Trouwring
Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding. Wie dat spreekwoord verzonnen heeft, weet ik niet. Lelijk blijkt echter op aap te slaan. Zijn apen wel zo lelijk? Salomo kocht ze graag aan voor zijn persoonlijke diergaarde, en in de dierentuin hebben ze veel bekijks. Persoonlijk kijk ik liever naar apen dan naar ringen. Desondanks draag ik er één, een trouwring.
Waar komt de trouwring vandaan? De eerste trouwringen meent men bij de Nijl gevonden te hebben. Ze waren nota bene gemaakt van riet, later gevolgd door ringen van bot, ivoor en ten slotte edelmetaal. De getrouwde Egyptenaren droegen deze aan de ringvinger van de linkerhand omdat men meende dat een ader vandaar direct naar het hart liep. Ze noemden dat een liefdesader. Tevens wees de cirkel op de zon die men daar aanbad. Bij de Romeinen was de cirkel het symbool van voortdurend, eeuwig. Hoewel onbekend met Gods geboden ging men uit van trouw voor het leven. In voor- en tegenspoed sta je elkaar bij. De Romeinse trouwringen waren soms gewoon van ijzer om de sterkte van de trouw uit te drukken. Echter, ijzer roest. Dat is contradictoir ten opzichte van de uitdrukking ”oude liefde roest niet”. Vandaar dat de ijzeren plaatsmaakten voor zilveren en gouden ringen. Bij de Romeinen gold dat wanneer de vrouw een ring kreeg van de man, zij zijn eigendom was. Later werd het meer het symbool van trouw jegens elkaar.
Dat het als teken van rechtzinnigheid wordt gezien wanneer een gehuwde predikant geen trouwring draagt is absurd. Het dragen ervan zou van ijdelheid getuigen. Men hoeft zich toch niet te schamen getrouwd te zijn? Wij verwerpen het verplichte celibaat. Wij belijden met het klassieke huwelijksformulier „hoe eerbaar de huwelijkse staat is, en dat hij een inzetting van God is….” Dat een ambtsdrager getrouwd is, mag gerust zichtbaar zijn. Daar hoeft hij zich niet voor te generen. Tenzij men met de Engelse filosoof Herbert Spencer beamen moet: „het huwelijk is een plechtigheid waarbij de ring aan de hand van de vrouw en door de neus van de man wordt gedaan.”
Zeker kan er arbeid zijn waarbij het dragen van een ring gevaarlijk is. Er zijn heel wat vingers gesneuveld doordat de ring ergens achter bleef haken. Mijn vader, die metselaar was, droeg zijn ring op het werk nooit. Deze bewaarde hij in zijn portemonnee. Hij was bang dat de ring zou doorslijten vanwege het schuren over de harde stenen. Wanneer hij zich opgeknapt had na noeste arbeid ging de ring uit aan de rechter ringvinger. Dat was namelijk lange tijd de gewoonte bij protestanten. Ik heb een zakenman gekend die zijn trouwring van rechts naar link verwisselde wanneer hij met rooms-katholieken handel bedreef. Of dat de manier van zaken doen, is lijkt me dubieus. Toen het in de Gouden Eeuw in zwang kwam dat mannen in voornamelijk de steden de ring aan de wijsvinger gingen dragen, dichtte Jacob Cats:
„Waerom is dit gebruyck, een spore tot de seden, / Waerom is dit gebruyck gebannen uit de steden? / Wel, sooje niet te nieuw of niet te los en zijt, / Soo draeght het trougemerk gelijck in ouden tijt.
Blijkbaar hield Cats graag oude tradities in ere. Soms kan een herbezinning op een gewoonte goed zijn. Ik las eens van een stel dat niet al te veel geld wilde spenderen aan een trouwring en dus niet voor gouden, maar eenvoudige zilveren exemplaren koos. Toen ze dit tegen de buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand zeiden, riep hij uit: „Wat bijzonder, want je kent het gezegde: Spreken is zilver, zwijgen is goud en jullie weten wat er nodig is in een goed huwelijk.”
Ds. M. van Kooten, Elspeet
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 28 oktober 2020
Terdege | 162 Pagina's