Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Anna, de profetes.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Anna, de profetes.

22 minuten leestijd

„En daar was Anna, een profetes, een dochter van Phanuël, uit de stam Aser; deze was tot grote ouderdom gekomen, welke met haar man zeven jaar geleefd had van haar maagdom af; en zij was een weduwe van omtrent vier en tachtig jaar, dewelke niet week uit de Tempel, met vasten en bidden, God dienende nacht en dag. En deze, te dierzelve ure daarbij komende, heeft insgelijks den Heere tieledeii, en sprak van Hem lotallen, die de verlossing in Jerusalem verwachtten".


Als bijschrift zouden wij bij het beeld, dat de Evangelist ons van Anna gegeven heeft, gevoegelijk kunnen plaatsen : „Na lijden verblijden", of: „Door kruis tot kroon". Dit zal ons duidelijk worden, wanneer wij eerst kennis maken met haar persoon en daarna letten op haar doen.

I Onze text leidt ons binnen in Jerusalems Tempel. Daar ontmoeten wij een oude vrouw, die onze belangstelling heeft. Anna is haar naam, of eigenlijk Hanna, want zij heeft dezelfde naam gedragen als de moeder van Samuel. Een liefelijke naam, evenals de naam „Simeon", want hij betekent „genade". En gelijk bij Simeon zien wij bij Hanna in de naam a.h.w. het kort begrip van haar levensgeschiedenis, die hierop neerkomt, dat zij haar leven lang van genade geleefd heeft.

Ook haar afkomst wordt vermeld : zij was een dochter van Phanuël, uit de stam Aser. Wat voor belang kan dat ons inboezemen ?, denkt misschien deze of gene. Of zij nu de dochter van Phanuël was of van een ander — of zij uit de stam Aser was of uit een andere stam, dat zal wel om het even zijn ! Zo heeft echter de Heilige Geest niet gedacht — en 't is ook niet om het even, want in deze mededeling ligt ook al weer iets opgesloten, dat ons leren en troosten kan. Ook de naam „Phanuël" heeft een bepaalde betekenis. Deze naam betekent „Aangezicht Gods" en herinnert ons aanstonds aan Pniël, de naam — van gelijke betekenis —, die Jakob gaf aan de plaats, waar een Man met hem geworsteld had, zeggende: „Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest".

De naam Phanuël wijst dan waarschijnlijk ook wel op een bijzondere ervaring van de moeder vóór en bij de geboorte van haar zoon, van wondere uitredding Gods — met vreugde door de ouders erkend, zodat de vader van Phanuël voorzeker een godvrezend man geweest is. En deze godsvrucht heeft de Heere genadig beloond in die zin, dat ook zijn kleindochter den Heere gevreesd heeft — waaruit wij dus zien, hoe de Heere handelt naar Zijn belofte, hoe Zijn „goedertierenheid van eeuwigheid en tot eeuwigheid is over degenen, die Hem vrezen, en Zijn gerechligheid aan kindskinderen ; aan degenen, die Zijn verbond houden, en die aan Zijn bevelen denken om die te doen" (Ps. 103 : 17, 18).

En dat zij uit de stam Aser was, wordt ook niet zonder reden vermeld. Aser was een zoon van Zilpa, Lea's dienstmaagd. De stam Aser wordt in Deut. 33, de zegen van Mozes, in de laatste plaats genoemd — en zie, nu is een nakomelinge van dienzelfden Aser, een loot van die achteraankomende stam, één der eersten, die aanschouwt „het heil, dat d' aard in 't rond verheugt" ! Ook hierin zien wij de genadehand des Heeren, Die vele laatsten de eersten doet zijn.

Van deze Anna nu wordt gezegd, da; zij een profetes was. Dat is nu niet juist iemand, die de toekomst voorspelt, zoals men gewoonlijk allereerst denkt. Een profefes is — evenals een profeet — iemand, die de verborgenheden Gods uitspreekt, inzonderheid de verborgenheden van Zijn genade, iemand, die de stem van den almachtigen God hoort. Zijn redenen verstaat, Zijn voetstappen overal opmerkt en daarom ook de tekenen der tijden onderscheidt — en dit alles niet voor zichzelf houdt, maar aan 's Heeren volk bekend maakt. En dat is niet een aangeboren gave, maar alleen een vrucht van de genadewerking Oods. De Heere had van Anna een profetes gemaakt, zoals vroeger van Debora en Hulda.

Hij ontdekte haar ogen, zodat zij aanschouwde de wonderen van Zijn Wet en ook Zijn Hand in de gang der gebeurtenissen opmerkte, de Hand des Heeren, die langs allerlei, vaak allerwonderlijkste wegen. Zijn Raad ten aanzien van verloren mensen uitvoert. Het is wel heerlijk, zo'n profeet, zo'n profetes te zijn, vindt ge niet ?

Maar nu moeten wij ons deze Anna niet voorstellen als een vrouw, die haar huishoudelijke plichten verzuimt om zogenaamd het Evangelie ie gaan prediken — die haar huishouding verwaarloost om anderen te gaan leren. Neen, volstrekt niet! Een godvrezende vrouw, ook een profetes, doet allereerst de plicht, die God haar op de schouders gelegd heeft. Evengoed als een godvrezend man. Die laat niet zijn winkel, zijn stal, zijn kantoor, zijn fabriek, zijn schip in de steek om, als het tijd van werken is, zogenaamd over de w larheid te gaan spreken — maar volbrengt zijn dagelijkse arbeid. Zo heeft ook Anna gedaan Zij heeft gewerkt, als de Heere haar te werken, en gesproken, als de Heere haar te spreken gaf. En wanneer gij nu ook zo'n profeet of profetes wenst te zijn en van harte begeert, van 's Heeren genade te gewagen, hoor dan eens wat de Heere belooft in het nieuwe verbond, het verbond der genade: „.... zij zullen niet meer, een iegelijk zijn naaste en een iegelijk zijn broeder, leren, zeggende : Ken den Heere! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de Heere ; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonden niet meer gedenken" (Jer. 31 : 34).

Wees er dus maar op uit, dat gij vergeving van uw ongerechtigheid hebt; dan zult ook gij den Heere in waarheid kennen en Zijn Naam vermelden.

Deze Anna nu was een vrouw, die in haar leven veel ondervonden had. De Evangelist licht ons vrij uitvoerig in over haar omstandigheden. Zij „was tot grote ouderdom gekomen", had dus een hoge leeftijd bereikt; de grijsheid was haar deel, de sierlijke kroon, die volgens Salomo op de weg der gerechtigheid gevonden wordt. Die weg der gerechtigheid bewandelde Anna ook, zoals Lukas aanstonds gaat melden. Het was intussen geen gemakkelijke weg voor

Het was intussen geen gemakkelijke weg voor haar: „welke met haar man zeven jaar geleefd had van haar maagdom af; en zij was een weduwe van omtrent vier en tachtig jaar", zo lezen wij. Zij was dus, toen zij de huwbare leeftijd bereikt had, getrouwd en had met haar man zeven jaar geleefd. Zeven jaar had zij zich in haar echtgenoot mogen verheugen. Een heerlijke tijd had zij beleefd, een heerlijk verschiet had zich voor haar geopend, een 10 wereld vol idealen — maar zie, daar had op eenmaal de dood aan alles een einde gemaakt! De steun, die God haar geschonken had in dit leven, maar ook op de reis naar de eeuwigheid — want dat is inderdaad naar's Heeren bedoeling de betekenis van de band des huwelijks — die steun was haar door het bestel van den almachtigen God ontvallen. Daar stond zij alleen op de wereld — geheel alleen ; want uit hetgeen Lukas vermeldt mogen wij wel opmaken, dat zij ook geen kind heeft gehad ; en dat maakte de ellende nog des te groter, immers een kinderloze vrouw was in Israël niet geacht. En zo heeft zij haar verdere leven in eenzaamheid moeten slijten : er schijnt ook geen zwager te zijn geweest, die

er schijnt ook geen zwager te zijn geweest, die haar tot vrouw kon nemen om zijn gestorven broeder zaad te verwekken. En als wij i u in aanmerking nemen, dat een Joods meisje veel vroeger huwbaar was dan de meisjes bij ons, dan kunnen wij wel aannemen, dat Anna minstens zestig jaar weduwe is geweest. Een ontzaglijke •iid ! God had met haar wel moeilijke en donkere wegen bewandeld In de bloei van het leven tot het weduwschap gebracht! Van het dierbaarste, wat zij op aarde bezat, beroofd ! En nu ongemerkt oud geworden — en wanneer men oud wordt, dan gevoelt men zich langzamerhand zo eenraam,

omdat allen, met wie men opgegroeid is, de één vóór en de ander na, de weg gaan van alle vlees. Het was wel droevig voor Anna. En zij was nog wel een profetes. Naar mensenoordeel had de Heere met haar wel hard gehandeld. Ja zeker, en toch: „de Heer' is recht in al Zijn weg en werk. Zijn goedheid kent in 't gans heelal geen perk". Hij kastijdt immers juist lederen zoon, dien Hij aanneemt, en zo ook iedere dochter, aan wie Hij genade bewijst. Want het is genade, wanneer de Heere ons tuchtigt, zoals het dan ook heet in de 94ste Psalm : „Welgelukzalig is de man, o Heere ! dien Gij tuchtigt en dien Gij leert uit Uw wet, om hem rust te geven van de kwade dagen, terwijl de kuil voor den goddeloze gegraven wordt" (vs 12, 13). Juist in die moeilijke, donkere weg is Anna een profetes geworden,

die met David bekennen moest: „Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw Woord". De Heere heeft op deze voor het vlees zo smartelijke wijze Anna onderricht en opgevoed voor Zijn hemels Koninkrijk. Zo heeft zij het eerst recht geleerd, dat de wereld voorbijgaat met al haar begeerlijkheid en dat alleen hij in der eeuwigheid blijft, die de wil Gods doet. Zo heeft zij het geleerd, haar vertrouwen van alle schepselen af te trekken en op den Heere alleen te stellen. De kastijding heeft bij haar, gelijk bij alle kinderen, die de Heere in Zijn genade tot de heerlijkheid leidt, een vreedzame vrucht der gerechtigheid gedragen. Dat zien wij uit hetgeen Lukas verder schrijft: „dewelke niet week uit de Tempel, met vasten en bidden. God dienende nacht en dag".

Zij week niet uit de Tempel — dat wil natuurlijk niet zeggen, dat zij van de Nieuwjaarsmorgen tot de Oudejaarsavond in de Tempel vertoefde, van de vroege morgen tot de late avond, jaar in jaar uit. Dat gevoelt ieder wel aanstonds. Neen, hiermee wordt aangeduid, dat zij nimmer de gelegenheid verzuimde om de Tempel te bezoeken. Als de tempeldeuren ontsloten werden, bezocht Anna het Heiligdom — en dat geschiedde niet één- of tweemaal per week, maar dagelijks.

De Tempel was naar de aard van de bedeling der schaduwen de plaats, waar God wilde aangeroepen zijn, omdat Hij daar woonde tussen de Cherubim boven het verzoendeksel, dat de ark bedekte, als op een genadetroon, gevestigd in het bloed des lams, dat binnen het voorhangsel gedragen werd — verkondigend in een beeld, dat God in Christus wil aangeroepen zijn en om Christus' wil het gebed hoort. Daarom leefde in Anna's ziel hetzelfde, wat leefde in het gemoed van den Psalmist: „één dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders" (Ps. 84 : 11). En iedere dag kon voor haar de laatste zijn. Daarom week zij niet uit de Tempel,„metvastenen bidden".

Dat moeten wij ons natuurlijk niet indenken op de wijze der monniken. Wij moeten ons Anna niet voorstellen als een devote Roomse, die haar bepaald aantal Paternosters, Ave Maria's en Credo's opdreunt, en om zich vooral niet in het aantal te vergissen, de rozenkrans afschuift. Werktuigelijke arbeid, waarbij de gedachten ik-weet-niet-waarheen dwalen. Ook niet als zeker kerkbezoeker, van wien het verhaal zegt, dat hij minuten lang met de hoed vóór het gelaat stond en intussen opnam, wie er binnenkwamen en wat zij wel deden. Dat is niets anders dan een bespotting van het gebed en een gruwel in de ogen van den heiligen God. Het gebed is immers de ademtocht der ziel, het roepen des harten tot den levenden God.

Evenmin moeten wij denken, dat Anna in de Tempel met veel vertoon ging bidden en straks het gebed geheel vergat. Neen, er staat ook duidelijk, dat zij met bidden en vasten God diende, nacht en dag. Opmerkelijk, dat de nacht hier voorafgaat! Anna heeft zeker veel slapeloze nachten doorgebracht, nachten, waarin zij geen slaap in de ogen kreeg. En dan stortte zij in de stilte op haar legerstede haar hart uit voor haar God — en dat ging overdag zo voort, ook onder haar dagelijkse bezigheden, waarbij zij zeker ook wel haar ouderdom gevoeld heeft. Zo diende zij God nacht en dag. Dat wil niet zeggen, dat zij haar hersenen geweld aandeed om iets uit te denken, wat zij nu eens voor den Heere kon doen,

telkens iets nieuws — dat geschiedt alleen in boekjes, maar niet in het leven van mensen, die door Gods Geest bestuurd worden. Neen, als de Heere een mens geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht, dan werpt Hij hem de werken vlak vóór de voeten — en dat zijn veelal werken, waar een mens niet aan wil, omdat er voor het uiterlijk geen eer mee te behalen is, omdat men er niet iets door wordt voor God. Neen, Anna was er op uit, de wil Gods te dopn, in gerechtigheid te wandelen voor God en de mensen — en dat bracht haar tot gedurig gebed, menigmaal met vasten gepaard Ook dat vasten moeten wij ons niet voorstellen als een monnikenwerk, een zich onthouden van spijs, om hierdoor aangenaam te worden in Gods ogen, zó dal de mensen het wel konden zien aan de gedaante van het lichaam. Neen, volstrekt niet! Maar terwijl haar ziel bezig was mei God, dacht zij niet aan de behoeften van het lichaam.

Uit dit alles leren wij Anna's karakter door en door kennen. Zij staat daar vóór ons als een vrouw, die veel zielenood had te doorworstelen — anders is er geen bidden en vasten ; geen dienen van God, nacht en dag. Wanneer er geen ledig gevoeld wordt in de ziel, dan leeft een mens maar voort, — ook al is hij uiterlijk zeer godsdienstig, zelfs trouw in het waarnemen van zijn zogenaamde godsdienstige plichten —, zonder te vragen naar God en naar Zijn heilig gebod.

Anna moet dus wel een zondares geweest zijn, die haar eigen verlorenheid kende, die bij alle mogelijke geestelijke afgoden heul noch hulp kon vinden, en daarom in God alleen al haar heil en haar eer zag. Vandaar, dat zij Hem aanhing met alle krachten en zonder Hem niet kon leven ; vandaar, dat zij voor Zijn Woord beefde, naar Zijn wil en welbehagen alleen vroeg; vandaar het bidden en vasten om gerechtigheid en leven, — het gebed, dat de Heere haar toch Zijn heil mocht openbaren, dat Zijn goede Geest haar toch geleiden zou in een effen land. Ook zij verwachtte de Vertroosting Israels.

II Ja, zij verwachtte, evenals Simeon, de Vertroosting Israels. En zie, ook haar verwachting is niet beschaamd. Dit zal ons duidelijk worden, wanneer wij, na eerst kennis gemaakt te hebben met haar persoon, nu vervolgens letten op haar doen : „Deze, te dierzelve ure daarbij komende, heeft insgelijks den Heere beleden, en sprak van Hem tot allen, die de verlossing in Jerusalem verwachtten".

Anna komt dus ook in de Tempel — bij de groep, die wij daar aantreffen. Hier staat niet als bij Simeon, dat zij door den Geest in de Tempel kwam. Neen, het gaat hier wat eenvoudiger toe. Als naar gewoonte begeeft Anna zich op zekere dag naar de Tempel om weer eens even te vertoeven in 's Heeren voorhoven, in de voorhoven van dat Huis, waar het dagelijks offer gebracht werd voor de zonden des volks, ook voor haar zonden — om 's Heeren aangezicht ook daar te zoeken met gebed en smeking. En terwijl zij daar komt, ziet zij daar een jongen man en een jeugdige vrouw staan, en nog een anderen man erbij. En haar oor wordt getroffen door wonderbare klanken : „Nu laat Gij, Heere ! Uw dienstknecht gaan in vrede, naar Uw Woord !" Haar aandacht wordt getrokken door de nadruk, 11 waarmee hij dat „Nu" uitspreekt. Dat is zeker iels buitengewoons . . . „gaan in vrede", dat wil Anna ook graag! . . . „naar Uw Woord", dat is wel iets heel bijzonders! Daar moet zij heen.

„Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien" — o, dat moet Anna ook zien, want daarom gaat het haar ook. Zij loopt er heen, zo snel haar oude benen het toelaten. „Een licht tot verlichting der Heidenen en tot heerlijkheid van Uw volk Israël" — daar ziet zij een Kindeke in de armen van Simeon — en o, het wordt haar zo wonderlijk temoede; het oog wordt ook Anna ontdekt, de Geest slaat de snaren van haar ziel aan, ook haar lippen gaan zich ontsluiten. . ..

Zij „heeft insgelijks den Heere beleden". Dat is in het Grieks heel eigenaardig uitgedrukt: op haar beurt, als antwoord, als reactie op de woorden van Simeon. Zij hoort zijn lofzang, zij aanschouwt het Kind — en dit alles vindt weerklank in haar ziel. Wellicht met een bevende stem begint ook zij een loflied aan te heffen, dat met Simeons loflied ineensmelt.

Zij „heeft insgelijks den Heere beleden". Zij zong als in beurtzang met Simeon van 's Heeren liefde en trouw. Zij sprak het uit, uit de volheid van 't gemoed, dat de Heere toch een wonderbaar God is, dat Hij trouwe houdt in eeuwigheid en niet laat varen de werken Zijner handen. Zij sprak het uit in blijde verrassing, dat de Heere genadig is, dat Hij Zijn afgedwaald volk niet in rechtmatige toorn verteerd, maar hel nochtans met Zijn heil bezocht heeft. Zij beleed het in diepe verbrijzeling, dat de Heere gedachtig geweest is aan Zijn verbond met de vaderen, aan Zi]n heilig Woord, en loofde Zijn Naam, dat Hij Zijn Knecht gezonden heeft om niet alleen op te richten de stammen van Jakob en weder te brengen de bewaarden in Israël, maar ook te zijn een Licht der Heidenen, om Zijn Heil te zijn tot aan het einde der aarde (Jes. 4Q : 6).

Welk een heerlijke dag is dat wel voor Anna geweest! Ja, een dag, die getuigt van 's Heeren genade en ontferming, waarop Anna zeker wel gezongen heeft: „Dit is de dag, die de Heere gemaakt heeft; laat ons op dezelve ons verheugen en verblijd zijn" (Ps. 118:24). Een dag, die ons duidelijker dan ooit de zegen laat zien, die verbonden is aan de opgang naar 's Heeren Huis.

Alle mensenwijsheid wordt hier te schande gemaakt. Anna heeft er niet over geredeneerd, hoeveel malen men — om het maar aanstonds in onze taal over te brengen — naar de kerk moet gaan, eenmaal of tweemaal op een Zondag. Zij heeft niet gedacht: „Éénmaal is genoeg; dan heb ik mijn plicht gedaan". Volstrekt niet. Zij heeft zich tempelwaarts begeven, zo vaak de gelegenheid hiertoe bestond. Zó is het ook alleen goed. O, dat allen er heden zo over dachten ' Dan zouden niet zovelen, die gelegenheid genoeg hebben, 's namiddags thuis blijven om te slapen of ik weet niet wat te doen. Ook de Catechismusprediking is prediking van Gods Woord. En zij 12 is o zo nodig. Als deze geregeld bijgewoond wordt, zal de onkunde aangaande de waarheid Gods sterk afnemen. En God laat Zijn Woord niet tevergeefs brengen. Hij doet het voor ons eigen bestwil Wie enige gelegenheid om het Woord te horen laat voorbijgaan, onthoudt zichzelf wat God in Zijn genade geeft. Hij weet ook nu nog in Zijn Huis menige verrassing, menige verkwikking te bereiden, juist dan als men het niet verwacht Hij opent ons door Zijn Woord de blik op Zijn Christus — en als wij Dien in het oog krijgen, dan mengt zich vol vreugde ook onze stem in het koor der Gemeente, die Hem als haar Heiland en Heere belijdt

Zo heeft Anna den Heere beleden op die allergedenkwaardigste dag, dat het Kindeke Jezus door Maria en Jozef in de Tempel gebracht werd. Maar hierbij is het niet gebleven. Wij lezen verder, dat zij „van Hem sprak tot allen, die de verlossing in Jerusalem verwachtten". Zij heeft dus niet voor zich gehouden wat de Heere haar had doen genieten, maar dit ook aan anderen bekend gemaakt.

Er waren dus mensen in Jerusalem, die de verlossing verwachtten, d. w. z. de verlossing, die de Heere door de mond van Zijn heilige Profeten aan Zijn volk beloofd had. in vergelijking met het aantal inwoners der stad zijn het er beslist weinigen geweest, en nochtans waren het er verscheidenen — zoals het altijd met de Gemeente des Heeren is: een klein kuddeke, en nochtans een schare, die niemand tellen kan ! O, er zijn er wel velen geweest, die van verlossing spraken en van verlossing droomden, maar dat was slechts een verlossing van het juk der gehate Romeinen,

want hieraan werd altijd het eerst gedacht, ook als er van den Messias gesproken werd. Er waren maar bitter weinigen, — zoals het trouwens te allen tijde geweest is —, die naar een andere verlossing uitzagen, te weten naarde verlossing, waarvan Zacharias in zijn lofzang zong: „een verlossing van onze vijanden en van de hand aldergenen, die ons halen ; opdat Hij barmhartigheid deed aan onze vaderen, en gedachtig ware aan Zijn heilig verbond, en aan de eed, die Hij Abraham onzen vader gezworen heeft, om ons te geven, dat wij, verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, Hem dienen zouden zonder vreze, in heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen onzes levens" (Luk. 1 : 71—75).

Tot allen echter, die deze verlossing verwachtten, met vurig verlangen hiernaar uitzagen, sprak Anna van den Heere. Het zij nog eens herhaald, wat wij zoeven reeds opmerkten naar aanleiding van de benaming „profeles": wij moeten niet denken, dat Anna haar werk liet staan, als zij werk te doen had, om dan zogenaamd overhel Woord te gaan spreken. Neen, doch waar zij maar een broeder of zuster aantrof, die de verlossing Jerusalems verwachtte en diep in de nood zat, alsof het nog nacht was, terwijl de morgen toch al lang was aangebroken, daar sprak zij van de grote daden des Heeren, die Hij in Christus gewrocht had ; daar sprak zij van den Koning, Die zitten zou op de Troon van David, om 's Heeren volk te regeren met gerechtigheid en Zijn ellendigen met recht; daar sprak zij van de Vertroosting Israels, Die nu verschenen was — om aldus de arme broeders en zusters moed in te spreken. Zij deed, zoals een rijmpje zegt: Stelt Hij mijn arme ziel tevreên, dat houd ik niet voor mij alleen. „Ik geloof de gemeenschap der heiligen".

Gemeente I wij hebben nu het beeld van Anna, zoals het ons door Lukas getekend is, een moment in ogenschouw genomen. Maar wat zal nu hiervan de vrucht zijn ? Hierop komt het immers aan.

Al wat tevoren geschreven is, dat is tot onze lering tevoren geschreven, ook deze korte geschiedenis van Anna. Dat is wel duidelijk. Waarom toch al die bijzonderheden, al die kleine trekjes, die er in de eerste verzen van onze text liggen ? Waarom met liever kort en bondig gezegd : „daar kwam ook een weduwe van vier en tachtig jaar bij, die heeft ook den Heere beleden en van Hem gesproken tot allen, die de verlossing in Jerusalem verwachtten"?

Na hetgeen wij bespraken, is het antwoord op deze vraag niet zo heel tnoeilijk te geven. Het is alles geschreven tot onze vertroosting, wanneer wij in waarheid bedroefd zijn naar God. Wat Anna ondervonden had, dat is ons in weinig

Wat Anna ondervonden had, dat is ons in weinig woorden, die echter veel zeggen, bewaard, opdat wij moed scheppen in donkere tijden. De Heere gaat immers ook met ons wel eens wegen, die zo bitter zwaar zijn, omdat zij tegen vlees en bloed ingaan. Hij ontneemt den Zijnen menigmaal wat hun lief is, wat zij niet kunnen missen, datgene, waar hun ziel aanhangt — ook heden nog spreekt menig rouwgewaad hiervan. Hij doet ons menigmaal wandelen in tegenspoed, zodat alles ons bij de handen afbreekt en wij van harte in

stemmen met Jakobs klacht: „Al deze dingen zijn tegen mij". Maar wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden! Door de nood heeft de Heere Anna onderwezen en haar gemaakt tot een vrouw, die Hem vreesde, tot een profetes, die de wonderen van Zijn genade uitsprak. Door allerlei wederwaardigheden voedt Hij ook ons op voor Zijn hemels Koninkrijk. In allerlei moeilijke wegen leert Hij ons wat wij

In allerlei moeilijke wegen leert Hij ons wat wij anders niet leren, n I. onze eigen wil verzaken en ons als arme, verloren zondaren op genade en ongenade aan Hem overgeven, opdat Hij met ons doe naar Zijn heilig welbehagen. Daartoe gebruikt Hij ook alle geestelijke duisternis, die Hij over ons brengt, opdat wij uit de diepte leren roepen tot Hem. En Hij moet wel zulke wegen met ons bewandelen om alle opstand tegen Hem en Zijn heilig recht in ons te breken, want daar zitten wij vol van. Laat dan niemand de moed verliezen, als de Heere hem veel, ja alles laat tegenlopen, zodat er droefheid is in zijn ,hait, terwijl anderen juichen en jubelen en hij o zo graag mee zou juichen, maar het niet kan. Evenals Anna maar aangehouden in gebed en smeking, dat de Heere Zich ontferme. „Wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, n.1. dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn" (Rom. 8 : 28). Hij voert in de duisternis om te brengen in Zijn heerlijk licht. Laten wij daarom door Zijn Hand ons maar laten leiden I Dan komen wij gewis door alle duisternis heen. De Heere heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden om Hem voor ons verborgen te houden, maar om Hem aan onze ziel te openbaren. Daarom zal Hij Zich ook zeker ontfermen over ieder, die tot Hem schreit, in wiens ziel het heet: „één dag in Uw voor

in wiens ziel het heet: „één dag in Uw voorhoven is mij beter dan duizend elders". Laten wij onder Zijn vleugelen maar schuilplaats zoeken ! Hij zal ons voorzeker den Koning doen zien in Zijn schoonheid, en dan zal ook onze tong Hem belijden : den Vader, Die in Zijn oneindige goedheid en trouw Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, — en den Zoon, Die Zichzelf niet heeft ontzien, maar Zichzelf vernietigde, van alle heerlijkheid ontledigde, komende in ons vlees. Onze

lijkheid ontledigde, komende in ons vlees. Onze tong zal Zijn Naam verkondigen, dat Hij in Zijn genade aan ons gedacht heeft — en wij zullen van Hem spreken, van Hem alleen, tol allen, die de verlossing Jerusalems verwachten. Zó zullen wij in waarheid elkander tot steun zijn op de weg door dit leven en in de ware ^emeenschap der heiligen elkander wijzen op dien God, Die onze enige Toevlucht is. Wij zullen het in nood en aanvechting elkander toeroepen : „Vertrouwt op den Heere tot in eeuwigheid, want in den Heere HEERE is een eeuwige rotssteen" (Jes.26 :4). „Geloofd zij de Heere in eeuwigheid ! Amen, ja Amen".

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 15 januari 1949

Kerkblaadje | 8 Pagina's

Anna, de profetes.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 15 januari 1949

Kerkblaadje | 8 Pagina's