Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Wolven in de kerstnacht

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wolven in de kerstnacht

22 minuten leestijd

Ver weg, in Zweden, spant een boei zi|n paaid vooi de slee om zo'n tocht naai de stad te ondernemen HIJ gaat inkopen doen vooi Keist, want in het eigen dorpje zijn geen winkels waai je iets zinnigs kunt kopen Zijn viouw staat bij hem en helpt met de buikuemen en het hoofdstel 't Paaidje tiappelt van ongeduld, het heeft de fusse buitenlucht geioken en wil ei nu meteen vandooi gaan, de vujheid in Zijn hoeven krabbelen in de sneeuw en het hinnikt van pleziei 'Waai wil je de boodschappen in doen'' VIaagt de viouw De man krabt zich eens achtel de oien, terwijl hij zijn gezicht vol iimpels tiekt 'Diommels, dat zou ik bijna vergeten Goed dat je het zegt, moedei De kist van voug jaai die hebben we met meei Zou ik de legenton meenemen' Die gebi ulken we voorlopig toch niet '

'Welja,' zegt de viouw Neem de ton mee Wacht, ik zal je helpen om hem op de slee te kujgen Zul je erom denken dat je vooi donker weei thuis bent' Laat me niet ongelust ovei je hoeven te wolden ' Je moet niet zo gauw ongerust zijn,' lacht de man 'Natuuilijk ben ik vooi donkei thuis' Zovei iS 't immeis met Dan steken we alle kaaisjes aan en gaan we keistfeest vielen rondom de boom Wat zullen de kindeien blij zijn Wil je geloven dat ik me ei ook echt op vel heug'' Vlug springt de man op de slee en vooit gaat het ovei de haide, glinsteiende weg in de lichting van de stad waai de mooie winkels zijn

't Paaidje is met jong meei, maai het is gezond en uitgei ust en het diaaft ovei de witte weg dat het een lust is Een ijzig koude wind sneipt de man langs de oien 't Hindeit hem niet Zijn hait is zo blij, dat niets hem kan hindeien HIJ denkt aan het keistfeest dat ze weei zullen vieien De kachel gloeiend opstoken, 't evangelie VOOI lezen, samen de mooie kerstliedeien zingen, en enkel waime, gelukkige gezichten om hem heen 'En vooi moedei koop ik ook wat,' zegt hij tegen het achtel stuk van zijn paaidje 'Vooi zichzelf heeft ze mets op het boodschappenlijstje geschreven, zichzelf heeft ze natuuilijk weei veigeten Maai het zou wel VIeemd zijn als ik in de een of andeie winkel met iets ontdekte waai ze blij mee zal zijn

't Paaidje zwaait violijk met zijn staan, net alsof hij de gedachten van zijn baas begiijpt Ze zijn aan elkaar gewend getaakt, al deze jaien, "t Is maai goed,' denkt de man verdei, 'dat ik die legenton heb meegenomen Daar beig ik al de boodschappen makkelijk m en dan hoefik niet bang te wezen dat ei me op de teiugweg eentje uitwipt Wat zouden ze moppeien als dat me ovei kwam'' 't Paaidje schommelt met de flanken en huppelt bijna ovei de weg Zijn adem hangt als een dichte wolk om zijn hoofd Af en toe buest hij, dan lijkt het of ei watei uit zijn neusgaten spuit De zon komt even dooi het wolkendek en de slee rijdt dooi een toveiweield De man knalt VIolijk met zijn zweep Hij voelt zich gelukkig en dankbaai

In de stad is 't dl uk, maai de bood schappen lopen vlot van stapel Hij melkt wel dat de stadse meneeitjes lachen om die giote, grove boeleniegenton, maai de man lacht zelf VI olijk mee Ja man, zegt hij tegen de dikke bakkei bij wie hij het laatst komt, ik moet ei nog een heel eind mee i ijden en je moet 's bedenken wat ze wel zouden zeggen als ik ondel weg m'n boodschappen V ei looi' Dat zou lang niet mals zijn' 'En vooi de wolven IS mijn kicntenbrood veel te goed,' gl apt de bakkei mee Nu kijkt de man opeens heel einstig en stiak 'Met de wolven moetje niet spotten, zegt hij 'Ben je ei wel eens een tegengekomen, zo op de weg'' 'Nee baas nog nooit ' 'O zo Nou, ik wel' Dat was geen giapje, dat kan ik je wel zeggen'' Ja, dat kan de bakkei zich wel indenken Een woir Hu' Maai nu moet hij vlug in zijn winkel terug en de boei moest haast maken om thuis te komen HIJ haalt zijn veifiomnield boodschappenbi lefje te vooi schijn, 't Is ei met dat biiefje met betel op geworden, het is gescheutd en bevlekt en het luikt eig naai tabak Maar hij is ei nu klaar mee Zieje wel, alle dingen zijn dooigeki ast Dat IS dus m oide Ja, vadeis kunnen ook wel boodschappen doen Reken maai' En nog due pakjes extia zitten ei m de ton Begrijp je, de pakjes vooi moeder, die altijd zichzelf vergeet' Van die pakjes heeft de man het allei meeste pleziei Wat zal ze kijken' Wat zal ze blij -^ijn'

Nu kijkt hij eens op de hoge toienklok en kijkt dan bezoigd naar de lucht De zon IS al lang weggetiokken El komen giauwe wolkenlegeis aandiijven Brengen die nog ineei sneeuw mis-schien' 't Kan best El IS een strenge wintel vooispeld In ledei geval zal het vandaag nog vioegei donkei zijn dan andeis 'Ik ga neigens nieei aan om een kop koffie te dunken, zegt de man tegen zijn paaidje 'We gaan gauw naai huis, Bles Thuis kujgen we wel weer eten en dunken, wat JIJ''

VOOI t gaat het nu weei ovei de witte sti aten In diaf de stad uit een paai doipjes door die bijna aan de stad zijn vastgegioeid, en dan de giote, witte eenzaamheid in Daar in de vel te staat het bos als een hoge, donkei e muui 'Voit Bles' Vort' Achter het bos ligt ons doip' Daal IS het huis met moedei en cle kindei en' Daai gaan we kerstfeest Vleien, Bles' Het bos is lang met piettig bij nacht' Maai we halen het nog wel als jij je best maai doet' Voit Bles, vou mijn beestje'' t Paaidje tuppclt uit alle macht Het open, witte sneeuw veld dooi, het gio^e, stille woud in De man heeft het gevoel dat achter hem een deui dichtvalt wanneei hij het bos binnemijdt Een blauwe, wmteise schemel hangt al tussen de 1 echte stammen Kan het eigens zo geruisloos en geheimzinnig zijn als in een gioot, Zweeds sneeuwwoud' 'El bleekt een tak ondei de zw ai e sneeuw laag die ei op lust De sneeuw glijdt met scherp gei itsel omlaag, de tak blijft omgekeeid hangen tussen andei e takken Plotseling huiveit de man op zijn slee Hij huivei t met van kou ditmaal Ei is iets m het stille bos wat zijn hait laakt HIJ voelt een schuk zonder dat hij weet waai om Was hij maar thuis' 'Kom Bles, laat zien wat je kunt' De baas moet keistfeest vielen, met moedei en de kmdeien Doe je best. Bles, dat we gauw het bos uit zijn' El IS vanavond iets niet in oide m het bos. Bles''

Wat IS dat daar aan de kant van de weg' Een klein zwait ding dat langzaam vooitbeweegt' Wat kan het ziju'' 'Voit Bles' In diaf ei langs'' De zweep knalt, strak staan de leidsels De slee schiet het zwaï te ding voorbij Even werpt de boer een blik opzij naai beneden O, 't IS een oude viouw Een heel oud en aim, kiomgegroeid vrouwtje In het vooibijschieten neemt cle man haai op Stakkei, denkt hij, van ujkdom zal je hiei ook wel niet lopen Ze kijkt naai de slee Ze heft haai ene hand op haar ogen smeken 'Baas, baas laat me mee ujden' 'Die is vast niet goed wijs,' zegt de boei tegen de paai dem ug 'Die IS vast met goed wijs Die is stapelgek kan je wel zeggen Weet dat oude mens met dat ei wel eens wolven komen, in dit bos' Wat mankeeit haai om nu, tegen de avond, het bos in te gaan' Nou ja, moet ze zelf ook weten' Ik heb ei niks mee te maken tenslotte' Vort Bles' We gaan kerstfeest vieien thuis'' kei stfeest'

De boei schukt opeens voor het woord dat hij de laatste dagen al zo vaak heeft gebiuikt Keistfeest, keistfeest Iedereen zegt het, tien, twintig keien pei dag Je denkt ei haast niet meei bij En nu opeens keistfeest' Chustusfeest, het feest van de Heeie Jezus' Wat is dat vooi een stem die daai tegen hem spieekt' 'Keistfeest vieien' Jij" Die een arm, weeiloos viouwtje wilt laten veischeinen door de wolven' Wou JIJ keistfeest vieien' Het feest van Jezus, die vooi ledei een hulp en bai mhartigheid had' Wou JIJ een chusten zijn'Jij'' 'Ho'' loept de boei opeens luid

'Ho'' loept de boei opeens luid tegen zijn paai dje Hij schrikt van zijn eigen stem, die schalt door het bos Meteen tiekt hij zo haid aan de teugels dat het beestje ook schukt Zijn hoeven glibbeien over de gladde weg t (»ooit de kop wild achtel uit, "t Gaat niet. Bles' We moeten keien, jong' We moeten dat ouwe mensje zien op te pikken We waien op de veikeeide weg, Bles' Van God af We kunnen geen kerstfeest vieien en kwaad doen tegelijk''

Vooizichtig welkt hij met de teugels ja ja toe maar toe maar 'Best beestje, hoor, best beestje ' Dan gaat het in gesti ekte diaf teiug tot waai het mensje nog stiompelt in de sneeuw Veilast kijkt ze de boei aan, die bij haai halt houdt Stap op, zegt hij koitaf 'Stap gauw op de slee Ondel weg kun je me wel vertellen waai je heen wilt ' 't Mensje gaat zitten Baas, baas, wat ben ik je dankbaar wat ben ik je dankbaai '' Ze tiekt haai doek vastei om de magei e schoudei s en geniet van de snelle en veilige ut Naai haai kleindochtei wil ze, die heeft een kindje gekiegen maai geld om zich te laten rijden heeft ze met En ze heeft niemand andei s op de hele wei eld dan die ene kleindochtei Al de andei en zijn dood dood Wat een stakkei, wat een stakker denkt hij Afijn, ze zit nu tenminste goed m de slee 'Voit Bles'

Zie je wel hoe donker het woidt tussen de stammen' We hebben een lelijk oponthoud gehad, Bles' Dat halen we niet zo gemakkelijk weel m'' De sneeuw kiaakt ondei de slee, de wind fluit, de stille bomen kijken sombei de leizigeis na Zouden ze een geheim weten, dat ze zo dioevig kijken' Een moeilijk geheim dat ze toch met zeggen kunnen' Weel uit de boer Hij geeft zijn paaid een tikje met de zweep Waren ze het bos maai uit' Buiten op de vlakte zijn de dingen zoveel vei ti ouwder Daar is het ook nog lichtet Daai kun je, heel in de vei te, het dorp al zien liggen' 'Vort Bles' Von''

Plotseling komt er, boven het geluid van sneeuw en wind uit, een hoge, langgeiekte toon dichtet bij Uit de diepte van het bos komt die toon Man en viouw en paaid hoi en hem tegelijkertijd Ze krimpen meen Wat ze horen, is het signaal van de wolven wanneei ze een achtet volging beginnen' Wolven' Wolven' Hongerige, bloeddoistige wolven' 'Vooi uit Bles' Vooi uit' 'We moeten kersfeest vieren thuis' We moeten keistfeest vieien met moeder en de kindei en' Ze wachten op ons. Bles' Ze kijken naai ons uit'' Nog nooit heeft de man zoveel van zijn vrouw en kinderen gehouden als nu Nog nooit heeft het keistfeest thuis hem zo wondei lijk gele ken als nu, nu hij het misschien nooit meei vieien zal' Nooit meet, omdat hij dood in het bos zal liggen dood en verscheuid dooi wolven veischeuid 'Voit Bles' Vou'' Weei snijdt een scheip wolvensignaal dooi de koude winteilucht Dichtet bij zijn ze al gekomen' Hooi, hooi' 't Geluld nadeit' Geen diei van de wildernis loopt zo snel als een hongerige wolf in de troep' De oude viouw ucht zich op uit haai ingedoken houding Ze lekt haar hals Een bange zoig tiekt over haar vei weet de gezicht Ze heeft het geluid wel verstaan Ze weet wel waai om de baas plotsehng zijn paardje zo ladeloos voortzweept' De wolven komen Ze hebben hongei ze luiken het spooi van mensen en diet en 't Wreed ste en giootste gevaat van deze eenzame sneeuw wouden komt snel als de wind nadei' 't Oude viouwtje zucht diep en verduetig Ze vouwt haat mageie handen, het IS het enige wat ze doen kan

De man hooit de oude viouw zuchten Bijna was hij haar veigeten dooi de spanning waarin hijzelf verkeert, maai nu weet hij het weei Natuurlijk, dat ouwe mensje dat hij op moest pikken langs de kant van de weg' Feitelijk is het haai schuld dat ze nu door wolven wolden ovei vallen' Haar schuld IS het oponthoud' Haai schuld het langzamei lopen van Bles' 't Beest is tenslotte al oud en nu op de teiugweg heeft het een dubbele vracht' Waarom is hij ook zo dom geweest' Waarom heeft hij al die kostbare minuten verknoeid' 'Voit Bles' Vort' Ik sla je met de zweep' Ik ransel je 't Moet' Ik moet thuiskomen'' Daai alweei de wolven' En weer dichterbij' In het dichte ondei hout beginnen bevroien takken te kiaken, de bende wolven baant zich een weg naar hun pi ooi Vuuge ogen glinsteien gi oenachtig tussen de stammen, bekken, tongen hangen vet naai buiten geflapt 'Voi t dan toch. Bles, voit' 't Gaat om ons leven, Bles'' Een zweepslag knalt door de Ijle lucht, 't Was met nodig geweest Het paaid heeft zijn doodsvijand geroken Met wijd open gespelde neusgaten en veiwildeide ogen holt het vooiwaaits, tullend ovei zijn gehele lijf Zo Zo heeft nog nooit een paaid gelopen, weet de man Wat kan nog gedaan woi dèn om het leven te ledden' Het leven dat zo kostbaai is' 'De pakjes'' roept de boei tegen de oude vrouw Zijn stem IS schor van ellende 'Haal de pakjes tut de ton' Gooi ze eén vooi een naar de wolven Misschien houdt het ze op 't Kan ons redden'' Ja baas, ja, ik zal het doen, baas ' Haar bevende handen gujpen al in de ton Een giootviei kant pak 't Rammelt De blokkendoos, weet de boei Daai gaat het pak al, midden tussen de wolven Die blijven staan vet dringen elkaai ze ruiken mensenlucht en scheuren woest het papiei vaneen Ze zetten hun steike, gele loofdiertanden eun Bedrog' 't Is bediog' En veidei holt de hongerige tioep de wat me lucht van mensen en paaid in de neus Ze naderen dichter en brutaler dan daarnet Een tweede pak vhegt uit de slee daai na een dei de een vierde Speelgoed, kiuidenieisspuUen, brood, koek, kerstboomkaal sen Ieder pakje houdt de wolven even op, iedere keei geeft de kans op redding

'Voit Bles' Voit' Wat is dat bos eindeloos groot' Stille, sombei e bomen in eindeloze ujen Takken die dooi buigen ondel de sneeuwvracht Wmternevel tussen de stammen Wat zijn vrouw en kmdelen ver weg' Of ze aan het andere eind van de wei eld wonen' Zo vei' En Bles w oi dt moe met zijn dubbele vi acht' Brutalei enbiutalei wolden de wolven, 't Is of ze mei ken dat de weeistand van de mensen veimindeid is Hun adem stinkt hun ogen blikkeien hun keel stoot hijgende geluiden uit het is of ze weten dat ze de stujd zullen winnen Een dubbele vracht' De man moet er aldooi aan denken, 't Hamei t in zijn gloeiend hoofd Een dubbele viacht een dubbele VI acht Ln het is haai schuld haai schuld als ik dat oponthoud niet had gehad Nu hamen het weer dooi zijn hoofd haai schuld, haar schuld

Maai dan Een v i eemde gedachte komt plotseling bij hem op O, 't IS om koud van te woiden, maai roch de gedachte laat zich met veidujven Ik gooi dat ouwe mens ei af Laten de wolven haai opvieten' In de tijd dat ze met haai botten bezig zijn, ben ik geied' ZIJ heeft niemand meei op de wereld' Ik heb \iouw en kindelen' Ze wachten op me' Ik moet thuis keistfeest vielen' Keistfeest Vleien' Wou jij thuis keistfeest Vleien' Als je eerst een aim, oud mens vei mooi d hebt' Daai is Inj weei, die stem Vooi de tweede maal zo luid, zo diep, zo einstig' Een moment hooit de man mets andei s dan die ene stem Zijn eigen wanhopige hait woidt ei stil van Wou JIJ iemand vei moorden en daarna piettig keistfeest gaan vielen' 't Feest van Jezus, die zichzelf opofferde vooi de wei eld en vooi JOU en voor het oude viouwtje dat je in de slee hebt' Wou jij een chusten zijn en toch zo maar een mooid begaan' 'Nee, nee, nee',' roept de man tegen

'Nee, nee, nee',' roept de man tegen de vei zoeking Hij schieeuwt, hij shngeit zijn schieeuw het bos in Maai de wolven naderen Ze nadelen oniustbaiend En hun aantal IS zo groot, zo gioot' En de ton is leeg, tot op de bodem Ja juist, de ton IS leeg '

Snellei dan de wolven ovei de vlakte schieten de gedachten dooi het hoofd van de boei Alle mooi d- lust IS uit hem weg Zijn hait huilt stil tot God Ik zal 't doen, Heere' Maar het is zo moeilijk, zo moeilijk' Nu zitten de wolven vlak achtei de slee Eén van de ondieien waagt een sprong, maai schi ikt nog tei ug voor zijn eigen durf Andei en wijken op zij af Ze willen ons omsingelen, denkt de man vaag, dat is de manier van die gluipeids

'Neem de leidsels, zegt hij opeens ^ tegen de oude vrouw, 'hiei hou stijf vast' Bles weet de weg' 'Baas o, goeie baas wat ga je nou beginnen ' De man luistert niet meer HIJ staat lechtop in zijn slee Nu neemt hij de lege ton en shngert hem met sterke arm eruit op de weg Dan springt hijzelf uit de slee, grijpt de ton, kruipt ei in, zet de ton als een stolp ovei zich heen 't Gaat zo snel, zo snel' De wolven zijn ervan teruggedeinsd vooi een ogenbhk Nu echtei luiken ze de waime mensenlucht binnen in de ton Ze vet dringen elkaai, ze kiabbelen en snuiven en janken van begeerte Binnen in zijn donkei e gevangenis hoort de man de dieren bezig, hij luikt hun adem door de planken heen In doodsangst klemt hij de wanden van de ton tegen de giond Zijn handen bloeden ei van Wat hinden het' Als hij slechts het leven eiaf mag bi engen' Zijn ziel loept tot de Heeie' Laat me veihg thuiskomen O God, geef ledding' Doe een wondei, Heeie' Hoog boven hem luisen de dennenkiurnen in de avondwind die van de bergen komt Zwaie dotten sneeuw vallen van de takken omlaag, op de ton, op de wolven Die schiikken even, wijken uiteen, klaai om te vluchten Maai snel komen ze teiug, het gekrabbel en gesnuif en gejank begint opnieuw steeds ongeduldigei laast de bende om de ton 'O God' Help me' Laat me veilig thuiskomen''

't Paardje is, beangst dooi al het VIeemde om hem heen, op hol geslagen, 't Loopt zoals het nog nooit gelopen heeft Met viei benen tegelijk spiingt het op van de giond, de slee schudt en hobbelt achtel hem aan het mei kt het nauwelijks Een poosje nog klemt de oude viouw m doodangst haai magei e handen om de leidsels Dan kan ze niet meer De lei en banden ontglippen haai Ze zakt ineen op haai bank en valt flauw De spanning IS te veel vooi haai vei sleten hai t geweest Ze mei kt er niets van dat de slee het open veld beieikt Ze voelt mets van de w intei se w ind, die scheipei dan tevoren om haai oren fluit Ze voelt met dat haai hoofd heen en weei bonkt tegen de haide bank Ze weet met meei van het offei dat de onbekende boei vooi haai heeft gebiacht De slee met zijn vieemdsoortige last nadei t het doi p, maar het paai dje minden geen vaart In het dorp staat de moedei met

In het dorp staat de moedei met haai viei kinderen midden op de weg Bezoigd ziet ze naar de lucht, die sneeuw stoim voorspelt Dan tuurt ze weet in de richting van het woud, dat als een donker, blauwzwaite muui de hoiizon verbergt Een buurman heeft haai gewaaischuwd, ei zijn wolvensporen gevonden een paai dagen geleden Ver weg zeker maai wolven zijn zo vlug, en de stienge winter heeft ze hongei ig en w i eed gemaakt 'Komt vader nog met, nioedei'' viaagt het kleine meisje 'Nee liefje, nog niet Maar stiaks hooi' Straks komt vader thuis met de slee'' 'Ln dan gaan we keistkcsi vieien,' zegt Aiiidt 'Fijn maii' Alk kaaisjes aan en dan zingen en koek eten, he moedei' Zingen denkt de ai me viouw wanhopiir kerstfeest vieren- 't Ligt alles /o vel weg ze is zo bezoigd om haai man om de wolven omdeduis teinis die dieigt om de sneeuvs Storni die zijn boden al vooruit zendt El is gevaai' O zekei, ei is gevaar' Haai hait zegt het haai zo duidelijk Ze wiingt haai handen en loept tot God, de Enige die in deze gevaien en angsten heljjen kan

'Daar' Daai' Daai komt de slee' Moedei, moedei, kijk dan' Daai komt vadei' Zie die ouwe Bles eens draven' Goddank' O God ZIJ dank' Het lijkt de moedei een wondei' 't Is alsof de zon dooi de wolken bi eekt, zo n glanzend geluk ligt er opeens ovei haai gezicht' 'Vadei' Vader'" juichen de kinde ren Ze steken de handen op en dansen van pleziei

Daai IS Bles al Daar staat hij stil t Schuim dl uipt hem van zijn mond Zijn ogen diaaien wild en hij beeft ovei al zijn leden 'Vadei' Vadei' Maai in plaats van een giote, stei ke vadei zit daai een oude, gebogen vrouw in de slee Een aim ineengedoken stukje mens, dat nu met giote moeite de ogen opslaat en loddeiig londkijkt Alsof ze uu een boze droom wakkei woidt zo vei schukt kijkt ze om zich heen Moeder in haai sehuk, schudt het oude viouwtje luw bij de aim De buien komen naai buiten diingen londom de slee, viagen wat ei t'oeh IS 'Vei tel op' Vel tel op' Wat is ei met mijn man gebeuid' Mens zeg dan toch wat' Je kunt toch zekei wel piaten'' Bevend en onveistaanbaai haast komen de wooiden'' Je man ginds in het bos in de ton wolven ' Dan zinkt het oudje teiug in haai onmacht De inspanning is weei te veel vooi haai geweest

Een paai buui viouw en tillen haai uit de slee nemen haar, zoetjes piatend, mee in huis Maai moedei weet al genoeg Ze stuuit de jongens met kleine '\ntje naai bm nen Ze ziet hoe de bin en weghollen om hun geweien te halen en harken en schoffels en knuppeh Ze ziet hoe flink \indt het moede, rillende paaidje uitspant het naai de stal voert Hij legt een deken ovei de bezwete lug van Bles en komt dan weei naast zijn moeder staan Ze huilt niet, maar haar ogen branden Misschien mei kt ze met eens dat haai jongen vlak naast haai staat Ze wiingt zondei ophouden haai handen, en in gedachten bidt ze dungend tot God die alleen helpen kan in deze nood Heel stil staat Arndt naast zijn moedei Hij is al zo gioot hij begiijpt best waai het om gaat' HIJ begiijpt ook dat zijn vadei een heldendaad heeft veuicht die hem misschien het leven heeft gekost Vadei' O vadei' De mannen hebben een van hun eigen uitgeruste paai den v ooi de slee gespannen en zijn in V liegende vaart w eggei eden het donkei e bos tegemoet Kleinei en kleiner wolden ze nu verdwijnen ze in een wolk van sneeuw t Wachten duuit lang als het gaat om leven of dood Medelijdende buuiVIouwen komen naai buiten, piobeien w ooi den van tioost te spieken Moedei schudt haai hoofd Niets zeggen mets zeggen nu'Alleen maar stil zijn en wach ten en bidden om ledding En eindelijk ja, ei gebeuren nog

wondei en op deze aaide eindelijk komt de slee weer aangeiedcn Handen zwaaien ten teken van geruststelling 'Ho peeid, sta'' Dan stapt vader uu, wankelend, gewond en dood veimoeid, maar hij is ei toch' Hij leeft' Hij leeft' God zij dank' 'Vadei' Vadei,' loepen de kindeien weei En nu is vadei ei weikelijk Een gelukkig glimlachji glanst op zijn gi auw gezicht

De volgende dag zitten allen om de kei stboom Ei steken maar een paai kaarsjes in oveigebleven van voiigjaai, ziehge stompjes die nog geen half uur zullen blanden De mooie, nieuwe liggen ergens m het sneeuw woud of in een wolvenmaag Sst sst, niet ovei wolven praten nu C adeautjes zijn ei ook niet en het middagmaal is een heel eenvoudige stamppot geweest, ook al doordat de lekkernijen m het bos zijn achtergebleven Maai ei is een geluk in het huisje, zo gioot dat het haast niet te begujpen is Het stiaalt van alle gezichten het klinkt in ledei wooid Wanneei vadei met zijn vei bonden handen moeizaam de bijbel openslaat om het evangelie van Ghustus' komst VOOI te lezen, glanst zijn gezicht

Dit artikel werd u aangeboden door: Eilanden-Nieuws

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 22 december 2010

Eilanden-Nieuws | 48 Pagina's

Wolven in de kerstnacht

Bekijk de hele uitgave van woensdag 22 december 2010

Eilanden-Nieuws | 48 Pagina's