Impressies Van Een Geslaagde Conferentie
Het waren weer veel conferentiegangers die op de laatste dag van de winter, zaterdag 20 maart j.1., van heinde en verre waren samengestroomd naar de Jacobikerk in Utrecht om voor de tweede maal in deze gewijde ruimte de jaarlijkse conferentie van de Vrienden van Dr. H. F. Kohlbrugge bij te wonen. Om half elf werden zij allen door ds. H. Klink, aan wie de leiding van de conferentie was toevertrouwd, hartelijk verwelkomd. Woorden van welkom werden in het bijzonder gericht tot de afgevaardigde van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond, de heer C. v.d. Louw uit Assen, alsook tot de afgevaardigden van het hoofdbestuur van de Confessionele Vereniging, ds. J. ter Steege en ds. W. A. B. Hagen met hun echtgenoten en de heer J. H. Doeser. Voorts werden ds. D. van Heyst en dr. en mevr. Aalders verwelkomd. De voorzitter typeerde het afgelopen jaar als een jaar vol van gebeurtenissen voor de Vriendenkring. Gewezen werd op twee belangrijke promoties: op 8 oktober 1992 promoveerde dr. M. Verduin op het proefschrift "Canticum Canticorum, het Lied der liederen", op 5 november 1992 gevolgd door dr. A. de Reuver, die promoveerde op het proefschrift "Bedelen bij de Bron", Kohlbrugge's geloofsopvatting vergeleken met Reformatie en Nadere Reformatie. Beide doctores worden thans nog eens gefeliciteerd met de behaalde doctorsgraad. Nóg een boek werd in het openingswoord met ere vermeld, nl. het laatste boek van dr. W. Aalders, "Antwoord op de Godsverduistering", met de ondertitel "Het christelijk geloof in gesprek met Joden, Grieken en atheïsten". Dit boek wordt door de voorzitter gekenschetst als een "rijke pennevrucht van een predikant en doctor die zijn leven lang betrokken is geweest op de tijdsvragen, maar bovenal betrokken op Christus Zelf, Zijn macht en kracht." Met dankbaarheid werd door de voorzitter vastgesteld, dat wij de vruchten mogen plukken bij het lezen en herlezen van deze publicatie.
De heer Th. J. Tennissen, organist van de Jacobikerk, bespeelde op voortreffelijke wijze tijdens deze conferentie het orgel. De eerste verzen die hij begeleidde waren Psalm 108 : 1 en 2. Hierna ging ds. Klink voor in gebed en las vervolgens II Corinthiërs 5:11 - 21.
Na het zingen van Gezang 50 : 3 en 4 met de bekende regels:
"Jezus, Uw verzoenend sterven
blijft het rustpunt van ons hart" ...
vond de herdenking van de ontslapenen plaats. 74
Sinds de laatste conferentie op 4 april 1992 zijn, voor zover bekend, de hieronder genoemde broeders en zusters uit onze Vriendenkring weggenomen:
1. de heer B. Sijtsma te Dokkum,
2. de heer J. Schreuders te Alblasserdam,
3. de heer ds. D. Scheepmaker te Middelharnis,
4. de heer ds. C. den Hertog te Hoogblokland,
5. de heer Joh. Hoogendijk te Rotterdam,
6. de heer G. H. Meijroos te Ermelo,
7. de heer H. Oldeman te Ommen,
8. mevrouw K. Scheepstra-Withoff te Nieuw Weerdinge,
9. de heer Chr. van Baaien te Brakel,
10. de heer dr. H. van Vliet te Alphen aan den Rijn,
11. de heer H. H. Visser te Joure,
12. de heer J. Agterdenbos te Fijnaart,
13. de heer J. H. de Boer te Epe,
14. de heer W. de Jong te Joure,
15. de heer P. Roos te Ter Aar,
16. de heer G. Mast te Damwoude,
17. de heer H. J. Grotemarsink te Den Ham,
18. de heer ds. J. Waagmeester te Apeldoorn,
19. de heer L. A. van den Berg te Amersfoort,
20. de heer prof. dr. G. P. van Itterzon te De Bilt,
21. mevrouw H. Grotemarsink-Lohuis te Stegeren (gem. Ommen),
22. mevrouw A. R. Krabman te Utrecht,
23. de heer M. J. van der Weele te Zeist,
24. mevrouw E. Cordia-Boer te Zeist,
25. mevrouw L. Roos-van der Spek te Nieuw Vennep,
26. de heer ds. H. J. van Achterberg te Leiden,
27. de heer H. J. van Maanen te Woudenberg,
28. de heer J. S. Kooreman te Leiderdorp,
29. de heer H. J. van Dijk te Giessenburg,
30. mevrouw A. Hilbrandie-Pietens te Bedum,
31. mevrouw H. du Boeuff-Hansen te Oegstgeest,
32. mevrouw R. A. Scholten-van Delden te Ommen,
33. mevrouw H. Oenema-Bos te Drachten,
34. mevrouw M. Wijmenga te Vlaardingen,
35. de heer ds. J. J Ket te Giethoorn,
36. mevrouw M. Bokdam-Jansen te Almelo,
37. de heer A. Mol te Ede
Na een minuut stilte werd staande Psalm 16 • 6 gezongen:
"GIJ maakt eerlang mij 't levenspad bekend,
waarvan m druk't vooruitzicht mij verheugde.
Uw aangezicht, in gunst tot mij gewend,
schenkt mij in 't kort verzadiging van vreugde
De lieftijkheên van 't zalig hemelleven
zal eeuwiglijk Uw rechterhand mij geven".
Toen deze zang verklonken was, gaf ds. Klink het woord aan dr. Verduin voor het houden van zijn referaat met de titel "Kohlbrugge en het Hooglied", waarbij hij er in zijn inleidend woord op wees dat dr Verduin die promoveerde op het Hooglied eigenlijk in het voetspoor is gegaan van dr. H. F. Kohlbrugge die in 1829 promoveerde op een studie over Psalm 45.
Dr Verduin had zijn referaat in vier punten onderverdeeld. Allereerst ging hij in op de methode van Kohlbrugge's Schriftuitleg. Hij toonde aan dat Kohlbrugge's exegese van het Hooglied met alleen een lange kerkelijke traditie, maar ook de joodse traditie achter zich heeft. Moderne exegeten hebben Kohlbrugge's uitleg van de hand gewezen als "achterhaald" en "minderwaardig" Echter, dr, H F Kohlbrugge was een geleerde, een groot kenner van het Hebreeuws en Aramees en daarom eenmaal genomineerd als hoogleraar in de Oosterse talen te Leiden De drijfveer achter Kohlbrugge's exegese was zijn geloof. In dat geloof beschouwde hij de Heilige Schriften als een geheel Kohlbrugge las de Heilige Schriften vanuit Christus. Daarmee stond hij in de traditie van de oudchristelijke Schriftuitleg, die op zijn beurt verworteld IS in de traditie van de Synagoge.
Dr. Verduin keerde zich met dr. Kohlbrugge tegen een beschouwing van het Hooglied als een bundeling van een aantal profane liefdesliederen ("geen liefdesliedjes", geen "vleselijk huwehjkslied"), waaraan dan vervolgens een religieuze betekenis werd gegeven. Deze inleg gaat dan de uitleg overheersen. De Synagoge leest het Hooglied op de achtste dag van Pesach als een allegorie, een gelijkenis van de liefde van God tot Israel, de bruid, welke liefde gestalte krijgt in de geschiedenis van Israel Voor de rabbijnen gaat het in het Hooglied tevens om een klaaglied over de verstoring van de verbondsrelatie tussen de HERE God en Israel. De christenen gingen het Hooglied en Psalm 45 lezen in het licht van Christus' woord na Zijn opstanding, dat alles wat over Hem geschreven staat in de wet van Mozes en de profeten en de psalmen vervuld moest worden. Zij hebben tevens in Efeziers 5 de sleutel gevonden tot het verstaan van het Hooglied.
Vervolgens stelde dr. Verduin het proefschrift van dr. Kohlbrugge over Psalm 45 aan de orde. Kohlbrugge ziet in Psalm 45 een geestelijk Bruiloftslied, waarin Christus centraal staat. Hij leest deze Psalm als parallel van het Hooglied. De geschriften van de vroege Kerk worden door Kohlbrugge, ondanks scherpe kritiek op Origenes, met instemming geciteerd. Voor Kohlbrugge staat het vast, dat de bruid is "de geheele algemeene (Christelijke) Kerk van het eene einde der aarde tot aan derzelver ander einde te saam vergaderd uit alle volkeren ..." Uit het Hooglied blijkt, dat de Kerk "de eenige volmaakte Duive van Christus" is. Alle Kerkvaders stemmen hierin overeen, dat het Hooglied en Psalm 45 door aanblazing en aandrijven van de Heilige Geest geschreven zijn op Christus en Zijn Kerk. Na de Kerkvaders bespreekt Kohlbrugge in zijn dissertatie de Middeleeuwen "Op geene andere wijze dan de Kerkvaders hebben de Uitleggers in de Midden-eeuwen, vooral van de achtste Eeuw en vervolgens, onzen Psalm verklaard. Deze toch bijna allen (zoowel in de Godgeleerdheid in het algemeen, als in het verklaren onzes Psalms in het bijzonder) Augustijn (Augustinus) gevolgd zijnde, stemden geheel overeen in de Geestelijke uitlegging van ons heilig lied. Zij willen dat men het van Christus en Zijne Kerk verklaren zal". Wel keert Kohlbrugge zich tegen het onbetamelijke vergeestelijken door o.a. Paschasius (790 - 859). Voorts behandelt hij de 86 preken over het Hooglied van Bernard van Clairvaux (1090 - Il 53). Aan de uitleg van Luther wordt ruime aandacht besteed "Eindelijk brak de glansrijke dag der Hervorming door, verdrijvende de nacht van domheid en dweperij en geheel de toen bekende wereld met zijn licht overstralende. De groote Luther dan, die met alle wapenen des geloofs het Pausdom nederbonsde, greep ook uit onzen Psalm geweer en pijlen op, waarmede hij de vijanden verjoeg". De Psalm moet volgens Luther verstaan worden "van het geestelijke rijk van Christus en van de Kerk, waar Christus Koning is".
Dr. Verduin stelde vast dat Kohlbrugge in zijn dissertatie geen aandacht besteedt aan Luthers colleges over het Hooglied, die pas in 1539 werden gepubliceerd De reden waarom Kohlbrugge Luther met is gevolgd zou kunnen liggen aan het feit dat Luther aan het Hooglied politieke betekenis toekent. Tijdens de vragenbeantwoording voegde dr. Verduin hieraan later nog toe, dat Luther in zijn politieke uitleg van het Hooglied "de regerende vorsten een hart onder de riem wilde steken" tegenover hen die opstand en revolutie voorstonden. Overigens heeft Luther zelfde mo gelijkheid opengehouden dat hij zich in zijn uitleg ver gist heeft
Kohlbrugge heeft dus een lange kerkelijke traditie achter zich, wanneer hij het Hooglied van Salomo leest als een bruiloftszang van Christus en Zijn Kerk. Salomo was voor hem "een schaduwbeeld van Koning Messias en deszelfs Huwelijk heeft eemgermate die geestelijke vereeniging tusschen Christus en de Gemeente . . af geschaduwd" Kohlbrugge stelt, dat als WIJ deze traditionele uitleg met aanvaarden, dan "zal in het verklaren van onzen Psalm die geheele menigte der christenen gedwaald hebben, die van de eerste eeuwen af aan tot op den huidigen dag den Psalm van Christus en Zijne Gemeente of Kerk verklaard hebben" Dus" als WIJ Psalm 45 en ook het Hooglied met lezen als allegorie, als gelijkenis, dan hebben de Kerkvaders en al hun leerlingen zich vergist In het derde onderdeel van zijn referaat ging dr.
In het derde onderdeel van zijn referaat ging dr. Verduin na, hoe Kohlbrugge's exegetische methode functioneerde in zijn prediking over het Hooglied. Een aantal preken van dr Kohlbrugge over het Hoog- 75lied is bewaard gebleven en uit deze preken gaf dr. Verduin tal van treffende aanhalingen. Het ging om de volgende preken:
1. Een preekschets over Hooglied 1 : 2b, opgenomen in het Amsterdamsch Zondagsblad tot getuigenis der waarheid, Ie jaargang, 1888.
2. Een preek over Hooglied 1 : 1-5, gehouden op Pinksterzondag 30 mei 1852. Deze preek is gepubliceerd in de bundel Feeststoffen. Kohlbrugge was toen bijna 50 jaar oud en zijn visie was volgens dr. Verduin gerijpt.
3. Een preek over Hooglied 1 : 4, gehouden op 30 augustus 1863 in de morgendienst te Fijnaart.
4. Een preek over Hooglied 3 : 6-11 en 4 : 16, gehouden op 30 augustus 1863 in de namiddag te Fijnaart.
5. Een preek over Hooglied 4 : 12-16, als aanhangsel gepubliceerd in de bundel Door Zijne wonden is ons genezing geworden.
De uitleg van het Hooglied door dr. Kohlbrugge hangt volgens dr. Verduin niet in de lucht, maar vormt een schakel in een lange traditie. Hij wees er wel met nadruk op, dat dr. Kohlbrugge geen preek heeft nagelaten over het terugkerende refrein "Wekt de liefde niet op ...". Een bepaalde joodse exegese, in welks voetspoor Luther ook gegaan is, ziet hierin een oproep om niet eigenmachtig vooruit te grijpen op het Messiaanse rijk maar Hem, de Messias te verwachten. Zo wordt de geest van de revolutie hierin bestreden.
Bij het vierde onderdeel ging dr. Verduin in op de actualiteit van Kohlbrugge's uitleg in de lijn van de traditie. Hij zei onder meer, dat het hem er niet om ging dr. Kohlbrugge te imiteren of te kopieren maar om met laatstgenoemde het loflied te zingen op Koning Jezus. Het Hooglied heeft de allegorie niet nodig, maar is zelf een allegorese, een gelijkenis waarin Christus centraal staat. Aansluitend op dit boeiende referaat dat te zijner tijd in zijn geheel zal worden gepubliceerd in Ecclesia, werd Psalm 45 : 1 en 4 gezongen.
In de korte pauze riep mevr. M. J. Vosjan, de secretaris-penningmeester van de Stichting Vrienden van dr. H. F. Kohlbrugge, alle aanwezigen op om nieuwe abonnees te werven. De reactie van een dankbare lezer van Ecclesia/Kerkblaadje, die graag zag dat het blad wekelijks zou gaan verschijnen, werd voorgelezen. Door haar werd ook de collecte aangekondigd die voor de helft bestemd werd voor de bestrijding van de kosten van de conferentie en voor de andere helft voor steun aan het Hamlin-ziekenhuis in Libanon, waar elke patient ongeacht zijn/haar nationaliteit geholpen wordt.
Eén van de schriftelijk ingediende vragen luidde: "Mag men bij een allegorische uitleg van het Hooglied elke tekst geestelijk verklaren?" Naar aanleiding hiervan verduidelijkte dr. Verduin nog eens dat het Hooglied in zijn geheel te beschouwen is als een allegorie, een gelijkenis. Wie in een gelijkenis aan alle kleine details een geestelijke betekenis gaat toekennen, loopt bij de uitleg onherroepelijk vast. Men moet eerst de hoofdlijn te pakken krijgen, dan komt van daaruit het geheel tot zijn recht. Dit geldt ook voor het Hooglied als het lied van de hoop, waarin Christus de inhoud van de verwachting is.
Aan het begin van de middagpauze sprak ds. M. J. 76 Aarents een gebed uit voor de maaltijd. Tijdens deze middagpauze was er ruimschoots de gelegenheid voor ontmoeting en gesprek. Bij de heropening van de conferentie ging ds. Aarents eveneens voor in het dankgebed. Na het zingen van Gezang 138 : 1, 3 en 6 werd het woord gegeven aan ds. L. J. Geluk voor het houden van zijn referaat, getiteld "De afkomst van Europa". Hij stelde allereerst een aantal kritische vragen bij de met duizend vreugdevuren aangekondigde naderende eenwording van Europa. Die eenwording komt immers tot stand buiten de burgers om, die in ons land niet zijn geraadpleegd bij een referendum. Wat zal deze eenheid ons brengen, au de controle aan de binnengrenzen is weggevallen? Het doet denken aan een woning zonder deuren. Wat zal de functie zijn van de nationale regeringen en, wat Nederland betreft, de plaats van ons Oranjehuis? Als we denken aan een Verenigd Europa, denken we ook aan Italië, het land van de mafia en corruptieschandalen en aan Griekenland en Spanje met hun zwakke democratieën. Wie zal de lakens gaan uitdelen: zal dat niet gaan gebeuren vanuit Bonn/Berlijn en Parijs? Is een Verenigd Europa voor de kleine landen, met name voor Nederland, niet een groot gevaar? Worden wij al niet te veel overheerst vanuit een ongecontroleerd Brussel? Is zo de democratie al niet een farce geworden?
Ds. Geluk wees hierbij ook op het verschijnsel dat juist minderheden in Europa thans naar zelfstandigheid streven, zoals in de zwakke federatie België, in het voormalige Tsjechoslowakije en in het door nationalisme verscheurde Joegoslavië, om nog maar te zwijgen van de Basken, Catalanen en Corsicanen, die onrust veroorzaken. Bij velen bestaat de vrees voor een Europees avontuur. We moeten ons niet van de wijs laten brengen door de stelling: één Europa of géén Europa!
In het vervolg van zijn referaat ging ds. Geluk nader in op enkele aspecten van de geschiedenis. De bevolking van Europa is te beschouwen als één grote vertakte familie. Dat blijkt ook uit het feit dat alle regerende en niet meer regerende vorstenhuizen aan elkaar verwant zijn. Ook zonder een Verenigd Europa is Europa meer een eenheid dan wij soms denken.
De afkomst van Europa is te vergelijken met de afkomst van Israel. Israel herdacht jaarlijks zijn afkomst bij de aanbieding van de eerstelingen van de oogst. De liturgische formulering daarvan vinden we in Deut. 26: "Mijn vader was een Arameeër die bezig was ten onder te gaan". Zo waren ook de volken van Europa gehuld in de duisternis van het heidendom, bezig ten onder te gaan. Maar God die bemoeienis had met Israel, gaat in Zijn bijzondere ontferming ook met de volken Zijn weg.
Ds. Geluk schetste vervolgens de grote macht en de enorme uitgestrektheid van het Romeinse rijk: Utrecht en Bethlehem lagen binnen de grenzen van het ene rijk van Rome. De meesten van onze voorouders kwamen hier in het kader van de volksverhuizingen die tevens één van de vele oorzaken van de val van het Romeinse rijk vormden. Het christendom kwam vooral in de steden tot ontwikkeling, zoals bijvoorbeeld Keulen en Trier. Daarbuiten woonden de heidenen, de "pagani". Wie zouden de Germaanse stam-men gaan winnen voor Christus?
Nadat ds. Geluk had stilgestaan bij de oorsprong en de betekenis van de naam Europa, stelde hij de vraag aan de orde hoe het toch kon dat eeuwenlang van hieruit de leiding over de hele wereld is uitgegaan. Niet alleen het christelijk geloof verbreidde zich van hieruit over de wereld, maar ook de gevolgen van de Reformatie zijn tot in de verste uithoeken van de wereld merkbaar. Ds. Geluk wees in dit verband ook op het koloniale imperialisme, de ontwikkehng van wetenschap en techniek, en het marxisme dat met zijn loze beloften en verschrikkingen in Europa ontsproten is. Europa tract eerde de mensheid in deze eeuw op twee wereldoorlogen. Voorts: de wereldwijde invloed van de Europese talen. Hoe is Europa toch tot deze macht en invloed gekomen? De geschiedenis schijnt te bestaan uit miljarden kleine toevalligheden, maar gelovigen zetten deze "toevalligheden" tussen aanhalingstekens en belijden dat God door alles heen de geschiedenis leidt. Wij geloven in een God die onzichtbaar alles in handen heeft. Ds. Geluk citeerde Art. 13 van de Ned. Geloofsbelijdenis en stelde dat Europa niet zonder Gods leiding geworden is tot wat het nu is. Onder Gods leiding staken Angelsaksische en Ierse monniken vanuit Engeland en Ierland de Noordzee over: Columbanus, Willibrord, Bonifatius. Hun drijfveer was de peregrinatio, het omzwerven in vreemde landen. Deze monniken voelden zich gedrongen om eertijds als Abraham op reikte gaan. Dit had niets te maken met een zucht naar avontuur, maar het werd beschouwd als een aparte vorm van ascese. Het doel was: het Evangelie uit te dragen. Zo werden overal kapellen en kloosters gesticht.
Daarnaast wees ds. Geluk op de grote betekenis van keizer Karel de Grote (768-814) voor de eenheid en de kerstening van Europa. Karel de Grote, wiens troon in Aken stond, naar het model van de troon van koning Salomo, omringde zich met priesters en monniken als adviseurs. Hij zag zichzelf en zijn rijk in het licht van de verbreiding van het Evangelie. De samenleving werd gekerstend: ontwikkeling van het onderwijs, bestraffing van criminaliteit, bestrijding van afgoderij en lijkverbranding, abdijen en kerken die privileges en bezittingen kregen. Bij dit alles liet Karel de Grote zich inspireren door het bekende boek van Augustinus: De Civitate Dei. Ds. Geluk concludeerde, dat de Angelsaksische en Ierse zendelingen èn Karel de Grote de grondleggers waren van het christelijke Europa.
Een veelheid van gegevens passeerde vervolgens de revue, o.a. de Europese literatuur, de romaanse en gotische bouwkunst, de kruistochten, de kloosterhervormingen, het Latijn als de taal van de universiteit, de Katharen, Thomas van Aquino, vroege symptomen van atheïsme, de opkomst van de Renaissance als een los-van-de-kerk-beweging. Om uit te komen bij de 16e eeuw, door de spreker getypeerd als "een boeiende en dramatische tijd". Een verwereldlijkte kerk sloot zich af voor de regenererende kracht van het Woord van God. Maar dat deel van de kerk dat zich wel liet hervormen viel in diverse landskerken uiteen. Hoeveel sterker zou de zaak van de Reformatie hebben gestaan, als er meer organisatorische eenheid was geweest! Een en ander hing samen met Luthers visie op de overheid en de betekenis van de landsheer, wiens godsdienst bepalend was voor een bepaalde streek. Alsook met het feit, dat Luther meer nadruk legde op de onzichtbare kerk. Calvijn legde meer nadruk op de zichtbare kerk èn de eenheid. Het calvinisme is internationaal aangelegd. In dit verband kwam de Synode van Dordrecht 1618/19 ter sprake als een oecumenische kerkvergadering: een poging tot eenheid van christenen in een meer en meer verdeeld rakend Europa.
Ds. Geluk stond verder uitvoerig stil bij de bijzondere plaats van Nederland in de 16e/17e eeuw. Was het eerst een gebied dat men ontvluchtte (volgens dr. A. A. van Schelven bedroeg het aantal vluchtelingen een half miljoen), later werd het een toevluchtsoord voor anderen. In de vluchtelingengemeenten in het buitenland is de Nederlandse staat geboren. Nederland werd een gebied waar vrijheid van geweten en vrijheid van eredienst golden. Vluchtelingen van elders werden gastvrij opgenomen. De oorsprongen van vele nu door en door Nederlandse families liggen in andere Europese landen.
Na een schets van de grote betekenis van stadhouder Willem III werd vervolgens de 18e eeuw behandeld, die met de opkomst van de Verlichting en het rationalisme uitliep op de Franse Revolutie van 1789. Wat de 19e eeuw betreft vestigde de spreker de aandacht op het oorlogzuchtige Pruisen, van waaruit de Ie en 2e Wereldoorlog werden voorbereid.
Tenslotte trok ds. Geluk enkele lijnen naar het heden. Het christelijk geloof en de kerken die Europa eertijds tot een eenheid maakten, zijn in de Europese samenleving tot randverschijnselen geworden. De kennis van de levende God is gaan ontbreken. Europa heeft zijn afkomst verloochend. Ds. Geluk gaf de paus gelijk dat in het nieuwe Europa een ziel ontbreekt, maar waarschuwde voor een roomse ziel, een islamitische ziel of een New-Age-ziel. Hij wees de conferentiegangers op het inspirerende voorbeeld van Calvijn die overal contacten legde, en van het internationaal georiënteerde Réveil in de vorige eeuw. God blijft aan het werk in de geschiedenis en komt tot Zijn doel. De stad van God zal in deze aardse bedeling nimmer verwerkelijkt worden; de gemeente van Christus blijft gemeente onder het kruis. Maar: Deo duce nil desperandum (d.i.: als God de leiding heeft, behoeven wij niet te wanhopen). Hij heeft de leiding, ook als er een Verenigd Europa ontstaat. Het komt erop aan dit te geloven!
Aldus luidde - in hoofdlijnen weergegeven - het belangwekkende en soms bewogen betoog van ds. L. J. Geluk. Dit referaat zal te zijner tijd in een nog uitgebreidere versie dan waarin het gehouden werd, in Ecclesia gepubliceerd worden. Bijzonder toepasselijk waren de verzen 2 en 3 van Psalm 78, die hierna gezongen werden.
Na een korte pauze bleek op het referaat van ds. Geluk een aantal reacties en vragen ingekomen te zijn. Een greep daaruit: "De anti-franse gezindheid van dr. H. F. Kohlbrugge was historisch en geestelijk wel verklaarbaar. Frankrijk was: revolutie; liberalisine. Duitsland was: conservatief, luthers, traditioneel. Bismarck heeft het Duitse volk verziekt". Ds. Geluk kon zich hierin geheel vinden. Wat sceptisch stond hij 77 tegenover de gedachte dat er mogelijk in West-Europa wat "méér grondwater van gereformeerd besef" is dan hij had laten uitkomen.
"Is de geest van de Verlichting en het rationalisme niet gegeven met het christendom?" Neen, het kenmerk van de Verlichting is dat zij de Goddelijke openbaring verwerpt, stilweg negeert of bestrijdt.
"Kunnen we een cultuur christelijk noemen? Bijvoorbeeld de Europese? Zo ja, welke waarde heeft deze cultuur dan in eeuwigheidslicht?" Een cultuur is wellicht nooit geheel gekerstend, maar kan wel - zoals de Europese in het verleden - van vele christelijke motieven doortrokken zijn.
"Heeft ook niet Straatsburg naast Geneve betekenis gehad in de Europese geschiedenis?" Dat is zeker het geval, maar door het levenswerk van Calvijn overtreft Geneve Straatsburg waar Bucer heeft gearbeid.
"Wat is het wezenlijke kenmerk van een Réveil?" "Welke rol heeft Augustinus' Stad Gods gespeeld, ook met betrekking tot de verhouding kerk en staat?" "Hoe zouden we ons kunnen inzetten om eraan mee te werken dat het Europa van nu de juiste ziel krijgt?" Deze en nog andere vragen kregen elk een korte beantwoording, want de tijd drong.
Nadat ds. H. Khnk de referent had bedankt, kon hij mededelen dat de inzameling die gehouden was het bedrag van ƒ 1.519,95 had opgebracht. Hij verzocht na het door hem uit te spreken dankgebed te zingen Gezang 280 : 1, 3 en 5: '"k Wil U, o God, mijn dank betalen, U prijzen in mijn avondlied".
Dankbaar voor de inhoud van de beide referaten evenals voor de ontmoetingen en gesprekken in de pauzes verlieten ongeveer kwart over vier de Vrienden de Jacobikerk om zich door het drukke stadsverkeer naar hun auto of het NS-station en dan naar huis te begeven. Menige positieve waardering voor deze Conferentie
Menige positieve waardering voor deze Conferentie werd gehoord - een bemoediging voor het voorbereiden van de Conferentie in 1994. Zo de Here dit geven wil.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 mei 1993
Ecclesia | 8 Pagina's