Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De troost van de kinderdoop,*)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De troost van de kinderdoop,*)

22 minuten leestijd

Heidelb. Catech. Vr. 74:Vraag: Zal men ook de jonge kinderen dopen? Antwoord: Ja, want mitsdien zij, zowel als de volwassenen, in het verbond Gods en in Zijn gemeente begrepen zijn, en dat hun door Christus' bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, niet minder dan de volwassenen toegezegd wordt, zo moeten zij ook door de Doop, als door het teken des Verbonds, in de Christelijke Kerk ingelijfd en van de kinderen der ongelovigen onderscheiden worden, gelijk in het Oude Verbond of Testament door de Besnijdenis geschied is, voor welke in het Nieuwe Verbond de Doop ingezet is.,,0m u te zijn tot een God". Ja, bij het woord „verbond" denk ik bovenal daaraan, dat God zegt: „Ik ben uw God. Gij zijt Mijn. Gij hoort bij Mij. Zo zondig en ellendig, zo kleingelovig en arm als ge zijt". Bij het woord ,.verbond" zie ik de hand Gods, die Hij legt op Zijn volk, en onder die hand is dat volk geborgen voor tijd en eeuwigheid. Niet, dat de stormen en verschrikkingen van de tijd het niet raken, o neen, maar midden in storm en ontij blijft het geborgen onder Zijn han3. ,,0m u te zijn tot een God en uw zaad na u". De kinderen zijn, zowel als de volwassenen, in het verbond Gods begrepen. Als het verbond Gods hetzelfde is als de belofte Gods, als alles van één kant komt, n.1. van Gods kant, dan geldt de verbondsbelofte onze kinderen ook. God is de eerste in het verbond. Hij wacht er niet op totdat wij tot Hem komen en te kennen geven, dat wij in Zijn verbond willen treden. We horen bij Hem vóór wij het weten. Vóór wij Hem gekozen hebben, heeft Hij ons gekozen. Wanneer we onze ogen opslaan, wanneer we tot ons verstand komen, bevinden we ons reeds in de kring des verbonds, onder Zijn hand. ,,0p U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van de schoot mijner moeder aan zijt Gij mijn God". (Ps. 22 ; 11.) De kinderen zijn, zowel als de volwassenen, in

Deze catechismuspreek over de kinderdoop heb ik moeten maken onder omstandigheden, waarin mijn gedachten door heel andere dingen in beslag werden genomen. In onze gemeente is en wordt nog al eens over de kinderdoop gesproken, maar in de week van 25 sept. 1,1. zal dat, naar ik vermoed, wel niet gebeurd zijn. Deze discussie werd toen volkomen weggevaagd door wat ons in die dagen ontstelde en verbijsterde; de dreigende oorlog, de reeds aangevangen mobilisatie. Wie zich in zulk een tijd zet tot de overdenking van de catechismusvraag over de kinderdoop, gevoelt, dat ons praten over deze aangelegenheid voor een gedeelte slechts verstandelijke discussie geweest is, die niet tot de ,,laatste dingen" behoord heeft en die daarom deze weken plaats moest maken voor veel grimmiger vragen. Ik wil u dan ook wel bekennen, dat ik aan het

Ik wil u dan ook wel bekennen, dat ik aan het begin van de week er ernstig over gedacht heb, de catechismus ditmaal maar te laten liggen en ,,vrije stof" te nemen. Doch daarna werd het mij duidelijk: Neen, ik moet, hoe de toestand ook is, zondagavond over de kinderdoop spreken. Want het is toch niet waar, wat we eerst geneigd zijn te denken, dat de kinderdoop een bloot theoretische aangelegenheid is, die niets te maken zou hebben met de nood van ons leven. Integendeel, er gaat van de kinderdoop een troost uit, juist in hachelijke omstandigheden.

Want — laten we met die vraag eens beginnen — hing de angst en de verbijstering, die we in de afgelopen week hebben doorgemaakt, niet voor een groot gedeelte samen met de vraag; ,,Wat zal er van onze kinderen worden?" Zij die grote jongens hebben (hetzij die nog thuis,

Zij die grote jongens hebben (hetzij die nog thuis, hetzij ze reeds getrouwd zijn) waren er het meest direct bij betrokken. Hun kinderen konden ieder ogenblik opgeroepen worden. Voor een gedeelte werden ze reeds weggeroepen, weg' uit het ouderlijk huis of uit hun eigen gezin, naar verre bestemmingsplaatsen, een onbekend land, misschien de ondenkbare verschrikking van de oorlog in, We weten wel, dat in de moderne oorlog de burgerbevolking evenmin veilig is als de soldaten aan het front, maar voor ons gevoel blijft het voorlopig zó, dat de militairen er het eerst mee te maken hebben (en dat is ook zo), Er was, ook in onze gemeente, zorg over de kinderen, over de grote jongens.

Doch ook zij, die kleine kinderen hebben, zagen die kinderen met zorg aan. De kinderen zelf wisten er nog' niets van. Ze werden elke morgen even vrolijk wakker. Ze liepen triomfantelijk met een krant rond, waarin de somberste berichten stonden. Ze speelden. Ze hadden hun kleine-kinderverdriet, van waaruit ze met groot vertrouwen naar ons opzagen. Maar wij. ouders, dachten soms: ,,Wat moet er van jullie worden, als wij in de grote chaos, die misschien over ons komt, elkaar kwijt raken? We brengen jullie groot naar ons beste weten, maar wie weet, in welk een omgeving jullie later zult leven!" In een normale rustige tijd ^) werken en sparen de ouders voor hun kinderen. Zij ontzeggen zich soms vele dingen in de hoop, dat hun kinderen de vrucht zullen genieten van hun vlijt en zuinigheid en het later ruimer zullen hebben, dan zij zelf het gehad hebben. En ook al komt dat wel eens heel anders uit; al zijn er, ook in rustige tijden, ouders die treuren over het kind waarvoor ze gearbeid hebben, omdat dat een heel andere kant uitging, dan vader en moeder gehoopt hadden, toch blijft het waar. dat het werken en zorgen met het oog op de kinderen een groot stuk levensvervulling is. Doch óns kan het gebeturen, dat, gezien de volslagen onzekere toekomst, zelfs dit alles zijn zin schijnt te verliezen. Was het de laatste tijd niet vaak zó, dat we bijna niet verder konden denken dan de dag van morgen? Ja, ook de gedachte aan de toekomst van onze kleine kinderen kan ons benauwen en heeft ons in de afgelopen week benauwd.

Zo komt de catechismusvraag over de kinderdoop reeds dichter bij ons. Neen, we komen niet buiten het leven te staan, wanneer we vanavond over de kinderdoop gaan spreken. Zeker niet, wanneer we samen gaan vragen naar de troost van de kinderdoop, naar de troost die er van uitgaat, dat onze kinderen, de grote en de kleine, gedoopt zijn,

We zijn het er van te voren over eens, dat, als er een troost in de kinderdoop ligt, die niet gezocht mag worden in de sacramentele handeling' of in het water op zichzelf. Als er troost is, dan ligt die in het Woord, dat het sacrament begeleidt, of liever, dat de handeling tot een sacrament maakt. Als er troost is, dan ligt die in het Woord van de God van de doop, de God des verbonds. Daar noemde ik de doop en het verbond naast elkaar. Dat doet de catechismus ook; Zal men ook de jonge kinderen dopen? Ja, want mitsdien zij, zowel als de volwassenen, in het verbond Gods begrepen zijn ... Doop en verbond horen bijeen. Ge hebt het allicht wel eens opgemerkt, dat de tegenstanders van de kinderdoop over het verbond liefst zo weinig mogelijk spreken. Noemt ge dat woord, dan antwoorden ze; „O, dat is iets typisch oudtestamentisch. Dat behoort tot datgene uit het Oude Testament, waarmee wij niet meer te maken hebben. Het verbond gold immers Israël-als-volk, het zaad Abrahams naar het vlees. Vandaar dat de verbondsbeloften vooral het uiterlijk leven betroffen: een talrijk nakroost en overwinning op de vijanden. Het Nieuwe Verbond daarentegen geldt niet een bepaald volk en de Heere Jezus belooft aan hen die Hem volgen, allesbehalve aardse voorspoed: smaad, verdrukking, vervolging". Zeker. Er zijn allerlei verschillen tussen het Oude en het Nieuwe Verbond. Toch ben ik bang, dat, wanneer we het Oude en het Nieuwe Verbond te veel uit elkander halen, om tenslotte het Oude zoveel mogelijk naar achteren te schuiven, wij bezig zijn, elementen te doen verloren gaan, die we niet dan tot grote schade voor ons geestelijk en kerkelijk leven kunnen missen. Zonder op de vele vragen die hier liggen, nader in te gaan (het bestek gedoogt dat niet) wil ik u trachten te zeggen, welke klank het woord „verbond" voor mij heeft. Een verbond is onder mensen een afspraak. B,v.

Een verbond is onder mensen een afspraak. B,v. van twee landen: om elkaar wederzijds te steunen. Als het ene land hulp nodig heeft, doordat het wordt aangevallen, moet het andere te hulp komen.

Bij het verbond Gods gaat het uiteraard niet precies zo. Daar komt alles van één kant.') Wederzijds hulpbetoon is hier natuirrlijk volkomen uitgesloten: wij behoeven de Heere nooit te hulp te komen. Het verbond Gods is de belofte Gods. God belooft, dat Hij ons zal bijstaan op het moment, dat we Zijn hulp nodig' hebben. Als we aangevallen en aangevochten worden. Als nood en vervolging, tegenspoed en kruis ons terneerdrukt en moedeloos of radeloos maakt. Als alle uitwegen zijn doodgelopen. Als de twijfel, ja, de vertwijfeling ons aangrijpt: „Zou het soms alles onzin zijn, wat in de Bijbel staat en wat ik totnogtoe geloofd heb?" Als de Boze ons aanklaagt; ,,Ge zijt een nietswaardige; er is voor u geen uitzicht; ge hebt alles zo volkomen verknoeid, dat ge iedere hoop maar moet laten varen". Zie, wanneer we aldus worden aangevallen, wanneer ons bestaan-als-gelovige op deze wijze wordt bedreigd, dan wil God ons te hulp komen. Daarop mogen we vertrouwen krachtens Zijn verbondsbelofte: ,,Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u en tussen uw zaad na u in hunne geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God en uw zaad na u", (Gen, 17 ; 7.) ,,0m u te zijn tot een God". Ja, bij het woord

het verbond Gods en in zijne gemeente begrepen. Het woord ,,gemeente" heeft toch een beslist nieuw-testamentische klank! De kinderen behoren reeds tot de gemeente. Nu kom ik vanzelf reeds op de doop, zoals we daarvan in het Nieuwe Testament lezen. Wanneer daar verteld wordt, dat er mensen gedoopt worden, staat er bijna altijd bij: en hun huis (Hand. 16 : 15 en 33, I Cor, 1 : 16), De belangrijkste vraag daarbij vind ik nog niet eens, of daar ook kleine kinderen bij waren (al lijkt het me tamelijk onwaarschijnlijk, dat in al die gezinnen nu juist geen kinderen geweest zijn). De vraag die ik wil stellen, is deze: „Zouden al degenen die bij die gelegenheden gedoopt zijn, nu ook allen ineens wedergeboren zijn 92 geweest?" Het wil er bij mij niet in. Daarentegen vind ik het volkomen begrijpelijk, dat Lydia, de stokbewaarder, Stefanas (en al de anderen, wier namen wij niet kennen), de doop begeerden, niet alleen voor zichzelf, maar voor al de himnen, ook al wisten ze, dat die nog niet allen met volle bewustheid het eigendom van Christus waren. Zij begeerden met allen die hun lief waren en voor wie zij verantwoordelijk waren, overgezet te worden in de gemeente, in dat nieuwe levensverband, waarin Jezus Christus Heer is. Daarbij waren ze gehoorzaam aan het woord van Christus Zelf; „Laat de kinderkens tot Mij komen en verhindert ze niet, want derzulken is het Koninkrijk Gods" (Mc. 10 : 14) en aan hetgeen Petrus zeide op het Pinksterfeest: ,,U komt de belofte toe en uwe kinderen". (Hand. 2 : 39.)

De kinderen zijn, zowel als de volwassenen, in het verbond Gods en in zijne gemeente begrepen, zegt de catechismus. En dan omschrijft hij, wat dat inhoudt; en dat hun door Christus' bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, niet minder dan de volwassenen toegezegd wordt. De verlossing van de zonden. Verlossen is los

De verlossing van de zonden. Verlossen is losmaken. Uit zonde en schuld. Daar zitten onze kinderen evenzeer in vast als wijzelf. Ze zijn immers „in zonden ontvangen en geboren". Ze hoeven heus nog niet zo groot te zijn, of wij, als ouders, vragen ons wel eens af: ..Hoe krijgen wc die verkeerde neiging er toch bij hen uit? Hoe raken ze die lelijke eigenschap kwijt?" En nu is het zeker waar, dat door ons woord en voorbeeld ons kind van een bepaalde verkeerde gewoonte kan worden afgebracht, doch in de werkelijke zin van het woord ,.verlossen" van de zonden kunnen we onze kinderen niet. Evenmin als we hen kunnen verlossen van de schuld. Als een jongen iets uitgehaald heeft, kan vader het weer proberen goed te maken bij de buurman, doch onze kinderen werkelijk verlossen van de schuld der zonde vermogen we niet. Werkelijke verlossing is er, ook voor hen, alleen in het bloed van Christus. Daarover spraken we de vorige maal uitvoerig (bij vraag 69 en 70), De besprenkeling met water bij de doop wijst heen naar de reiniging van de ziel door het bloed van Christus. Dat onze kinderen in het verbond begrepen zijn, wil zeggen, dat Christus Zijn leven gegeven heeft om ook hen te verlossen.

Het tweede wat de kinderen, als deelgenoten in het verbond, als lidmaten der gemeente, toegezegd wordt, is: de Heilige Geest, die het geloof werkt.

Men hoort vaak vragen: ,,Waar is bij de kinderdoop het geloof? Het sacrament heeft toch alleen betekenis, wanneer het in het geloof verstaan wordt?" Sommigen komen met Mare, 16 : 16, ,,Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn. zal zalig worden", en zeggen; ,,Ziet ge wel, daar staat het: eerst geloven en dan dopen!" ^) De catechismus zegt: Er is nog vi^el geen sprake van geloof bij de dopeling, maar de Heilige Geest belooft, dat Hij dat geloof wil werken, ook in het hart van dit kind.

„Maar alle kinderen, die gedoopt zijn, worden toch geen gelovigen?" Neen, maar wiens schuld is dat? De schuld van de Heilige Geest? Breekt die Zijn belofte? Of — is dat de schuld van het kind zelf, dat zich niet gevangen wil geven onder de leiding des Geestes en zich niet wil laten brengen tot gehoorzaamheid des geloofs? Is dat misschien voor een groot deel de schuld van vader en moeder, die, ten spijt van hun doopbelofte en van de vermaning, ,,hun kinderen in het opwassen van deze dingen breder te onderwijzen", hun kind onkundig lieten van de beloften Gods, zodat het later vreemd er tegenover stond en „er niet meer toe kwam". De doop zegt: ,,Als dit kind later niet terecht komt, ligt dat niet aan God. Want Hij belooft alles: verlossing van zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt".

Op de vraag: „Zal men ook de jonge kinderen dopen", heeft de catechismus geantwoord: Ja, want zij zijn ook in het verbond en in de gemeente begrepen. Nu spreekt het ook vanzelf, dat zij het teken daarvan moeten dragen. 2,0 moeten zij ook door de Doop, als door het teken des Verbonds, in de Christelijke Kerk ingelijfd en van de kinderen der ongelovigen onderscheiden worden, gelijk in het Oude Verbond of Testament door de Besnijdenis geschied is, voor welke in het Nieuwe Verbond de Doop ingezet is. De doop in de plaats der besnijdenis gekomen! Daar stuiten we op één van de meest omstreden punten. Het verzet tegen de overeenkomst van doop en besnijdenis komt voort uit de andersoortige opvatting inzake het Oude Verbond en deszelfs verhouding tot het Nieuwe (waarop we reeds wezen). Want wanneer dat, zoals de tegenstanders van de kinderdoop zeggen, een in hoofdzaak uitwendig verbond, een volksverbond was, dan volgt daaruit, dat het oud-testamentische verbondsteken, de besnijdenis, ook slechts uiterlijke betekenis had, dus niet anders dan een nationaal kenmerk was. Ook hier kunnen we uiteraard niet uitvoerig op ingaan. Alleen zou ik willen zeggen tegen degenen die met zoveel nadruk beweren, dat er in de Bijbel geen spoor van te vinden is. dat de doop in de plaats der besnijdenis gekomen is: Leest Col. 2:11 en 12 eens; „In welke (nl. Christus) gij ook besneden zijt met een besnijdenis, die zonder handen geschiedt,,, zijnde met Hem begraven in den doop ..." Het is m.i. onweersprekelijk, dat de apostel Paulus hier de doop vergelijkt met de besnijdenis. Maar ook afgezien van deze ene tekst stem ik van harte in met hen die zeggen: ,,Wanneer voor de besnijdenis niets in de plaats gekomen is, zo aden onze kinderen een troost missen, die de kinderen des Ouden Verbonds wel bezaten". ,,Gods genade", zegt Calvijn, ^) „zou voor ons dan minder duidelijk betuigd zijn dan ze tevoren voor de Joden was".

Daarom houden wij ons aan de regel der Kerk, die in de catechismus aldus onder woorden is gebracht: dat de kinderen door de Doop, als door het teken des Verbonds (dat in de plaats gekomen is van het oud-testamentische verbondsteken) in de Christelijke Kerk ingelijfd worden. En van de kinderen der ongelovigen onderscheiden. Alweer rijst daar protest. Dit: „Er worden anders ook genoeg Ijinderen van ongelovigen gedoopt!" Er zijn er zelfs onder de geregelde kerkgangers, die hun kinderen hebben laten dopen en dat zeker weer zouden doen, maar die dit toch wel allerbedenkelijkst vinden en hierdoor toch wel eens aan het twijfelen gebracht worden: dat mensen, die er vrijwel helemaal „niet meer aan doen" en anders nooit in de kerk komen, hun kinderen laten dopen en dat dat door de kerkeraad toegestaan wordt. Zij wijzen vooral op het opschrift boven het doopformulier: ,,Formulier om de Heilige Doop te bedienen aan de kleine kinderen der gelovigen". Iemand uit een ander kerkverband zei eens tegen mij: ,,Die ruime houding van uw Kerk inzake de doop is er ook schuld aan, dat in uw eigen midden verzet tegen de kinderdoop gerezen is".

Wat is er van deze beschuldiging aan? Dit: dat het inderdaad uiterst bedenkelijk is, dat vader en moeder alleen maar in de kerk komen om hun kind te laten dopen. Doch de schuld daarvan mag nooit op de kinderdoop geschoven worden. Die ligt voor rekening van de ouders. Voorzover de ouders nog niet geheel buiten de kring der Kerk leven, zijn zij niet ontslagen van de plicht, hun kinderen in het midden der gemeente te brengen en, althans door deze ene daad, te wijzen op Christus en Zijn Kerk. Deze ouders hebben de plicht, hun kinderen te laten dopen. Het spreekt echter vanzelf, dat zij er niet mee klaar zijn en dat ze hun plicht niet naar behoren hebben vervuld, wanneer men het bij deze ene kerkgang laat. Maar wanneer het kind niet gedoopt wordt, zijn ze er ook niet mee klaar. Het kind heeft recht op de doop. Het spreekt evenzeer vanzelf, dat de Kerk er ook niet mee klaar is, wanneer zij besloten heeft, de ouders tot de doop toe te laten. Zij behoort het gedoopte kind met zijn ouders in het oog te houden en haar pastorale zorg daarover te laten gaan.')

Ik bezigde de uitdrukking: „ouders, die nog niet geheel buiten de kring der Kerk leven", (Want ik meen, dat onze vaderen, die een ruime doopspraktijk hadden, dat bedoelden met de uitdrukking „gelovigen" boven het formulier.) ') Men vraagt nu; ,,Waar loopt de grenslijn?" Daarop antwoord ik, dat ik het inderdaad niet eenvoudig vind, die aan te wijzen. Trekt men de grens te nauw, dan wordt de Kerk secte; wist men haar uit, dan wordt de Kerk wereld. Wij zien, er blijven nog allerlei vragen open. Het

Wij zien, er blijven nog allerlei vragen open. Het laatste woord is ten deze nog niet gesproken. Het zal ook wel nooit gesproken worden. Tenslotte wil ik, zo eenvoudig en persoonlijk

Tenslotte wil ik, zo eenvoudig en persoonlijk mogelijk, u zeggen, wat voor mij de troost van de kinderdoop is en waarom ik, tot elke prijs, er aan wil vasthouden.

Ik zie mijn eigen kinderen, zoals ze spelen in huis of in de tuin. Ik denk aan hun toekomst. Daarvan weet ik niets af. Ik moet dat volkomen uit handen geven. Maar ik breng me te binnen, hoe ze eenmaal zijn binnengedragen, de oudste twee in de kleine Drentse dorpskerk en de jongste hier, en hoe de Naam van de Drieënige God verbonden mocht worden met hun naam. Dat de plechtigheid op zichzelf „het niet doet", weet ik heel goed. Op de dag van hun doop was het voor mij ook in het geheel geen gevoelskwestie; wij waren helemaal niet in een bijzondere stemming. En toch, als ik, in dagen als die achter ons liggen, aan de toekomst van mijn kinderen denk, denk ik aan hun doop. Die spreekt mij ervan, die is mij het teken ervan, dat mijn kinderen door God gekend zijn. Dat ze voor God bestaan. Daar ligt reeds evangelie in. Want wat is een mens; wat is een klein kind? De moderne oorlog met zijn bombardementen op open steden, leert ons wel, dat een paar honderd, een paar duizend mensen niets is. Maar de doop zegt, dat ons kind voor God bestaat; „en onder miljoenen hebt Gij ook mij in het oog". Onze kinderen door God gekend. En door God begeleid. Zijn Naam is bij hen.

Tracht dat te grijpen, ouders van grote kinderen, kinderen die onder dienst zijn of moeten, kinderen die niet de weg gaan, die gij wilt, dat ze zouden gaan, kinderen die tijden lang ziek zijn of ongelukkig' (ge ziet geen toekomst voor hen), tracht het vast te houden, dat ze gedoopt zijn en dat dat méér is dan een formaliteit. De doop van uw kind is een sacrament, een geheimenis, een heilgeheim, het zichtbare teken van de belofte Gods: ,,0m u te zijn tot een God en uw zaad na u". Onze kinderen kunnen zich daaraan onttrekken en zich daartegen verzetten (verhoede God het genadig!), maar van Gods kant is het er en het blijft door alles heen en onder alles door. Nu denk ik terug, precies drie jaar geleden; begin oktober 1935, De oorlog tussen Italië en Abessinië was begonnen. Ook toen reeds was er bij velen angst en ongerustheid. Mijzelf beklemde toen ook al wel eens de gedachte: ,,Zou dit het begin zijn van een wereldoorlog?" Er was die eerste zondag in oktober in onze Kolderveense kerk doop. Mijn aandacht viel daags tevoren op het begin van het gebed vóór de doop: ,,Almachtige en eeuwige God, Gij die naar Uw streng oordeel de ongelovige en onboetvaardige wereld met de zondvloed gestraft hebt en de gelovige Noach met zijn acht zielen uit Uw grote barmhartigheid behouden en bewaard; Gij die de verstokte Farao met al zijn volk in' de Rode Zee verdronken hebt en Uw volk Israël droogvoets daardoor geleid .," Voordien had ik dat vrijwel altijd maar overgeslagen. ,,Heeft dat wel iets met de doop te maken?" dacht ik. Doch toen begon ik de troost die in die woorden ligt, te verstaan. Deze troost; ,,Het kon wel eens wezen, dat de vloed weer aan het opkomen is en dat we weer door de Rode Zee heen moeten, maar God belooft in de doop — niét dat onze kinderen altoos ongedeerd en ongeschonden zullen blijven, maar wèl — dat Hij ze dwars daar doorheen redden wil, zoals Hij Noach en Zijn volk Israël er doorheen heeft gebracht".

Ik eindig met enkele andere zinnen uit dat prachtige gebed vóór de doop; ,.Wij bidden U bij Uw grondeloze barmhartigheid, dat Gij deze kinderen genadiglijk wilt aanzien en door Uw Heilige Geest Uw Zoon Jezus Christus inlijven... opdat zij dit leven (hetwelk toch niet anders is dan een gestadige dood) om Uwentwil getroost verlaten en ten laatsten dage voor de rechterstoel van Christus Uw Zoon zonder verschrikken mogen verschijnen, door Hem, onze Heere Jezus Christus, Uw Zoon. die met U en de Heilige Geest één enig God, leeft en regeert in eeuwigheid. Amen".

Naschrift van de redactie.

Onder de titel ,,De troost van Woord en Sacrament in deze tijd" heeft onze onlangs overleden vriend en medewerker Dr. G. Ph. Scheers, destijds predikant te Alphen a.d. Rijn, in oktober 1938 twee preken uitgegeven, één over Psalm 97 : la en 2a en één over Heid. Cat. Vraag 74, die hij resp, op 25 september en 2 oktober 1938 had gehouden in de Hervormde Kerk te Alphen a.d. Rijn, dus in de spannende dagen van de toenmalige mobilisatie.

Uit dankbaarheid voor hetgeen Dr, Scheers in de laatste jaren van zijn leven voor ons geweest is en gedaan heeft, heb ik de tweede preek in ons blad overgenomen. Deze preek is van een verrassende actualiteit. Vooreerst omdat in deze weken tal van jonge mannen worden weggeroepen uit het ouderlijk huis of uit hun eigen gezin naar Nieuw Guinea, Vervolgens omdat de discussie rondom de kinderdoop nog steeds niet tot zwijgen is gekomen en een onderwijzing over het recht van de kinderdoop juist in ónze tijd broodnodig is.

In het „Voorwoord" heeft Dr. Scheers het volgende opgemerkt:

,,De tweede preek bedoelt een eenvoudig, persoonlijk woord te zijn over de kinderdoop, die hier en daar in onze gemeente nog steeds een onderwerp van discussie vormt. Ik ben mij volkomen bewust, dat de besliste tegenstanders van de kinderdoop door dit woord niet overtuigd zullen worden. Meer en meer wordt het mij trouwens duidelijk, dat ook op dit punt geldt, dat we elkaar alleen overtuigen kunnen, wanneer we het van te voren met elkander eens zijn. Het is echter mogelijk, dat er onder onze gemeenteleden zijn, die na de lezing van deze catechismus-uitleg zich ten deze met hernieuwd vertrouwen houden aan de regel der Kerk. Men zal begrijpen, dat in een preek (al was het een catechismus-preek) niet dieper op de verschillende „kwesties" kon worden ingegaan. Een theologisch-dogmatische verhandeling over de kinderdoop zou uiteraard veel uitgebreider moeten zijn".

Mede namens de lezers van ons blad betuig ik Mevrouw W. Scheers-Broekman te Haarlem zeer hartelijk dank daarvoor, dat zij mij toestemming heeft gegeven, deze preek van haar overleden echtgenoot in het ,,Kerkblaadje" opnieuw te publiceren. Moge de God des Verbonds haar in haar eenzaamheid en droefheid vertroostend nabij zijn! D. van Heijst.


*) Preek, gehouden te Alphen a/d Rijn op 2 okt. 1938. Gelezen: Gen. 17 : 1_13 en Mare. 10 : 13—16. Gezongen: Ps. 66 ; 6; Ps. 115 : 6, 7, 9 ; Gez. 98 : 1 ; Ps. 22 : 16.


') Of is er nooit zulk een tijd geweest? Voor het gevoel van de mensen die erin leefden, misschien niet. Mogelijk heeft de mens altijd de indruk, dat de tijd waarin hij leeft, bij uitstek onzeker is.

') Wel wordt in het doopformulier gezegd, dat ook in dit verbond, evenals in alle verbonden, twee delen (partijen) begrepen zijn, maar de ,,nieuwe gehoorzaamheid" waartoe wij hierdoor verpUcht worden, draagt nooit het karakter van een prestatie onzerzijds. Het is de echo, die het Woord van de God des verbonds bij ons oproept.


1) Zie de voetnoot op blz. 93 eerste kolom.


') Het is voor mij zeer de vraag, of we inderdaad aan deze volgorde zoveel gewicht mogen hechten. In de parallelle plaats, Matth. 28 : 19, is de volgorde tenminste andersom. Daar staat: „Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, lerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb". Deze tekst moet, volgens betrouwbare geleerden, aldus worden uitgelegd: „Onderwijst al de volken, welk onderwijs inhoudt: a. dopen; b. hen leren onderhouden alles wat Ik u geboden heb". Hier gaat dus het dopen vooraf aan de lering. Heeft men trouwens ook wel eens opgemerkt, dat hier sprake is van het dopen van ,,volken" ? Dat moest wat huiverig maken om de doop in zulk een direct verband te brengen met de wedergeboren enkeling!

1) In zijn „Institutie of Onderwijzing in de christelijke godsdienst, Vertaling Sizoo, Band III, blz. 375.


^) Al zal in onze grote Hervormde gemeenten die zorg minder intens kunnen zijn, dan in de kleinere kerk genootschappen.

2) Dit woord schijnt trouwens later toegevoegd te zijn.

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juni 1962

Kerkblaadje | 8 Pagina's

De troost van de kinderdoop,*)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juni 1962

Kerkblaadje | 8 Pagina's