Het geloof van Jezus Christus
Enkele weken geleden verscheen in ons Kerkblaadje een artikel over de vraag: „Wie was Kohlbrugge ?" Daarin betoogde de schrijver, ondergeteekende, dat met Kohlbrugge's prediking aangaande „de vléésch-wording des Woords" ten nauwste samenhangt zijn nadruk leggen op „het gelóóf van Jezus". „Niet door goddelijke kracht, maar in het gelóóf heeft de Tweede Adam den strijd gesliedc.i ca vülsireden''. di deze leering van Kohlbrugge over de vleeschwording en het geloof van Jezus werd aldus nader toegelicht: „In den strijd tegen de zonde en den duivel heeft de Heere Jezus het niet gemakkelijker gehad dan wij, maar zwaarder. En alleen biddendenschreiend, worstelend en geloovend, heeft Hij overmocht. Alleen in het geloof heeft Christus aan Satan zijn vaten ontroofd, hongerigen gevoed, de kranken genezen enZijnverlossingswerkvolbracht. „Vleeschwording" en „geloof" van Christus hangen dus ten nauwste samen.
Ware Gods Zoon slechts in menschelijke gedaante, slechts door de menschelijke natuur als door een kleed omhuld, hier op aarde verschenen, Hij zoude in goddelijke heerlijkheid over zonde en ellende hebben getriumpheerd, over dood en hel en Satan gezegevierd. Maar nu Gods Zoon vléésch werd, vléésch,
Maar nu Gods Zoon vléésch werd, vléésch, zooals wij vléésch zijn, om onze Plaatsbekleeder te zijn, nu heeft Hij alleen door geloof kunnen en willen strijden en overwinnen. Hij is de Tweede Adam.
En waar de eerste Adam door ongeloof zich van God en Zijn Woord heeft losgemaakt, daar heeft de Tweede Adam in ons vleesch Zich aan God en Zijn Woord gehouden tegen alle verzoeking in, tot in dood en hel toe, door geloof. Christus is gekomen om in onze plaats in Ood te gelooven, d.w.z. onvoorwaardelijk op God te vertrouwen en Gods Woord alleen te laten gelden. Zoo heeft Christus het verlossingswerk volbracht in geloof.
Dit geldt zoowel de dadelijke als de lijdelijke (lijdende) gehoorzaamheid aan den Vader.
Allereerst de dadelijke gehoorzaamheid, in het geestelijk vervullen van de Wet, den eeuwigen Wil van God, heeft Christus in geloove volbracht. Want gelijk de oer-zonde het ongeloof is, de moeder van alle ongerechtigheid, zoo is het geloofde oer-gerechtigheid, waaruit alle verdere gerechtigheid spruit. Dat is de gerechtigheid van Christus. Christus heeft Gods gebod in geloof, door den Geest, geestelijk gehouden en volbracht.
En deze Zijne gerechtigheid, Zijne gehoorzaamheid, Zijn geloof, Zijn liefde, wordt ons om niet toegerekend, alsof het onze eigene gerechtigheid ware, voorzoover wij zulk een weldaad met een geloovig hart aannemen, voorzoover wij dus in waarheid in Christus gelooven (vr. en antw. 60 van den Catechismus)".
Tegen deze prediking komt één van de lezers van het Kerkblaadje in verzet, meenende dat dit niet de leer van Kohlbrugge, en — wat erger is —, dat dit niet naar Gods Woord is.
Hij schrijft aan den hoofdredacteur (14 Juli 1Q48):
Geachte collega Van Heyst,
Mag ik U als hoofdredacteur van het „Kerkblaadje" even schrijven over het artikel van collega Oorthuys „Wie was Kohlbrugge?" II in no. 15. Als U wilt, kunt U den brief natuurlijk aan den schrijver doorzenden, maar wellicht kunt U mij ook beantwoorden. Oorthuys heeft het over „het nadruk leggen op
Oorthuys heeft het over „het nadruk leggen op het geloof van Jezus" en beweert, dat Kohlbrugge dat gedaan' heeft. Graag zou ik willen weten, wanneer en waar K. zoo geschreven heeft of gesproken : ik heb het nooit aangetroffen en dacht ook niet, dat het juist is. Op zichzelf lijkt het me al onjuist; evenmin als Adam door het geloof leefde vóór den val, evenmin heeft de Tweede Adam door het geloof geleefd. Bovendien zou de Heiland, als Hij door het geloof had moeten leven, niet Ood en mensch in eenigheid van Zijn Persoon zijn : dan was de eenheid gebroken I Hoogstens kan er sprake geweest zijn van geloof tijdens de Qodsverlating aan het kruis; maar leert de christelijke belijdenis niet, dat ook in !iet graf de Godheid niet van Christus is geweken ? Hoe ik het ook overdenk en overweeg, het lijkt mij schriftuurlijk en historisch onjuist, maar ik wil graag terechtgebracht worden : laat men mij eens b.v. in de brieven van Kohlbrugge of in bekendL- preekuitgaven aanwijzen, waar ik dergelijke beweringen lezen kan ; het lijkt mij van K. erg apocrief. Ik weet van de gehoorzaamheid des geloofs, maar van Jezus' gehoorzaamheid zonder meer. Hij wordt wel genoemd : de overste Leidsman („Urheber") en Voleinder des geloofs, maar nergens in de Schrift de Geloover. Adam „kende God aan den wind des daags" ; Jezus zegt: ,de Zoon des menschen, Die in den hemel is" (joh 3), Jezus heeft gehoorzaamheid geleerd uit Zijn lijden, maar geen geloof.
Al schrijvende bevredigt het geschrevene mij nog üiet ca zie ik even iets in, b.v. „Erklarung der Stelle i Mose Cap. 1 : 27 ; verder: Genesis 3 voor de Gemeente uitgelegd. Onder het lezen bedenk ik, dat er staat geschreven i „Wie niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddelooze rechtvaardigt om niet". Nu, Adam moest (vóór den val) werken, dus niet gelooven in den zin van het Evangelie dus! en daarover gaat het allereerst). En de Tweede Adam heeft ook gewerkt het werk, dat Adam had moeten doen ; daar was dus ook geen sprake van gelooven. In de verhandeling over het geloof in „Genesis 3 .." lees ik ook niets van een bewering van geloof van Christus, ook al onderscheid ik tusschen geloof als tegenstelling tot werk, en geloof als vertrouwen bij niet-zien. Christus „zag" de hemelen geopend (en, naar ik meen, altijd! verg. Joh. 3 en „Ik en de Vader zijn één"), Mozes „hield zich vast als ziende den Onzienlijke" Hebr. 11 : 27. De profeet zegt: „door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken ..", de christen^.is rechtvaardig door het geloof. Graag nader van U of collega Oorthuys hoorend,
Graag nader van U of collega Oorthuys hoorend, verblijf ik met hartelijke heilbede en collegiale groeten,
Om dezen twijfelaar te overtuigen, dat het hierboven opnieuw afgedrukte stuk wel waarlijk de gedachten van Dr Kohlbrugge zuiver weergeeft, moge hier een plaats vinden de uiteenzetting van Th. Stiasny hierover, in zijn werk : „Die Theologie Kohlbrügge's", uitg. Elfried W. Bronger Reformierter Verlag, Düsseldorf, 1935, opblz. 81—83. Wij lezen daar Kohlbrügge's leer over „het geloof van Christus", aldus samengevat: Christus heeft door een volkomen geloof Gods eere weder her- -teld (wieder hergestellt"). God vordert, dat Zijn schepsel Hem volkomen vertrouwt, niet oordeelt naar eigen kennen van wat goed en kwaad is 170 (waarbij de mensch toch zichzelf tot maatstaf aller dingen stelt of een zedelijke wet buiten God, bijvoorbeeld in zichzelf, vindt), dat het in Hem, als den Vader, gelooft, zooals Hij Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft, en daarnaar handelt. Gelijk het ongeloof de grootste zonde is, zoo is het geloof het grootste en beste, ja het eenige, Gode-welgevallige werk. Dit geloof bracht de Heere Jezus in onze plaats in het vleesch tot stand. Hij heeft er Zich dóór-geloofd. „Onze groote Hoogepriester Jezus", zegt Kohlbrugge (Licht und Recht 3, 15), is in onze plaats in den meest vertwijfelden toestand geweest. Hij heeft er Zich echter dóór-geloofd en ons met Zich er dóórgeloofd. In geen enkel geval heeft Hij aan de verzoeking toegegeven, hetgeen wij toch allen doen Hij heeft gedaan, wat wij in Hebr. 2:13 lezen : „Ik zal Mijn vertrouwen op Hem stellen". In dit vertrouwen is Hij gebleven, ofschoon Hij verzocht is als wij. Toegegeven heeft Hij niet, het opgegeven heeft Hij niet. Met Zijn gebed, Zijn smeeken, Zijn sterk geroep en tranen, met Zijn vrijwilligen dood heeft Hij Zich dóór-geslagen door alle toorn- en heüe-vloeden heen. Ofschoon een worm en geen man, is Hij nochtans in de dagen Zijns vleesches daarbij gebleven: Hij daarboven is Mijn Vader, en Ik ben Zijn Zoon,— en zoo heeft Hij de zege weggedragen, zoo heeft Hij overwonnen, zoo is Hij door de hemelen doorgegaan". — Waar Hij Zich geheel aan de leiding des Geestes overgaf, daar nam Hij in de dagen Zijns vleesches ook alles op Zich, wat de Vader Hem opgedragen heeft. Wij mogen niet toegeven aan de lasterlijke gedachte, alsof het een lichte taak voor Hem zou geweest zijn, menschelijke zonde en ellende weg te nemen, omdat Hij immers Gods Zoon was, — en daarbij de verkeerde gedachte koesteren: als ik Gods Zoon was, dan zou ik hetzelfde doen. — Hij heeft ook niet op eenigerlei wijze tooverachtig de wonderen gedaan, maar in geloof op Zijnen Vader deed Hij ze. De Vader heeft Hem de bezetenen, de melaatschen, de kranken, de dooden voor de voeten gelegd. Ónze Heere betwijfelde geen oogenblik, dat de Vader dat gedaan had, en met Hem zijn zoude; en in het geloof gebood Hij wind en golven, en zij werden stil; in geloove gebood Hij den duivel uit te varen, en het geschiedde; riep Hij de dooden, en zij gehoorzaamden Zijn Woord. In het vleesch deed Hij dit alles, in onzen van-God-afgeraakten toestand". In Licht und Recht 11, 22 zegt Kohlbrugge : „Bij God, Die rein en heilig is, gaat het om een grondregel („Grundsatz") van alle doen, welke grondregel bij geen aardbewoner te vinden is. Den God der waarheid gaat het om den grondregel van de volkomen gehoorzaamheid tot in den dood, om den grondregel van het allervolkomenst geloof en vertrouwen jegens Zijn Woord, om den grondregel der meestonvoorwaardelijke onderwerping aan Zijne gerechtigheid, en dat uit vrije gezindheid, vrijwillig, ongedwongen". Dezen grondregel van het volkomenst geloof heeft onze Heere steeds, maar inzonderheid in Zijn diepste lijden aan het einde Zijns levens gehouden. Toen stormde een verschrikkelijke nood op Hem aan, maar Hij hield in geloovc stand. In zijn „20 Predigten, im Jahre 1846 gehalten, 223, zegt Kohlbrugge: „Laat dat een mensch eens voor elkaar krijgen, dat, terwijl zijn vleesch ondergaat en al het zichtbare voor hem verdwijnt, wanneer hij gewaar wordt wat zonde is, en hij den toorn Oods daartegen in zijn vleesch gevoelt, waar hsm steeds weer alle verwachting des vleesches voor de voeten afgebroken wordt, en hij niets dan dood en ondergang vóór zich ziet, dat hij nochtans het voor zeker houdt: Hij daarboven is mijn God, mijn genadige God, mijn lieve Vader, ik ben Zijn kind ; het einde zal tóch heerlijk zijn, ik zal leven, de dood zal mij niet houden, de duivel heeft aan mij niets, ik ben in dezen verschrikkeiijken toestand gekomen, opdat mijn Vader mij verheerlijke, en uit deze toestand, waarin ik nu verkeer, ga ik over tot Hem. Dat heeft slechts Eén gekund. Zijn Naam is Jezus Christus, Dien God om onze overtreding overgegeven heeft in den dood, en Dien Hij opgewekt heeft, opdat wij door Hem rechtvaardig verklaard zouden worden". En in de Passionspredigten, 209, zegt Kohlbrugge: „Behoeven wij nog te vragen, hoe de Heere de Beginner en Voleinder van ons geloof is ? Behoeven wij nog te vragen, wat op den grond des harten van onzen Heere lag ?
Midden in den hoon en spot wankelt de getrouwe Heiland, de Knecht en Verkorene des Vaders, niet. Hij ziet de schande, Hij gelooft de eere; Hij kan niets uitrichten. Hij gelooft, dat Hij alles in Zijn hand heeft; Hij beschikt over den hemel en zet aan het kruis voor den moordenaar Zijn hemel der heerlijkheid open. „Voorwaar", zoo is Zijn eerste woord, en daarmede beneemt Hij den moordenaar allen twijfel". — Bij dit geloof bleef Hij in den allergrootsten nood Zijner ziel aan het kruis, toen Hij riep : „Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten ?" Hij was werkelijk verlaten en prijsgegeven aan allen spot en hoon van de zijde der oversten des volks, van het volk zelf, van de moordenaars, prijsgegeven aan alle woeste aanvallen des duivels, die Hem in vertwijfeling wilden nederstorten. Wij ontledigen den arbeid Zijner ziel, wanneer wij veronderstellen, dat de Heere misschien méénde verlaten te zijn. „Neen, zoo is het niet", zegt Kohlbrugge in de Passionspredigten, 265f, „het was werkelijk waar! Hij was werkelijk van God verlaten. Het geestelijk-verlaten zijn bestaat daarin, dat de Heilige Geest voor langeren tijd Zich inhoudt. Zich terugtrekt uit de ziel, niet meer medewerkt of mede-getuigt met den geest des aangevochtenen. Daardoor is er dan geen licht, in het geheel geen licht meer aanwezig in de ziel, geen zekerheid meer aangaande de genade, in het geheel geen troost meer van Godswege. Men smaakt louter toorn, grimmigheid en een verstooten zijn van Gods zijde. Zulk een verlatenheid heeft de Heere in de drie uren duisternis doorgemaakt, iets dergelijks en nog meer, wat onze menschelijkt begrippen verre te boven gaat. Daarvan getuigt de Schrift in de Psalmen". En daar werpt Hij Zich in geloove aan het Vaderhart Gods en roept het uit: „Mijn God, Mijn God !" Hij heeft geloof behouden en door geloof de schrikkelijke ure overwonnen. Hoe weinig verstaan wij toch van den arbeid Zijner ziel ! „Omdat Hij nu verhoogd is ter rechterhand des Vaders en uit den angst weggenomen, verstaan wij het niet, welk een moeite en arbeid wij Hem met onze zonde hebben toegebracht. Wij meenen, dat Hij het wei heeft kunnen wegblazen, toen Hij hier was. Wij verstaan het niet, houden het zelfs voor een ketterij, wat ons het dierbare Woord van den arbeid der ziel onzes Heeren toch zoo duidelijk voorhoudt. Wij willen niet vleesch zijn, wij willen veeleer halve engelen zijn. Het Woord echter onderwijst ons, hoe onze getrouwe Hoogepriester alles voor ons heeft tot stand gebracht, hoe Hij ons verzoend heeft', (Licht uüd Recht 3, 22). Door een onvoorwaardelijk, volkomen geloof heeft Hij in het vleesch Gode de eer gegeven.
Tot zoover Stiasny over het geloof van Jezus, onzen Heere, in het 2e deel van zijn boek, dat handelt over „Kohlbrugge's prediking van de Verlossing door Christus", en daarvan C over het Werk des Verlossers, S. 81ff.
Later, in^ het 3e deel, handelend over „de Vervulling van de Belofte Gods" (S. 97ff.), komt Stiasny nog eens terug op hetgeen Kohlbrugge leerde over „het geloof van Christus". Wij lezen daar (S. 127): Naar het klare Woord Gods staat het vast: wij zijn rechtvaardig voor God door het geloof.
Wanneer nu maar niet weer een werk in de allerfijnste vorm daarbij binnensluipt en den goeden weg Gods verderft! Het geloof zou immers kunnen beschouwd worden als een werk en verdienste onzerzijds, zoodat GocJ ons wegens het gepresteerde werk, namelijk het geloof, zou rechtvaardig spreken. „Er staat in Rom. 3 : 22 niet: „Door het geloof aan Jezus Christus (of w Jezus Christus), maar: „Door het gesoof van Jezus Christus". Daaronder verstaat de Apostel Christus' doen van den wil des Vaders en wel naar zijn geheelen omvang en inhoud, geüjk onze Heere Jezus Christus dien gedaan, geleerd, betuigd, en daarop en overeenkomstig denzelven geleden heeft en gestorven .is. De volgende bewijsplaatsen stellen dit in het allerhelderste licht: Ps. 16, Ps. 22, Ps. 40, Ps. 91, Hebr. 12 : 2, 2 : 11 —14. Daaruit, dat Hij God gelooft. Hem vertrouwen schenkt, zien wij in Zijn Evangelie Gods rechtvaardigheid weder aan het licht gegebracht, opdat ook wij God gelooven, Hem vertrouwen schenken. Door Zijn geloof is deze miskende en verworpen gerechtigheid weder openbaar gerrraakt tot heil, tot bescherming en tot redding van allen, die daar gelooven" (Amst. Zondagsblad, 8e jaargang, 1895, biz. 77). „Zoo is het dus door het geloof van Jezus Christus, waar Hij Zijn Bloed ter aarde heeft laten uitgieten, dat God weder in Zijn recht hersteld en wij rechtvaardig geworden zijn, rechtvaardig geworden zijn in Zijn Bloed" (20 Predigten, 1846, S. Q7). Het is het geloof van Jezus Christus, dat eene volkomene genoegdoening teweeggebracht heeft, en de Heilige Geest werkt door Zijn Woord het aannemen en toeeigenen (Ergreifen) van de gerechtigheid van Christus. Slechts zoo is een mensch het welgevallen Gods deelachtig. Tot zoover Stiasny over Kohlbrugge's leer aan
Tot zoover Stiasny over Kohlbrugge's leer aangaande het geloof van Christus. Daaruit blijkt toch wel overtuigend, dat Kohlbrugge inderdaad van den Heere Christus verkondigde, dat Hij in vleesche, midden in de aanvechting door dat vleesch, door zonde en wereld. Satan en hel, alleen door geloovend vasthouden aan God en Zijn Woord, Zichzelven en met Zichzelven ook ons er dóór-geworsteld heeft tot aan het hart des Vaders. — Het doet mij alleen leed, dat de plaatsen, waar Kohibrugge deze gedachten nader ontwikkelt niet duidelijker en precieser konden worden aangegeven. Stiasny citeert meestentijds de Duitsche texten, en dan nog zeer summier; zoodat naslaan heel moeilijk is. En de Hollandsche uitgaven staan maar voor een heel klein gedeelte mij ter beschikking^). Nu komt echter de tweede vraag aan de orde :
Nu komt echter de tweede vraag aan de orde : Is deze nadrukkelijke leer van Kohlbrugge wel Schriftleer ? De briefschrijver meent van niet. Hij nOemt verschillende punten, die één voor één zouden kunnen besproken worden. Doch ik meen, dat het hart van zijn vraag is uitgedrukt, door hemzelf, in de ééne zin : „evenmin als Adam door het geloof leefde vóór den val, evenmin heeft de Tweede Adam door het geloof geleefd". Dit is negatief gesteld. Maar positief drukt de briefschrijver het aldus uit: „Adam moest (vóór den val) werken, dus niet gelooven (gelooven in den zin van het Evangelie dus! en daarover gaat het allereerst). En de Tweede Adam heeft ook gewerkt het werk, dat Adam had moeten doen ; daar was dus ook geen sprake van gelooven". Ja, daar gaat het om : om werk of geloof, bij den eersten Adam en bij den Tweeden Adam. Maar nu vraag ik: Is dat waar, dat Adam, vóór den val, leefde door „werk" en niet door „geloof" ? En dat dit ook zijn roeping van Godswege was ?
Neen I dat is niet waar. O zeker, Adam had een roeping te vervullen op aarde: vruchtbaar zijn en zich vermenigvuldigen, de aarde bebouwen ; de aarde met al wat er op leeft, regeeren; de aarde bestudeeren en den schepselen namen geven.
Altemaal dingen, die ook ons, die uit het geloof leven moeten, zijn en blijven toevertrouwd. Maar als het gaat om de rechte verhouding tot God, dan had Adam, de mensch, maar één roeping : God te gelooven, te vertrouwen ; bij Gods Woord, begrepen of onbegrepen, te blijven en alle woord, dat daar tegen inging, te verwerpen ; God naar de oogen te zien, het oor aan Zijn mond te luisteren te leggen; zelf niets te weten, te willen of te kunnen, maar elk oogenblik alles uit Zijne volheid te verwachten en te ontvangen ; zich te laten leiden door Gods Woord en door Gods Geest. In één woord, Adams roeping was : te gelóóven. En dat was niet alleen zijn roeping, maar zijn wezen. Want het geschapen-zijn-in-Oodsbeeld-en-naar-Zijn-gelijkenis maakte den mensch niet tot een zelfstandig wezen naast God, maar bestond juist daarin, dat de mensch alleen in de voortdurende afhankelijkheid des geloofs tegenover zijn Schepper en Vader waarlijk léven kon. Zoo alleen heeft hij kennisse Gods, gerechtigheid en heiligheid. Het proefgebod stelt dit geloof op de proef. Adams éérste zonde, Adams val is, dat hij Gods Woord losliet, Gods Woord wantrouwde, en dien ander, dien hij niet eens kende, meer geloofde dan God. De eerste zonde, de grootste zonde, de moeder-zonde, de zonde bij uitnemendheid, is het ongeloof. Ongeloof is dé zonde. Waar nu door éénen mensch de zonde in de
Waar nu door éénen mensch de zonde in de wereld is ingekomen, en door de zonde de dood, in welken (of: op grond van welken) dood allen gezondigd hebben, daar zendt God dien anderen éénen Mensch, den Tweeden Adam, om te herstellen wat door den eersten Adam verdorven is. En het eerste, het eigenlijke, het wezenlijke werk, dat deze Tweede Adam te volbrengen heeft, is daarom : te gelóóven. God op Zijn Woord te gelooven. God aan Zijn Woord te houden en het met en op dat Woord te wagen tegen alle machten der hel.
Heeft de eerste Adam den Satan niet wederstaan, maar geloofd, — de Tweede Adam heeft den Satan overmocht, door Zich te houden aan het geschreven Woord Gods. Maar de tegenstelling is nog geweldiger. Want Adam heeft in den staat der rechtheid in ongeloof Gods Woord losgelaten. Maar de Tweede Adam heeft „in vleesche" Gods Woord in geloof vastgehouden. Uit een Paradijs van volle Gods-gemeenschap is
Uit een Paradijs van volle Gods-gemeenschap is Adam door wantrouwen jegens God, door ongeloof, uitgevallen. In een woestijn van „in vleesche zijn", van „van-God-af-zijn" heeft Jezus door geloof ons tot God weder-gebracht. Zoo was het niet slechts bij de verzoeking in de woestijn, maar in heel het leven en sterven onzes Heeren. Niet in goddelijke almacht en alwetendheid heeft de Zoon den strijd volstreden, maar alleen door Zich door Geest en Woord te laten leiden, heeft Hij Zich den duivel en de zonde van het lijf en van de ziel kunnen houden. Ja, de Godheid en de menschheid van Christus mogen nimmer in onze overwegingen gescheiden worden, zelfs tot
Niet door eigen goddelijke beslissing ging Hij naar de woestijn om verzocht te worden van den duivel. De Geest Gods, in Hem neergedaald bij den Doop, dreef Hem uit naar die verzoeking. Niet door eigen goddelijke autoriteit wederstond Hij Satan, maar door te blijven — ook tegen Satans bijbelsche argumenten in — bij bet geschreven Woord. Niet door eigen goddelijke overmacht wierp Hij de duivelen uit, maar door den Geest Gods (Matth. 12 : 27 en 28). Niet door eigen goddelijke wondermacht deed Hij Zijn wonderen, genas Hij de kranken, vermenigvuldigde Hij de brooden, maar biddende, worstelende met den Vader, in geloove (Joh. 11 : 41 en 42). En daarmede stond Hij als de Tweede Adam in onze plaats. Daarom zegt Hij ook nimmer: dat kan Ik
Daarom zegt Hij ook nimmer: dat kan Ik alleen, als de Zoon Gods ; maar juist andersom : dat kondet ook gij, als gij maar geloofdet (Matth. 14 : 16, 28—31 ; Mare. 9 : 22—24 en Matth. 17 : 19—21 ; Matth. 21 : 18-22). Juist datgene, wat onze roeping was, wat wij ook zouden gekund hebben in geloove blijvend bij Gods Woord en Geest, dat komt Hij in onze plaats doen, als de ménsch in onze plaats, in geloof. — Daarom is Hij „verzocht als wij", ja zonder te zondigen, maar dan toch zóó wezenlijk verzocht, dat Hij alleen door „Zijn betrouwen op God te stellen" (Hebr. 2 : 13), dat is : door te gelooven, in de verzoeking kan staande blijven, zoodat Hij door Zijn ervaring in dezen strijd, „medelijden kan hebben met onze zwakheden", niet met onze lichamelijke zwakheden slechts, maar met onze zwakheden in die zonde-aanvechting. En zoo kan Hij „in hetgeen Hij Zelf verzocht zijnde geleden heeft, ons, die verzocht worden, te hulp komen" (Hebr. 2 : 17, 4 : 15). Welk een waarachtigen strijd, welk een zieleworsteling met God dit onzen Heere gekost heeft, daarvan getuigen niet slechts Gethsemaneh en Golgotha, maar ook de Hebr. brief in 5 : 7—10. Inderdaad, de Apostel zegt, dat Jezus „gehoorzaamheid geleerd heeft uit hetgeen Hij geleden heeft" en spreekt niet letterlijk van „geloof". Maar is deze leerschool der gehoorzaamheid dan iets anders, ook bij den Tweeden Adam, dan de goede strijd des geloofs ? Daarom noemt dezelfde Apostel Hem ook, in Hebr. 12 : 2, „den oversten Leidsman (Beginner) en Voleinder des geloofs". Want terwijl wij aldoor weer in het geloof schipbreuk lijden, en daarom Gode niet behagen kunnen, heeft Hij als onze Plaatsbekleeder het geloof voleindigd. Tot in de hel toe. Want als de hel Hem verslinden wil vanwege onze zonde en schuld, en Hij daar hangt, van God verlaten, één en al zonde, één en al vloek, grijpt Hij in Zijn nederdaling ter helle nochtans in geloof God aan in Zijn Woord (Ps. 22): „Mijn God, Mijn God". Zoo heeft Hij ons er-dóór-geloofd, dwars door de hel heen, en midden uit den toorn Gods, tot aan Gods hart, tot in het Paradijs.
Op deze wijze verstaan, blijkt de verzoeking en aanvechting, het gebed en de strijd, het bloedzweet en de tranen van onzen Heiland écht, waarachtig, goddelijk, menschelijk. Wie echter den strijd en de wonderen des Heeren verklaart uit Zijn Godheid, Zijn goddelijke almacht en alwetendheid, maakt van dien strijd en die worstelingen een schijn (Docelisme). En, ofschoon bedoelende den Heere Christus de hoogste eere te geven, doet hij aan „den arbeid Zijner ziel" en alzoo aan Zijn Middelaars-heerlijkheid te kort. De briefschrijver maakt onderscheid tusschen: „gelooven in den zin van het Evangelie", dus het gelooven in Christus, en in de vergeving der zonden door Zijn Bloed, en gelooven in den zin van : God voor waarachtig houden, en op Hem vertrouwen zonder zien. Inderdaad is er verschil tusschen het geloof van den nog niet gevallen mensch, en het geloof van den gevallen mensch, dat hem om Christus' wil de zonden vergeven zijn.
Maar in beide situaties, vóór en na den val, is het geloof toch in wezen het vertrouwen op en het blijven bij God en Zijn Woord tot ons, wat dat Woord dan ook inhoudt; of: uit alle schepselen heb Ik u uit vrije barmhartigheid gekozen tot Mijn bijzonder eigendom, tot Mijne kinderen ; of: niettegenstaande uw goddeloos ongeloof vergeef Ik u uw zonde en neem u aan tot Mijn kinderen en erfgenamen. Het eene zoowel als het andere is Evangelie, het eene èn het andere is geloof. En wat Christus betreft: zullen wij dan nog wel willen erkennen, dat Hij in onze plaats op God en Zijn Woord betrouwd heeft; maar niet meer, dat Hij in onze plaats het zaligmakend Evangelie van de vergeving der zonden'door Zijn Bloed geloofd heeft ?
Maar als Jezus dan in het gericht ter dood en verdoemenis veroordeeld wordt, en aan het kruis in dood en hel verzinkt, wie gelooft dan in de verlossende waardij van dit offer, dan Hij alleen ? Hij alleen is tot in dood en hel toe blijven gelooven, dat deze weg de eenige weg des behouds was. Hij alleen is blijven gelooven in het Lam Gods, dat Hij Zelf is, omdat Hij in geloove, tegen al het zichtbare en tastbare in, bleef bij Gods Evangelie aangaande dat Lam.
Daarom, bij al mijn twijfelen, bij alle aanvechting van mijn zwak geloof, waarbij ik met alle ongeloovige Apostelen op éénen hoop geworpen ben, is er maar één zekere hoop : Hij heeft in mijn plaats het geloof voleind, niet alleen het geloof in den almachtigen God, maar ook het geloof in den genadigen Vader in Christus. Hij heeft het volbracht.
Lunteren. Dr G. OORTHUYS.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 september 1948
Kerkblaadje | 8 Pagina's