here Jezus aan Zijn discipelen : „Wat zijt gij zo vreesachtig ? Hoe hebt gij geen geloof ?" ons werkelijk raakt in het diepst van ons hart. Dat zegt ons immers, dat er toch waarlijk geen reden is voor die vrees en voor dat gebrek aan geloof. Daar heeft God het toch niet naar gemaakt. En de Here Jezus ook niet. Wij zijn omringd door de bewijzen van goddelijke barmhartigheid en trouw. Als wij de ogen maar opendoen. Als wij maar denken aan al de weg, die de Here ons geleid heeft. Hoeveel uitkomsten heeft Hij ons geschonken, uitkomsten zelfs tegen de dood ! Moest dan dat alles ons niet bewegen tot geloof ? En toch oefenden wij geen geloof in de nieuwe nood, die over ons kwam. Toch moet ons weer toegevoegd worden : „Hoe hebt gij geen geloof ?" Als wij daar recht inkomen, dan slaan wij op onze borst en roepen het ook met betrekking 148 tot onze ongelovigheid uit wat wij thans willen zingen : „Een stroom van ongerechtigheden had d'overhand op mij (Ps 65 : 2)

II.

Laat ons nu in de tweede plaats overdenken, hoe het er bij de discipelen van de Here Jezus uitzag na het stillen van de storm. Dat vernemen we uit het slotvers van onze tekst, waar wij lezen : „En zij vreesden met grote vreze en zeiden tot elkander: Wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn ?"

„De wind en de zee Hem gehoorzaam". Ja, dat hebben de discipelen gezien : gehoorzaam in de letterlijke zin van het woord, luisterend naar Zijn bevel. Neen, de Here Jezus heeft niet gewacht tot de discipelen geloof toonden, levend en krachtig geloof. Hij heeft onmiddellijk ingegrepen, toen zij in hun nood tot Hem kwamen. Hij antwoordt niet aanstonds op hun verwijtende klacht. Die laat Hij even rusten. Hij ziet alleen op hun nood en hun angst. En Hij wil hen daaruit verlossen. Hij staat onmiddellijk op. En Hij doet met wind en zee wat Hij in Kapernaüms synagoge met een onreine geest had gedaan (1 : 25) : Hij bestraft de wind en zegt tot de zee : „Zwijg, wees stil!" En dat enkele woord is voldoende om wind en golven tot bedaren te brengen. Markus zegt immers : „En de wind ging liggen, en er werd grote stilte". Het is nog tekenachtiger en krachtiger uitgedrukt dan wij uit deze woorden kunnen afleiden. De wind ging niet langzamerhand liggen, maar eensklaps. Hij werd als iemand, die moegearbeid de handen laat zakken met een : „ik kan niet meer". Hij was onmiddellijk zijn kracht kwijt. Er trad volslagen stilte in. Niet alleen in de atmosfeer, maar ook in de wateren. Er was geen nawerking van de wind meer, zoals anders het geval is, maar in een ommezien van tijd lag het Meer spiegelglad. Dat mag „gehoorzamen" heten. Zo heeft de Here Jezus de Zijnen uitkomst bereid.

Zo heeft de Here Jezus de Zijnen uitkomst bereid. Zo heeft Hij hun getoond, dat het lot van Zijn jongeren Hem allesbehalve onbewogen laat. En dan eerst richt Hij tot hen dat ontdekkende woord : „Wat zijt gij zo vreesachtig? Hoe hebt gij geen geloof?" Hoe moet hun toen dat woord door de ziel hebben gesneden ! Hoe beschaamd zullen zij op dat ogenblik hebben gestaan ! Meer nog, dan wanneer Hij zo tot hen had gesproken, eer Hij wind en zee tot bedaren bracht. Nu zagen zij immersonmiddellijk, hoe ongegrond hun dodelijke angst was geweest en de harde gedachten, die zij in die angst aangaande hun Meester hadden gekoesterd! — Het zal hun later nog wel menigmaal in de gedachten gekomen zijn. En dan zullen zij het wel beleden hebben : hoe gelukkig, dat de redding, die de Here schenkt, niet rust op ons geloof, maar enkel voortkomt uit Zijn liefde en erbarming ! Anders was er nooit iets van terechtgekomen en kwam er nooit iets van redding terecht! Doch iets anders vraagt hier onze aandacht, n.1. de uitroep der discipelen : „Wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn ?" Zo hebben zij in vrees gesproken. Markus schrijft immers: „En zij vreesden met grote vreze en zeiden tot elkander "

Dat kunnen we ons wel begrijpen. Zij hebben gevoeld, dat zij hier stonden voor een ontzaglijke majesteit. Het is toch geen kleinigheid, met een enkel woord een brullende storm en een bruisend meer tot bedaren te brengen Tegenover zulk een majesteit hebben zij hun nietigheid diep gevoeld. Welk een man stond daar vóór hen ! Ja, welk een man ! Want de zee en de wind bedwingen, dat is werk van Jehovah Zelf alleen. Denk maar aan het bekende Psalmwoord : „'t Gebruis der zee doet Gij bedaren, daar Gij haar golven stilt". Dat staat niet in mensenmacht. God alleen gebiedt over de wind en de wateren. En hier doet Jezus het. Ze zijn er stil van. Ja, hun hart klopt daarbij onrustig. Wie mag Hij toch wel zijn. Die zulke dingen doet ? Zo vragen zij elkander met een bevend hart. Een eigenaardig slot van deze geschiedenis. Misschien doet het ons wat vreemd aan. Eigenlijk hadden wij nog iets anders verwacht, n.1. dat de discipelen in blijde jubel over de verkregen uitkomst uitgebroken waren. Dat zou ons tenminste meer bevredigd hebben. Haast zouden we zeggen: dan was de Here Jezus meer tot Zijn recht gekomen na het wonder, door Hem verricht.

En toch is het niet anders dan onze text ons meldt. De discipelen zijn nog niet recht doorgedrongen tot de betekenis van hun Meester. Zij hadden al veel beleefd, waarover zij de handen van verwondering in elkaar sloegen. Maar dit ging alles te boven. Zij kunnen er nog niet bij. In Zijn macht is Hij hun nog raadselachtig, en juist daarom is er bij hen vrees. Het volle licht over hun Meester is hun nog niet opgegaan. En het ging hun vooreerst ook nog niet op, ofschoon zij af en toe dichter bij dat volle licht werden gebracht. Dit is juist het eigenaardige in heel de wijze van doen van de Here Jezus, dat Hij enerzijds op allerlei wijze toont wie Hij is, anderzijds echter dit verborgen houdt. Eerst als Hij Zijn zending volbracht heeften niets Hem meer in de weg staat, d.w.z. na Zijn opstanding uit de doden, verstaan Zijn jongeren, wie Hij eigenlijk is : de Zoon Gods, de Uitvoerder van Gods genaderaad, de Koning over het volk Gods, Wie alles onderworpen is in hemel en op aarde. Gemeente! wij hebben waarlijk geen reden om

Gemeente! wij hebben waarlijk geen reden om ons in deze boven die discipelen te verheffen. Ja, hoe menigmaal staan wij ver beneden hen. Laat ons alleen maar eens vragen, hoe het met ons gesteld was na uitreddingen, die ons geschonken werden. Zijn wij altijd onder de indruk daarvan geweest ? Ach, hoe menigmaal hebben wij er niet eens recht de aandacht aan geschonken : het gevaar was voorbij, en wij gingen over tot de orde van de dag, alsof er niets bizonders geschied was. — Maar aan de andere kant, al hebben wij nu niet juist zulke geweldige dingen beleefd als de discipelen op de Galilese Zee, het zal ons toch ook wel eens overkomen zijn, dat de uitkomst ons overweldigde, zo dat wij eigenlijk niet wisten wat wij er aan hadden; zo dat de openbaring van 's Heren reddende macht alles te boven ging wat wij ooit hadden verwacht. Wanneer wij echter voor zulke geweldige openbaringen van Jezus' macht hadden gestaan, zoals die jongeren er vóór stonden, zonder de kennis die wij nu hebben, dan zouden wij evenals zij, met vreze vervuld, hebben uitgeroepen: „Wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn !" Intussen zit er in die vrees ook een bestanddeel, dat haar zelfs begeerlijk maakt. Ik bedoel het gevoel van zonde en schuld, dat krachtig wordt, wanneer wij staan tegenover de Majesteit van God en Zijn Christus. Wie zulke vrees niet kent, met die staat het niet goed. Het is heilzame vrees. En wie die koestert, die gaat het volle licht over de Here Jezus vast en zeker op, zodat hij er iets aan heeft voor zijn eigen ziel. Want die Jezus, Die wind en zee bedwingt, zodat zij Hem gehoorzaam zijn, is Dezelfde, Die straks sterft aan het kruis van Golgotha, beladen met de zonde der wereld. Daar ziet gij Hem, zoals Hij is, n.I. in Zijn onpeilbare liefde tot het verlorene. Hij is Dezelfde, Die uit de doden verrijst; Die dus de dood overwint, alweer voor verloren mensenkinderen. Wie de ogen daarvoor geopend worden, bij die verdwijnt ook de vrees, als hij slaat voor machtsontplooiïngen van Jezus. Want hij ziet die macht in dienst van Zijn liefde. Als wij van Golgotha uit terugzien op de gebeurtenissen op de Zee van Galilea, dan verstaan v?\\, waarom wind en zee Jezus gehoorzaam zijn : omdat Hij de Verlosser Israels is. Wie de Vader alles in handen gaf ten goede van Zijn volk, waarvoor Hij Zijn ziel uitstortte in de dood.

Welk een troost gaat er dan tenslotte van deze bladzijde van het Evangelie nog uit in al onze noden ! Dat Hij als Israels Verlosser wind en zee tot bedaren bracht, zegt ons, dat wij met al onze noden tot Hem mogen gaan. Ook met zulke noden, waarin ons eigen ongeloof ons heeft gebracht. Hij heeft niet alleen het vermogen, maar ook de wil om er ons door te helpen, want Hij heeft Zijn eigen bloed voor ons vergoten ! — Dit zij onze eerste zorg: Jezus deelachtig te zijn. Verlaat u als een verlorene op Hem met een : Here! ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp!" Dan zift gij Hem deelachtig. En dan maar voort, achter Hem aan, het zielsoog op Hem gericht. Dan komt gij door alles heen, hoe hard het soms ook moge stormen en hoe hoog de golven soms ook mogen gaan. Wel moet gij eenmaal de doodsrivier in. Maar

Wel moet gij eenmaal de doodsrivier in. Maar Jezus brengt u veilig ook aan de overzijde van dood en graf. En dan zult gij het, Oode en Zün Christus ter eer, nog heel anders, immers met nieuwe tong uitroepen : „Welk een Verlosser zijt Gij !" AMEN.

Gelezen : Wet des Heren en Psalm 42.

Gezongen: Ps. 46 : 1,2 , Ps. 103:3, 7,11; Ps. 65:2; Gez.58:7.

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 1947

Kerkblaadje | 8 Pagina's

Hij, Isrels Wachter sluimert niet ....*

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 1947

Kerkblaadje | 8 Pagina's