Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Zeeuwse pioniers in Ermelo

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zeeuwse pioniers in Ermelo

22 minuten leestijd

‘Hoe gaat het?’ Het was een belangstellende vraag, toen J. van Belzen ouderling in de Gereformeerde Gemeente van Ermelo was geworden. ‘Het lezen gaat best goed, maar voor het gebed moet ik veel om hulp zuchten’, antwoordde hij. Daar volgde echter wel een les op: ‘De eerstvolgende dienst ging het lezen zo moeilijk dat ik bijna niet wist hoe ik het moest volbrengen, al hebben de mensen dat waarschijnlijk niet gemerkt. Daar kreeg ik wel een klap mee. De Heere leerde me dat ik ook in het lezen afhankelijk was.’

Van Belzen woonde nog maar acht maanden in Ermelo toen hij tot het ambt werd geroepen. Hij was de tweede Zeeuw die er ouderling werd. Op 24 juli 1933 was Johannes (Johan) van Belzen geboren in Koudekerke op Walcheren. Hij behoorde tot de gemeente in Middelburg, waar grootvader J. Kaljouw jarenlang ouderling was.

Van Belzen werkte in Amersfoort, Nijmegen en Den Dolder in de verpleging, maar wilde van de onregelmatige tijden af. Per 1 oktober 1964 benoemde de psychiatrische inrichting Veldwijk in Ermelo hem tot nazorgbroeder. Hij zette er het maatschappelijk werk op. Er stond een dienstwoning klaar voor zijn jonge gezin: ‘Parkzicht, in de volksmond „het gouden kooitje”, omdat er twee freules waren verzorgd.’

Van Belzen had ruim vijf jaar in Zeist gekerkt. ‘Die gemeente was een beetje deftig, en wij waren maar gewone mensen. Maar we kregen er snel kennissen. Nu kwamen we in Ermelo terecht. Van een grote gemeente naar een kleine. We waren er hartelijk welkom en voelden ons direct thuis. Ik kwam er voor het eerst in de kerk tijdens een weekdienst waarin ds. G. Schipaanboord voorging.’

Ouderling A. van der Maas kwam met een diaken op huisbezoek. ‘Op zijn vraag vertelde ik wat er in geestelijk opzicht in mijn leven was gebeurd. „Maar ik kan het er niet meer mee doen”, zei ik erbij. „Zou je nog weleens willen meemaken wat je ervaren hebt?” vroeg hij. „Ja, dat wel”, zei ik. Later heb ik als ouderling vaak gezegd: Veracht de dag der kleine dingen niet.’

Overgebogen

Uit een tweetal met diaken W. van Bentum werd Van Belzen op 1 juni 1965 tot ouderling gekozen. ‘Toen ik mijn naam ’s zondags hoorde aflezen, sloeg dat naar binnen. Maar ik ging ervan uit dat Van Bentum zou worden gestemd. Hij was een aardige man, en ik woonde er nog maar acht maanden. Na de verkiezing fietste ik naar huis, vol verwondering: „Heere, dat ze míj gekozen hebben.” De strijd ontbrandde: zo’n jong broekie, en ik was vroeger echt niet zo’n lieverd geweest.

Het werd steeds onmogelijker. ’s Zaterdags ging ik naar Van der Maas toe en zei: „Ik kan geen ja zeggen, maar ook geen nee.” Hij zei dat ik het nog maar eens moest overwegen. Ik kwam thuis en het was opeens vlak. Er kwam liefde in mijn hart om het te mogen doen. ’s Zondagsmorgens ben ik eerst naar het huis van Van der Maas gegaan om het hem te vertellen. Hij zei: „Bel ds. Zwerus maar op om je bevestiging af te spreken, dan kan hij gelijk je dochter komen dopen.” Ds. Zwerus vroeg me langs te komen. Toen ik in de pastorie kwam, zat ds. Wisse er ook. Ds. Zwerus vroeg hoe ik de verkiezing had aangenomen. Dat heb ik toen in alle eenvoud mogen vertellen. „Dan heeft de Heere je hart overgebogen”, zei ds. Zwerus.

Op 4 juli 1965 heeft hij me in de morgendienst bevestigd, terwijl hij ’s middags onze dochter Karina doopte. Van der Maas zei: „Volgende week ben ik er niet, dus dan kun je twee keer lezen.” Maar daar zag ik niet doorheen. Op 11 juli heb ik ’s morgens een preek van ds. W. de Wit over Johannes 3:7 gelezen. Ouderling Th. van Stuijvenberg, die inmiddels tot de Theologische School was toegelaten, leidde de middagdienst. Hij had al eerder ingevallen, als Van der Maas afwezig was. Van Stuijvenberg kwam dan vanuit Barneveld met een paar kinderen in Ermelo logeren. Een van die zoons was later bij De Vluchtheuvel mijn collega; toen hebben we het nog weleens over die tijd gehad.’

Een blinde organist

In het jeugdgebouw waar de diensten werden gehouden, deed de keuken dienst als consistoriekamer. In de ‘kerkzaal’ waren de plaatsen vrij, al hadden de meeste mensen wel min of meer een vaste plek. De kerkenraad zat niet apart, maar op de voorste rij. Op het podium stond maar één katheder, dus als er iemand kwam preken, stond eerst de ouderling achter de lessenaar en daarna nam de predikant of student zijn plaats in.

‘Een vrouw die het psychisch wat moeilijk had, kwam na een dienst naar het keukentje en ging tekeer, omdat ze het niet had kunnen volgen. Dat lag niet aan de voorganger, want ds. A. Hofman sprak heel rustig. Hij zei: „Van Belzen, wil jij je er eens mee bemoeien? Jij hebt hier verstand van.” Dat hielp echter ook niet. Diaken H. Boekhout en zijn zoon Piet, die koster was geweest, wisten een oplossing: ze pakten de vrouw onder haar armen en zetten haar buiten de deur.’

Het harmonium werd bespeeld door J. Hubregtse, ook al een Zeeuw. ‘Hij was blind, maar hij kon prachtig spelen. Hij kende alle psalmmelodieën. We raakten met hem bevriend. Hij reisde zelfstandig. Toen we later in Halsteren en Tholen woonden, kwam hij weleens naar Zeeland, logeerde dan eerst bij zijn broer (diaken I. Hubregtse in Yerseke) en daarna een aantal dagen bij ons.’

Vergaderen bij oom Frans

Als ds. C. Wisse in Ermelo voorging, kwamen er nogal wat luisteraars uit andere kerkverbanden. ‘Dan moesten er stoelen bij’, vertelt Van Belzen. ‘Het is echter ook weleens gebeurd dat dat allemaal wegviel en dat hij er goed in kwam. Toen lag er een glans op zijn gezicht.

Toen ds. J.C. van Ravenswaay na zijn overkomst uit de Christelijke Gereformeerde Kerken voor het eerst bij ons preekte, was het ook bomvol. Hij begon zijn preek met: „Als er soms mensen zijn gekomen om te luisteren of ik de drieverbondenleer verkondig, bij dezen: ik doe dat niet.”

We hadden bijna om de veertien dagen wel een weekdienst. Er is een jaar geweest dat ds. Schipaanboord negen keer kwam. En als ik rond nieuwjaar ds. J. van Haaren belde, zei hij: „Ja, Van Belzen, je krijgt de drie beurtjes.” Voor de zondagen kon ik echter bijna niemand noteren.’

De kerkenraadsvergaderingen werden in Telgt bij diaken F. van Bentum thuis gehouden. ‘Hij woonde met zijn zussen onder één dak. De hele gemeente noemde hen oom Frans, tante Gerritje en tante Betje. Die mensen waren de eenvoud zelve’, zegt Van Belzen. ‘De afdeling functioneerde zelfstandig. Van der Maas en ik zijn slechts één keer naar een kerkenraadsvergadering in Nunspeet geweest. Daar moest ik wel gelijk het dankgebed doen.’

Zo lang Ermelo een afdeling was, werd het Heilig Avondmaal er niet bediend. ‘Van der Maas is een keer naar een Avondmaalsdienst in Nunspeet geweest, terwijl ik toen de dienst in Ermelo leidde. De volgende keer zei hij dat ik aan de beurt was. Ik zei: „Hoe zou ik de Christus moeten verkondigen als ik zo weinig van Hem ken?” Ik ben niet gegaan. Later heeft ds. Zwerus het Avondmaal in Ermelo bediend. Ik was tafelwachter. Toen was het: Wanneer ik dan omkome, zo kom ik om. Zo ben ik voor het eerst aan de bediening gegaan.’

Preekregister

In de kleine gemeente was het niet altijd koekoek eenzang. ‘Er waren moeilijke kwesties. Niet alles komt naar buiten. Ik heb bijna een halve eeuw in de hulpverlening gezeten, en ds. M. Golverdingen zei eens tegen me: „Van Belzen, de meeste geheimen nemen we mee in het graf.” Sommige dingen zorgden in de gemeente voor discussie. Middelmatige zaken probeerden we dan maar niet door te drukken.’

Van Belzen las in zijn Ermelose tijd precies 260 preken. In een cahier noteerde hij tekst, thema, auteur, het gelezen Schriftgedeelte en de gezongen psalmen. Het gebeurde negen keer dat hij op een zondag beide diensten moest leiden. ‘Met Pinksteren 1966 moest ik drie keer lezen, omdat Van der Maas in Zeeland was. Ik zag er als een berg tegenop, maar ik kreeg kracht van Boven. Als ik ooit gemakkelijk heb mogen lezen, dan was het toen wel.’

Een tijdlang las Van Belzen steevast ’s middags de catechismuspreek. Na de dienst gaf hij vanuit het vragenboekje van ds. L.G.C. Ledeboer catechisatie aan de kinderen van de lagere school. De andere ouderling las ’s morgens en gaf doordeweeks catechisatie aan de oudere kinderen.

Achtereenvolgens werden de catechismusverklaringen van Van Reenen, Smijtegelt, Verhagen en Gezelle Meerburg gelezen. In februari 1970 begonnen de ouderlingen aan Van der Groe, maar die was te moeilijk, dus na Zondag 6 stapten ze over op de preken van ds. G.H. Kersten.

Goede herinneringen bewaart Van Belzen aan de SGP-vergaderingen, die afwisselend in Ermelo en Speuld werden gehouden. ‘Het werd traditie dat de oud gereformeerde ouderling en ik beurtelings eindigden.’

Die ken ik al...

Henk Lobbezoo was een van de kinderen die na de middagdienst catechisatie kregen. ‘We zaten dan op de voorste rij stoelen. We leerden de vragen uit het boekje van ds. Ledeboer. Daar werd kort iets van gezegd; de tweede helft werd voorgelezen uit een boek (onder andere ‘Sikko, de woonwagenjongen’ van L. Janse).

Ik was vijf jaar toen ik al naar de catechisatie ging. Het groepje was maar klein. Loes Rabelink, een meisje met beperkingen, was de enige die altijd een psalmversje leerde. Het is wel gebeurd dat ze bij elk versje dat de ouderling voorstelde, zei: „Die ken ik al…”

Loes was in huis bij ‘dames Den Dunnen’. Later zijn ze naar Moerkapelle verhuisd: de dames naar Beth-San en Loes naar De Eersteling.’

In het jeugdgebouw werd gerepeteerd door een muziekgroep. Tijdens een weekdienst kwam een stevige man binnenlopen. Toen hij de kerkgangers zag, hield hij zijn pas in. ‘U zoekt wat?’ vroeg ds. Schipaanboord. ’Ja, mijn trommel…’ ‘Pak hem maar even’, zei de predikant.

Op eigen benen

Op 25 januari 1966 werd een derde diaken gekozen: H. Boekhout. Ermelo kwam op 23 februari ter sprake tijdens een classisvergadering: ‘Ermelo vraagt als afdeling van Nunspeet instituering. Nunspeet keurt dit goed. Er zijn 40 lidmaten en 40 doopleden, 2 ouderlingen en 3 diakenen. Reeds is er een commissie benoemd om te trachten te komen tot een eigen kerkgebouw. De Classis alles vernomen hebbende ondersteunt het voorstel tot instituering.

Ds. Wisse werd aangewezen als Consulent. Ds. Zwerus zal de gemeente van Ermelo institueren.’

Zo werd de gemeente zelfstandig, bijna 43 jaar nadat de eerste weekdiensten waren belegd. Op 12 april 1966 werd de gemeente geïnstitueerd door herbevestiging van de ambtsdragers. Omdat de predikant van moedergemeente Nunspeet, ds. G. Zwerus, ziek was, leidde ds. A.W. Verhoef uit Barneveld de dienst. Van Belzen herinnert zich dat ds. Verhoef opmerkte: ‘Dit heb ik nog nooit meegemaakt: drie oudere mensen als diaken, twee jongere als ouderling.’

Consulenten gedurende de eerste 25 jaar waren ds. C. Wisse (1966-1967), ds. C. de Ridder (1967-1969 en 1971-1974), ds. L. Vogelaar (1969-1971 en 1974-1981), ds. L. Blok (1981-1986), ds. Th. van Stuijvenberg (1986-1987) en ds. P. Blok (1987-1995).

Vijf ambtsperioden

Sommige leden vertrokken al snel weer. W. Staal verhuisde in 1967 van Ermelo naar Breda. Daar was hij 43 jaar organist: van 1972 tot 2015, toen de gemeente werd omgezet in een evangelisatieproject. ‘Een zus van mijn vrouw woonde in Putten’, vertelde Staal. ‘Als we daar ’s zomers op vakantie waren, kerkten we weer in Ermelo. Daar hebben we ds. Hegeman gehoord, en later ds. Van Ravenswaay en ds. L. Blok.’ Ook ouderling A. van der Maas vertrok in 1967. Door de opkomst van de luchtcartografie werd zijn werk als landmeter minder nodig. Hij verhuisde naar Renkum, waar hij bij de gemeente was benoemd om grondaankopen te regelen. Na afronding van zijn makelaarsopleiding volgde in 1970 weer een verhuizing. ‘We wilden graag terug naar Zeeland.’ Hij werd in Middelburg tot makelaar beëdigd.

Van der Maas was diaken in Wageningen (1969-1970), ouderling in Vlissingen (1971-1984 en 2002-2005) en diaken in Rilland-Bath (1989-1998). Verdeeld over vijf perioden was hij 29 jaar ambtsdrager. Hij verhuisde in 2006 naar Goes, in 2015 terug naar Vlissingen, in 2016 weer naar Goes. Daar vertelt hij samen met zijn vrouw over de periode in Ermelo. ‘We hebben er een fijne tijd gehad. Ik deed het ambtelijk werk graag. Onderling was er een goede band. De Van Bentums waren vredelievende mensen. Piet Boekhout, die enige tijd koster was, kwam elke zaterdagavond bij ons op bezoek. Later, tijdens een vakantie in Putten, hebben we nog weleens in Ermelo gekerkt.’

Een eigen kerk

De veertienjarige A.A.L. Neijmeijer werd in het najaar van 1966 koster in Ermelo, de eerste maanden samen met zijn grootvader. Neijmeijer doet dat werk inmiddels 53 jaar en is momenteel de langst dienende koster in de Gereformeerde Gemeenten.

Het jeugdgebouw waar hij begon, werd gehuurd, en of dat zo kon blijven, was onzeker. Daarom werd besloten een kerk te bouwen. Ds. G. Mouw sr. uit Oudemirdum, wiens dochter in Ermelo kerkte, belde scriba Van Belzen op en deed de kerkenraad een betaalbare architect aan de hand: Van Harmelen uit Den Haag. Tijdens de classisvergadering van 25 februari 1970 kwam de gemeente met een verzoek: ‘Namens de kerkeraad van Ermelo vraagt ouderling van Belzen om financiële steun voor de bouw van een eigen kerk. Thans huurt men een lokaliteit met alle zorg van dien, bijv. heeft men er niet altijd de beschikking over enz. De kosten worden geraamd op f 200.000,— en f 125.000,— is bijeen dan wel toegezegd, maar voor een bedrag van f 75.000,— is nog geen oplossing. Zij die onder de afgevaardigden de gemeente van Ermelo kennen, willen dit verzoek gaarne ondersteunen. De voorzitter (ds. C. Wisse, LV) wekt dan ook alle gemeenten op hun medewerking te verlenen, hetzij door een gift, collecte of lening.’ De volgende dag stond er ook een oproep in De Saambinder.

De classis maakte op 17 februari 1971 de balans op: ‘Nog wordt gevraagd hoe het gegaan is met de financiële hulp voor de kerkbouw van de gemeente Ermelo. Uit het antwoord van de afgevaardigden van die gemeente blijkt dat verschillende gemeenten collecten en giften gezonden hebben. Helaas lang niet alle gemeenten.’

Op 2 juli 1971 werd de kerk in gebruik genomen. Omdat de consulent, ds. L. Vogelaar, inmiddels naar ’s-Gravenpolder was verhuisd, leidde ds. L. Blok uit Beekbergen deze dienst.

Opnieuw pionieren

Van Belzen maakte dat niet mee. ‘Een tijdlang dacht ik: We blijven altijd in Ermelo. We hadden het er naar onze zin. Op het werk was het echter niet zo gemakkelijk, zowel financieel als in de werksfeer. Toen las ik in een advertentie dat psychiatrisch ziekenhuis Vrederust in Halsteren een maatschappelijk werker zocht. Die zou er de eerste in deze functie zijn. Ik had er wel zin in om opnieuw te pionieren.

Het deed wel pijn om de gemeente te verlaten. „Hoe kan je nu je ambt neerleggen?” zei een belangstellende die de diensten bijwoonde. Dat was ook voor mezelf een worsteling geweest, maar ik wist dat ik weg mocht. Daar had ik ook met ds. De Ridder een gesprek over gehad.’

Op 2 augustus 1970 las Van Belzen zijn laatste preek voordat hij naar Halsteren verhuisde. Het was een leerrede van ds. A.P.A. du Cloux over Filippenzen 1:6. Een half jaar later werd hij in Tholen weer tot ouderling gekozen. ‘Mijn vrouw tobde in die tijd met complicaties tijdens de zwangerschap, toen we onze jongste verwachtten. Daarom heb ik bedankt. Ds. C. Hegeman, die toen in Tholen stond, had daar alle begrip voor.’

Op 18 februari 1973 werd Van Belzen alsnog bevestigd. Hij stond tot de verhuizing naar Woerden in augustus 1983 in het ambt. Juist toen hij overwoog naar Tholen terug te keren, werd hij opnieuw tot ouderling gekozen. Hij bleef in Woerden en diende er de gemeente van 3 november 1985 tot 1 januari 2008. In totaal was hij bijna 38 jaar ouderling. ‘Het is Isrels God Die krachten gaf.’

Een tijdlang was Van Belzen pastoraal medewerker in bejaardentehuis Bethesda in Den Dolder. ‘Willem van Bentum, mijn vroegere medebroeder uit Ermelo, kwam daar juist in die tijd wonen.’

Geleden verlies

H.M. Lobbezoo vertelde hoe hij als kind soms tussen de diensten bij zijn oom, diaken W. van Bentum, was.

Na de dienst dronken ze dan koffie bij diaken F. van Bentum (oom Frans) en zijn twee zussen. ‘Je bemerkte instemming met het gehoorde: „Hie heet goed ’espreuk’n. En dan nog zo’n jonge man...” Ik herinner me de verslagenheid toen de consulent, ds. De Ridder, niet meer kon preken. En over ontwikkelingen in het dorp die tegen Gods Woord ingingen.

Met ontzag keek ik naar de rij van negen dikke boeken in de kast (de Bijbelverklaring van M. Henry). Oom Frans dronk met een rietje zijn koffie, en ook zijn soep. Achteraf begreep ik dat hij Parkinson had. Op den duur kon hij niet meer naar de kerk.’

De ziekte werd ook genoemd toen Frans’ zus, tante Betje, in 1972 een condoleancebrief naar Barneveld stuurde (in het boekje “Een uitverkoren vat” is per abuis vermeld dat deze brief na het overlijden van ouderling W. van de Kieft in 1941 werd verzonden): ‘We hebben uw kaart ontvangen en willen hiermede onze hartelijke deelneming betuigen en wensen jullie sterkte met uw verlies en dat van een man en vader die altijd om je heen was. Dan is die lege plaats heel erg.

Wij weten ook van verlies. Mijn ouders en vijf broers. En nu is Frans nog bij ons, maar die kan haast niet meer lopen en heeft ook dat beven met zijn handen. Wij zijn vandaag naar een zenuwspecialist geweest en nu weten wij nog niet of hij naar het ziekenhuis moet of dat er niets aan te doen is, maar hij is bijna negenenzeventig jaar. Op die leeftijd valt het niet mee. Hij moet helemaal geholpen worden en dat valt niet mee. Gerritje is tachtig jaar en heeft veel last van reuma en ik ben nog goed gezond, maar ook zevenenzeventig, dus alle drie oude mensen. Het is zo nodig dat wij de dood als het hoogste belang mogen gewaar worden, opdat er eens werkzaamheden dienaangaande gegeven moge worden, want, Evertje, wij hebben die waarheid van klein af gehoord, maar dit heb ik geleerd, dat als de Heere er niet aan te pas komt, men zomaar voortloopt. En het is mij nog weleens een wonder dat wij zo ruim het evangelie mogen horen. En dat wij nu een kerkje hebben in Ermelo, dat is mij altijd een wonder. Nu wens ik dat deze roepstem voor u allen nog tot zegen zijn moge. Jullie hebben ook gelukkige ouders gehad, maar genade is geen erfgoed. Daar zou ik ook wat van weten. Toen mijn vader gestorven is, was het of alles weg was wat voor mij zo’n waarde had, maar ik heb goed gezien dat ieder mens alleen voor God komt te staan. Daar komt geen mensenhulp bij te pas.’ Niet lang daarna, op 24 augustus 1972, is diaken F. van Bentum op 79-jarige leeftijd overleden. ‘Hij heeft in zijn leven veel gedaan tot opbouw der Gemeente en 9 jaar als diaken de Gemeente gediend’, schreef de kerkenraad in De Saambinder. In de classisnotulen van 6 september werd wel het overlijden van ouderling E. Lankman uit Nunspeet vermeld, maar niet dat van diaken Van Bentum.

Ondanks de lege plaatsen die ontstonden, groeide de Ermelose gemeente snel. De eerste vijf jaar verdubbelde het aantal leden, de volgende vijf jaar opnieuw. Inmiddels zijn er rond de 800 belijdende leden en doopleden.

Een gezegende oudejaarsavond

In de jaren 1982-1994 diende ds. J.C. van Ravenswaay in Ermelo. H.M. Lobbezoo is een oudejaarsavond uit die periode nooit vergeten: ‘Oma Van Pelt logeerde regelmatig een poosje bij ons en werd dan door mijn moeder verzorgd. Zij was zwaar reumapatiënte. Eens, aan het eind van een jaar, waren het voor oma dagen van innerlijke duisternis. Op oudejaarsavond preekte ds. Van Ravenswaay over Psalm 130. Dit werd toentertijd opgenomen op een bandrecorder, die in de consistoriekamer stond. Direct na afloop haalde mijn vader deze op en nam hem mee haar huis. Daar werd de preek opnieuw opgezet. Die werd oma tot rijke zegen. De Heere kwam over. Alle ellende en moeite werden een ogenblik vergeten. Ze mocht getuigen van de goedertierenheden des Heeren.’

Het wonder van zaligheid

A. Lobbezoo diende in de jaren 1986-1998 als diaken. Vanaf de eerste ontmoeting met ds. P. Melis, die in 2011 in Ermelo predikant werd, ontstond er vriendschap. Zoon H.M. Lobbezoo vertelde later: ‘Door een preek op dankdag 2015 over de onvruchtbare vijgeboom ging de Heere krachtig (door)werken in vaders leven. De woorden uit Psalm 106 werden toen doorleefde werkelijkheid: „Gedenk mijner, o HEERE, naar het welbehagen tot Uw volk, bezoek mij met Uw heil.” In die tijd openbaarde zich een ernstige ziekte. Dat was niet het eerste wat vader bezighield. Het zwaarst woog hem het heil van zijn ziel. Er kwam een roepen uit de diepte. Alle rechten leerde hij verliezen. Het werd ingeleefd dat hij de grootste der zondaren was. „Heel mijn leven getuigt tegen mij”, zei hij bij herhaling. Wat kreeg hij te doen met een heilig en rechtvaardig God. Hij kon bij zichzelf niets vinden.

En zo mocht hij terechtkomen bij het eeuwige en soevereine welbehagen. Dat werd voor hem een poort. Hij mocht leren dat de Heere niets verplicht was, maar hij zag het geluk van Gods volk als nooit tevoren. „Bezoek mij met Uw heil”, werd de aanhoudende bede. „Zou U ook tot mij willen spreken?” Hij leerde de Heere vrijlaten en kon de Heere niet loslaten. In oktober 2015 was het voorbereiding tot het Heilig Avondmaal. Ds. Melis sprak over Johannes 6:37: „Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.” In deze woorden ging het over het werk van de drieënige God. Toen is het vader zo’n groot wonder geworden dat Christus niet uitwerpt.

Hij heeft toen in het uur waarop het Heilig Avondmaal werd bediend (hij kon toen al niet meer naar de kerk) mogen schuilen bij de nooitbeschamende Rotssteen. Hij mocht het heil proeven en smaken. Ds. Melis sprak in die dienst uit Johannes 6:68: „Simon Petrus dan antwoordde Hem: Heere, tot wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.”

Ds. Melis mocht weten dat hij deze woorden preekte voor vader, en vader gevoelde dat de predikant voor hem sprak. In een pastoraal bezoek daarna (ik was daarbij) vertelde vader dit aan de dominee. Dat ontroerde ds. Melis. In zijn gebed haalde hij aan: „De eeuwigheid zal er voor nodig wezen om dit uit te wonderen.” Vader kon het echter niet altijd vasthouden. Elke keer moest hij terug naar de bede uit Psalm 106. En de Heere liet Zich niet onbetuigd.

Toen vader eind december in het ziekenhuis was voor onderzoek, lag hij stil op bed naar buiten te kijken. Toen ik, samen met een zus, hem kwam bezoeken, zei hij iets over de prediking tijdens de Kerstdagen. Hij vertelde iets van het wonder van Kerst dat door hem beleefd mocht worden. Hij zei: „Dat Kind van Bethlehem, Hij heeft zo diep willen neerdalen naar deze aarde om zo’n diepgezonkene op te rapen.”

Toen ik mijn Bijbeltje pakte om ter afsluiting nog iets te lezen, stopte het geroezemoes om ons heen opeens. Het was alsof de Heere ruimte maakte om in alle rust te kunnen eindigen. Ik had een psalm in gedachten om te lezen. M’n vader zei: „Lees maar Psalm 95.” „Bedoelt u die echt?” Ik dacht: Dat is te hoog gegrepen. „Komt, laat ons den HEERE vrolijk zingen, laat ons juichen den Rotssteen onzes heils.” Ik kwam bij vers 6: „Komt, laat ons aanbidden en nederbukken, laat ons knielen voor den HEERE, Die ons gemaakt heeft.” Waarop vader zei, in ootmoed en onzegbare verwondering: „En dat is Hij nu zo waardig, en dat is mijn verlangen om dat te mogen gaan doen.”

Tijdens de laatste ontmoeting met ds. Melis zei hij: „Dominee, weet u hoe en waarom ik nog zalig kan worden? Dat staat nu in Jesaja 53.” Zo kreeg hij te doen met een heilig en rechtvaardig God, maar ook met een God Die in Christus Jezus genadig en barmhartig is.’

Lobbezoo was 83 jaar toen hij op 17 januari 2016 overleed. Op de begraafplaats sprak ds. Melis: ‘Het is niet alleen een familielid, of gemeentelid, het is ook een vriend die we begraven.’


Op meerdere plaatsen

Van januari tot najaar 1966 was A. Brons koster in Ermelo. Hij emigreerde toen naar Zuid-Afrika, maar keerde terug naar Nederland en was in de jaren 1979-1996 koster in Soest.

Zo gebeurde het vaker dat een Ermeloër in meerdere Gereformeerde Gemeenten actief was. M. le Comte was diaken in Middelharnis (1965-1969) en Ermelo (1973-1979) en koster in Uddel (1992-2000). K.J. Post was diaken in Enkhuizen (1958-1966) en ouderling in Enkhuizen (1966-1973) en Ermelo (1994-1999). J. de Pater diende als diaken in De Rijp (1962-1967) en als ouderling in De Rijp (1967-1983), Nijkerk (1984-1988) en Ermelo (1988-2014), in totaal ruim 50 jaar. Anderen dienden later in een ander kerkverband.

A. Rozendaal was koster in Lelystad (1972-1974) en ouderling in Ermelo (1980-1988), en kort nadien werd hij ouderling in Aalburg. M.W. Petersen vertelde dat hij in Ermelo anderhalf jaar kosterswerkzaamheden verrichtte. Nadien was hij koster in Lelystad (januari-november 1976) en Gouda (1976-2002). Ook onder de organisten waren er die hun gaven in meerdere gemeenten aanwendden.


Gereformeerde Gemeente Ermelo

Ouderlingen:

A. van der Maas 1963 - 1967

J. van Belzen 1965 - 1970

J. Huisman 1967 - 1980

H. Boekhout *1970 - 1981

P.J. de Bil 1979

W. den Herder 1980 - 1984

A. Rozendaal 1980 - 1988

W. van Bentum *1981 - 1989

C. van Wageningen *1984 - 1996

J. de Pater 1988 - 2014

J.J. Zijderveld 1990 - 1996

A.C. Duifhuizen *1991 - 2011 en 2014 - K.J. Post 1994 - 1999†

A. Verschoor 1996 -

J.M. de Pater 2001 -

B.J. van Rijn *2008 -

M. Blok *2012 - 2014

F.D. de Fluiter *2014 -

Diakenen:

F. van Bentum 1963 - 1972†

W. van Bentum 1963 - 1981*

H. Boekhout 1966 - 1970*

M. le Comte 1973 - 1979

H. Stegeman 1978 - 1986

W. Remijn 1980 - 2008

C. van Wageningen 1982 - 1984*

C. de Fluiter 1984 -

J. Wilbrink 1984 - 1994

A. Lobbezoo 1986 - 1998

A.C. Duifhuizen 1988 - 1991*

J. Heres 1991 -

H. van Dalfsen 1994 - 2019

B.J. van Rijn 1998 - 2008*

D. Schouten 2008 -

M. Blok 2008 - 2012*

F.D. de Fluiter 2009 - 2014*

F.N. Snoek 2012 -

G. van Bentum 2015 -

L. van Dalfsen 2019 -

*: eerst diaken, daarna ouderling

†: diende tot overlijden


Muisstil op de catechisatie

Nadat ds. C. Hegeman in 1975 in Veenendaal was bevestigd, kwam hij ook een zondag in Ermelo preken. Hij logeerde bij diaken W. van Bentum. Diens zwager A. Lobbezoo kwam daar ’s zondagsavonds met zijn vrouw op bezoek. Voortvarend als Lobbezoo was, vroeg hij de predikant in Ermelo te komen catechiseren. De kerkenraad stemde er kennelijk mee in, want voortaan gaf ds. Hegeman de lessen. De Ermelose jongeren hadden voor het eerst een predikant als catecheet. ‘We waren als jongeren diep onder de indruk en de eerste lessen was het muisstil’, zei een van hen. ‘Later werd dat wat vrijer: toen ds. Hegeman eind 1977 werd beroepen, werd op catechisatie gevraagd of hij de beslissing al wist.’

Mede door de vele verzoeken van catechisanten om over te komen wist ds. Hegeman dat hij voor ‘die arme schapen van kinderen’ naar Ermelo moest. Hij stond er van 1978 tot zijn plotselinge overlijden in 1981. In die korte periode werd de kerkenraad volledig vernieuwd.

Dit artikel werd u aangeboden door: Oude Paden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 september 2019

Oude Paden | 48 Pagina's

Zeeuwse pioniers in Ermelo

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 september 2019

Oude Paden | 48 Pagina's