Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Luigi Giussani (1922 - 2005)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Luigi Giussani (1922 - 2005)

30 minuten leestijd

Luigi Giussani werd geboren in 1922 in Desio, een plaats in de buurt van Milaan. Al in zijn jonge jaren leefde bij hem de wens om priester te worden. Vanaf zijn elfde jaar genoot hij zijn opleiding in het seminarie in Seveso bij Milaan. Op 23-jarige leeftijd werd hij tot priester gewijd.

Giussani stond bekend als een levendige, betrokken en serieuze student, diep gelovig. Hij bezat een helder verstand en een brede belangstelling. Hij had een charisma: hij kon goed overweg met jonge mensen. Hij wees hen de weg in het leven. Hij wees hen de weg naar Christus en veelal ook heel persoonlijk de weg die Christus met hen in het leven wilde gaan.

Jonge mensen

Zijn zorg voor jonge mensen kwam al in de eerste jaren na zijn priesterwijding aan het licht. Het was de tijd na de Tweede Wereldoorlog, een tijd waarin de tegenstellingen in Italië zich verscherpten – vooral die tussen de kerk en het communisme, dat zich alom breed maakte en dat als ideologie goede papieren leek te hebben.

De communisten wezen erop dat de fascisten onder Mussolini Italië in het ongeluk hadden gestort. En: waren de fascisten, was Duitsland, niet verslagen vooral door toedoen van de communistische leider Stalin?

Het communisme was een allesomvattende ideologie. Als zodanig kon het een tegenhanger vormen voor de leer van de kerk, de kerk, die ook nog eens leek te verstarren in leerstelligheid en traditionalisme. Men was gewend aan haar aanwezigheid. Maar wat had ze te zeggen, kon ze de weg wijzen in de na-oorlogse jaren, vooral aan jongeren? Luigi Giussani merkte dat zij daar nauwelijks toe in staat was, dat ze de greep op de ziel van de bevolking aan het verliezen was.

Guissani was gedreven. Waar het maar mogelijk was, wilde hij aan deze toestand, die weinig goeds beloofde, iets doen. Om die reden vroeg hij zijn oversten les te mogen gaan geven in het voortgezet onderwijs aan het Berchet Lyceum in Milaan (1954). Daar zou hij jonge mensen ontmoeten die op de drempel stonden naar de volwassenheid. Als er ergens gewerkt moest worden, dan was het daar! Immers: in de leeftijd van de puberteit, de adolescentie, vallen de belangrijke beslissingen.

Laat niemand denken dat de jonge priester er met open armen ontvangen werd. Zijn collega’s waren niet bijzonder gecharmeerd van zijn komst. Maar ook op de jonge mensen kreeg hij aanvankelijk weinig greep. De kerk was op het college volkomen afwezig. De communisten daarentegen waren goed georganiseerd en wel aanwezig. Het christelijke geloof leek niet mee te tellen, het speelde geen rol van betekenis in de levens van de jongeren.

Giussani stoorde zich daaraan. Hoe kon dit verholpen worden? Zijn gevoel van urgentie werd echter door niemand gedeeld.

Toch wist hij door deze sfeer van kerkelijke afwezigheid heen te breken. Dat gebeurde op een aparte, maar veelzeggende manier. Op een dag liep de priester uit school. Voor hem liepen drie jongens. De schooldag zat erop. Terwijl Giussani hen voorbij liep, was er iets dat hem prikkelde. Hij draaide zich naar de jongens toe en vroeg: ‘Zeg jongens, zijn jullie christen?’ De jongens antwoordden met ‘ja’. Ineens viel Giussani uit: ‘Waarom merk ik dat dan nooit?’ Even later kreeg hij spijt van zijn verwijtende uitroep. Maar wat gebeurd was, was gebeurd. Wie schetst een goede week later echter zijn verbazing. Tijdens een plenaire bijeenkomst in de aula, waarin over een bepaald maatschappelijk probleem gedebatteerd werd, roerden de aanhangers van de communisten zich danig. Ineens stond er een jongen op. Hij gaf zijn mening, die anders luidde dan die van de andere woordvoerders en voegde eraan toe dat hij dacht zoals hij dacht, omdat hij ... een christen was!

Veel ging er door Giussani heen. Er was een horde genomen. Het ijs was gebroken! En inderdaad: langzamerhand kreeg hij een hele groep jonge mensen om zich heen. Hij riep een organisatie in het leven, de Giuventú Studentesca (GS). Tijdens zijn lessen besteedde hij volop aandacht aan vragen die in ieder mens leven en die zich in de puberteit voor het eerst aandienen: Wie ben ik? Wat houdt het in mens te zijn? Waar leef ik voor? Wat mag ik van het leven verwachten, wat verwacht het leven van mij? Wat verwacht God van mij?

Deze vragen bracht hij in verband met de tijd waarin de jongeren leefden. Hij wees hen op de antwoorden die grote denkers hadden gegeven. Hij opende voor hen de dichtkunst waarin deze vragen fijnzinnig onder woorden waren gebracht, met name door Leopardi. Hij wees hen op de rijkdom van de muziek. Vooral wees hij hen op de rijkdom van Christus: God is de Schepper, Hij heeft het leven gegeven. Juist daardoor heeft het een beloftevol karakter! Christus is Gods Zoon, Hij kwam om Gods goedheid over ons leven weer te laten oplichten. Hij is de Goede Herder, het Licht waarin je kunt wandelen. Zo is Hij het antwoord op de diepste vragen in ons leven. Hij geeft het leven zin en volheid.

Op de zondagmiddagen trok hij er samen met de jongeren op uit om in de armste wijken van Milaan goed te doen.

Groei

In de jaren vijfig en zestig raakte de organisatie steeds bekender. Zij groeide uit tot een landelijke beweging met contacten in het buitenland, tot in Zuid-Amerika toe. Duizenden jongeren schaarden zich rond Giussani. Hij trok met hen de bergen in, om hen tijdens de tochten te vertellen uit de Bijbel. Deze vorm van samenzijn noemde hij ‘geestelijke oefeningen’.

Er groeide iets – en dat midden in Italië. De leerlingen van het Berchet college gingen studeren. Zo ontstonden er ook op de universiteiten afdelingen van GS. Ook op de universiteit wilde Giussani leiding geven aan zijn voormalige leerlingen. Hij wilde daarom universitair docent te worden. Dat lukte. Maar ook bij de studie hield het niet op. Meerdere studenten wilden, nadat zij hun studie hadden afgerond, hun leven wijden aan God, zonder evenwel priester te worden. Hun ideaal was samen te wonen in een inspirerende omgeving. De inspiratie die zij door de dagelijkse ontmoeting met en de toewijding aan God opdeden, wilden ze in het leven van alle dag vruchtbaar laten zijn – op hun werk, in hun vrije tijd. Daartoe legden ze een gelofte af. Zo was tussen de jaren 1954 en 1968 iets ontstaan, iets dat er toe deed.

De crisis

Maar dan komt het jaar 1968, het jaar van de studentenrevoluties. Aan het eind van 1967 is het al onrustig in Milaan. Er vinden demonstraties plaats, gericht tegen de gevestigde orde. De gedachten van Marx en Marcuse dringen ook door tot in de kerk en in de christen-democratie. Op de universiteiten heerst een sfeer van opgewondenheid. Leden van GS worden erdoor gecharmeerd: de tijd waarin ze leven, vraagt om actie. Wat heb je aan geloof en aan een gemeenschap van gelovigen als de wereld niet veranderd wordt? Vastgeroeste structuren die het geluk van de mens in de weg staan moeten worden weggebroken, desnoods door een revolutie!

Wie iets wil proeven van de nieuwe geest die vat kreeg op de christenen van toen raad ik aan het bekendste boek van Eugenio Corti te lezen: Het Rode Paard. Ik wijs op één passage. We zien een vader van eenvoudige komaf zich opwinden over zijn zoon die priester wil worden. Hij kan de jongen niet meer volgen, maar voelt dat er iets niet in orde is. De jongen is niet meer die hij was. Hij is links-radicaal geworden. En dat onder aanmoediging van de priester uit zijn woonplaats, die hem keer op keer ontmoet in het plaatselijke lokaal. Op een avond wil zijn vader hem vandaar weghalen. Hij heeft in de vooravond een hevige woordenwisseling met zijn zoon gehad. Als hij geërgerd naar het lokaal is gelopen, ziet hij hem zitten, bij de priester. Hij voelt zijn machteloosheid. Wie is hij om aan die invloed weerwerk te bieden?! Onverrichterzake gaat hij naar huis. Hij voelt zich verraden, ook door de kerk. Wie is bestand tegen deze wind, die aan lijkt te zwellen tot een orkaan?

Giussani heeft de windvlagen gevoeld. Ze bliezen het prachtige huis dat hij had opgebouwd, in een keer omver. Toen de studentenrevoltes in hevigheid losbarstten, drongen veel van zijn leerlingen er vol enthousiasme op aan dat hij zich achter de nieuwe ideeën zou scharen. Giussani bood weerstand aan deze geestdrift. Waarom? Ontroerend is wat hij zegt op het moment dat ze bij hem binnenstormen en op hem inpraten om zich bij hen aan te sluiten: ‘Hebben jullie Christus aangeroepen bij dag en nacht?’

Wat bedoelde hij?

Hij wilde zeggen: leeft u met Christus die zich in de historie heeft geopenbaard? U kunt zich door revolutionair te worden afwenden van de historie en iets volstrekt nieuws willen beginnen, als uit het niets. Maar Christus heeft zich in de historie geopenbaard. Dat veronachtzaamt u. Dat is hoogmoed. Geloof bestaat in ootmoedig open staan voor wat God gedaan heeft in Christus. Staat u daarvoor open of neemt u in hoogmoed de geschiedenis in eigen hand, terwijl u aan Christus voorbijgaat? Bent u als Nicodemus die aan Christus’ voeten zat en wederom geboren werd? Is uw hart (!) daardoor veranderd?

Trouw

Wat Giussani opgebouwd had, viel weg. Het leek drijfzand te zijn waar hij niet op kon staan. In de dagen dat zijn levenswerk instortte, had hij één houvast: Christus is er. Hij ís aanwezig. Het heil moet van boven komen. Zo is het altijd geweest. De boodschap van de Bijbel is een annuncio, een aankondiging. Het is iets dat overrompelt, zoals toen de engel de geboorte van Christus aankondigde aan Maria. Het is een aankondiging die van God naar ons toekomt. Daaraan hield hij vast.

We kunnen ons voorstellen hoe moeilijk deze tijd voor Giussani geweest is. Maar hij moest trouw zijn. Christus zou trouw zijn! – als hij het was. Hoe Christus hem zou helpen was onzeker. Dát Hij het zou doen, stond vast. Giussani ging eenzame jaren tegemoet. Velen namen afscheid van hem. GS verpulverde.

Toen gebeurde er iets. Wat er gebeurde, willen we tot ons nemen door een ooggetuige, de toenmalige kardinaal van Milaan, Giacomo Biffi.

Op een dag liep Biffi uitermate bezorgd over de toestand van de kerk door Milaan. Hij had onlangs een boekje geschreven over Christus, die als de Opgestane zit aan de rechterhand van de Vader. Gedachten daarover hielden hem bezig: het kon toch niet zijn dat Christus zijn kerk in de steek liet, dat de Heilige Geest de kerk in de steek had gelaten? Ineens viel zijn oog op een aanplakbiljet. Er stond wat informatie op over een groep die een avond organiseerde. De groep heette, zo las hij: Communione e Liberazione. Wat hij las, trof hem. Het was alsof even een straal zonlicht door de gitzwarte nacht brak. Communione - een gemeenschap die trouw wilde zijn aan de kerk en aan Christus. In de ontmoeting met Hem is vrijheid (Liberazione) te vinden. Hij maakt je vrij. Later begreep Biffi dat het ging om leerlingen van Giussani. Zij hadden de avond belegd.

Een boodschap

Vanuit dit kleine begin is er iets nieuws ontstaan. Giussani hield zijn trouwe leerlingen voor: De situatie is gewijzigd. Het landschap is anders geworden. De tegenstellingen hebben zich verscherpt. De revolutie belooft bevrijding, maar laat je leeg achter. Het gaat om de kerk, om echte bevrijding, bevrijding van het kwaad, de zonde. Die is alleen mogelijk door Christus, die de Waarheid is. Hij maakt je vrij. Hij is de eerste en blijft de eerste. Dat is de boodschap. Het is dezelfde boodschap als voordien, alleen gerijpt, met nog meer nadruk daarop dat geloof ontstaat uit een ontmoeting met Christus, die is opgestaan en leeft!

Giussani’s boodschap kwam dus hierop neer: Wij slaan geen nieuwe weg in, maar vervolgen de oude weg. Wat veranderd is, is dit: we zijn door de crisis gerijpt.

Slechts enkelen waren trouw gebleven, maar toch! De enkelen waren als de bende van Gideon! Biffi bracht het zo onder woorden: ‘uit de as van het oude dat was weggebrand, herrees iets nieuws.’

Giussani bleef trouw. Hij reisde, sprak met jongeren. Velen haakten aan toen de storm geluwd was. In wat Giussani naar voren bracht en in hoe hij het bracht, bespeurden zij iets van de aanwezigheid van Christus. In een tijd van nihilisme bood dit houvast. Het vaak lege hart van velen werd geraakt toen ze in contact kwamen met deze gemeenschap. Ze vonden er Christus, die hun leven veranderde. Meerderen van hen heb ik in de afgelopen jaren ontmoet – dankbare, krachtige gelovigen, uit het beste hout gesneden.

Uit de as van het oude...

In de jaren die volgden, ontstond een nieuwe beweging. Ze droeg de naam Communione e Liberazione. Met recht kon Biffi zeggen: uit de as van het oude groeide iets nieuws. De beweging groeide door de jaren heen buitengewoon snel. Duizenden jonge mensen participeerden en participeren erin. Voor velen van hen vormt de jaarlijkse ontmoeting in Rimini, uitgerekend de plaats waar velen Giussani de rug hadden toegekeerd, het hoogtepunt. Enkele jongeren uit Rimini besloten in de jaren zeventig, in hun woonplaats, in de zomer een ontmoeting te organiseren. Die ontmoeting groeide uit tot een jaarlijks evenement, dat tot op de dag van vandaag door honderdduizenden mensen wordt bezocht – vooral jonge mensen.

Men moet zich voorstellen: in een tijd waarin de kerk in de hele westerse wereld onder druk staat en afkalft, ontstaat in Italië een beweging die orthodox is en die uitgerekend in deze jaren opbloeit. De beweging vertakt zich naar alle steden van Italië. Er komen contacten met opnieuw Amerika, Zuid-Amerika, Spanje, Rusland. Er ontstaan connecties met beroemde theologen als Urs von Balthasar en Dominique Barthélemy, één van de grootste kenners van Qumran en de LXX, met de Franse filosoof Jean Guitton etc.

Paus Paulus IV, de paus van het Tweede Vaticaans concilie, raakt onder de indruk. Paus Johannes Paulus II, die zelf in het communistische Polen jongeren aan zich wist te binden, draagt de beweging een warm hart toe en erkent haar officieel. Joseph Ratzinger, de latere paus Benedictus en destijds de rechterhand van Johannes Paulus II, uitte in de jaren negentig zijn dankbare verwondering toen hij eens het Vaticaanplein vol zag met jonge volgelingen van Giussani: ‘Wat een zegen van God! Wat een hoopvol teken! In een tijd van algemene kerkverlating gebeurt dit!’

Wij delen in de verwondering.

Het geheim

Guissani’s boodschap sloeg aan! Zijn boeken werden wereldwijd vertaald. Er ontstonden contacten tot in Rusland, Azië en Zuid Amerika toe. De huidige paus hield destijds in Argentinië enkele malen een lofrede op zijn boeken en vertelde dat ze veel voor hem hadden betekend. In het gebouw van de Verenigde Naties in New York werden ze aangeboden tijdens een officiële ontmoeting. Door toedoen van een voormalig marxistisch ingesteld theoloog uit Spanje vinden ze ook daar hun weg. Hij was door een gesprek met Giussani, dat in Milaan plaatsvond, volstrekt van koers veranderd.

Hoe kan dit? Waar ligt het geheim?

Het is niet heel moeilijk dit aan te geven. Giussani heeft drie dingen voortdurend onder de aandacht gebracht.

1. De betekenis van het religieuze zintuig: in elk mens leeft diepweg een vraag naar God. De mens kan niet zonder God.

2. Het christelijke geloof begint in de historie, met een ontmoeting met Christus. Johannes vertelt van deze ontmoeting: ze vond plaats tussen Christus en Johannes en Andreas. Deze ontmoeting is een geschiedkundig feit van de eerste orde. Een keerpunt.

3. De betekenis van de kerk. De kerk is de gemeenschap die als gevolg van de ontmoeting met Christus tot stand komt. Johannes en Andreas zeiden tegen anderen: ‘Kom en zie’. Ze kwamen en zagen. Dit gebeurde keer op keer. De vonk is overgesprongen en er is een vuur ontstaan. Dat vuur brandt nog steeds in de geschiedenis, tot op de dag van vandaag. De kerk is een historische grootheid. De Heilige Geest heeft er zijn stempel op gezet. 1 Door haar toedoen blijft het getuigenis van Johannes en Andreas actueel en blijft de ontmoeting met Christus zich telkens voordoen. Haar getuigenis luidt steeds weer: ‘Kom en zie!’

Ik wil iets dieper op elk van deze punten ingaan. Ik doe dat door aan te haken bij een voordracht die Giussani hield in Rimini in 1994.

Rimini 1994; een ontmoeting

Giussani begint zijn voordracht met een uitspraak van Kafka. Kafka zei ooit dat er een absoluut punt is waar wij moeten uitkomen. De weg erheen is echter niet te vinden. Giussani zegt:

‘Stel u voor een planeet, helemaal plat. Daarboven is de sterrenhemel, met een vast punt waar men wil komen. Tal van instrumenten en stellages, ingenieuze bouwwerken, waarmee de mensen proberen omhoog te komen, worden ontworpen en uitgeprobeerd. Het lukt niet. Sommigen geven de moed op, anderen blijven zoeken naar mogelijkheden, met elkaar en afzonderlijk, steeds weer. Dan ineens komt iemand op de bewuste planeet, die zegt: ‘Zie je dat punt? Hoe moet je er komen? IK ben de weg, de waarheid en het leven. IK ben de weg daarheen.’ Precies zo is het gegaan.

Johannes en Andreas zijn eenvoudige vissers uit Kapernaum, maar ze zijn betrokken op de dingen van Israël, het volk van God. Ze horen over Johannes de Doper. Iedereen gaat naar hem toe: farizeeërs, soldaten, gewone vrouwen en mannen uit het volk, ook zij die een slechte reputatie hebben – iedereen. Dat brengt hen ertoe ook te gaan.

Dan staan ze daar. Ze horen deze ruige profeet aan – voor het eerst sinds eeuwen is er weer een profeet in Israël (ook buitenbijbelse schrijvers berichten over hem). Ze staan bij de Jordaan te luisteren naar deze verschijning, die zijn verblijf heeft in de woestijn, ruig gekleed is en iets heel krachtigs uitstraalt.

Dan maakt een man zich los uit een van de groepjes mensen die na afloop van Johannes’ woorden staan na te praten. Ineens wijst de Doper in zijn richting: ‘Zie het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt. Zie!: Hij!

Velen zijn gewend aan Johannes’ korte, wat raadselachtige manier van spreken. Wat hij nu zegt, gaat wat aan hen voorbij. Dat is anders bij Andreas en Johannes. Zij voelen een bliksemende kracht uitgaan van de woorden en kijken naar de man die daar loopt. Zijn manier van lopen gevoegd bij de woorden van Johannes – het maakt dat ze niet anders kunnen dan gehoor geven aan wat Johannes zegt. Ze lopen achter Hem aan. Hij draait zich om. Zij vragen: waar woont u? Het antwoord luidt: ‘Kom en zie!’

Johannes beschrijft wat hij meemaakte en put uit zijn herinnering. Zich herinneren verloopt nooit in een gestroomlijnd verhaal, maar gaat altijd via punten waarbij je een beeld hebt. Dat zie je terug in dit verslag: ‘Zie het Lam!’ ‘Wij gingen.’ ‘Kom en zie.’ ‘We bleven de hele middag.’

En zie, het was de ‘vierde ure’ dat ze weggingen. Daar heb je weer zo’n punt van herinnering. Hoe laat ze er waren, weet Johannes niet meer. Wel hoe laat ze weggingen. Dat duidt op iets: het was onvergetelijk – wat Hij zei, wie Hij was... De indruk die Hij maakte. Deze mens is exceptioneel – Hij gaat het gewone ver te boven. Ze proeven iets van het mysterie van God. Aan de ene kant: gewoon, aan de andere kant: buitengewoon. Dat markeert zijn geheim.

Gewoon en tegelijk...’

Ze raken diep overtuigd: dit is de Messias. Ze zien Petrus. Zonder enige toelichting of uitleg zeggen ze: ‘We hebben de Messias ontmoet.’ Hun woorden en de manier waarop ze dit zeggen, hebben zoveel overtuigingskracht dat Petrus er niet omheen kan. Hij gaat mee en doet dezelfde indruk op als zij. Andreas komt thuis. Zijn vrouw ziet hem. Ze merkt gelijk dat er iets aan de hand is. Ze loopt op hem toe en vraagt: ‘Wat is er, wat heb je? Wat is er gebeurd? Je bent anders.’ Hij begint te huilen. Ze omhelst hem. Hij zegt: ‘Ja, ik ben anders. Alles is anders geworden. Door Hem..... Ja, ik heb Hem ontmoet, de Messias. Ik ben veranderd. Alles is veranderd. Als ik dat niet zou geloven, ik zou nog eerder mijn eigen ogen niet geloven.’

Ze gaan een dag later enkele uren met Hem mee. De dag erna nog eens. Dan nog wat langer – een dag. Dan is alles waar ze eerst voor leefden, vervaagd – hun werk, hun thuis. Nee, toch niet, want ze blijven zorgen – maar ze worden zijn leerlingen. Zo maken ze Hem mee, bij de weduwe van Naïn: ‘Vrouw, ween niet’. In het schip als Hij moe is en het begint te stormen: één gebaar; de wind gaat liggen, de zee is stil. ‘Wie is deze?’ roepen ze uit. Met deze vraag begint de geschiedenis en zal ze eindigen: wie is deze?

Dit is.... Gods Zoon, mens geworden.

We vroegen ons af: waardoor werden talloze mensen aangesproken door Giussani?

Ik wees op het volgende:

1. Het innerlijk

Giussani wees op de betekenis van het hart, het innerlijk. Het eerste boekje van een soort geloofscursus van Giussani gaat daarover: Het religieuze zintuig. Dit zintuig is het in de mens ingeschapen verlangen naar God. Als het innerlijk van een mens opengaat, begint hij iets te beseffen van de schepping – hij verwondert zich. Hij verwondert zich over het feit dat de dingen er zijn, dat ze geworden zijn. Iets ís. Dat er ‘iets’ is en niet veeleer ‘niets’. Het proeft het wonder van en achter de dingen, het ‘zijn’. Het speurt iets van volheid. Het voelt – daarmee ben ik verbonden. Daarin ligt mijn bestemming. Die bestemming kun je niet bewijzen, maar de ontroering erover en het verlangen naar volheid dat het oproept, kun je ook niet onredelijk vinden. Het zit diep in ons. Het besef dringt zich op: wat er is, is er ‘door God’. Het is ‘tot God’. Zo wekt de schepping het besef op dat God er is en het wekt het verlangen op naar God, want de schepping heeft een tekenkarakter. Zij wijst heen naar God. En juist dan, bij alle schoonheid, wordt de mens gewaar dat zijn leven onvolledig is.

Dat geldt zeker voor de adolescent, de puber. Hij wordt groter, zijn geest begint de werkelijkheid af te tasten in haar betrekking tot zichzelf. Wat verwacht het leven van hem? Wat mag hij van het leven verwachten? Waar leeft hij voor?

Wat heeft zijn mens-zijn te zeggen, de dingen die hij kan en niet kan? Waar leeft hij voor? Giussani wist veel jongeren te raken doordat hij deze vragen verwoordde, stimuleerde en serieus nam.

Guissani verdiepte zich al in zijn vroege jeugd in de werken van Leopardi (1789-1837). Diens gedichten zijn doordrenkt van heimwee, van verlangen naar wat schoon en waar en goed is. Als dat eens tastbaar aanwezig zou zijn! Precies wat Leopardi zocht, is in Christus te vinden. Veel jonge mensen herkenden zich in de gedichten van Leopardi. Hij sprak uit wat in hen leefde. Giussani maakte hen via Leopardi opmerkzaam op wat er leeft in het hart van de mens om vervolgens te zeggen: precies wat hij zocht en wat jij zoekt, vind je in de ontmoeting met Christus.

2. Het historische karakter van het geloof

Het tweede wat aanspreekt, is de nadruk die Giussani legt op het historisch karakter van het geloof. We zagen hoe Johannes en Andreas Jezus ontmoetten in de tijd, in de geschiedenis. Het bracht hen tot de uitroep: “Wie is toch deze?” Later zegt dezelfde Johannes: “Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. Wij hebben zijn heerlijkheid gezien, vol van genade en waarheid.”

Giussani laat het Evangelie oplichten in zijn historisch karakter. Zo weet hij wat in de Evangeliën beschreven wordt, dichtbij te brengen. Hij legt de vinger bij wat er gebeurde en vraagt zijn gehoor dat als het ware te visualiseren, het zich te binnen te brengen. Hij laat zien welke fascinatie Christus opriep, waardoor het kwam dat Hij levens veranderde. Hij doet dat nog steeds, door wat Giussani noemde zijn ‘attrattiva’, zijn ‘aantrekkingskracht’, zijn ‘aantrekkelijkheid’. Die ‘attrattiva’ ondervonden Nicodemus en de Samaritaanse vrouw. Pilatus kwam ermee in aanraking en velen meer. Christus verraste. De werkelijkheid van God ging open.

Giussani vertelt op zo’n manier dat het is alsof je erbij bent. Je voelt de zindering van het moment en de keuze waarvoor de tijdgenoten van Jezus stonden: ofwel Hij is een dwaas, ofwel Hij is, ja, de Zoon van God, God zèlf gekomen in het vlees.

3. Gerealiseerde eindtijd; de kerk

Het derde wat aansprak is wat we zouden kunnen noemen realised eschatology. Rondom Christus gebeurt er iets. Er onstaat een gemeenschap. De een vertelt het de ander. Zo wordt de kerk geboren. Die is gebleven. Ze is er nog. Door de kerk, door de volgelingen van Christus die door Hem zijn aangeraakt, worden anderen aangeraakt: ‘Kom en zie!’ Ze vinden het eeuwige leven. Nu al. Het Koninkrijk van God is doorgebroken, doordat Christus op aarde kwam. De eindtijd is realiteit door de aanwezigheid van Christus. Zijn aanwezigheid is na zijn dood en opstanding alleen maar sterker geworden. Ze breekt de dood stuk. De kerk ervaart dat. Hij zei tegen haar: ‘Zie, IK ben met u, alle dagen, tot de voleinding van de wereld.’ Hij omvat alle tijden. Hij is de Alfa en de Omega, het begin en het einde.

Dat Giussani zovelen aansprak, hing dus samen met het feit dat hij liet zien dat de mens op God is aangelegd, dat het geloof in Christus historisch verankerd is en dat Christus ook nu leeft, werkt en door de kerk tot ons komt. Ik wees er al op dat hij over elk van deze aspecten een boek schreef, het zogenaamde “percorso”. 2

Wat protestanten kunnen leren

Wat kunnen wij als protestanten van Giussani leren? Wat heeft zijn boodschap ons te zeggen?

Veel. Omdat uitgerekend de drie genoemde aspecten binnen de wereld van het protestantisme zo goed als geheel uit het zicht zijn verdwenen.

Het religieuze zintuig

Het religieuze zintuig. Het is het ingeschapen verlangen naar God, dat Augustinus als volgt onder woorden bracht: ‘Wij zijn door U en tot U geschapen en onrustig is ons hart totdat het rust vindt in U, o God.’ Dit verlangen wordt door Christus aangewakkerd en vervuld. In het protestantisme is hier geen aandacht voor. Sterker: het wordt gewantrouwd. Dit is in de hand gewerkt door

de theologie van Karl Barth en diens opvattingen over de mens en de schepping. Wat Giussani zo sterk waardeerde en wat de kern van ons mens-zijn uitmaakt, maakt Barth verdacht en dubieus. Hij verwerpt het als ‘religie’ en ‘ongeloof’.

het latere gereformeerde protestantisme. Dit protestantisme spreekt doorgaans alleen maar negatief en lelijk over de mens. Er is in de mens alleen maar kwaad – na de zondeval is er geen goed meer in hem te vinden.

Bij de volgelingen van Barth en in een heel segment in het gereformeerd protestantisme komt de schepping in zijn grootheid niet tot zijn recht. Men denkt er bijna gnostisch. Dat is desastreus voor de theologie en de prediking en de omgang met anderen. Dat de mens gevallen is, maakt nog niet dat hij zijn schepselmatig karakter niet zou behouden. Het maakt nog niet dat hij geen mens meer zou zijn, met lichaam, ziel en geest. De mens blijft een hart houden. Het is de plek waar de ziel openstaat en hunkert naar God, naar een geestelijke werkelijkheid. Het akelige is dat de mens zichzelf daarin niet meer verstaat en dat de leegte in hem opgevuld wordt door krachten die hem verwarren en tot zonde brengen. Maar zoals de structuur van de mens wat zijn man- en vrouw-zijn betreft na de zondeval bleef bestaan, waardoor de man naar de vrouw en de vrouw naar de man verlangt, zo blijft ook op een nog diepere laag de structuur van het mens-zijn bestaan en hunkert de mens diep van binnen naar God. De mens wordt gedreven door heimwee. Calvijn sprak in dit verband over scintillae (vonken), restanten van het oorspronkelijke beeld van God. Dat ze er zijn, moet je positief duiden. Ons mens-zijn wordt bepaald door het geschapen zijn ‘naar’ Gods beeld’.

Dr. Aalders wees eens op de betekenis van het woord ‘naar’. De mens is geschapen ‘naar’ God toe. En als hij God niet vindt, wordt hij ongelukkig en raakt hij met zichzelf in strijd. Hij wil niet met God en kan niet zonder God. Christus zag deze verwarring waarin de mens vast zit. Het vormt de achtergrond van zijn mens-zijn. Hij doorzag de mens en zag hem in wat erbarmen oproept. Dat verklaart zijn ontferming. Het eerste wat Hij doet, is dat Hij het verlangen naar God aanboort en naar voren laat komen. Dat gaat vooraf aan de zondevergeving.

Als Hij de weduwe van Naïn ziet, zegt Hij allereerst tegen de vrouw: ‘Ween niet.’ Hij zegt niet: ‘Ik zal genezen’, maar: ‘ween niet’, waardoor Hij een zekere verwachting wekt. Als de moordenaar aan het kruis hangt en vraagt: ‘Denkt U aan mij als U in uw Koninkrijk gekomen bent’, zegt Jezus niet: ‘Uw zonden zijn u vergeven.’ Hij spreekt daar niet eens direct over. Hij ziet allereerst deze mens en zegt iets over hemzelf: ‘Vandaag nog zult u met mij in het paradijs zijn.’ Als de overspelige vrouw bij Hem gebracht is, vraagt Hij: ‘Vrouw, heeft niemand u veroordeeld – dan doe ik het ook niet.’ De manier waarop Hij toen het woord ‘vrouw’ uitsprak, moet bijzonder geweest zijn. In de klank van zijn stem klonk de eerbied voor het vrouwzijn, zoals God haar schiep en bedoelde, door. Zo bracht Hij haar het grootse van de schepping van de vrouw in herinnering. Dat grootse vormde de achtergrond van haar vrouw-zijn, waaraan zij zoveel afbreuk had gedaan door haar overspel.

Het doet denken aan de briefwisseling tussen een Amerikaanse vrouw en een zwarte man, die haar dochter en kleindochter vermoordde. Hij deed het in blinde drift, om niets. Zij ging een briefwisseling aan. Zij veroordeelde zijn daad, zocht naar de motieven en vond een ontredderd mens. Door te veroordelen wat hij deed en tegelijk de mens lief te krijgen, kwam de man tot berouw. Hij zei in een reportage: ‘Zij heeft me mijn mens-zijn teruggegeven. Ik was in haar ogen niet in eerste instantie een moordenaar, maar een mens die de gruwelijke daad van een moord pleegde.’ Hij huilde toen hij dit zei. Wat je op tv zag was inderdaad iemand die weer mens geworden was. Zo veroordeelde hij zijn zonde des te meer en had hij oprecht berouw. Zo kwam hij bij de drempel naar de vernieuwing van zijn leven, die hij door Christus’ vergeving daadwerkelijk overging.

Giussani hechtte dus veel waarde aan de ziel met haar diepste verlangen, aan het religieuze zintuig in de ziel, dat verduisterd en weggeduwd kan worden, maar dat er desalniettemin toch is – al is het klagend, vanwege de leegte die in de hand wordt gewerkt doordat er geen aandacht aan geschonken en aan voorbij geleefd wordt.

Hier ligt mijn inziens het antwoord op de vraag waarom hij zo’n goede band had met jonge mensen. Hij peilde hun ziel in het diepste verlangen en wist dat aan te boren. Als er op het terrein van de pedagogiek en theologie weer oog zou komen voor de ziel en voor ‘de ziel van de ziel’, dat wil zeggen ‘het hart’ van de mens, valt er een wereld te winnen. Wie kan daar het beste aandacht voor vragen dan de christen, die nog van de ziel weet? De psychologie en psychiatrie weten er doorgaans niet van. Als het hart begint te kloppen doordat er een open verhouding is tot God, wordt de mens weer echt ‘mens’, wordt hij persoon.

2. Historie

In het protestantisme is veel te weinig oog meer voor de historie. De beroemdste 20 e eeuwse theologen hebben het historisch karakter van het christelijke geloof ofwel veronachtzaamd ofwel ondermijnd. Dit geldt voor de onhistorische en kritische theologie van Barth. Het geldt nog meer voor Bultmann, bij wie Christus niet meer is dan een Joodse profetische figuur. Geen wonder dat Giussani weinig goede woorden over had voor Bultmann, zoals blijkt uit een gesprek met Guitton in de jaren negentig van de vorige eeuw.

3. De kerk

Het derde is het kerkbesef. In het protestantisme is er nauwelijks meer sprake van kerkbesef. Men denkt er individualistisch en congregationalistisch en men weet nauwelijks van trouw en binding aan de historie. Wat de allure van de kerk en de betekenis van de historie is, wordt nauwelijks meer beseft.

Is dat alles wat over het protestantisme te zeggen valt? Zeker niet. Het protestantisme dat al deze aspecten, die voor Giussani zo van betekenis waren, uit het oog verloor, is het protestantisme van de 20 e eeuw en 21 e eeuw. Dat geldt niet voor het oorspronkelijke protestantisme. Het geldt niet voor Luther en Calvijn, evenmin voor Kohlbrugge.

Kohlbrugge wist in de trant van Giussani jonge mensen te bemoedigen: ‘Wie met God en met een goed geweten door het leven wil gaan, hoeft niet bang te zijn voor het leven. God zal helpen!’

Het geldt evenmin voor Kierkegaard. Daarover zou veel te zeggen zijn. Wat is hij verkeerd en eenzijdig begrepen! Juist hij heeft oog voor wat in een jongen en meisje die in de puberteit komen, en tot zelfreflectie komen, omgaat. Als geen ander heeft hij de geboorteweeën van de ziel geschetst. Wat een moeite heeft hij zich gegeven om jonge mensen uit het labyrinth van het leven de weg te wijzen naar kennis van God en van zichzelf en van Christus. Maar wie weet dat? Kierkegaard is op een oneigenlijke manier geannexeerd door Barth, Bultmann en Heidegger.

Ik kan wijzen op Groen van Prinsterer. Van hem zijn de bekende woorden: Mijn geloof steunt op twee pijlers: ‘Er staat geschreven (de Bijbel) en er is geschied (de historie)’.

Ik denk vooral aan W. Aalders. Als geen ander heeft hij in dezelfde tijd als Giussani aandacht gevraagd voor de ziel, het hart. Als geen ander heeft hij geheel in de geest van Giussani de Evangeliën uitgelegd en nadruk gelegd op de overweldigende ervaring van de ontmoeting met Christus. Als geen ander heeft hij nadruk gelegd op de betekenis van de kerk en vooral ook op het feit dat, wanneer de kerk onder druk staat, er één houvast is: de aanwezigheid van Christus als de Opgestane: de apocalyptische Christus.

Ik wijs nog op één ding. Het is veelzeggend dat dr. Aalders op het eind van zijn leven in een interview met veel nadruk aandacht gaf aan de opvoeding. Hij wees op de rijkdom van de schepping als teken van Gods goedheid. Hij wees op het belang van de schepping: wij zijn niet voor niets geschapen met de begaafdheden die God ons gaf! Hij deed dat om jonge mensen moed te geven. Hij wees erop dat de opvoeder de jonge mensen filosofische vragen moet leren stellen. Hij wees erop dat je hun langzamerhand hun innerlijk moet leren ontdekken en langzamerhand moet introduceren in het volle leven, zodat als zij kwaad ontmoeten en zij bijna of helemaal wankelen, ze zich omkeren naar Christus die houvast, redding, moed en kracht geeft.

Kortom: wat Italië heeft gekregen in Giussani, hebben wij ook. We zijn rijker dan we zelf denken! De kernvraag is of we uit die rijkdom putten en die ons ten nutte weten te maken?!

H. Klink, Hoornaar


Noten

1 Deze gemeenschap heeft een vorm en een gezagspunt – voor Giussani is dat de paus van Rome

2 Het percorso bestaat uit drie boeken: ‘Il senso religioso’; ‘Al origine del pretese christiano’ en ‘Perché la Chiesa’. De eerste twee delen zijn vertaald en uitgegeven bij uitgeverij Bethsaida. De titels luiden: ‘Het Religieuze zintuig’ en ‘Aan de oorsprong van de christelijke claim’.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 juli 2018

Ecclesia | 16 Pagina's

Luigi Giussani (1922 - 2005)

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 juli 2018

Ecclesia | 16 Pagina's