Twee�rlei bede.*
Text: Lukas 8 : 37—39.
Gemeente des Heeren I
Wij staan hier vóór het slottafereel van de geschiedenis der genezing van de bezetene in het land der Gadarenen. Een heerlijke geschiedenis, waarin weer zo duidelijk mogelijk aan de dag komt, wat wij in Jezus Christus, de Nazarener, hebben, n.1. de Verlosser in de volle zin des woords, Die gekomen is om de werken des duivels te verbreken en te herstellen hetgeen in het Paradijs bedorven werd. Daar liet de mens zich door satan verleiden en kwam zo in de macht van de duivel, daar werd dus diens koninkrijk opgericht, — hier zien wij de bevrijding van een mens uit zijn macht en het voorspel van de algehele vernietiging zijner heerschappij. Deze heerlijke geschiedenis heeft een opmerkelijk, zelfs bevreemdend slot. Eigenlijk hadden we toch iets anders verwacht, nietwaar ? We hadden gedacht en gehoopt, dat de Gadarenen de Heere Jezus vanwege die verlossing van de bezetene op zijn minst zouden gedankt en als weldoener gehuldigd hebben — inpiaats daarvan horen wij het dringend verzoek, dat Hij toch van hen zal weggaan. We staan verwonderd te kijken, als de Heere Jezus zonder verder één woord met hen te spreken scheep gaat en terugkeert over de Zee van Tiberias. Maar onze verwondering stijgt toch nog hoger, als wij horen, hoe Hij de dringende bede van de genezen bezetene om bij Hem te mogen blijven, afslaat en die man naar zijn huis zendt om te verkondigen wat grote dingen God hem gedaan heeft. Hadden wij er vóór gestaan zoals de Heere Jezus er vóór stond, wij hadden de bede der Oadarenen allerminst, maar de bede van de verloste bezetene zeer zeker ingewilligd. Het één zowel als het ander, dat wij
1
Wanneer wij zo uit volle borst gezongen hebben wat deze beide Psalmverzen') ons op de lippen legden, dan is 't ons als een koud bad, te lezen : „En de gehele menigte van het omliggende land der Gadarenen baden Hem, dat Hij van hen wegging; want zij waren metgrote vreze bevangen". Geestdrift hadden wij ook daarverwacht,nietwaar? Er waren immers ontzaglijke dingen gebeurd. Of was de verlossing van de bezetene niet een ontzaglijk ding ? Gemeente ' denk u eens even de toestand van die ongelukkige in ! Lukas verhaalt er ons het één en ander van. „Hij was van over lange tijd met duivelen bez,eten geweest" (VS 27). Dus : wie weet hoe lang was hij al in de macht geweest van boze geesten. Daar Lukas straks van „de onreine geest" spreekt (vs 2Q e.v.), is de bedoeling zeker wel, dat de kranke bij een veelheid van verschijnselen zich gevoeld heeft in de macht van een leger van boze geesten die met onweerstaanbare kracht hun geweld op hem uitoefenden. Jammerlijk was die man er aan toe. Hij vertoonde allerlei verschijnselen van krankzinnigheid : kleren droeg hij niet en in huis kon hij 't niet uithouden, maar hij hield verblijf in de grafspelonken, die daar in groten getale in de bergen gevonden werden ; hij zocht dus de eenzaamheid, was mensenschuw (vs 27). En dat niet alleen, maar hij was klaarblijkelijk ook wild en gevaarlijk voor de omgeving ; hij was immers meer dan eens met ketenen gebonden geweest. Hij had echter zo'n grote kracht, dat hij de banden verbrak. De boze geest dreef hem de woestijn in (vs 29). Hoe komt daarin uit, wat voor ver- 1) Psalm 98 : 2, 3.
Wat zal de Heere Jezus doen ?
Hij gebiedt de onreine geest, van zijn ongelukkig slachtoffer uit te gaan. Maar nu komt eerst aan de dag, hoezeer dat ongelukkig slachtoffer in de macht is van die boze geest. Als hij Jezus in hef oog krijgt — Die hij in zijn razernij tevoren nog niet opgemerkt had —, begint hij te schreeuwen van angst; hij vall voor Hem neer en roept luidkeels : „Wat heb ik met U te doen, Jezus, Gij Zoon Gods des Allerhoogsten? Ik bid U, dat Gij mij niet pijnigt" (vs 28). Het bevel van de Heiland aan de onreine geest om uit te gaan heeft die man allesbehalve als een woord van verlossing in de oren geklonken. Hij spreekt immers van „pijnigen". Een pijniging was het voor de boze geest, die man te moeten verlaten. Die pijniging nu voelt de ongelukkige als iets, dat hemzelf te wachten staat. Alsof hij er nog jammeriijker aan toe kon worden dan hij er al aan toe was onder de heerschappij van die onreine geest! Zó had de duivel die ongelukkige man in zijn macht, 't Scheen wel een hopeloos geval: wat is er toch te beginnen met iemand, die zijn verlossing voor pijniging aanziet en daarom bidt en smeekt, er van verschoond te mogen blijven ?
Doch de Heere Jezus laat Zich daardoor niet weerhouden. Hij is gekomen om de werken des duivels te verbreken. En Hij zal ze ook verbreken, ook al biedt de duivel hardnekkig tegenstand. Hij vraagt de bezetene naar diens naam : Hoe heet gij ? Dat is geen vraag van nieuwsgierigheid, ook niet van weetgierigheid of belangstelling. Maar deze vraag dient om, zoals ik het ergens uitgedrukt vond, „de afschuwelijke solidariteit te verbreken" tussen die ongelukkige en zijn kwelgeesten. Het noemen van de naam is het middel bij uitstek om iemand tot zichzelf terug te roepen. Denk maar eens aan een zieke, die buiten be- 146wustzijn is en bij het horen van zijn naam de ogen even opslaat. De bezetene zijn eigen naam te laten uitspreken moest dienen om zijn „ik" wakker te roepen en hem te brengen tot het besef, dat hij toch een ander was dan de bore geest, die hem beheerste, 't Schijnt hier intussen niet te helpen, want de man noemt niet zijn eigen naam, maar antwoordt op de vraag, hoe hij heet: „Legio". Dat was de naam van een Romeinse legerafdeling van 4000 man, hier is het de aanduiding van de schare boze geesten, die voor de ongelukkige een onweerstaanbare macht vormde. Hij vereenzelvigt zich dus nog altijd met zijn kwelgeesten Daarom schijnt het middel niet geholpen te hebben. En toch heeft het geholpen. Want wat bij die man niet bereikt werd, dat is bereikt bij de boze geesten. Zij voelen, dat er scheiding komt tussen hen en hun slachtoffer. Zij beginnen Jezus immers te smeken, „dat Hij hen niet gebieden zou, in de afgrond heen te varen" (vs 31). Zij willen niet terug naar de plaats, waar zij vandaan gekomen zijn. Zij moeten een voorwerp hebben, waarmee ze zich bezig kunnen houden. Anders zijn ze geheel aan zichzelf overgelaten en voelen heel geen grond meer onder de voeten. Op hun bede staat Jezus hen toe, in een grote kudde zwijnen te varen, die daar op de berg gehoed werd. Daar kunnen ze nu hun verderfelijke macht op uitoefenen. En ze doen het ook: heel de kudde stort van de steilte af in het meer en vindt daar de dood. Nu weet de bezetene duidelijk en klaar, dat hij van zijn kwelgeesten verlost is, dat zij zich niet voor een ogenblik stil houden om straks met verdubbelde woede hem weer aan te grijpen : de dood van die kudde zwijnen is hem daarvan het sprekendst bewijs. En zo zien we dan die ongelukkige kalm en rustig aan de voeten van Jezus zitten. Hij heeft zijn kleren aangetrokken en is volkomen bij zijn verstand.
Dat was een werk van ontzaglijke betekenis. Hier heeft Jezus Zich geopenbaard als de Overwinnaar van de duivel, als het Zaad der vrouw, Dat de slang de kop vermorzelt, als de Verlosser der mensheid, door Ood in Zijn genade reeds in het Paradijs beloofd. Doch daarvoor hebben de bewoners van die
Doch daarvoor hebben de bewoners van die landstreek geen oog. 't Duurt niet lang, of stad en land weten, wat er geschied is. De zwijnenhoeders, in doodsangst gevlucht, maken het alom bekend. Van alle kanten stroomt het volk toe om te zien wat er gebeurd is. En daar zien zij Jezus en de verloste bezetene, gekleed en wel bij zijn verstand, aan Diens voeten zittende. Nu zal er wel een luide jubel losbarsten om de
Nu zal er wel een luide jubel losbarsten om de macht van genade en ontferming, aan die ongelukkige verheerlijkt ? Geen sprake van ! Wij lezen enkel : „en zij werden bevreesd". De macht, door Jezus hier geoefend, heeft hen voorzeker vervuld met een bijgelovige vrees. Doch hier is nog een bizondere oorzaak voor hun vrees aan te wijzen, al noemt de Evangelist die niet met name. Laat ons eens denken aan de zwijnen en hun lot! Die waren immers van de steilte af in het meer gestort en daarin versmoord. Dat betekende voor de eigenaars een zwaar verlies. Doch hetbetekende voor hen nog meer dan dat. Er ligt waarheid in het gezegde, dat vrees voortkomt uit een kwaad geweten. Dat blijkt hier heel duidelijk Want het is opmerkelijk, dat niet onmiddellijk op het bericht: „en zij werden bevreesd" de mededeling volgt: „En de gehele menigte van het omliggende land der Oadarenen baden Hem, dat Hij van hen wegging; want zij waren met grote vreze bevangen" — maar dat daar tussen ligt wat we in VS 36 lezen : „En ook die het gezien hadden verhaalden hen, hoe de bezetene verlost was geworden". Het feit, dat hun ogen waarnamen, maakte hen bevreesd. Maar hun vrees nam nog toe, toen zij in alle bizonderheden het „hoe" vernamen. Dat wisten ze nog niet, toen zij aan kwamen lopen ; toen was hun alleen bekend, dat de zwijnen dood waren. Het eerste, wat zij toen zagen, was: Jezus met de genezen tjezetene. Maar nu hoorden zij, dat die genezing in nauw verband stond met de dood van hun zwijnen. En toen konden zij het bij Jezus niet uithouden. Waarom moesten die boze geesten juist in hun zwijnen varen ? Waarom moesten juist zij van deze historie de dupe worden ? . ... Als een bliksemstraal moet 't hun wel door de ziel zijn gegaan : Dat is de straf voor uw kwaad ! Zwijnen waren voor de Joden ongeoorloofd bezit: het zwijn was immers een onrein dier. Waarom hielden zij die er dan op na ? Alleen uit winstbejag! Hun geweten is wakker geworden. Vandaar dat zij „met grote vreze" bevangen werden. Als Jezus nog langer bij hen bleef, konden er nog wel meer oordelen losbreken. Waar moesten zij dan blijven ? Dan konden zij wel eens geheel te gronde gaan ! Daarom bidden en smeken zij Hem, dat Hij hen toch verlaten zal, Arme mensen ! Van buigen onder het verdiende oordeel is bij hen heel geen sprake, alleen van de begeerte om maar niet verder met dat oordeel kennis te maken. En het wonderlijkste is wel, dat de Heere Jezus aan hun dringende bede voldoet. Lukas verhaalt immers: „En Hij, in het schip gegaan zijnde, keerde wederom" (vs 37). Hij wisselt dus geen woord meer met die Oadarenen, maar gaat scheep naar de overzijde van het meer, vanwaar Hij tot hen gekomen was. Hij verlaat dus het land der Oadarenen. Hij willigt hun bede in. Raadselachtig, nietwaar ? Wij zouden zo zeggen :
Raadselachtig, nietwaar ? Wij zouden zo zeggen : die mensen hadden het juist dubbel nodig, dat Jezus bij hen bleef. Hier moest Hij juist prediken. Hier moest Hij Zijn stem laten horen om hen hun kwaad onder het oog te brengen, om hen te waarschuwen en tot bekering te roepen. Inplaats daarvan gaat Hij heen en laat de Oadarenen daarmee aan hun lot over.
Waarom heeft Hij dat toch gedaan ? Hoe kon Hij dat over Zijn hart verkrijgen ? Oing het Hem dan niet meer om het behoud van zondaren ?
Zeker ging het Hem daarom, want daartoe is Hij immers in de wereld gekomen. En juist omdat het Hem om het behoud van zondaren ging, heeft Hij h-n bede ingewilligd. Hun hart was op dat ogenblik niet ontvankelijk voor de boodschap des heils, die Hij te brengen had. Zij waren vol vrees, maar het was niet de vrees, die voortkomt uit verslagenheid van geest. Zij hadden geen berouw over het door hen bedreven kwaad, enkel vrees voor oordelen, voor zwaarder oordelen dan het verlies van hun zwijnen. Zij moesten nu maar eens aan zichzelf overgelaten worden, opdat zij tot nadenken mochten komen en zo hun oog nog eens mocht opengaan voor de genade, die hier zo machtig had gewerkt. Zij moesten nu maar eens nadenken over de vraag, waar hun boze begeerte, die tot overtreding van Gods Wet leidde, hen gebracht had, n.1. dat zij zichzelf in het ongeluk hadden geholpen.
Oemeente! hier ligt lering ook voor ons. Wij zijn waarlijk niet beter dan die Oadarenen. Tijdelijk gewin heeft ook voor ons zo grote bekoring. Daarvoor veronachtzamen ook wij menigmaal Oods gebod. En als dan het geweten wakker geschud wordt en wij ons geplaatst zien voor Gods straffende hand, die naar ons uitgestrekt is b.v. in het Woord, dat tot ons komt, dan worden wij benauwd voor dat Woord. Dan willen wij maar liefst dit Woord niet meer horen, omdat het ons geweten onrustig maakt. Er moet over deze dingen maar liever niet meer gesproken worden !... . En waarlijk, dan komen er ook wel eens tijden, dat wij aan onszelf overgelaten worden en er niet meer van horen. Dat is voorzeker een oordeel, dat God over ons brengt. Maar Hij doet 't nog in Zijn liefde, die op ons behoud uit is. Hij dringt Zijn genade niet aan ons op. Het is een onmogelijkheid, machinaal de genade deelachtig te worden : genade kan zich alleen verheerlijken, waar nood isTDat de Heere Zijn Woord aan ons onttrekt, kan dan een middel zijn om ons in nood te brengen, om ons zover te brengen, dat wij verstaan : de weg, waarop wij ons bevinden, voert ten verderve !
Dat is nu geen zaak om bij in slaap te vallen, in een dommel van zoete gerustheid, als zou dan toch tenslotte alles wel in orde komen ! Verre vandaar! Zulk doen des Heeren verhoogt voor ons de ernst van de toestand. Hij had ons uil het leven kunnen wegrukken. Doch Hij deed dat nog niet. Hij draagt ons nog in lankmoedigheid. Maar die lankmoedigheid neemt eenmaal een einde. Nog is 't de tijd der genade. Maar die wordt eens afgesloten. Wee degene, die langzamerhand bij zijn armoede rust vindt. Hij zal ondervinden, dat God niet met Zich laat spotten. In hel wijken van de macht der genade uit ons leven ligt wel de allerernstigste roepstem tol bekering.
11
Dal hel de Heere Jezus met Zijn vertrek uit het land der Oadarenen niet te doen was om die Oadarenen te verderven, blijkt ten duidelijkste, als wij nu de tweede vraag gaan beantwoorden : waarom Jezus de bede van de verloste bezetene weigert. Oppervlakkig beschouwd is het niet-inwilligen van die bede raadselachtig. Die man „bad Hem, dat hij bij Hem mocht zijn" (vs 38).
We zouden zeggen : dat is een heerlijke bede, die ook de Heere Jezus aangenaam in de oren moest klinken. Daaruit bleek immers, welk een plaats de Heere Jezus in het hart van die man gekregen had : de centrale plaats Jezus was voor hem het middelpunt van zijn leven geworden. Als hij maar bij Jezus was, dan was 't hem goed ; niet bij Jezus te zijn betekende voor hem het grootste gemis!
We kunnen ons de zieisgesteldheid van die man zo heel goed indenken, nietwaar ? Welk een weldaad had Jezus hem bewezen ! Uit de macht, de onweerstaanbare macht van de duivel, had Hij hem verlost. Hij had hem heengezonden in vrijheid. Aan Jezus had hij alles te danken : zijn geestelijk en daarmee ook zijntijdelijkeniichamelijk welzijn. Daarom was hem de gedachte ondragelijk, dat Jezus het land zou verlaten en hijzelf achterblijven. Dan was hij immers zijn Redder, maar ook zijn Beschermer kwijt. Wat zou er dan van hem worden ?
Daarom hadden wij 't natuurlijk gevonden, als Jezus zijn bede had ingewilligd. Sterker nog: wij begrijpen niet, waarom Hij dat niet deed. De bede van die genezene was voor de Heere Jezus boogstvererend : daaruit sprak immers de diepste afhankelijkheid en de sterkste aanhankelijkheid. Wat kon Jezus eigenlijk méér wensen ? _
Was 't de Heiland om eigen eer gegaan, dan had Hij voorzeker die man onmiddellijk in het schip meegenomen. Maar nu zond Hij hem, om zo te zeggen, van de treeplank terug.
En waarom? Hoor, met welke opdracht: „Keer weder naar uw huis en vertel wat grote dingen God u gedaan heeft" (vs 39a). Daar ligt het antwoord op onze vraag!
Daar ligt het antwoord op onze vraag! O, die genezen bezetene was zo verdiept in de
O, die genezen bezetene was zo verdiept in de weldaad, die hem bewezen was, dat hij voor niets anders oog had. Op zichzelf niet verkeerd. Gelukkig, wie voor andere dingen geen oog meer heeft, voor wie de ijdelheden dezer wereld niets meer betekenen. Doch er is nog een andere tegenstelling. Die genezene dacht in zijn vreugde aan niets anders dan aan hetgeen hij genoten had en nog genoot, d.w.z. hij dacht aan niemand anders dan aan zichzelf. Hij had echter ook een „huis". In de stad Qadara had hij zijn domicilie. Daar woonde zijn familie. Natuurlijk waren dat mensen als al de anderen ; mensen, die nog in dezelfde duisternis zaten als al de Gadarenen. Ging hij nu met Jezus mee, dan was zijn huis hem kwijt, en dan bleven zij in dezelfde toestand als tevoren, d.w.z. in die toestand, die hen dreef, Jezus te verzoeken zo spoedig mogelijk van hen weg te gaan. Dan bleven zij verstoken van hetgeen tot hun vrede dienen moest. En juist dat kan de 148 Heiland niet over Zijn hart verkrijgen. Daarom mag de genezene niet met Hem meegaan, maar moet hij in het land der Gadarenen achterblijven om daar te verkondigen, wat grote dingen God hem gedaan had.
Alzo geschiedt. Hij blijft achter, als Jezus vertrekt. En hij gaat terstond de opdracht des Heeren uitvoeren : hij verhaalt de hele stad door „wat grote dingen Jezus hem gedaan heeft". Opmerkelijk, die verwisseling van persoon ! Jezus spreekt van de grote dingen, die Oörf aan de genezene gedaan heeft. En de genezene zelf spreekt van de grote dingen, die Jezus aan hem gedaan heeft. Is hij dan niet getrouw gebleven aan de opdracht ? O zeker. Gemeente! De Heere Jezus zocht niet Zijn eigen eer, maar de eer Desgenen, Die Hem gezonden had. De genezene echter kon niet vergeten, dat hij die grote weldaad Gods uit de hand van Jezus ontvangen had. Daarom heeft hij gesproken van Jezus als van Degene, in Wie de genade Gods tot verlossing van zondaren verschenen is. Volkomen naar waarheid, maar ook volkomen in overeenstemming met hetgeen de Gadarenen nodig hadden : zij moesten weten, dat Jezus niet gekomen is om te verderven, maar om te behouden, opdat zij alsnog tot Hem zich zouden wenden.
Is hef nu niet duidelijk, dat de liefde tot het verlorene de Heere Jezus gedrongen heeft tot inwilliging van de bede der Gadarenen en tot afwijzing van de bede van de genezen bezetene? In Zijn liefde laat Hij in de persoon van die genezene een onwraakbaar getuige van Zijn genade _^^J|^hen achter. Oó1< in dit opzicht is Jezus Christus nog niet
Oó1< in dit opzicht is Jezus Christus nog niet veranderd. Hij wil niet, dat degenen, die Zijn genade ervaren hebben, dat uitsluitend voor zich houden, — haast zou ik zeggen : in hun eentje genieten van hetgeen er in Hem te vinden is. Hij wil niet, dat zij er van zwijgen, maar er over spreken zullen. En wel in de omgeving, waarin f-iij hen geplaatst heeft. Allereerst in eigen huis, maar ook waar het verder mogelijk is en pas geeft. Het geeft niet altijd pas en het wordt ook niet altijd op de rechte wijze gedaan In verkeerde zin geschiedt er genoeg, n.1. zó, dat de mens van daden van God en Jezus Christus spreekt om zelf voor iets groots door Ie gaan, dus om reclame te maken voor eigen vroomheid. Dat deugt niet. Hoe vroom 't ook moge schijnen, dat is werk van de duivel. En daarmee is levens het bewijs geleverd, dat de zaak niet in orde is. Heeft God werkelijk iets aan onze ziel gedaan, dan worden wij geen grote mannen en vrouwen,geengeestelijke eikenbomen of geestelijke Enakskinderen. Integendeel, dan weten wij niet te spreken van onze vroomheid, maar alleen van de genade des Heeren Jezus, Die Zich over ons heeft ontfermd. Dan is niemand te prijzen dan God alleen, en wij zelf vallen geheel weg. Dat is een onbedriegelijk kenteken van waarachtige bekering.
Verkondigen wat grote dingen God aan ons gedaan heeft. Schrik niet, wanneer ge dat woord „verkondigen" hoort. Dat wil nigj zeggen : uit preken gaan of lezingen er ovei" gaan houden. Maar het betekent: in alle eenvoud verhalen wat Ood door Jezus Christus gedaan heeft. Dat is voor onze naaste van meer betekenis dan wij wel eens denken. Wie aan deze dingen vreemd is, kan er door worden getrokken. En wie aangevochten wordt, zal er door worden versterkt. De liefde tot God en de naaste gebiedt, er niet van te zwijgen, maar er over te spreken.
Maar, hoe kan ik er over spreken, als ik er nog niets van ondervonden heb ? Zo klaagt iemand ... Daar hebt ge volkomen gelijk in, mijn broeder of zuster, die zo spreekt. Oprechtheid boven alles. Geen huichelarij, geen napraterij; daar is de wereld helaas te vol van. Maar laat hel nu bij dat zwijgen niet blijven. Hel gaat er immers om, dat wij door Jezus verlost zijn. Daarop komt het aan in leven en in sterven. Anders is er voor ons geen heil. Hel oog dan op Hem gericht. Hart en mond
Hel oog dan op Hem gericht. Hart en mond tot Hem verheven. Houd aan in het gebed. Geen ellendige komt bij Hem tevergeefs. Hij heeft een geopend oor voor allen, die hun zonde en ellende erkennen en de verlossing daarvan bij Hem alleen zoeken. Zo zult gij voorzeker ervaren, wat Jezus' verlossende macht tol stand brengt. En als gij zelf waarlijk uw geestelijke vrijheid in Hem gevonden hebt: vergeving van zonden,gerechtigheid en eeuwig leven, dan is '1 u onmogelijk daarvan te zwijgen Dan opent zich ook uw mond lot 's Heeren lof. En zo zal de Heere u weer stellen tot een zegen voor anderen, ook al weel gij daar zelf niet eens van. Zo breidt de Heere Zijn Koninkrijk uil door Zijn Woord en Geest. Zo wordt daar rondom Zijn Troon een volk vergaderd, dal Zijn lof vertelt en straks een schare vormt, die niemand tellen kan. AMEN.
Gelezen: Wet des Heeren en Lukas. 8 : 26—39. Gezongen: Gez. 36 (N.B. 113) : 1, 2; Ps. 98 : 2, 3; Ps. 73 : 14 ; Ps. 145 : 3.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juli 1948
Kerkblaadje | 8 Pagina's