Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Boekbesprekingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbesprekingen

4 minuten leestijd

Frank Hofmann, Wie redet Gott mit uns? Der Begriff „Wort Gottes“ bei Augustin, Martin Luther und Karl Barth (Zürich: Theologischer Verlag Zürich, 2019) 274 p., € 36,90 (ISBN 9783290182649).

De auteur van deze systematisch-theologische dissertatie promoveerde eerder in de filosofie, op het waarheidsbegrip. Hij noemde zich toen agnost. De godsvraag liet hem evenwel niet los, en dat leidde uiteindelijk tot deze tweede dissertatie in Marburg. Hij werd gegrepen door de nadruk op Gods transcendentie in het denken van Karl Barth; door de idee dat God zichzélf meedeelt: het begrip ‘Woord Gods’. In dit proefschrift brengt hij dit theologische begrip in gesprek met de hedendaagse taalfilosofie. Hij begint na de inleiding (11-21), waarin we naast de probleemstelling ook een kort literatuuroverzicht vinden, met een hoofdstuk over het Woord Gods in de Bijbel (23-45). Daar komen we immers reeds een God tegen die spreekt en zo gemeenschap zoekt en sticht. Hofmann onderscheidt vijf verschillende aspecten: het profetische, het gebiedende, het scheppende, het gepersonifieerde (Spreuken 8, Johannes 1) en het kritische woord. Bij het kritische woord behandelt hij 1 Korinthe 1:18-25. Hij verbindt met elk aspect van het woord een andere functie en een ander doel. Het werd mij bij het lezen niet altijd duidelijk waarom deze zo strak gekoppeld worden. Zo noemt hij als doel van het gepersonifieerde woord ‘zelfkennis’ en als doel van het kritische woord ‘soteriologie’ (schema op pagina 44). Hier lijkt van enige oversystematisering sprake.

Het tweede hoofdstuk (47-97) gaat over Augustinus. Augustinus ziet woorden als tekens voor dingen. Zij verwijzen ons naar de werkelijkheid en kunnen zo ook de werkelijkheid ontsluiten, maar ze zijn niet in zichzelf betekenisvol. In relatie tot het goddelijke zijn de tekens ontoereikend, maar noodzakelijk. In De trinitate gaat Augustinus evenwel een stap verder en leidt hij de betekenis niet af uit de verwijzing maar uit het gebruik. De auteur ziet hier een parallel met Wittgensteins vroege, respectievelijk late taaltheorie.

In het derde hoofdstuk (99-145) behandelt Hofmann Luther. Bij hem is het ‘Woord Gods’ niet een apart thema, maar het centrum dat alles doortrekt. Hij zoekt niet iets achter dit Woord, zoals in een verwijzingsof afbeeldingstheorie gebeurt. De taal is vooral een groot geschenk, zonder hetwelk de mens de werkelijkheid niet zou kunnen bevatten. De mens ervaart het Woord Gods als aanspraak, en kan zichzelf vanuit die aanspraak opnieuw leren kennen, vernieuwd worden. Dit gebeuren gaat via de metaforische, menselijke taal, maar de mens heeft er ten diepste geen vat op.

Het vierde hoofdstuk (147-198) is gewijd aan Karl Barth. Hij maakt als geen ander het Woord Gods tot uitgangspunt van de theologie. ‘Woord’ is hier volgens Hofmann niet metaforisch bedoeld, maar ook niet supranaturalistisch; het heeft betrekking op concrete communicatie. De openbaring is een wereldlijk gebeuren, door middel van menselijk spreken, maar het blijft een geheimenis. Het slagen van de communicatie, dat het woord des mensen hier en nu Woord Gods wordt en is en mensen verandert, is immers niet te plannen of beheersen. Hij ziet in Barths denken treffende parallellen met de latere Wittgenstein en J.L. Austins theorie van taaldaden. In de bijbehorende analyse van het laatste hoofdstuk legt hij er grote nadruk op, dat het Woord Gods als menselijke taaldaad pas slaagt, wanneer de hoorder er met geloof op antwoordt. Daarom verwerpt hij Bayers analyse van de belofte (promissio) als performatieve act (232). Naar mijn idee gaat hier iets scheef in de taalfilosofische analyse van een theologische theorie. Wil theologisch gesproken de term ‘Woord Góds’ niet mede juist zeggen dat het, in tegenstelling tot menselijke woorden, een scheppend woord is? Het geloof is dan niet voorwaarde voor het slagen van deze taaldaad, maar hooguit de wijze waarop deze tot voltooiing komt.

In dit al genoemde zesde en laatste hoofdstuk (199-252) geeft de auteur de systematisch-theologische balans. Het hart van de auteur ligt het meest bij Karl Barth, wiens denken sterk vanuit Jüngel en vooral vanuit Dalferth, die pionierswerk verrichtte ten aanzien van de verbinding van openbaringstheologie en taalfilosofie, benaderd wordt. Hij legt in gesprek met Martin Laube nog eens uit dat hij het Woord Gods niet als aparte categorie van de taal, maar als het wezen van de taal ziet. Van daaruit kan hij ook modern taalgebruik kritiseren (244vv.). Voor mij bleef na lezing van dit kernachtig geschreven proefschrift vooral de vraag over of er ook inhoudelijk-theologische winst is bij deze taalfilosofische benadering van het Woord Gods, of dat de oorspronkelijke dogmatische inhoud en betekenis niet juist verschralen. Er gebeurt in ieder geval iets als we de term ‘Woord Gods’ uit het dogmatische ‘taalspel’ overbrengen in het taalfilosofische.

Dit artikel werd u aangeboden door: Theologia Reformata

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 september 2020

Theologia Reformata | 102 Pagina's

Boekbesprekingen

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 september 2020

Theologia Reformata | 102 Pagina's