Tussen Hemelvaart en Pinksteren.*
Text: Joh. 14 : 2, 3. In tiet huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins, zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt waar Ik ben.
Gemeente des Heeren !
Dat is één van de stoffen, waar onze gedachten als vanzelf naar uitgaan, wanneer de Hemelvaartsdag achter ons ligt, omdat het één van de Stoffen is, die ons iets voor ogen stellen van de heilrijke betekenis der Hemelvaart van Jezus Christus.
De Hemelvaart had voor de jongeren des Heeren bij het onuitsprekelijk verblijdende toch ook een schaduwzijde. Hij is „opgenomen in de hemel". Dat heeft hun hart verheugd, omdat zij op de heerlijkheid van hun Meester mochten zien. Doch er lag ook iets weemoedigs in. „Opgenomen in de hemel" heeft immers als keerzijde: weggenomen van de aarde. En dat betekende voor die jongeren : gescheiden van hun Meester. Het weemoedige daarvan horen wij naklinken in een bekend woord van Paulus, uit II Kor. 5, waar hij zegt, dat „inwonen in het lichaam" is „uitwonen van den Heer" - en niet minder voelen wij het weemoedige van de scheiding in de blijde betuiging uit I Thess. 4: „En alzo zullen wij altijd met den Heere wezen" (vs 17).
In dit laatste ligt de troost van de Gemeente: de scheiding heeft niet het laatste woord, maar loopt op hereniging uit.
Hiervan spreekt ook onze text voor vanmorgen. Op het „heengaan" volgt een „wederkomen", waarvan het einddoel is: opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben".
Een heerlijk vooruitzicht wordt dus in onze text geopend: het vooruitzicht van een woning in het huis van den Vader van onzen Heere Jezus Christus.
Overdenken wij: I wat voor woning dat is. Il waaraan zij te danken is, III wanneer 2ij betrokken wordt, IV wie haar mogen betrekken, en V welke betekenis dit heeft voor ons leven op aarde.
I
Wanneer in het dagelijks leven iemand tot ons komt met de mededeling : „ik weet een woning voor ui", dan is de eerste vraag, die wij onmiddellijk stellen, zelfs aan onzen besten vriend: wat is dat voor een woning, waar is zij gelegen en hoe ziet zij er uit ? Ook in een tijd van woningnood, zoals wij thans beleven, blijft deze vraag niet achterwege.
Geen wonder: onze woning is de plaats, waar wij, en vooral de huisvrouwen, een belangrijk deel van ons leven doorbrengen. Daarom is het van zoveel gewicht, waar zij staat en hoe zij ingericht is. Wij begeren niet in de eerste de beste woning in te trekken, die ons aangeboden wordt!
Hoeveel te meer zullen wij deze vraag stellen, als bet een woning geldt, waar wij eeuwig zullen vertoeven! En op zulk een woning heeft de Heere Jezus het oog.
Helaas, dat velen, ook in onze dagen, er niet eens aan denken, deze vraag te doen. Het laat hen volkomen koud, van wat voor woning hier sprake is, enkel reeds omdat het Jezus is. Die er van spreekt. Die Jezus Zelf laat hen koud. Zij leven liever voort op hun eigen manier en op hun eigen wegen. Krijgen zij er nogeens iets over te horen, dan laten zij het bij zich neerglijden. Zij leven voort, totdat de dood komt en zij onaangenaam verrast worden door de ontdekking, dat er geen woning voor hen te vinden is, geen aangenaam tehuis, maar eeuwige el'ende.
Wie echter iets heeft leren kennen van de liefde van Christus, die spitst de oren, wanneer//y van een „woning" spreekt. Wat een heerlijke woning moet dat wel zijn !
Zo is het ook. De Heere Jezus heeft het oog op een woning in het huis van Zijn Vader. Hij zegt immers: „In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen."
Het is dus een woning in het huis Gods.
Wij behoeven niet lang te vragen, wat hiermee bedoeld is. De Heere Jezus heeft vaak genoeg uitgesproken, dat Hij deze zichtbare wereld verla en zou, om Zijn plaats in de onzichtbare wereld in te nemen. Denk maar eens aan hetgeen Hij tot Zijn discipelen zei, die murmureerden over het feit, dat Hij Zichzelf noemde „het brood, dat uit de hemel is nedergedaald": „Ergert ulieden dit ? Wat zou het dan zijn, zo gij den Zoon des mensen zaagt opvaren, daar Hij tevoren was ?" (Joh. 6 : 62). Denk ook aan dat andere woord, tot Nicodemus gesproken : „En niemand is opj^evaren in de hemel dan die uit de hemel nedergedaald is, n.l. de Zoon des mensen, Die in de hemel fs" (Joh. 3 : 13). De gedachten van den Heere Jezus hebben bij de hemel vertoefd, terwijl Hij deze dingen sprak. Daar ligt de woning, waar Hij Zijn jongeren van spreekt. Met welk een liefelijke naam noemt Hij deze
Met welk een liefelijke naam noemt Hij deze woning : „het huis Mijns Vaders." Dat tekent die woning reeds als een omgeving, waar alles liefde ademt. Wij weten het wel uit onze aardse verhoudingen, ook al doet de zonde hier overal haar verwoestende invloed gelden. Vraag het m-^ar aan den jongen of aan het meisje, die door omstandigheden het ouderlijk huis moesten verlaten, om brood te verdienen of om zich voor de toekomstige plaats in de maatschappij te bekwamen. Vraag maar eens, wat hen steeds weer naar het ouderlijk huis doet verlangen en het o'iderlijk dak met blijdschap doet begroeten. Hoe goed zij het buitenshuis ook mogen hebben, toch li-'eft het ouderlijk huis iets, wat nergens elders te vinden is. Het is niet altijd precies onder woorden te brengen, en toch kan het in één woord worden uitgedrukt: de liefde, die van het vader- en vooral van het moederhart uitgaat. Welnu, zo is het ook in het huis van den Vader van onzen Heere Jezus Christus: daar heerst, wat nergens elders te vinden is, n.l. de liefde, die niet alleen den Zoon omvat, maar ook allen, diï de Zoon daar binnenbrengt. Een liefde, zó groot, dat de Vader Zijn Zoon overgegeven heeft tot heil van verloren zondaren. Het is dan ook de heerlijkste plaats, die zich
Het is dan ook de heerlijkste plaats, die zich o it denken laat. Alles is daar heerlijkheid. De heerlijkheid Gods woont er, waarvan wij hier op aarde nooit méér dan de uiterste naglans te zien krijgen. Een heerlijkheid, die de bewoners van dat huis zó bestraalt, dat zij op volmaakte 98 wijze deze heerlijkheid weerkaatsen. Daar is alles gerechtigheid, vrede, vreugde. Daar is het waarachtige leven, dat nimmer belemmerd en nog minder verstoord wordt. Daar is alles zaligheid. Van dat huis wordt dan ook in de Schrift nog in andere beelden gesproken, die allen de heerlijkheid ervan in het licht stellen. Laat mij u één enkel beeld in herinnering roepen. En dan denk ik aan het genade-woord, dat de Heere Jezus tof den boetvaardigen moordenaar sprak : „Voorwaar zeg Ik u : heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn". „Het Paradijs", dat herinnert ons aan de hof, waarin de Heere God den mens bij zijn schepping plaatste. Maar dat zegt ons tevens, dat volkomen hersteld is, wat door de zonde bedorven was: dat de volle gemeenschap Gods daar gesmaakt wordt, dat de volheid van Gods genadegaven daar den mens ten dienste staat. — Wie woning heeft in het huis van den Vader van onzen Heere Jezus Christus, die leeft in de volheid en uit de volheid Gods, zodat het van heerlijkheid tot heerlijkheid gaat.
II
Waaraan is die woning te danken ?
Deze vraag komt vanzelf in ons hart op, wanneer wij aan die heerlijkheid denken en daarbij niet vergeten, dat het mensen zijn, wien deze woning ten deel valt. Mensen- in zulk een heerlijkheid .... hoe is het mogelijk? — Het is zelfs, alsof de Heere Jezus deze vraag heeft willen ondervangen. Hoor, hoe Hij spreekt: „Anderszins, zo zou Ik het u gezegd hebben". Hij staat dus Zelf borg voor de waarheid, dat die heerlijke woning voor mensen bestemd is.
Waaraan is het dan te danken? Lees nogeens de aanhef van onze text: „In het
Lees nogeens de aanhef van onze text: „In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen". — Het is Zijn Vader Zelf, Die dat huis heeft gebouwd. Die er de Eigenaar van is en er over beschikt. Maar dan is het ook duidelijk, waar de grond ligt, waarop dat huis voor mensen opengesteld is, n.l. in de onuitsprekelijke liefde des Vaders, in Zijn vrijmachtig welbehagen. „In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen",
„In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen", zo spreekt de Heere Jezus, terwijl Hij straks laat volgen : „Ik ga heen, om u plaats te bereiden." De woningen zijn er dus, terwijl de plaats voor de personen die er zullen komen, nog bereid moet worden. Wijst dat niet heen naar de Raad Gods tot heil van zondaren ?
Doch er is nog meer. Wij hebben niet alleen aan God, maar ook aan den Heere Jezus te denken. Ook Hij is hier van grote betekenis. Dat is aangegeven in het reeds aangehaalde woord: „Ik ga heen, om u plaats te bereiden", waarop Hij aanstonds nog eens terugkomt, als Hij zegt: „En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn en u plaats zal bereid hebben .... " De woningen zijn er; de personen, die er zullen
De woningen zijn er; de personen, die er zullen wonen, staan vóór Hem. En toch moet hun daar nog plaats worden bereid ? Het klinkt wel wat raadselachtig, nietwaar ?
Het raadsel wordt echter opgelost, als wij bedenken, wie het zijn, tot wie de Heere Jezus spreekt, n.1. mensen, d. w. z. zondarep. — Hoe zouden zondaren zó in die heerlijkheid gezet kunnen worden ? Die heerlijkheid zou immers van schrik voor hen terugwijken ! En voor henzelf zou het een voortdurende kwelling zijn, in die heerlijkheid te moeten vertoeven : de geweldige tegenstelling zou door hen onafgebroken worden gevoeld, zodat zij het in die heerlijkheid niet zouden kunnen uithouden.
Daarom moet hun daar plaats worden bereid. En het is de Heere Jezus, Die heengaat om hun plaats te bereiden.
Het is wel duidelijk, waar de Heere Jezus op gedoeld heeft, toen Hij zo sprak. Hij stond immers aan de vooravond van Zijn lijden en sterven. Hij heeft gedacht aan Golgotha en Jozefs hof: aan het kruis en de dood, die Hij voor zondaren zou ondergaan. — Maar Zijn gedachten reikten nog verder. Hij zegt immers ook : „En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder." Hierbij heeft Hij niet alleen gedacht aan Zijn opstanding, maar ook aan Zijn hemelvaart, want later zegt Hij nog : „Ik ga heen tot Mijn Vader" (vs 12). Het eindpunt van Zijn heengaan was dus de hemel. Zo is dan Zijn „wederkomen" een wederkomen uit de hemel. Wij staan hier voor de samenhang van Christus' dood en opstanding en hemelvaart.
Zijn dood was nodig tol verzoening van onze zonden. „Zijn Midd'laarsdood bracht ons verzoening aan." Doch alleen in verband met Zijn opstanding. Want bleef Christus in de dood, dan was wel de straf der zonde gedragen, maar hiermee was nog niets bereikt: d?n lag immers de mens in de dood, — en wat heeft God nu aan een doden mens? De mens moest in het leven terug. Daarom moest op Christus' dood Zijn opstanding volgen. En de mens moest niet alleen in het aardse leven terug, maar hij moest ook terug tot God, zodat de scheiding volkomen opgeheven is. Daarom komt het werk van Christus niet tot rust, vóórdat Hij ten hemel gevaren is. Zijn hemelvaart heeft deze betekenis, dat Hij voor Gods aangezicht treedt, om Gode te leven, om in Zijn volle gemeenschap te staan.
Dat alles heeft Christus gedaan als de Mens-inonze-plaats. Zó heeft Hij in Zijn persoon den mens tot God teruggebracht. Hij heeft den mens gemaakt, zoals deze was ten dage der schepping, zoals God hem hebben wil. Zó heeft Hij dan voor mensen plaats bereid in het huis van Zijn Vader.
Het is dus aan Zijn Middelaarswerk te danken, dat er voor mensen woning is in de woonplaats der heerlijkheid Gods.
lil Wij komen tot de derde vraag. De plaats is bereid,
Wij komen tot de derde vraag. De plaats is bereid, zo zeker als Jezus Christus heengegaan is tot Zijn Vader. Maar wanneer wordt die woning door hen betrokken ?
Het antwoord ligt opgesloten in hetgeen de Heere Jezus z°gt: „En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij moogt zijn, waar Ik ben".
Dat wijsi ons op hetgeen wij gewoonlijk „de wederkomst van Christus" noemen. Want, zoals wij zoeven al gezegd hebben, bedoeld is hi?r een wederkomst uit de hemel. — Het is die komst van Christus, waarop reeds in het uur van de Hemelvaart de Engelen de verbaasde jongeren gewezen hebben, toen zij zeiden : „Gij Galilese mannen ! wat staat gij en ziet op nf-ar de hemel ? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij He T naar de hemel hebt zien heenvaren" (Hand. 1 : 11). Het is Zijn komst in heerlijkheid, waarvan de Heilige Schrift op zo menige bladzijde getuigt. Zijn komst ter ure, die niemand weet. Dan neemt Hij de Zijnen tot Zich. Dan zullen zij zijn, waar Hij is : in de hemel der heerlijkheid, viaar God Zich zo heerlijk openbaart. Natuurlijk rijst hier een vraag op bij ieder, die
Natuurlijk rijst hier een vraag op bij ieder, die een ogenblik nadenkt, n.1. deze vraag : moeten zij dan zó iang wachten tot zij den Heere zullen zien ? moeten zij dan zó lang van de zalighe'd verstoken blijven ? Is het dan niet waar, wat onze Catechismus zegt: „Dat .... mijn ziel ra dit leven van stonden aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden"? Moeten wij dan deze heerlijke troost prijsgeven en meegaan met hen, die van een zieleslaap spreken, welke duurt tot die grote dag?
Gelukkig niet, Gemeente ! Daarvoor is te duidelijk het woord, waarmee de Heere Jezus de belijdenis en de bede van den boetvaardigen moordenaar beantwoordde : „Voorwaar zeg Ik u, heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn". Die dat uitsprak, kan er geen ogenblik aan gedacht hebben, de zaligheid der ziel onmiddellijk na het passeren van de doodsrivier te loochenen.
Neei), het zijn de omstandigheden van het ogenblik, die den Heere Jezus deden spreken zoals Hij daar sprak. Hij gaai heen tot den Vader. Zijn jongeren zullen Hem niet meer zien. Ma-^r het is hun ten goede. De scheiding is de voo. - loopster van de hereniging. Zoals zij daar me( Hem staan, zo zullen zij ook eenmaal met Hem zijn in het huis van Zijn Vader. Op dat eindresultaat vestigt Hij het oog. En zo springt h j al wat aan dat eindresultaat voorafgaat op dat ogenblik over. Hiermee is echter alwat er. tussen ligt niet weg
Hiermee is echter alwat er. tussen ligt niet weggecijferd. Het is er stilzwijgend in begrepen. De wederkomst van Christus gaat immers gepaard met de opwekking der doden. Daarvan had Hij al tevoren met Zijn tegenstanders, in tegenwoordigheid van Zijn jongeren, aldus gesproken : „ .... de ure komt, in welke allen, die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen, en zullen uitgaan : die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens ; en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding der verdoemenis" (5 : 28, 29), Hoeveel vragen hier ook oprijzen, die wij niet kunnen beantwoorden, omdat de Schrift er geen antwoord op geeft, — deze twee dingen staan onomstotelijk vast: die van Christus zijn zullen naar de ziel in de zaligheid ingaan onmiddellijk na het sterven; in de grote dag Zi Hen door Zijn almacht hun lichamen worden opgewekt uit het stof des doods — en zo zal aan hun gehele mens vervuld worden waf de Heere Jezus in het vooruitzicht s'elde, toen Hij sprak : „Opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben".
IV
Wie mogen deze woning betrekken ?
Dat is geen overbodige vraag.
Er zijn wel „vele woningen" in het huis van den Vader van onzen Heere Jezus Christus. Hij Zelf staat er borg voor met Zijn woord : „Anderszins, zo zou Ik het u gezegd hebben". Er is plaats voor velen, ja voor een schare, die niemand tcUen kan
D )ch hiermee is nog niét gezegd, dat alle mensen daarin opgenomen worden. Zelfs niet allen, die de christennaam dragen. Dat leert de Heilige Schrift ons we! anders Laat ons- om een enkel sprekend voorbeeld te noemen — maar eens denken aan de gelijkenis van de wijze en de dwaze maagden. Toen zij uitgingen om den bruidegom on te wachten, kon niemand enig onderscheid tussen die tien bespeuren. Wij moeten ons immers niet voorstellen, dat zij in twee groepen verdeeld zich langs de weg neerzetten. Zij zaten daar door elkaar heen. Naar het uitwendige waren zij allen klaar om de feestzaal binnen te treden. En toch waren er in werkelijkheid slechts vijf gereed en gingen met den bruidegom mee naar binnen — de anderen bleven buiten en de deur werd ondanks haar kloppen niet meer geopend' De komst van den Heere Jezus in heerlijkheid gaat met oordeel gepaard. Hij maakt schifting. Als een herder, die de schapen van de bokken scheidt, maakt ook Hij scheiding tussen degenen die vóór Zijn aangezicht staan. Het baat niet, of een mens daar al tussen komt
Het baat niet, of een mens daar al tussen komt met zijn meningen, met zijn theorieën van een liefde Gods, die geen enkel mens aan het eeuwig verderf kan prijsgeven. Dat verandert niets aan de zaak. Niet allen vinden plaats in het huis v,.n den Vader van onzen Heere Jezus Christus. Vandaar de ernst van de vraag: wie mogen dfze woning betrekken ? Wee dengene, die er geen ernst mee maakt!
Slaan wij onze text weer op, dan zien wij, dat de Heere Jezus hier tot Zijn jongeren spreekt. Tot degenen, uit wier kring de betuiging gekomen was: „Heere! tot wien zouden wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens". Het waren dus mensen, die hun heil nergens anders dan bij Jezus konden vinden. Naar het eeuwig leven strekten zij zich uit, omdat zij zichzelf als kinderen des doods hadden leren kennen. Het waren zondaren, die zich aan den Heere Jezus vastklemden, omdat ze bij Hem alleen hun zonden konden kwijtraken.
Wat is dat heerlijk voor ieder, die vanwege zijn zonden zichzelf veroordelen moet! Want de zaak staat heden niet anders dan toen. Bij elkander behoren Jezus en een zondaar. Want God heeft in Zijn genade die twee bij elkander gevoegd. Jezus is nog heden de Zaligmaker van zondaren, door Gods onbeschrijfelijkt liefde aan zondaren geschonken. Daarom is dat heerlijke woord uit onze text ook bestemd voor alle zondaren, die met hun zonden tot Jezus Christus gevloden zijn. Zou het waar zijn, werkelijk waar, ook voor mij ?, zo vraagt menigmaal het hart van de oprechten. Want er komt zoveel tegen op. Voornamelijk het bewustzijn van zonde en schuld, die immers als een berg tussen ons en het huis des Vaders instaan ! — Een ander maal is het juist het ontbreken van het bewustzijn van zonde en schuld, dat ons in de weg staat. Het is helaas waar, dat er tijden zijn in ons leven, dat wij er volstrekt geen gevoel van hebben, dat wij ik weet niet wat zouden willen geven, als er werkelijk eens tranen van waarachtig berouw uit onze ogen vloeiden. En dan is het gevaar zo groot, dat wij alles 'aten liggen wat Gods Woord ons biedt, alles van ons afschuiven, zelfs den Heere Jezus niet aanraken, maar ons in doffe berusting geheel terug trekken, denkend dat wij het toch niet waardig zijn. Maar, Gemeente! afs wij dat doen, heeft de
Maar, Gemeente! afs wij dat doen, heeft de duivel zijn zin. Er is voor hem geen zekerder middel om zijn doel te bereiken, dan ons oog af te trekken van den Heere Jezus. Dan is er inderdaad voor ons geen plaats in het huis van Zijn Vader, hoeveel woningen er in dat Vaderhuis ook mogen zijn. — Maar dat is de bedoeling Gods niet. Daartoe heeft Hij waarlijk Zijn Zoon niet overgegeven in de dood des kruises. Integendeel, dat heeft Hij gedaan, opdat zondaren midden in hun verlorenheid, wanneer alles hen veroordeelt, zich aan Jezus vastklemmen Laat u dan door niets terughouden, maar houdt u vast aan Hem !
En hebt gij desondanks nog geen vat aan dit woord, zodat het, hoezeer het ook in uw hoofd zit, toch niet m uw hart leeft, — worstel met den Heere in gebed en smeking. Hij is machtig, het in uw hart te doen leven. En Hij zal het te Zijner tijd voorzeker ook doen, zodat gij het nochtans in blijde verrassing zult uitroepen: „Ook mij, ook mij, die heerlijkheid, oneindig God ! door U bereid".
V
En nu tenslotte nog één vraag: welke betekenis heeft dit voor ons leven op aarde ?
Hierop krijgen wij een blik, wanneer wij op het textverband letten. De Heere Jezus heeft dit woord onder bepaalde omstandigheden en dus ook met een bepaald doel gesproken. Het staat immers in nauw verband met hetgeen eraan voorafgaat: „Uw hart worde niet ontroerd ; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij". Zijn discipelen waren ontroerd, en Hij sprak zo, om hun ontroering te stuiten, om hen in hun ontroering te bemoedigen en te versterken.
Geen wonder, dat zij ontroerd waren. Al hadden zij er het rechte begrip nog niet van, toch wisten zij, toch leefde in hun hart het bewustzijn, dat vreselijke dingen aanstaande waren. Had hun Meester niet aangekondigd, dat één van hen Hem zou verraden ? Hoe zou het dan met Hem gaan en wat zou hun lot zijn? De verrader was reeds heengegaan om zijn snood voornemen te gaan uitvoeren. Een nog onbestemde angst maakte zich van hen meester. Zij waren ten diepste geschokt. Dd grond wankelde onder hun voeten ! Daarom sprak de Heere Jezus: „Gelooft in God ; gelooft ook in Mij !" — d. i. verlaat u op God, verlaat u ook op Mij. En dan voegt Hij er ter verklaring aan toe: „In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen ; anderszins, zo zou Ik het u gezegd hebben ; Ik ga heen om u plaats te bereiden. En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt waar Ik ben" (Joh. 14 : 2, 3). Zo is het ook nu nog een woord voor het ont
Zo is het ook nu nog een woord voor het ontroerd gemoed van de Zijnen. Er is reden genoeg om ontroerd te zijn. De weg
Er is reden genoeg om ontroerd te zijn. De weg van de gelovigen van den Heere Jezus gaat niet altijd op rozen. Wij beleven tijden van geweldige spanning. Ook wij krijgen ons deel van de algemene nood. Wij ondervinden het immers elke dag in mindere of meerdere mate; maar wij ondervinden het het sterkst, wanneer de gevaren opeens weer krachtig toenemen. — Buitendien is er nog het persoonlijk leven. Ook hierin komt zoveel voor, dat de snaren der ziel strak spant, meer dan eens tot springens toe, zodat het voor ons gevoel is, alsof alles onderstboven gaat. — Wat is het dan een machtige vertroosting, te vernemen, dat Jezus Christus ons plaats bereid heeft in het huis van Zijn Vader! Het roept ons immers toe, dat niets ons scheiden zal van Zijn liefde. Alles gaat voorbij, ook het allerzwaarste leed. Maar wat niet uitblijft is dit, dat de weg uitloopt op eeuwige vereniging met Hem, door dood en graf heen ! En hierin ligt ook nog een bijzondere troost
En hierin ligt ook nog een bijzondere troost opgesloten juist met het oog op dood en graf van onze dierbare in Christus ontslapenen. Scheiden valt ons zo zwaar, ook al weten wij, dat de dood een overgang werd in heerlijkheid. Zullen wij zijn, waar onze Heer en Heiland Jezus Christus is, dan zullen wij ook elkander wederzien. De scheiding loopt op eeuwige hereniging uit, al zullen de aardse betrekkingen opgehouden hebben, — zo zeker, als in de Hemelvaart van den Heere Jezus de hemelvaart van al Zijn volk besloten ligt. En ook nog in een ander opzicht hebben deze
En ook nog in een ander opzicht hebben deze dingen betekenis voor ons leven hier op aarde. Als wij bij een aanzienlijk man geroepen worden, zullen wij er wel voor zorgen, in een passend gewaad te verschijnen. Dan denkt niemand er aan, vuil en in een werkpak te komen. Rein en in de beste kleding, — dat brengt de eer mee van hem, bij wien wij komen.
Ge verstaat wel, waar ik heen wil. Onze werken, die vormen het gewaad, waarin wij door de wereld gaan. De eer van Hem, bij Wien wij eeuwig zullen zijn, roept ons tot een godzalige wandel. Terecht roept daarom Louise Henriëtte ons in haar bekend lied toe : „Slechts wat zondig is veracht! Meer de geest van d' aard verheven ! Die u in Zijn hemel wacht, Hem geheel uw hart gegeven. Waar uw eeuw'ge woning ligt, derwaarts oog en hart gericht!" (Gez. 296 : 10).
Zo worden wij van Hemelvaart heengeleid naar Pinksteren. Want het rechte besef van — en de rechte behoefte aan deze dingen, brengt ons tot de hartgrondige bede om den Heiligen Geest, Die alleen ons leiden kan in het rechte spoor. De weg wordt er niet gemakkelijker op. Moeite en strijd blijven ons niet bespaard. Bovenal niet vijandschap van de kant van het vrome vlees.— Doch geen nood : het loopt toch uit op het Vaderbuis. AMEN.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 18 juni 1949
Kerkblaadje | 8 Pagina's