Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De ware vrijheid

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De ware vrijheid

Een bevindelijk-gelovige vrouw reageert op De hut van oom Tom

20 minuten leestijd

De bevindelijk-gelovige vrouw uit de titel van dit artikel is de schrijfster Ida Los-Bonten (1812-1869). In Oude Paden van december 2014 werd zij voorgesteld onder het hoofd ‘Koninklijke belangstelling voor een boekje van een bevindelijkgereformeerd schrijfster’.

Mevrouw Los publiceerde onder de schuilnaam ‘Johannes’ bij onder meer haar echtgenoot, de Dordtse boekverkoper P. Los Gz. (1815-1888). Van één van haar bij hem onder pseudoniem verschenen boeken, Blikken in de hut van oom Tom, is geen exemplaar aanwezig in een Nederlandse openbare collectie. Dankzij digitaal speurwerk op het wereldwijde web kon worden vastgesteld dat het boek is opgenomen in The University of Iowa Libraries en klaarblijkelijk behoort tot de Nederlandstalige geschriften die ten gevolge van de emigratie in de negentiende eeuw van vele Nederlanders naar de Verenigde Staten in Amerikaanse bibliotheken zijn terechtgekomen. Voor raadpleging van Johannes’ ‘verdwaalde’ boek was geen reis overzee noodzakelijk. Dankzij een gescande versie was het mogelijk het op het beeldscherm te lezen en zo het karakter en de betekenis ervan vast te stellen. In dit artikel breng ik die aan het licht na eerst het boek voorgesteld te hebben.

Reactie op een Amerikaanse bestseller

Blikken in de hut van oom Tom, in de christen- en in de heidenwereld, om mij heen en in mij zelve verscheen in 1853. Het was een reactie op het in 1852 in Amerika gepubliceerde boek Uncle Tom’s Cabin or Life among the Lowly van de hand van Harriet Beecher Stowe (1811-1896), dat niet alleen in de Verenigde Staten, maar ook in Europa diepe indruk maakte en al spoedig vertaald werd. Johannes maakte gebruik van een Franse vertaling. In Nederland werd het boek vanaf november 1852 in afleveringen onder de titel De negerhut (Uncle Tom’s cabin). Een verhaal uit het slavenleven in Noord-Amerika door A.C. Kruseman te Haarlem op de markt gebracht in een vertaling van C.M. Mensing. Het voor volwassenen geschreven boek werd al in 1853 door Van Druten & Bleeker te Sneek in een voor de jeugd bestemde, door de broodschrijfster A.G. Bruinses, pseudoniem van J.J. Beckering (1821-1855), verzorgde uitgave gepubliceerd met als titel Een kijkje in de hut van oom Tom door tante Marie, voor hare neefjes en nichtjes [...].

De negerhut was een ongekende bestseller. Ook in Nederland. Sedert 1853 verscheen Beecher Stowe’s aanklacht tegen de slavernij in talloze edities en bewerkingen. Nog in 2005 kwam bij de Amsterdamse uitgeverij Athenaeum–Polak & Van Gen-nep een geheel nieuwe vertaling van De hut van oom Tom van de pers. Het gebruik van ‘neger’ in de titel was inmiddels taboe verklaard vanwege het eraan klevende racisme.

Johannes’ Blikken in de hut van oom Tom is geen bewerking van mevrouw Beecher Stowe’s boek en evenmin een obligate beoordeling. Het is, zoals ik zal laten zien, een opmerkelijke reactie op de bestseller, een boek met een geheel eigen doelstelling, interessant genoeg om het 165 jaar na publicatie van het stof te ontdoen.

Het prospectus van de uitgever en de intentie van de schrijfster

De verschijning van De negerhut bracht op indringende wijze de gruwelen van de slavernij onder de aandacht van het Amerikaanse en het Europese lezerspubliek en gaf een sterke impuls aan de anti-slavernijbeweging, ook in Nederland, onder meer bij de sinds 1842 bestaande Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering van de Afschaffing der Slavernij. Pieter Los, de uitgever van Blikken in de hut van oom Tom, was blijkens zijn brief van 28 februari 1854 aan de Amsterdamse Reveilman mr. H.J. Koenen, aangehaald in Oude Paden van juni 2017 (blz. 16), lid van de Maatschappij en toentertijd een uitgesproken vertegenwoordiger van de anti-slavernijbeweging. Los’ uitgave heeft in Nederland in geen bibliotheek de tijd overleefd, zo werd vastgesteld. Het door hem ter gelegenheid van de verschijning van Johannes’ ‘werkje’ over oom Tom opgestelde prospectus daarentegen is wel beschikbaar in een Nederlandse bibliotheek. Het laat zien hoe Los Blikken in de hut van oom Tom aanprees als een anti-slavernijgeschrift. Op de achterzijde van het prospectus merkt hij onder meer op:

De Schrijfster erkent dat de slavernij, gelijk zij ook in de Nederlandsche Koloniën bestaat, onvereenigbaar is met de voorschriften, den geest en de strekking van Gods Heilig Woord; dat eene vruchtbare Evangelie-Prediking door de instandhouding der slavernij wordt belemmerd; dat eene waarlijke heilzame vrijlating moet plaats hebben naar Christelijke beginselen en met Christelijke opleiding gepaard gaan, en dat bij de afschaffing der slavernij, het punt der schadevergoeding in het oog moet worden gehouden.

Los presenteert Johannes’ geschrift als een pamflet ‘ter bevordering van de afschaffing der slavernij’. Dat is het boek in werkelijkheid maar zeer ten dele. Onmiskenbaar is dat Johannes de slavernij verafschuwde en zij beoogde ‘een enkel penningske’ te offeren ‘op het altaar der menschenliefde, blijkbaar met zulke reine bedoelingen door Mevrouw beecher stowe opgerigt’ (blz. 2). Haar bedoeling reikte echter verder. Wie kennis neemt van haar geschrift, ontkomt niet aan de vaststelling dat het slechts tot op zekere hoogte voldoet aan de beschrijving in het prospectus en het Johannes’ primaire intentie was een portret te schetsen van de echte christen, de bekeerde mens.

De inhoud

Blikken in de hut van oom Tom is in eerste plaats de reactie van een bevindelijk-gelovige vrouw op de door mevrouw Beecher Stowe beschreven geschiedenis van Tom. Het meeste van wat in Uncle Tom’s Cabin verhaald wordt, blijft overigens buiten beschouwing in Johannes’ geschrift. Van de optredende personen geniet alleen Tom bijzondere interesse. Johannes is diep onder de indruk van hem. Voor haar is hij geen romanfiguur, maar een intimus, een medemens, bij wiens leven en dat van zijn lotgenoten zij zich emotioneel betrokken voelt. ‘Ik had, bij het lezen van mevrouw Beecher Stowe’s boek’, zo deelt zij mee, ‘zoo veel op met Tom’ en ‘zoo veel medelijden met die arme slaven, ik sloeg zulk eenen diepen blik in hun ellende, ik gevoelde zoo levendig dat zij mijne broeders waren’ (blz. 114). Regelmatig spreekt zij Tom persoonlijk toe in de tweede persoon, haar woorden inleidend met: ‘O TOM!’ Hij vertegenwoordigt voor haar de echte christen.

Blikken in de hut van oom Tom biedt echter meer dan een kennismaking met Tom. In een groot deel van het boek is hij zelfs afwezig of slechts zijdelings present. De ‘confrontatie’ met Uncle Tom’s Cabin prikkelde Johannes – in de tweede helft van de titel brengt zij het onder woorden – om met Tom als uitgangspunt haar wereld- en mensbeschouwing uiteen te zetten en zich in haar hart te laten kijken.

In ongeveer een derde deel van het boek richt Johannes de aandacht op zichzelf. Door persoonlijke ontboezemingen laat zij zich kennen als een kunstzinnige vrouw – zij speelt piano (blz. 90-91) – en geeft zij uiting aan de gevoelens, verwachtingen en aarzelingen die bij haar, de ‘eenvoudige burgervrouw’ (blz. 117) die het waagt zich als schrijfster te manifesteren, leven. Zij voelt zich gedrongen de pen op te nemen. Als diepgelovige vrouw acht zij zich geroepen haar orthodoxe geloof te belijden, ook ten overstaan van wie meewarig reageren, wanneer zij openlijk erkent ‘in leven en sterven’ haar hoop en vertrouwen uitsluitend te stellen op wat door velen wordt getypeerd als ‘die harde bloedleer’, het geloof in het ‘schuldverzoenend lijden’ van Jezus Christus (blz. 91).

De geschiedenis van Tom in het kort

Johannes geeft geen introductie in mevrouw Beecher Stowe’s boek. Evenmin stelt zij de daarin ten tonele gevoerde personages voor. Zij veronderstelt dat haar lezers de geschiedenis van Tom kennen. Die kennis zullen de lezers van Oude Paden niet, althans niet in detail, paraat hebben. Om Johannes’ interpretatie te begrijpen is ze nodig. Om die reden stel ik, voordat ik inga op haar geschrift, Tom voor en beschrijf ik in vogelvlucht zijn lotgevallen.

Tom is een Amerikaanse slaaf die zich tot het christendom heeft bekeerd. Hij is een eerlijk mens en een trouwe en harde werker. Hij heeft het getroffen met zijn meester, de heer Shelby, plantagehouder in Kentucky. Vanwege financiële problemen is zijn meester genoodzaakt Tom te verkopen. Hij komt in bezit van de familie St. Clare in New Orleans. Hij heeft het er minstens zo goed als bij Shelby. Dat vergoedt echter slechts ten dele het gemis van zijn vrouw en kinderen, die hij bij de verkoop heeft moeten achterlaten. Tom heeft een bijzondere band met het dochtertje van de familie, Eva St. Clare, met wie hij op de boot naar New Orleans vriendschap sloot, na haar uit het water gered te hebben. Beiden hebben een rotsvast geloof. Eva sterft op jonge leeftijd. Voor haar overlijden heeft zij haar vader ertoe bewogen Tom en zijn andere slaven de vrijheid te schenken. St. Clare komt echter door een tragisch ongeval om het leven voordat hij de daad bij het woord gevoegd heeft. Zijn echtgenote negeert het voornemen van haar man en verkoopt de slaven. Toms nieuwe eigenaar is Simon Legree, een hardvochtige katoenplanter in Louisiana, die zijn slaven afbeult. Hij verwacht veel van de sterke en ijverige Tom en heeft het plan hem tot opzichter te maken. Bij nader inzien acht hij hem voor die taak niet geschikt. Tom komt op voor andere slaven en weigert ze af te ranselen. Uiteindelijk moet hij zijn gedrag met de dood bekopen. In een woedeaanval tuigt de wrede Legree, bijgestaan door twee tot opzichters aangestelde slaven, Tom zo hardhandig af, dat hij na enige dagen aan zijn verwondingen bezwijkt. De zoon van Shelby, George, die geïnformeerd was over de doorverkoop van Tom aan Legree en naar hem op zoek was gegaan, treft Tom nog in leven aan en begraaft hem. Na terugkeer in Kentucky besluit George, die inmiddels de eigenaar van zijn vaders plantage was geworden, zijn slaven vrij te laten.

‘Kind’ en held

Tom is ‘kind’ en held. In die dubbelrol figureert hij prominent in het portret dat Johannes van hem schetst. De typering ‘kind’ is gebaseerd op Mattheüs 18:3, waar Jezus het kind-zijn noemt als de voorwaarde voor de toegang tot het koninkrijk der hemelen (blz. 5). In het bijzonder betoont Tom zich een kind te zijn, een mens ‘nietig en klein in eigen oog’ (blz. 9), in de wijze waarop hij ‘zich met het onbepaaldst vertrouwen aan de leidingen van zijnen hemelschen Vader overgaf, ofschoon die leidingen door hem werden gekend noch begrepen’. Hij onderwerpt zich aan de wil van God, ook al stond die ‘in lijnregte tegenspraak’ met ‘de innigste wenschen en begeerten van zijne ziel’ (blz. 7). Zo liet hij zien een (geloofs)held te zijn. Toen het Tom, in dienst van Shelby, ter ore kwam dat hij zou worden verkocht, greep hij de kans er vandoor te gaan niet aan. Hij ‘gevoelt zich een Christen’. In ‘hem weent het kindeke, maar strijd en overwint de held’ met als resultaat dat hij ‘als een getrouw soldaat op den post [blijft] hem door zijnen Overste aangewezen’ (blz. 11-12).

Tom accepteert het gezag van welke meester dan ook, zelfs de bevelen van de barbaarse Legree, althans ‘in zoo verre zij strookten met het bevel van God’ (blz. 19). Zijn heldenstatus dankt hij aan de hem door God geschonken kracht. ‘Al bezwijkt zijn hart, zijn steenrots is christus, zijn vader is God, de ongeschapen, de vrijmagtige zelve. Aan Zijne hand loopt hij door eene bende, met Hem springt hij over eenen muur’ (blz. 11 [vgl. Ps. 18:30]). Hij leeft vanuit het besef: ‘ik vermag alle dingen door christus, Die mij kracht geeft, Wiens genade mij genoeg is, Wiens kracht in mijne zwakheid zeker zal worden volbragt’ (blz. 12 [vgl. 2 Korinthe 12:9; Filippenzen 4:13]).

Een ware navolger en belijder van het kruis

Tom is ‘de ware navolger en belijder des kruises’ (blz. 4). Hij bezit ‘een beminnelijk karakter’ (blz. 2) en wordt doorstraald door ‘dien geest van zachtmoedigheid en stilheid’ die ‘kostelijk is in de oogen van God’ (blz. 4). Wanneer hij, ‘ontscheurd aan zijn dierbaar gezin’, door de slavenhandelaar gelijk ‘een schaap ter slagtbank geleid’ wordt (blz. 12 [vgl. Jesaja 53:7]), vertoont hij de trekken van Christus. Hij komt niet in opstand en koestert geen haat of wrok. Hij bidt om vergeving voor zijn beulen (blz. 43). Ook weeklaagt hij niet over zijn lot en dat van zijn gezin. Zelfs is hij in staat George Shelby, die hem bij zijn vertrek uit Kentucky ‘een laatst vaarwel’ toeroept, te troosten en hem te vermanen om toch vooral als een waar christen te leven en te handelen. Hij dacht alleen ‘aan zijnen jeugdigen vriend en vergat geheel zichzelve, zoo overwon hij zijnen eigenen geest en was hij, terwijl hij, zacht gelijk een kindeke de gouden lokken van den jongeling streelde, sterker dan een held, die eene stad inneemt’ (blz. 14-15).

De Bijbel als metgezel en bron van hoop

De bron van Toms geloof was de Bijbel. Die maakte ‘de innigste vreugd van den armen neger’ uit (blz. 3). Die voerde hij overal met zich mee, koesterde hij aan zijn ‘boezem’ en maakte hij ‘tot den getrouwen deelgenoot’ van zijn ‘lief en leed’. Onmogelijk was het hem om van zijn Bijbel ‘te scheiden’ (blz. 5), waarin hij ‘van dag tot dag’ las (blz. 19) en die hem ‘in de schoone, beeldsprakige taal der schrift van het schoone Kanaän’ aan ‘gene zijde der Jordaan’ verhaalde, van het land van zijn ‘hoop’ (blz. 5), ‘het heerlijke huis des Vaders’ (blz. 6). Met de jonggestorven Eva deelt Tom het geloof in het bestaan ‘van eene andere wereld, van eenen nieuwen dag, van eenen schooneren morgen’ (blz. 16). Zwaar beproefd, geeft hij ‘zich willig over aan de leiding zijn vaders’ en ziet hij met ‘rood geweend oog’ in de geest ‘de tinnen’ van het nieuwe Jeruzalem, ‘blozende in den gloed van eenen nooit door iemand aanschouwden morgen’ (blz. 18).

Broeder in het geloof

Als een kind van haar tijd typeert Johannes Tom op een wijze die momenteel onder het oordeel ‘racistisch’ valt. Zij noemt hem haar ‘zwarte’ of ‘donkerkleurige vriend’ (blz. 2, 10, 26) en rept van ‘de grove gedaante van zijne donkerkleurige huid’ (blz. 3) en van ‘de grove hand van den neger’ (blz. 14). Zijn kinderen duidt zij aan als ‘kroesharige lievelingen’. Verder betoogt zij dat de meetings, de godsdienstige bijeenkomsten van de slaven, getuigen van ‘het woeste, hartstogtelijke karakter van TOM’s geslacht’ (blz. 26). Tom zelf was echter uit een ander soort hout gesneden, zo laat zij weten. De uitbundigheid, eigen aan de andere slaven, was hem vreemd. De haar sympathieke Tom was een bedachtzaam gelovige. Voor haar was hij, ‘hoe forsch en stout gebouwd’, net zoals voor Eva, niet anders ‘dan een van haar gelijken’ (blz. 7). In de relatie tot God doet huidskleur er niet toe. Tom behoorde tot ‘die kleinen’ die ‘gegraveerd [zijn] in de handpalmen van den Almagtige [vgl. Jesaja 49:16], Die ze lief heeft als het zwart van Zijnen oogappel’ (blz. 6). Voor Johannes was hij een broeder in het geloof.

Een blanke huid is geen garantie voor beschaving

De huidskleur maakt de ene mens niet superieur ten opzichte van de andere. ‘Blank’ is geen garantie voor beschaving en geen indicatie voor de aanwezigheid van ‘vrijheid’ en de afwezigheid van ‘slavernij’. Op verschillende manieren brengt Johannes die waarheid onder het oog van haar lezers. Zij biedt een blik in ‘de hut van oom Tom’ (blz. 21-26), Toms huisje in Kentucky, een nette en opgeruimde woning. Toms gezin schildert zij af als een waarlijk christelijk gezin, eenvoudig, sober levend en gastvrij. In dat verband spreekt zij over de ‘heilzame invloed’ van het christendom (blz. 21). Ook verhaalt zij over de huiselijke godsdienst in de ‘hut’ van Tom. Zijn woning is een trefpunt van gelovigen is, waar de Bijbel opengaat en de lofzang opklinkt.

Van Toms huisje verplaatst Johannes de lezer naar de woning van Willem, een ‘Europeaansche handwerksman’ (blz. 33), en diens vrouw Antje (blz. 27-36). Orde en netheid zijn er onbekend. De kinderen zijn brutaal. Hun ouders maken ruzie om geld. Willem verdient goed, maar toch wordt er armoede geleden omdat de jeneverfles wordt aangesproken. Op zondag wordt de kerk niet bezocht, wel het ‘bierhuis’. De Bijbel staat in huis, maar leeft niet ‘in het hart’. Willem leest zijn kinderen wel de Bijbelse verhalen voor, maar is overigens van mening dat de Bijbel ‘een goed boek is voor de rijken’, niet voor mensen als hij (blz. 31-32). Kortom, het beschreven Nederlandse gezin is in elk opzicht de antipode van Toms gezin in de tijd toen hij nog bij Shelby woonde. Vele Nederlanders blijken in feite ‘heidenen’ te zijn. Als zodanig vertonen zij zich in verschillende gestalten (blz. 66, 124-129). Zij mogen in naam vrij zijn. In werkelijkheid zijn zij gevangen in ‘de slavenboei der zonde’ (blz. 8). In het hoofdstuk ‘Vrijheid, onderwijs, opvoeding’ (blz. 37-51) werkt Johannes die constatering uit.

In het bijzonder plantagehouder Legree is het levende bewijs dat vrij-zijn kan samenvallen met geketend zijn. Hij vertegenwoordigt de mens die ‘in de boeijen der slavernij zoo vast gekluisterd [is], dat hij ons teederst mededoogen, ons innigst erbarmen overwaardig is’ (blz. 40). Hij is een deerniswekkende figuur, ‘geboren als eenre rups, zonder hoop om ooit eenen vlinder te worden’ en ‘zich in ruimer, vrijer lucht te bewegen!’ (blz. 43). Hoezeer hij Tom kwelt en molesteert, slechts diens lichaam bezit hij. Toms ziel had hij ‘op de slavenmarkt niet gekocht’. De prijs daarvoor was ‘lang vóór hem, door Eenen, die meer magt had dan hij, betaald geworden’ (blz. 75). Bovendien lukt het lieden als Legree niet om hem van God af te trekken. Het ‘Kentucky’ van Toms hoop – het land waar Tom ooit heel gelukkig was fungeert herhaaldelijk als aanduiding voor de hemel (bijv. blz. 3, 8, 17) – ‘ligt buiten hun bereik, hun magtwoord heeft dáár opgehouden’ (blz. 9).

De ware vrijheid

Tom is, hoewel hij zich moet krommen ‘onder het juk’, ‘vrij en onafhankelijk’ (blz. 40) en symbool van de werkelijk vrije mens. ‘Vrijheid’ is, zo betoogt Johannes, niet gebonden aan maatschappelijke status, huidskleur of bezit. Wat het laatste punt betreft, illustreert zij dat aan de hand van twee verhalen, het ene over ‘armoede’, het andere over ‘rijkdom’, met als strekking dat rijkdom geen waarborg is voor geluk en armoede niet per se hoeft samen te vallen met de afwezigheid van geluk. Zij benadrukt evenwel dat het het allerbelangrijkste is, of men nu arm is of rijk, dat men ‘een vaste burg’ heeft in ‘Zijnen God’, ‘ruste’ vindt ‘in Zijne beschikkingen’, ‘den laatsten penning’ uitgeeft ‘tot aankoop van den akker, waarin de kostbare eenige schat verborgen ligt’ [vgl. Mattheüs 13:44], want ‘Al de schatten dezer wereld kunnen de verlorene rust niet koopen van eene door zondenschuld bezwaarde ziel’ en slechts ‘door het geloof alleen leert men pleiten op het bloed van Christus [...], en dat bloed alleen [...] kan de kleederen wit maken, waarmeede men den Hemel zal kunnen binnengaan’ (blz. 61 [vgl. Openbaring 7:14]).

De ware christen

Met het aanroeren van de thematiek ‘arm-rijk’, nu tegen de achtergrond van het slavenbestaan als een extreme vorm van armoede waarbij de mens zelfs geen eigenaar van zijn lichaam is, keert Johannes terug naar het onderwerp dat zij twee jaar eerder in Arm en Rijk, besproken in Oude Paden 21/4 (2016), 14-18, geanalyseerd had. In Blikken in de hut van oom Tom herhaalt zij haar eerdere mening: het komt er op aan dat een mens een ‘arme van geeste’ is (blz. 63 [Mattheüs 5:3]). Tom behoort tot die categorie. Bij Johannes zijn het ‘kind’ van Mattheüs 18:3 als toekomstig bewoner van het koninkrijk der hemelen en ‘de arme van geest’, erfgenaam van het koninkrijk, dezelfde. ‘Kind’ en ‘arme van geest’ zijn verschillende benamingen voor de ware christen, de mens die echt vrij is, ook al is hij bezit, omdat hij Jezus Christus toebehoort en het leven in de hemel zijn perspectief is. Zo’n mens was Tom, die wanneer hij met de ‘bijbel opgeslagen op de knieën, in de deemoedige houding van eenen armen zondaar nederzat’, zo verdiept was ‘in de gewijde lektuur’ dat hij alles om zich heen en al wat hem zwaar op het hart lag, zelfs ‘de [aardse] vrijheid, de dierbare vrijheid’, vergeten was (blz. 6). Na verhaald te hebben, hoe Tom zijn beul, Legree, nimmer heeft vervloekt en zelfs voor hem en zijn medebeulen om vergeving heeft gebeden met de woorden: ‘Vader! vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen’ (Lukas 23:34), vervolgt Johannes met:

Maar de zielen die geboren zijn onder den heilzamen invloed van de ware vrijheid en gelijk-

heid van Gods kinderen, hebben behalve zoo vele andere privilegiën ook dit: dat zij, in oogenblikken van aanvechting en strijd, stemmen hooren, gezigten zien en droomen droomen, die men wel gevoelen, ofschoon niet beschrijven kan, welligt ook door niemand straffeloos in twijfel zullen worden getrokken. ‘Amen!’ zegt onze ziel daarop, ‘Heere jezus! daal in onze stugge, koude harten neder en openbaar u zelve daar aan ons in den vollen rijkdom van uwe schuldvergevende, zaligmakende liefde en genade’. (blz. 43)

In Tom schildert Johannes de ware christen. Hem wil zij aan haar lezers voorhouden als toonbeeld. Met haar boek had zij een missionair doel voor ogen. Wat zij vurig wenste, was dat haar lezers zich aan Tom zouden spiegelen en tot de erkenning zouden komen dat ‘er slechts één naam onder den hemel gegeven is, door welken wij kunnen zalig worden’ en zij ‘den Heere jezus’ tot hun ‘eigendom’ zouden kiezen in de overtuiging dat Hij voor hun zonden gestorven is, maar ook tot hun ‘regtvaardigmaking leeft’ en hen ‘eens in heerlijkheid zal opnemen in Zijnen hemel’ (blz. 122-123).

De tweede verhaaldraad van Uncle Tom’s Cabin

Uncle Tom’s Cabin bevat naast de geschiedenis van Tom nog een tweede verhaaldraad. De geschiedenis van Eliza, de kamenierster van mevrouw Shelby. Op het moment dat Shelby gedwongen is zijn slaven te gelde te maken, reageert zij geheel anders dan Tom. Wanneer haar zoontje Harry dreigt verkocht te worden, loopt zij met hem weg. Verenigd met haar man George Harris, slaaf van een andere, een wrede slavenhouder en eveneens ontsnapt, ontkomt zij met man en kind naar Canada. Ten slotte belandt het drietal via Frankrijk in Liberia. Johannes verwerkt deze verhaaldraad niet. Eliza noemt zij slechts terloops (blz. 11-12, 128). Harris in het geheel niet. Haar interesse geniet alleen de diepgelovige Tom. Voor Eliza kon zij klaarblijkelijk weinig sympathie opbrengen en nog minder voor haar man, een verbitterd, opstandig en zelfbewust mens, die zijn eigen lot in handen neemt en in Parijs zich door studie emancipeert. Als slaaf zwoer hij God af. Als vrij man nam hij Hem weer aan. Johannes moet hem als een mooiweerchristen beschouwd hebben. Van de mogelijkheid hem als de tegenpool van Tom af te schilderen heeft zij geen gebruik gemaakt.

Terugblik en evaluatie

Uit haar geschriften laat Johannes zich kennen als een sociaal bewogen vrouw. Ook in Blikken in de hut van oom Tom manifesteert zij zich als zodanig. Zij is begaan met het lot van de Amerikaanse slaven, maar evenzeer bewogen om de Nederlandse ‘onvrijen’, onder wie de paupers die, wanneer men hen voorhoudt dat zij zich moeten ontwikkelen tot beschaafde mensen, wijzen ‘op hunne naakte wanden, koude haardsteden, ledige kassen en holle magen’, terwijl zij roepen: ‘geef ons geld! geef ons brood!’ Zij voegt daaraan toe: ‘De smart van die heidenen openbaart zich door een somber en dof gemurmureer, dat door het gebruik van geestrijke dranken niet zelden overgaat tot uitputting en wezenloosheid’ (blz. 125). Blikken in de hut van oom Tom is echter meer dan een pamflet tegen de gruwelen van de slavernij in Amerika en de sociale misstanden in Nederland. Het boek is een missionair traktaat. Johannes blijkt bovenal bekommerd te zijn om het zielenheil van de Nederlandse ‘heidenen’ en ‘slaven’, ongeacht of zij rijk of arm zijn, of zij tot de maatschappelijke boven- of onderlaag behoren. Hen allen houdt zij door middel van haar portrettering van Tom en haar analyse van diens geschiedenis voor wat ware vrijheid is. Hen nodigt zij uit om Tom, voor haar het prototype van de echte christen, de bekeerde mens, tot voorbeeld te nemen.

Naschrift

De scan van Blikken in de hut van oom Tom werd op zijn verzoek door Mrs Bethany R. Davis, Digital Processing Coordinator Librarian, The University of Iowa Libraries, aan drs. P.F. Dillingh te Dordrecht verstrekt en door hem welwillend aan de auteur van dit artikel ter beschikking gesteld. Het prospectus van het boek bevindt zich in de bedrijfsdocumentatie van P. Los, Gz., aanwezig in de Bibliotheek voor het Boekenvak (Bijzondere Collecties van de UB-Amsterdam). De geschiedenis van de anti-slavernijbeweging in Nederland is beschreven door M. Janse, De afschaffers. Publieke opinie, organisatie en politiek in Nederland 1840-1880, Amsterdam 2007, 73-127.

Dit artikel werd u aangeboden door: Oude Paden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 2018

Oude Paden | 48 Pagina's

De ware vrijheid

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 2018

Oude Paden | 48 Pagina's