Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Altijd dienende

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Altijd dienende

Facetten uit het leven van Anna Schot (1904-1991)

28 minuten leestijd

Het huwelijk van Arie Jacob Schot en zijn vrouw Elizabeth Jozina Schot wordt op dinsdag 30 augustus 1904 gezegend met de geboorte van een negende kind. Het meisje wordt Anna genoemd, naar een halfzus van Arie Jacob.

Een eenvoudige vissersfamilie

Vader Arie Jacob was wel bevreesd geweest. De gedachten van de mosselvisser op de Oosterschelde dwaalden gedurig af naar zijn ouderlijk huis. Zijn eigen vader verloor immers zijn eerste vrouw tijdens de geboorte van hun negende kind. Zes van de negen kinderen moesten al op jonge leeftijd naar het graf worden gedragen. Een jaar na het sterven van zijn vrouw was hij hertrouwd. Arie Jacob stamde uit dit tweede huwelijk.

Het huwelijk van Arie Jacob Schot en zijn vrouw wordt uiteindelijk gezegend met veertien kinderen. Verwondering overheerst dan ook in het hart van Arie Jacob dat al zijn kinderen nog in leven mogen zijn.

Gezelschap in een timmerwinkel

Arie Jakob is geen lid van een bepaald kerkverband. Hij is opgevoed onder verschillende afgescheiden leraars. Zijn vrouw Elizabeth Jozina Schot is lid van de Hervormde Kerk. De oudste zes kinderen worden gedoopt in de Hervormde kerk te Tholen. Het achtste kind, Betje, wordt gedoopt door ds. H. Stam. Twee jaar later worden Anna, haar zus Lene, en haar broertje Daan gedoopt door ds. H. Roelofsen. Al enkele jaren komt er een gezelschap bijeen in een timmerwinkel in Poortvliet. Op dat gezelschap zijn er velen van Gods volk, onder wie Leen en Kees Schot, Jacob van de Velde en Leen Potappel.

Als het gezelschap in Poortvliet ophoudt te bestaan, huren Leen Schot en Jacob van de Velde een kamer in een huis aan de Kerkstraat te Tholen. Velen komen luisteren naar de eenvoudige, bevindelijke leespreken. Het verlangen naar een geordend kerkelijk leven is groot.

Kerkgebouw aan de Kruittoren

Op 7 december 1901 worden er twee woningen gekocht aan de Kruittoren door Elisabeths oudste zus, Johanna Cornelia. Zij koopt de percelen samen met Elisabeth Sara Susanna Kompenhans. De zaak wordt behartigd door de vader van Elisabeth. De aankoopsom van negenhonderd gulden is voor deze vermogende mosselvisser en handelaar geen enkel bezwaar. Op de plaats van de aangekochte huisjes wordt een kerkje gebouwd. In het voorjaar van 1902 huurt de gemeente de kerk van Benjamin Willem Schot. Zelf is Benjamin Willem lid van de Hervormde Kerk. Voor de jonge gemeente is hij behulpzaam. Uit heel zijn optreden blijkt dat hij niet afwijzend staat tegenover de handelwijze van zijn dochter.

In 1902 wordt in dit kerkgebouw het eerste kind gedoopt van Elizabeth Jozina’s jongere broer Willem Karel Schot en diens vrouw Christina Bergers.

Onder de leer der waarheid

In de gemeente gaat vaak ds. L. Boone uit Sint Philipsland voor. Jacob en Elizabeth mogen hun kinderen opvoeden in de leer der waarheid. Het wordt door Anna als een groot voorrecht ervaren dat ze wordt opgevoed onder de rechte bediening van Gods Woord. Die godsdienstige opvoeding heeft ook haar weerslag in het gezinsleven. Voor de maaltijd wordt aan tafel met alle kinderen hardop gebeden. Aan het einde van de maaltijd wordt door vader uit de Bijbel voorgelezen en een dankgebed uitgesproken.

Ook ’s zondags komt het gezin op tijd uit bed om naar de kerk te gaan ‘en het leven op dien dag naar de godsdienst te regelen’.

In het kerkje aan de Kruittoren is het ’s zondags drie keer dienst. Door de ouderlingen worden er oudvaders voorgelezen. Soms gaat er een predikant in de gemeente voor. Ook de weekdiensten worden trouw bezocht door moeder Elizabeth. Haar man is van maandag tot en met vrijdag op zee. Haar grote gezin en het vele werk weerhouden Elizabeth er dus niet van om doordeweeks ook naar de kerk te gaan. Omdat de jonge Anna een lastig kind is en ’s avonds vaak niet in slaap kan komen, wordt ze geregeld meegenomen naar het overvolle kerkje.

Een christelijke school is er niet op Tholen. De kinderen ontvangen godsdienstonderwijs van een ouderling. Het eerste psalmversje dat Anna op de catechisatie leert, is Psalm 119 vers 47 in de berijming van Datheen:

Ik wil Uw bevel, dat ik heb gehoord,

Niet vergeten; want Gij troost mij daarmede,

En vermaakt mijnen geest daarmee nu voort.

Ik ben Uwe, bewaar mij toch in vrede;

Want Uwe wet, die mij zeer wel bevrijdt,

Zoek ik en spreek daarvan tot elker stede.

Begerig volgt Anna de catechisatielessen. ‘In de consistorie wordt onderwijs gegeven en moeten de kinderen uit hun hoofd het geleerde opzeggen voor de leermeester. Een ouderling of de dominee.’

Het hele jaar door wordt er catechisatie gegeven. Voor de jongeren wordt het vragenboekje van ds. L.G.C. Ledeboer gebruikt. De ouderen ontvangen onderwijs uit het boekje van ds. A. Hellenbroek en uit de Heidelbergse Catechismus. ‘Ik vind het zelf wel meer de aangewezen plaats, want men leert vroeg de gang naar de consistorie.’

De catechisatielessen worden gegeven door een oom van Anna, Leen Schot. Voor zijn onderwijs aan de jeugd wordt hij door menig predikant geprezen.

Een eigen predikant Op zondag 3 september 1911

Op zondag 3 september 1911 wordt ds. A. Makkenze verbonden aan de Gereformeerde Gemeente van Tholen. Hij komt over van de gemeente Meliskerke, die hij bijna drie jaar mocht dienen. Ds. H. Roelofsen uit Bruinisse leidt hem tot zijn dienstwerk in met de woorden uit Hebreeën 13 vers 17: ‘Zijt uw voorgangers gehoorzaam en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uw zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig.’ In de avonddienst doet ds. Makkenze zijn intrede met Jesaja 30 vers 20b: ‘Maar uw leraars zullen niet meer als met vleugelen wegvliegen, maar uw ogen zullen uw leraars zien.’

Ruim twee jaar mag deze herder de jonge gemeente weiden. Op zondagavond 3 augustus 1913 preekt ds. Makkenze afscheid in verband met zijn vertrek naar Bruinisse. Voor de laatste maal als eigen herder en leraar preekt hij in het kerkje aan de Kruittoren en hij bedient het Woord bij die gelegenheid uit 2 Thessalonicenzen 3 vers 18: ‘De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met u allen’.

Als er geen predikant voorgaat, leest ouderling Schot ‘s zondags vaak één of meerdere keren een preek voor, ook de andere ouderlingen gaan voor in de leesdiensten.

Ouderling Jacob van de Velde, die op krukken loopt, woont in Scherpenisse. Hij logeert altijd van zaterdag tot en met maandag bij Anna’s grootouders. In Anna’s kinderjaren dienen ook Marien Baaij, Simon Praat en Kees Schot de gemeente als ouderling. Kees Schot is een broer van ouderling Leen Schot.

Anna’s moeder is niet kerkelijk opgevoed. In haar jeugd werd bij haar thuis maar weinig aan godsdienst gedaan. Als haar oudste zus Johanna Cornelia tot bekering komt, verandert dat. Voor haar huwelijk met Leen Schot komt bij hem al veel volk van God over de vloer. Die gezelschappen maken diepe indruk op de gezinsleden. De bekering van hun oudste dochter en het volk van God dat haar bezoekt, geven afdruk in het gemoed van de huisgenoten.

Een ernstige roepstem

Als Anna negen jaar is, komt er een grote verandering in haar leven. ‘De Heere wilde mij niet zo laten voortleven. Er gebeurde in ons gezin iets ernstigs.’

Jan, de oudste broer van Anna, wordt namelijk ernstig ziek. De eenentwintigjarige jongen blijkt ‘vliegende tering’ [extra-pulmonale tuberculose, vK] te hebben. Voor de zieke is het in het grote gezin veel te druk. Daarom worden de kinderen zoveel mogelijk bij ooms en tantes ondergebracht. Anna gaat zolang naar haar tante Cor en oom Leen. Daar zal ze uiteindelijk drie weken logeren.

Als jong meisje krijgt Anna veel indrukken mee. Oom Leen en tante Cor kennen beiden een verborgen leven aan de troon der genade. Velen van Gods volk komen bij hen over de vloer. Predikanten die in Tholen of in de omliggende gemeenten op het eiland preken, overnachten bij hen. Vooral ’s zondagsavonds is er dan vaak gezelschap. De indrukken van het ware leven der genade probeert Anna echter te onderdrukken. Vaak is ze ondeugend en vertoont ze met haar gedrag niet de minste indrukken te hebben. Haar tante waarschuwt er haar gedurig voor, op een ernstige wijze.

Blijvende indrukken

Thuis hoort Anna nooit eens spreken over het leven met de Heere. Haar ouders zijn helemaal niet bezig met het zielsbehoud van zichzelf en dat van hun kinderen. Na een ziekbed van drie weken sterft Jan, de broer van Anna, op tweede paasdag 1914.

Na de begrafenis van haar broer keert Anna terug naar huis, maar daar heerst een verdrietige en ernstige stilte. Niemand heeft oog voor de mooie cadeaus die Anna meekreeg van haar oom en tante. Ze hoort wel dat haar broer op zijn sterfbed de Heere heeft gesmeekt om behoudenis ‘om Christus’ wil’. Tegen zijn moeder had hij gezegd: ‘Och moeder, als ik onbekeerd oud zou worden, dan kan ik beter nu sterven.’

Jan had ook naar oom Leen gevraagd, maar zijn moeder liet hem niet halen. Was het valse schaamte, of kwam het voort uit vijandschap? Anna weet het niet. Dat moeder oom Leen niet had laten roepen, vindt Anna heel erg voor haar zieke broer. Zij was bij oom Leen en tante Cor vaak ondeugend geweest, terwijl haar ernstig zieke broer graag oom Leen aan zijn ziekbed had gewenst.

Een andere broer van Anna, Johannes, is negentien als Jan sterft. Vanaf dat moment laat hij zich niet meer zien in de herberg. Zijn levenswandel wordt ernstig. Van zijn spaargeld koopt hij voortaan goede boeken, waarvan Anna later ook dankbaar gebruikmaakt.

Voor Jans sterven waren er bij Anna thuis geen goede boeken te vinden. Vader had weleens van iemand De Christenreis van Bunyan geleend, maar veel tijd om te lezen was er niet. Doordeweeks eiste de visserij immers alle aandacht op. ’s Zondags gingen ze naar de kerk en zongen ze thuis weleens een psalmversje met elkaar. Het sterven van Jan zorgt echter voor een ommekeer in het gezin van Jacob en Elizabeth Schot.

De ernst van het leven dringt niet alleen het dijkhuisje aan de Kruittoren door, maar is ook voelbaar in het gewoel der volkeren. Berichten over de dreiging dat Nederland evenzeer bij de Eerste Wereldoorlog betrokken kan raken, bereiken ook het anders zo rustige vissersstadje Tholen.

Een luisterend oor

Voor haar tiende verjaardag krijgt Anna een mooie doos van oom Leen en tante Cor. De doos is versierd met kleine schelpen. Anna had de kartonnen doos al zien staan in het winkeltje van haar oom, en tante had beloofd dat Anna de doos mocht komen ophalen als ze jarig zou zijn.

Als oom Leen haar de doos overhandigt, zegt hij met een ernstig gezicht tegen haar: ‘En gedenk aan uw Schepper in de dagen uwer jongelingschap, eer dat de kwade dagen komen en de jaren naderen, van dewelke gij zeggen zult: Ik heb geen lust in dezelve.’ Anna merkt aan de waarschuwingen van oom en tante dat ze haar betrekken in hun gebeden. Als Anna op een middag alleen met haar moeder in huis is, stapt er een vertegenwoordiger van een wolfabriek uit Veenendaal binnen. Haar broers en zussen zijn naar school of aan het werk. Elizabeth heeft voor in haar woning een kledingwinkeltje. Met haar naaiwerk verdient zij op die manier iets bij.

De vertegenwoordiger in wol en sajet luistert aandachtig als Elizabeth vertelt over het sterfbed van haar oudste jongen. Op zijn beurt vertelt hij ook een verhaal over een sterfgeval als gevolg van het indrukken van de borstkas. Anna luistert er vol aandacht naar, totdat ze wordt ontdekt en door haar moeder naar school wordt gestuurd.

Na schooltijd speelt ze met een paar klasgenoten in een grote, grove houten bak waarin grind wordt bewaard. Dat grind wordt gebruikt om gaten in de weg mee op te vullen. Het gaat er tijdens het spel nogal wild aan toe. Ten slotte ligt Anna in het grind en veel jongens en meisjes laten zich boven op haar vallen.

Als Anna ’s avonds in de bedstee ligt – ze liggen daar met z’n drieën in – kan ze de slaap maar niet vatten. Steeds weer moet ze denken aan het verhaal dat de vertegenwoordiger vertelde over een sterfgeval ten gevolge van een ingedrukte borst. ‘Had moeder niet verteld van mijn broer over zijn benauwdheid op de borst die opkwam?’

Anna krijgt het steeds benauwder in bed. Ze bekijkt haar hand. Is die nu ook al opgezwollen, net zoals de handen van Jan …? Stilletjes glipt ze uit de bedstee. In het lamplicht bekijkt ze haar handen. ‘O, ik moest ook sterven en onbekeerd dat wist ik wel.’

Boven aan de trap vraagt ze aan haar moeder om een beetje water. Moeder belooft dat haar zussen dat mee naar boven zullen nemen als die straks naar bed gaan. Voordat Anna weer in de bedstee kruipt, valt zij op haar knieën en smeekt God of ze mag blijven leven, dan zal ze zich bekeren.

‘Dat ben ik nooit meer kwijtgeraakt. Bekeerd worden moest ik en ik wist geen andere weg dan van doen en laten.’

Anna’s ouders hebben hun kinderen nooit geleerd om ’s morgens, voor het opstaan, te bidden. In een oud leesboekje vindt Anna een morgengebed. Voortaan bidt zij dat gebedje als ze wakker wordt. Gestaag breidt het gebed zich uit. De nood van haar onsterfelijke ziel en andere zorgen krijgen een vaste plaats in het eenvoudige kindergebedje, daar op de zolder van de kleine woning.

Dat morgengebed leert Anna ook aan haar zusje en broertjes. Die moeten ook bekeerd worden.

Anna vindt het jammer dat zij niet op een christelijke school zit. Twee nichtjes van haar gaan wel naar de pas opgerichte school. Ze denkt: ‘Als ik ook op die school zou gaan, dan zou ik eerder bekeerd zijn.’ Op de catechisatie kunnen haar nichtjes veel meer vragen beantwoorden. Anna kijkt hoog tegen hen op. Ze vraagt aan de Heere of zij ook naar die christelijke school mag.

Oorlogsdreiging

De ernst van de prediking te midden van het oorlogsgeweld benauwt Anna. ‘Want dan kwam de dood zo dichtbij en dan onbekeerd.’ Ze zou zichzelf wel willen verbergen in een diepe put, om zodoende voor God weg te kruipen. ‘Want ik probeerde mij wel te bekeren, maar ik kon de zonden niet laten. En was die God er nu maar niet geweest Die de zonden zou straffen, dan zou ’t niet zo erg zijn dat je zondigde, maar die God was er en Die wist en zag alles. O, die eeuwigheid, daar geen eind aan was, wat was mij dat bang. Maar ook de heiligheid Gods en de rechtvaardigheid des Heeren, die geen enkele zonde kon verdragen, o, wat verschrikten ze mij. Daar kon ik niet aan beantwoorden. O, de liefde tot het kwade en de gezette vijandschap. Wat was ze ook in mij. Ik kon boven de zonde niet uitkomen en die diepe put die ik in mijn gedachten aan ’t graven was, kon mij van die toorn Gods niet redden, want de aarde zou door vuur vergaan en dan baatte die put in de grond ook niet.’ Anna probeert de zonde te laten en oppassend en netjes te leven. Dat houdt ze niet voor zichzelf. Haar vrienden en vriendinnen spreekt ze aan op hun verkeerde gedrag en ze spoort hen aan om het goede te doen. Op een dag gaat het echter helemaal mis.

Eens pelt Anna met een aantal jongens en meisjes mosselen. Dat gebeurt in een loods. Om daar te komen, moeten ze langs een paar volkstuintjes. In die tuintjes staan ook appelbomen. Als de jongelui over een sloot springen, kunnen ze precies bij de rijpe appels komen. Eén boompje wordt helemaal leeggeplukt, maar daar blijft het niet bij. Ook een bedje met wortels wordt uit de grond getrokken en die wortels worden opgegeten. Dat doen Anna en de anderen niet om hun honger te stillen, maar uit baldadigheid.

Als Anna vele jaren later de eigenaar van de appelboom ziet lopen, klaagt deze daad haar nog aan. ‘Vast heeft die man gevloekt, toen hij het boompje leeg zag, want het waren roomse arme mensen.’

Anna is van huis uit niet gewend om op tweede feestdagen naar de kerk te gaan, maar de ouders van haar vriendin denken daar heel anders over. In die mensen ligt een ander leven. Zij bezoeken dan ook op tweede feestdagen trouw de kerkdiensten. Anna zorgt er echter voor dat haar vriendinnetje niet mee naar de kerk kan. De meisjes spelen die morgen buiten. Jaren later smart het Anna nog dat zij haar vriendinnetje destijds uit de kerk hield. ‘O, had ik ze die morgen niet uit de kerk gehouden dan was ze misschien wel bekeerd geworden. Nu kan ze mij aanklagen en zeggen dat ik haar verleid heb tot ongehoorzaamheid aan God en haar ouders.’

Dienstmeisje van oma

Anna is twaalf als zij van school gaat. Haar ouders stellen nog voor om door te leren, zodat zij later verloskundige kan worden, maar daar heeft Anna geen zin in. Het is bij haar thuis ook helemaal niet gebruikelijk om door te leren.

Al vanaf haar tiende haalt Anna boodschappen voor opa en oma Schot. Vanaf nu helpt ze haar oma drie keer in de veertien dagen met de schoonmaak. Voor een dag werken krijgt ze één gulden. Voor boodschappen doen ontvangt ze vijftig cent.

Als Anna veertien is, wil ze aan de slag als dienstmeisje. Het vorige dienstmeisje is een nicht van Anna. Voor die nicht is het echter onverdraaglijk dat Anna haar plaats gaat innemen. Zij weet de mensen bij wie zij dient zódanig te beïnvloeden dat er voor Anna geen plaats meer is in de huishouding. Anna’s moeder wil er geen ruzie om maken en daarom blijft alles bij het oude. Anna blijft gewoon drie dagen bij haar grootouders werken. De overige dagen helpt ze haar moeder. Die leert haar hoe ze een huishouden draaiend moet houden en geeft haar naailes. Het is maar gelukkig dat opa en oma Schot twee huizen verderop wonen. Opa Benjamin Willem Schot heeft een goedlopende mosselhandel. Aan de Kruittoren laat hij vijf huizen bouwen.

Zaligmakende overtuigingen

De Heere laat Anna niet los. Meer en meer wordt ze overtuigd van zonde, van gerechtigheid en van oordeel. Het liefst beluistert ze een prediking waarin het ernstige oordeel over de zonden naar voren komt. Vroeger liep ze na schooltijd met haar vriendinnen nog wel eens door het dorp, maar daar heeft ze nu geen zin meer in. Ze leest liever een goed boek.

Van haar spaargeld schaft zij De Christenreis naar de eeuwigheid van John Bunyan aan. Plat op de zolder ligt Anna ’s avonds in het licht van een klein petroleumlampje te lezen. Ook leest ze graag Een woord op zijn tijd van ds. B. Smijtegelt of Het zien op Jezus van Isaac Ambrosius. Het waren de boeken van haar overleden broer Jan.

’s Zondagsavonds zoekt Anna het liefst de rust en de eenzaamheid van de achterkamer op. Met haar jas aan tegen de kou verdiept ze zich in een boek over het leven en de bekering van Christiaan Salomon Duijtsch, een bekeerde Jood. Als moeder haar zo ziet zitten, zegt ze hoofdschuddend: ‘Wat begin je toch, zo koud hier.’ De kou vindt Anna echter helemaal niet erg. Ze geniet van de nagelaten preken van ds. Johannes Claessen over Job, en van de preken over Micha 5:4 en 5 van ds. A. Hellenbroek.

‘Moeder had medelijden met mij en zei: “Komt toch binnen zitten, je zal nog sterven van de kou.”’

In het kleine huisje wordt gewoekerd met de ruimte. Er is dan ook niet veel plaats om zich af te zonderen. Op zolder staan vier tweepersoonsbedden. Beneden zijn twee bedsteden met een kribbe voor de allerkleinsten. Als haar jongere broertjes en zusje naar bed worden gebracht, zoekt Anna ook haar slaapplek op. Daar probeert ze dan te bidden voordat de oudere kinderen naar boven komen. Ze bidt en huilt ’s nachts vaak met haar hoofd in het kussen, zodat de anderen niet wakker worden. Veel heeft Anna te belijden en te vragen aan de troon der genade.

Anna en haar zussen mogen van vader geen romans lezen. Als hij toch romannetjes vindt, belanden die direct in de kachel. De kinderen lezen allemaal graag. Zo kan het gebeuren dat het weleens muisstil is in de huiskamer.

Onbekeerd verklaard

Eens is het feest in de stad. Anna wil daar eigenlijk niet heen. Het is weliswaar een geoorloofd feest, maar zij gaat liever uit haar werk meteen naar huis. Opa Schot geeft haar echter wat geld mee en uit nieuwsgierigheid gaat ze toch naar het feest toe. In de draaimolen blijft ze net zolang zitten tot haar geld op is. Als ze thuiskomt, is Anna verdrietig. Niet omdat haar geld op is, maar omdat ze opnieuw moet beginnen te proberen om zonder zonden te leven.

Een andere keer is er ’s avonds muziek in de straat. Normaal gesproken zou ze daar nooit naartoe gaan. Die avond gaat Anna echter wel. Ze wil namelijk dolgraag een bepaalde jongen ontmoeten. De avond loopt op een teleurstelling uit, want de betreffende jongen kijkt helemaal niet naar haar om. ‘Die teleur-stelling was niet zo erg, maar o, die afwijking. Ik vorderde dan niet, maar ging achteruit in mijn schatting.’

Anna gaat graag naar de kerk. De zondagmiddagdiensten slaat zij ook niet meer over en als er doordeweeks een predikant in de gemeente voorgaat, hoort Anna dikwijls tot de luisteraars. De bid- en dankdagen ervaart Anna als een feest. ‘Ja, dikwijls waren die preken voor mij veroordelend, want ik was onbekeerd, maar toch was er ook wel eens iets bemoedigends in, dat mij weer deed voortgaan. Want ook als de leraar in zijn toepassing mij onbekeerd verklaard had, deed het mij te sterker tot God roepen om bekering.’

Met de wereld kan Anna niet langer mee. De Heere neemt ook de lust weg uit de omgang met haar vriendinnen. Voor de omstanders probeert ze nog wel iets te zijn, maar vanbinnen ligt het bij haar zo gans verloren. Anna’s moeder vindt het niet fijn om te zien dat haar dochter loopt te tobben. Zeker niet nadat een buurvrouw al eens heeft gevraagd of Anna wel helemaal bij haar verstand is. Anna’s zus, Betje, heeft namelijk geen verstand. Betje is zeventien maanden ouder dan Anna, maar lopen of praten kan ze niet. Vaak is ze erg benauwd.

In het voorjaar van 1916 wordt Betje bedlegerig. Haar benauwdheid neemt wel wat af, maar ze eet in het geheel niet meer. Stilletjes ligt ze in de bedstede. Vaders broer Daniël en zijn halfbroer Jan komen ’s zaterdagsavonds even kijken hoe het met hun zieke nichtje gaat. Als moeder de mannen voorgaat naar de bedstede, lopen Anna en haar broertje Daniël mee naar Betjes slaapkamer. ‘Kijk, ze ligt er zo stil,’ zegt moeder bezorgd. Betje opent haar ogen en kijkt hen helder aan. Dan strijkt ze met haar hand over haar hoofd, alsof ze iets wegveegt en blaast zo haar laatste adem uit. Het is voor de elfjarige Anna de eerste keer dat zij iemand ziet sterven.

Oom Daniël heeft het ook allemaal met verwondering aangezien. Hij zegt: ‘Ik geloof zeker dat het kind naar de hemel is; zó heb ik nog nooit iemand zien sterven, zo rustig.’ Betje is slechts dertien jaar geworden.

Het sterven van Betje laat Anna niet meer los. Ze wordt er neerslachtig van als het haar steeds maar niet lukt om te leven overeenkomstig de heilige wet des Heeren. Soms lukt het een dag, dan is ze opgeruimd van gemoed, maar vaak is het anders. Met hete tranen beweent zij haar bedreven zonden.

Een veelbetekenend predikant

Op de biddag van het jaar 1920 preekt ds. J. Fraanje uit Barneveld in Tholen. Anna komt na de kerkdienst ongelukkig en onbekeerd thuis. ‘Dat leert mij dat ook ik wel eens dacht bekeerd te zijn, hoe ongelukkig ik doorgaans was, toch al ergens op rustte.’ In de eenzaamheid ligt ze die avond op haar knieën. De duivel fluistert haar in: ‘Nu heb je zolang geprobeerd om bekeerd te worden en het lukt je toch niet, wees wijzer en doe als de anderen, ga van de wereld genieten, dan heb je nog wat.’

De duivel probeert Anna te verleiden, maar door genade mag ze hem antwoorden: ‘O neen, al kan ik dan nimmer bekeerd worden, zo wil ik toch nimmermeer de wereld in om daarmee te leven.’

Het is voor Anna een verrassing als haar vader een aantal oude boeken meebrengt naar huis. Die heeft hij gevonden op een oude zolder. Het boek van Wilhelmus Temminck, Geestelijke dagweek- en jaarmarkt, neemt Anna stilletjes mee naar haar kamertje. Van haar werktijd snoept zij weleens een halfuurtje af om dat boek te kunnen lezen. ‘’k Moest toch iedere dag bedden opmaken, was toen heel wat anders dan nu, schudbedden, alles er afhalen, opschudden en weer opmaken. Dan heb ik mijn eigen bed dikwijls overgeslagen en maar wat rechtgetrokken om wat tijd uit te sparen.’

Een leven in de afzondering

Anna zondert zich steeds vaker af van haar broers en zussen. Tussen haar en haar moeder komt het nogal eens tot een botsing. ‘Ik had veel vaders karakter, stil ons eigen weg gaan, daar kwam bij, mijn vrees en veel benauwdheid wat ik probeerde te verbergen en mij nog stiller maakte.’ Het vijfde gebod wordt steeds weer overtreden. ‘Ik was voor moeder geen prettig gezelschap, wat ze ook wel eens zeide. Dan kon ik daarover wel eens bedroefd zijn, maar ook kon ik daarover wel eens boos en driftig worden.’ De Heere spreekt tot haar ziel: ‘Want die de ganse wet zal houden en in één struikelen, die is schuldig aan alle.’

Ze zegt echter nooit eens tegen iemand wat haar ten diepste bezighoudt. Haar vrees en benauwdheid probeert ze te verbergen, maar dat maakt haar alleen maar stiller.

Alle hoop om behouden te worden ontvalt Anna. ‘Daar stond ik voor de Heere aan alle geboden schuldig, daar was in mij geen weerwoord meer, geen beloven meer om het beter te maken. ’k Had het nu al zolang geprobeerd en al zover gevorderd, slechts één gebod waarin ik struikelde bij ogenblikken. Schuldig, zonder hoop, geen vragen meer. O, hoe zal ik de Heere prijzen, Die mij daar zag staan? Wat geen mens bemerkte, Hij liet mij niet vergaan en gaf mij niet over aan de wanhoop, maar opende mijn blinde zielsogen en liet mij zien, door het geloof, de Heere Jezus, Die in een knechtelijke gestalte op aarde de ganse wet volbracht en die heilige wet volmaakt, volkomen verheerlijkt had en dezelve opbracht aan de Vader. Nu mankeerde daar niets meer aan: de Vader nam daar genoegen in. Wat was mij dat een Goddelijke openbaring.’

Anna is er verwonderd over. Ze heeft heel wat afgezwoegd om aan de eis van de wet te voldoen, maar het was steeds weer een onmogelijkheid gebleken. Nu valt het zware zondepak van haar schouders af. Wat een vrijheid smaakt haar ziel. ‘Ik heb Gode lof toegebracht voor de onuitsprekelijke genade.’

Ook voor haar ouders, broers en zussen is de verandering merkbaar. Anna vertelt er echter nog niets over tegen anderen. Verblijd mag ze haar werk doen. ‘Nu meende ik zo ten hemel in te gaan en huppelde over de aarde.’ Op straat begroet ze een jongen, zó blij dat hij zegt: ‘Zo, ik geloof dat de zon schijnt.’ Ongetwijfeld merken opa en oma het ook, maar ze laten niets merken aan Anna. De satan vergeet haar echter niet.

De satan vergeet haar echter niet. Vrij en blij mag ze haar knieën buigen, maar naast haar staat satan, die tegen haar zegt: ‘En toch ben je van mij.’ Waarop Anna mag zeggen: ‘O neen, nooit zult ge mij meer hebben!’ Wat is die eerste liefde teer en oprecht. Anna denkt geen zonde meer te hebben, daarom wordt het haar benauwd om in de wereld te leven, waar de zonde immers wel heerst. Ze vraagt gedurig aan de Heere om te mogen sterven om van de zonde af te zijn, maar ze merkt dat dit gebed geen doorgang heeft. Later wordt ze eraan ontdekt dat het alleen over haar dadelijke zonden ging. Van de erfzonde of van de algehele verdorvenheid weet Anna in die tijd niets af.

Want gij zijt duur gekocht

Een nieuwe jurk voor de zondag brengt de nodige worstelingen met zich mee. Hoewel de mode op Tholen heel eenvoudig is, is het Anna’s wens om iets nóg eenvoudigers te dragen. Anna’s moeder loopt altijd in de Thoolse rouwdracht. De rouwperiodes worden door moeder stipt nageleefd. De vele sterfgevallen binnen de familie zorgen ervoor dat Anna haar moeder nooit in een andere dracht ziet.

Anna wil graag een jurk van donkerblauwe stof. Maar de zwarte garnering wil zij niet dragen. ‘Ik wou en zou bekeerd worden en dan wou ik niet wereldgelijkvormig zijn.’ Tegen haar moeder is Anna daar niet helemaal eerlijk over. Ze vertelt haar dat ze de garnering niet wil dragen, maar de werkelijke reden ervan verzwijgt ze. Wat in haar hart leeft, houdt ze dan ook maar stil voor zichzelf.

Anna vraagt aan haar moeder of zij verpleegster mag worden. Als ze verpleegster was, dan zou ze dankzij het verpleegstersuniform geen last hebben van de mode. Misschien kan ze dan met zieke mensen méér spreken over het werk van de Heere. Haar ouders vinden het echter beter dat ze thuis blijft. De Heere heeft een andere taak voor Anna weggelegd.

Als Anna aan het werk is, klinkt het opeens in haar hart: ‘Want gij zijt duur gekocht; zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn.’ Het is de eerste keer dat er ‘een Woord Gods tot mij kwam’. Ze krijgt er onderwijs uit dat ze voorzichtig moet wandelen en de Heere in alles om raad moet vragen.

‘Nu moet ik er nog bijvoegen dat het ‘duur gekocht’ voor mij toen niet die waarde had die het waarlijk heeft.’ Dat wordt pas vele jaren later een onuitsprekelijk groot wonder voor Anna. ‘Toen wist ik nog niet waarvan ik vrijgekocht moest worden en hoe ik vrijgekocht moest worden en wat de prijs tot die vrijkoping was.’

Moeders ziekte

Anna is achttien als ds. J. Fraanje het Avondmaal in Tholen bedient. Ze maakt de avondmaalsviering voor het eerst bewust mee. Eraan deelnemen kan ze niet, omdat ze nog geen belijdenis heeft gedaan.

Moeder vat kou op haar borst en hoest veel. Haar taak in het gezin en haar werk als naaister laat moeder echter niet gemakkelijk aan anderen over. Ze blijft dan ook zolang mogelijk haar werk doen. Vanwege het vele hoesten houdt ze haar eten slecht binnen, zodat ze al meer verzwakt. Anna en Maatje, haar jongste zus, zorgen voor de huishouding als moeder al zieker wordt. Vier broers wonen nog thuis. De anderen zijn inmiddels getrouwd. Als er bij een zus een baby wordt geboren, moet Maatje daar gaan helpen. De huishoudelijke taak komt dan helemaal op Anna neer.

Met Pasen vat Anna kou. Ze hoest bloed op. Ze probeert dat zolang mogelijk te verbergen, om haar ouders dat verdriet te besparen. Uiteindelijk moet ze toch naar een dokter toe; ze mag geen zwaar werk meer doen. Daarom bezoekt ze een arts van wie ze verwacht dat die haar juist géén rust zal voorschrijven, want dat is onmogelijk nu moeder zo ziek is. Een getrouwde zus komt haar helpen met het zware huishoudelijke werk, want Anna wordt steeds zieker. Zenuwachtig wordt ze niet van het ophoesten van bloed. Haar oudste broer is immers ook jong gestorven. ‘Ik dacht dat ik mijn wens zou verkrijgen.’

Iedere week moet zij naar de dokter toe. De vooruitgang die hij constateert, is helemaal niet naar Anna’s zin. Het is juist haar begeerte om bij God te mogen zijn.

Belijdeniscatechisatie

Door haar ziekte kan Anna geen catechisatielessen volgen. Tegen een ouderling die op ziekenbezoek komt, zegt moeder: ‘Zij moet van ’t voorjaar zich maar laten aannemen, ze is oud genoeg.’

Na een rustperiode knapt Anna weer op. Haar moeder leert haar het naaiwerk, zo goed en zo kwaad als het gaat. Anna maakt daarin aardige vorderingen, zodat moeder na een dag hard werken waarderend tegen haar zegt: ‘Je vader is blij dat het zo goed met je gaat, dan heeft hij toch nog een huishoudster.’

Moeder krijgt sinds enkele weken poeders van de nieuwe huisarts. Na het gebruik van zo’n poeder valt ze in slaap en wordt niet meer wakker. Het is donderdag 9 december 1926 als Anna’s moeder Elizabeth Jozina aan tuberculose sterft. Ze is dan nog maar vijfenvijftig jaar.

Op maandag 13 december wordt haar stoffelijk overschot uitgedragen. Ernstig klinken de woorden van de voorganger aan de geopende groeve: ‘Wij kunnen zeggen: Hier wordt begraven een huisvrouw, doch we kunnen niet zeggen: Volgt haar gelove na.’


Gouden straten

Ook weet ik dat mijn tante mij een keer apart nam en ernstig sprak over de schoonheid en heerlijkheid des hemels, gouden straten, paarlen poorten en of ik geen zin had naar die plaats te gaan, maar neen, dat kon mij niet bekoren en ik was blij dat ik weer bij haar vandaan kon om met anderen te spelen. Thuis hoorde ik immers nooit over zulke dingen spreken. Neen, dat gebeurde alleen bij bekeerde mensen. Zo heb ik het altijd ervaren: wat ouders voor zichzelven niet zoeken, kunnen ze ook niet voor hun kinderen zoeken

Dit artikel werd u aangeboden door: Oude Paden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 2017

Oude Paden | 64 Pagina's

Altijd dienende

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 2017

Oude Paden | 64 Pagina's