Godsdienstonderwijzer W. van Leeuwen over Verzekeringen
In het vorige nummer hebben we godsdienstonderwijzer W. van Leeuwen (1868-1940) aan het woord gelaten over artikel 36 van de Nederlandse geloofsbelijdenis. 1 Thans willen we hem opnieuw aan het woord laten, maar nu over verzekeringen en aanverwante zaken. We putten hiervoor, evenals de vorige keer, uit het Maandblad van de Nederduits Hervormde Vereeniging ‘Calvijn’, dat hij jarenlang (van mei 1923 tot aan zijn sterven op 5 december 1940) volgeschreven heeft met lezenswaardige meditaties, artikelen en antwoorden op vragen van lezers.
Wij zijn voortdurend geneigd tot afwijken. Hetzij aan de linkerzijde door water bij de wijn te doen en vlees tot onze arm te stellen, hetzij door naar de rechterzijde door te slaan. Ook ten aanzien van een punt als verzekeringen liggen die gevaren op de loer. Onze bede mocht dan ook wel gedurig zijn: ‘Laat mij van ’t spoor, in Uw geboôn vervat, niet dwalen, Heer’; laat mij niet hulp’loos varen’ (Ps. 119:5 ber.). We zullen hieronder zien dat Van Leeuwen ook ten aanzien van dit punt steeds getracht heeft om ‘het midden van de paden des rechts’ (Spr. 8:20b) aan te houden en zijn lezers voor te houden. We laten hieronder elf antwoorden van hem over verzekeringen en aanverwante zaken volgen, die hij in een periode van achttien jaar op vragen van lezers gegeven heeft.
1. Plakken van rentezegels
Op 3 december 1919 was in Nederland de eerste sociale verzekeringswet, de Invaliditeitswet, in werking getreden. Dit was een verplichte arbeidersverzekering tegen invaliditeit, weduwschap en ouderdom. De arbeider kreeg hiervoor een rentekaart thuisgestuurd. Die kaart moest hij regelmatig aan zijn werkgever aanbieden, opdat deze telkens het aantal rentezegels die de arbeider wettelijk toekwam, erbij kon plakken. Die rentezegels konden dan later verzilverd worden. Een lezer vroeg aan Van Leeuwen wat zijn gedachten waren over dit plakken van rentezegels voor de arbeiders, alsook hoe hij over het ingevoerde vrouwenkiesrecht dacht. Van Leeuwen antwoordde daar als volgt op in het novembernummer van 1926 2 :
“Ik geloof met u dat het beide in strijd is met Gods Woord en de oordelen Gods gewisselijk komen over al deze dingen. Ja, voor wie het opmerken mag, wordt dat al duidelijk gezien. De maatschappij zucht onder al die zogenaamde beschermende wetten en de industrie kwijnt. En dat is nog een bemoeienis van God, als het maar gevoeld werd als een oordeel, maar dat helaas ontbreekt. Het is toch voor de eenvoudige Bijbellezer duidelijk dat heel het verzekeringswezen in strijd is met de leer omtrent de voorzienigheid en soevereiniteit des Heeren. Dat kan niet goedgepraat worden met geleerde verklaringen. Al wat goedgepraat wordt, dat deugt niet. Gelukkig die mens die nog blijft staan voor de eenvoud van Gods Woord en God blijft eren en erkennen als de Eigenaar van alle dingen. U weet ook wel hoe men het verdedigen wil met het woord: Draagt elkanders lasten (Gal. 6:2a), maar dat is enkel bedrog. Niemand gaat in de verzekering om een ander te helpen, maar zichzelf, en juist dat doodt alle liefde en barmhartigheid. Eigen hulp en niet Gods hulp of de naastenliefde.
Evenzo is het met het vrouwenkiesrecht, ook dat strijdt tegen de ordinantie Gods, maar [het wordt gebruikt vanwege] de politiek! Men meent dat de meerderheid regeert en gelooft dus niet in de Godsregering. Misschien nog wel aan, maar niet in, en dus verdedigt men wat men vroeger zelf afkeurde.
Over al deze dingen komt de toorn van God over land en volk. De verwarring neemt toe en straks geeft de Heere ons volk over aan de goden die wij zelf verkoren hebben.
En nu: de gehoorzaamheid aan de overheid [het was in die tijd verplicht om naar de stembus op te komen; AV]? Maar dat kan toch nooit betekenen dat wij te gehoorzamen hebben aan bevelen die ingaan tegen Gods Woord. Dan hadden de apostelen moeten nalaten in de Naam van de Heere Jezus te prediken. Dan hadden onze vaderen moeten buigen voor het Mariabeeld en de mis moeten aanbidden. Zeker, wij zullen leren de overheid te eren, maar wel overeenkomstig de leer van onze vaderen ons duidelijk nagelaten in de verklaring van het vijfde gebod: dat ‘wij hun goede leer en straf met behoorlijke gehoorzaamheid onderwerpen’. Dit zijn in het kort mijn gedachten over deze zaken.”
2. Omheining en verzekering
Als het gaat over het al of niet geoorloofd zijn van verzekeringen wordt nogal eens gewezen op het feit dat de Israëlieten een omheining of leuning moesten aanbrengen op hun platte daken, om te voorkomen dat iemand eraf zou vallen. Behoren we dan - in het verlengde van deze maatregel - ook niet in de verzekering te gaan? En bovendien zoeken we onze ziel, als het goed is, toch ook in veiligheid te stellen?
Zo ongeveer was de redenering die een lezer gehoord had en waarover hij Van Leeuwen om een reactie had gevraagd. Deze gaf hierop in het februarinummer van 1928 4 de volgende, uitvoerige reactie:
“Wat betreft de omheining waarvan in het Oude Testament sprake is, dat betrof vooral de daken die, zoals u wel weet, plat waren, waarop men wandelde of ook uitrustte. De Heere had bevolen dat men rondom zo’n dak een omheining maken zou, opdat het gevaar van eraf te vallen niet zo groot was. Het is precies hetzelfde wanneer u bij uw huis een sloot hebt en u hebt kinderen, dan bent u verplicht de sloot af te heinen. Of ook bij het vuur in huis enz. Maar dat heeft niets te maken met de verzekering. En het gaat zeker veel te ver het verzekeren gelijk te stellen met de zorg voor de ziel. Ik denk dat die mensen die dit beweren, al heel weinig verstaan van hun natuurlijke zorgeloosheid omtrent de eeuwige dingen. Ik denk dat zij werkelijk menen dat zij ook zorgen voor hun ziel in alle eigen gekozen werk. Het ligt dan ook, dunkt mij, op een lijn. Wie meent dat hijzelf voor zijn ziel zal zorgen en niet leerde dat de Heere in alles de Eerste is, welnu, die zal ook menen dat hij voor het tijdelijke zelf moet zorgen. Maar die heeft nooit geleerd dat wij nergens voor kunnen zorgen, dat de Heere soeverein Koning is en blijft, Die met het Zijne doet wat Hij wil, ja, immers met de inwoners van de wereld naar Zijn welbehagen. Wie echter door genade Psalm 142 mocht beleven dat niemand zorgde voor zijn ziel en dat God toen zijn pad gekend heeft, dus de ziel van eeuwigheid gekend en voor Zijn rekening genomen heeft (wij brengen ons toch met al onze zorg in de hel, maar God zorgt in Christus Jezus), wie dat leerde, die zal het een behoefte zijn ook in het tijdelijke God de Heere als de vrijmachtige Eigenaar te eren. Nu moeten wij altijd voorzichtig zijn dat wij dit niet als een schibboleth gebruiken alsof die mensen die wel in de verzekering gaan, ook geen genade kunnen bezitten, want dan is de vraag of wij het zelf wel bezitten. Maar beslist afgewezen moet worden het goed willen praten van datgene wat onder Gods volk niet wezen moest. Dat volk heeft te beleven Zondag 10. En dan zal hun ziel wel veel te strijden hebben met de aanvallen van de vorst der duisternis en met hun eigen vlees, maar gelukkig wie dan weer eindigt in: het is het mijne niet, God de Eigenaar. Want meent nu niet dat deze leer zorgeloze mensen maakt. Dat hebben de verzekeringen gedaan, vooral in deze tijd. Nee, deze leer maakt kruipers aan de Troon der genade. Zuchters die een bewarend God nodig krijgen. Die er ’s nachts wel eens uit moeten omdat de duivel ze wijsmaakt dat alles in brand staat. Die wel eens benauwd zijn als de vijand vraagt: ‘Hoe zal dat op uw oude dag gaan?’ Maar in al dezen geeft God hun de overwinning in de verzekering dat alle dingen niet bij geval, maar van Zijn Vaderhand ons toekomen. En dat is een vrij leven, gebonden aan het Woord. Dan maken we de omheining, dat wil zeggen, dan zullen we voorzichtig wandelen, bang voor brand, dus roekeloosheid vermijden en huis en hof Hem aanbevelen, Die met het Zijne doet wat Hij wil.”
3. Sparen bij banken
Een lezer had vernomen dat er ook wel bezwaren waren tegen een spaarbank, maar daar ging Van Leeuwen niet in mee. Nee, in het juninummer van 1928 5 antwoordde hij die lezer klip en klaar:
“Hoe kan nu iemand tegen spaarbanken op zichzelf iets hebben! Dat er misbruik van gemaakt wordt, is waar, maar dan zouden we uit de wereld moeten gaan. Het sparen is geheel Bijbels. De Heere wijst de mens naar de mieren om wijsheid te leren en het brood te bereiden in de zomer. En op een andere plaats vermaant Gods Woord dat de ouders schatten hebben te vergaderen voor de kinderen. En nu weet ik ook wel dat deze woorden ook een diepere, geestelijke zin hebben, maar niet het geestelijke is eerst, het natuurlijke, daarna het geestelijke. (…) Als God ons de gelegenheid geeft, zijn wij verplicht te sparen en van de Heere te vragen dat Hij ons beware voor gierigheid en verkwisting beide. En wat het bankwezen betreft, wel dat is in de handel onmisbaar. Natuurlijk is alle woeker verboden. Ach, dat wij luisterden naar onze oude Heidelberger, die ons getrouw aanwijst de praktijk ook van het achtste gebod in de 42 e zondagsafdeling.”
4. Zijn alle verzekeringen hetzelfde?
Vier jaar later wilde een lezeres van Van Leeuwen weten of alle verzekeringen hetzelfde zijn? Even ongeoorloofd zijn? Daarop reageerde hij in het augustusnummer van 1932 6 :
“Het antwoord ligt voor de hand: ‘Welnee! Lang niet! De verzekering waar de psalmen van zingen, de pro-feten en apostelen van getuigen en die de Kerk belijdt in Zondag 10 van de Catechismus, dat is zeer verre de beste en de goedkoopste verzekering, al gaat dat met veel strijd gepaard.’ Maar zegt u: ‘Dat bedoel ik niet.’ Dat weet ik ook wel. Echter was dit mijn eerste gedachte, toen ik uw vraag las. Maar nu verder: of er verschil is tussen verzekering tegen brand of tegen ziekte enz.? Dat geloof ik niet; het is in beginsel precies hetzelfde. Het dunkt mij alles in strijd met wat ik hierboven schreef. En nu moeten wij nooit van deze dingen een schibboleth maken, maar ik acht die mens gelukkig die ervoor bewaard blijft en have en goed, lichaam en ziel de Heere toevertrouwt. Dat dunkt mij de belijdenis van de Kerk te zijn in de bovengenoemde Zondag, gegrond op Gods dierbaar Woord en het soevereine eigendomsrecht van de Heere.”
5. Bliksemafleiders
Mogelijk naar aanleiding van het bovenstaande antwoord vroeg een lezer of het gebruik van bliksemafleiders niet op een lijn te stellen was met verzekeringen? In het oktobernummer van 1932 7 gaf Van Leeuwen hierover zijn mening te kennen. Hij schreef:
“Dat geloof ik wel, immers het schijnt mij evenzeer in strijd met het geloof in de voorzienigheid Gods, waarvan de Kerk belijdt: ‘Wien God bewaard, is wel bewaard.’ Allicht wordt het vertrouwen gesteld op dergelijke middelen en dus in strijd met wat de Kerk bidt: ‘Dat wij ons vertrouwen van alle schepselen aftrekken en op U alleen stellen.’ Het behoort, dunkt mij, tot de voorbehoedsmiddelen. Dat heeft niets te maken met verwarming van ons huis als de koude er is, of van ons lichaam in de winter. Wij doen dat toch niet in de zomer, voordat de koude er is! Enz.
En wat nu de techniek in het algemeen betreft, zeker is ook dit een gave Gods, maar die wordt ontzaglijk misbruikt; men tergt er God mee en stelt het tot zijn god. Menigmaal moet Gods volk zich onthouden van zaken die op zichzelf niet kwaad zijn, maar door het algemene misbruik ten vloek worden. Het veiligst gaan we met al deze dingen, indien onze werkkring er ons mee in aanraking brengt, tot de Heere om raad. En daarbij onszelf te onderzoeken of het ons in waarheid om raad te doen is, dan of dat wij gelijk willen hebben. En verder, dat wij de raad van onze ouden gedenken: het is niet geraden om iets tegen de consciëntie te doen.”
6. Steunregeling aan de boeren in crisistijd
In 1932 verkeerde Nederland nog midden in de diepe economische crisis, die in 1929 een aanvang had genomen en die door de SGP in de Tweede Kamer openlijk een oordeel van God was genoemd. Met name ook de agrarische sector had het zwaar, veel boeren leden armoede. Om de lasten van deze sector te verlichten, had de SGP onder andere voorgesteld om de sociale verzekeringswetten geheel af te schaffen, maar de regering had daar geen oren naar. De regering kwam in 1933 met een Landbouwcrisiswet, die de regering in staat stelde om onder andere het overschot aan vlees uit de markt te halen en om financiële steun aan de boeren te verstrekken. Maar ook in 1932 werd al steun verleend. Een lezeres vroeg aan Van Leeuwen hoe hij nu over die financiële steunmaatregel aan de boeren dacht. In het oktobernummer van 1932 8 gaf Van Leeuwen hierover zijn gevoelen te kennen:
“Wat nu de vraag betreft omtrent de steunregeling aan de boeren, dan is mijn gevoelen: Er blijkt uit hoe God in Zijn oordelen over land en volk het alles aan de verdwazing overgeeft. Zeker bedoelt onze regering het goed, maar wij moeten leren dat wij geen verstand hebben en dus onze bedoelingen niet goed kunnen zijn. De praktijk wijst het immers duidelijk uit. Er komt immers niets van terecht: ontzettende verwarring en veel geldkosten aan administratie enz. Maar de zaak is: niet onder de Heere vallen, belijden-de onze schuld en dwaasheid. Ik acht het een bevoorrecht volk dat bewaard blijft voor de hulp van de God van Ekron. De HEERE heeft meer dan dit om u te geven (2 Kron. 25:9b). Maar ik weet het ook wel, het wordt goedgepraat om de lust van het vlees. Echter dat neemt niets weg van de onwankelbare waarheid: ’t Is beter, als w’ om redding wensen, te vluchten tot des HEEREN macht, dan… (Ps. 118:4 ber.).
En ach, wat betekent het toch? Als de boeren geholpen zijn met wat zij over de maand juni hebben ontvangen, dan was de nood nog niet zo groot. Hoe bevoorrecht zouden we zijn, als we de schuldige eens mochten worden en de vraag eens klemmen mocht op de ziel: Heeft u ook iets ontbroken? (Luk. 22:35m). Als wij de vernedering mochten aanvaarden, dan is er hulp bij de Heere en Hij helpt koninklijk en mild; Hij betaalt meer steun dan de regering. Maar wij moeten bewaard blijven. Daarom zal ik niemand hard vallen die het nam (wat zou ik misschien zelf gedaan hebben?). Maar ik acht ze toch gelukkig die het om de eer van Zijn Naam geweigerd hebben. Ik geloof niet dan die vandaag armer zijn dan de anderen.”
7. Als kerkgebouwen verzekerd zijn
Een lezer gaf met redenen omkleed te kennen dat hij niet in een kerkbestuur kon plaatsnemen dat de gebouwen verzekerde. Ook was hij van mening dat hij toch eigenlijk niet met een vrije consciëntie kon opgaan in een kerkgebouw dat verzekerd was. Hoe dacht Van Leeuwen daarover? In het maartnummer van 1934 9 voorzag hij die persoon van het volgende antwoord:
“Met uw opvatting aangaande de verzekeringen ben ik het geheel eens, maar de toepassing zoals u die voor uzelf maakt, laat ik geheel voor uw rekening. Onze vaderen hebben geleerd dat het niet geraden is om iets te doen tegen de consciëntie. Maar dan dient toch in het oog gehouden te worden of het wel waarlijk uit de consciëntie voortvloeit. Dat u niet in een kerkbestuur plaats kan nemen dat de gebouwen laat verzekeren, dat kan ik best verstaan. Maar dat u niet op kan gaan in zulk een gebouw, zie dit lijkt mij te ver gedreven. Hoofdzaak blijft of het Woord van God er gebracht wordt en de plaats waar dat geschiedt, hebben we over te laten aan de voorzienigheid Gods. Is zulk een gebouw verzekerd, dan ligt dat geheel voor de verantwoording van degenen die het bestuur daarvan is toevertrouwd. De hoorders hebben daar niet mee te maken, anders zouden we uit de wereld moeten gaan. Ik moet u eerlijk bekennen dat ik er nooit over gedacht heb, als ik geroepen werd voor te gaan, of dat gebouw verzekerd was of niet. Daar heb ik, dunkt mij, niets mee te maken, maar ik heb mij te verblijden dat er nog gelegenheid is, hoe diep dan ook alles weggezonken is, om het Woord te mogen brengen. De Heere maakte gebruik van de tempel om er te leren, hoewel die toch ook diep in verval was, ja, door Herodes verfraaid. Dus geloof ik dat u met volle vrijmoedigheid kunt opgaan, als er gelegenheid is het Woord te horen, denkend aan de raad van Paulus (hoewel het een ander geval is, maar wat hier ook gelden kan): niets ondervragende (1 Kor. 10:25m). Mocht het zijn om een diep verbeurde zegen uit vrije gunst te mogen ontvangen. De apostel ging overal waar hij kwam in de synagogen om te leren, hoewel van menige synagoge gold dat het een synagoge van de satan was.”
8. Ambt en verzekering
Een mevrouw wilde van Van Leeuwen weten of iemand die een ambt bekleedt in de kerk, aangesloten mag zijn bij verzekeringen en dergelijke organisaties. In het maartnummer van 1936 10 antwoordde hij haar:
“In het algemeen zouden we antwoorden: wat in de ambtsdragers af te keuren is, zal dan evenmin geoorloofd zijn voor de leden. Onze persoonlijke overtuiging is dat het tegen Gods Woord is. En mij dunkt, de vruchten openbaren dat heel duidelijk. Ik weet het wel dat ook van de zich noemende Christelijke zijde hoog geroemd wordt in de zegen van al die verzekeringen. Maar landbouw en industrie gaan gebukt onder de lasten. En afgezien nog daarvan, de barmhartigheid is immers geheel vermoord. Men wil niet meer hulp van de diaconie hebben, dat is te min. Steun, daar hebben wij recht op en ouderdomsrente enz.
En dan nog en dat is het verschrikkelijkste: wij hebben God niet meer nodig, wij redden onszelf. Nee, wij kunnen niet anders zien dan heilloze vruchten en achten gelukkig die het nog met God mogen houden. Ja maar, daartoe is geloof nodig! Juist, maar wat is geloof? Smytegelt leert ons: ‘de belijdenis vasthouden’. En dan is het wel jammer wanneer, zoals u vraagt, ambtsdragers voorgaan in wat Job 12 11 duidelijk veroordeelt.”
9. Bonden, verzekeringen enz.
In het februarinummer van 1938 gaf Van Leeuwen opnieuw antwoord op een vraag van een lezer over de geoorloofdheid van bonden en verzekeringen. 12 Hij schreef:
“We kunnen best begrijpen dat men er gebruik van maakt. We dragen allen dat bestaan om. Maar wij achten het een groot voorrecht, die opgekeerd wordt en ervoor bewaard blijft, want het beginsel is ‘eigen hulp’ en niet Gods hulp. Heel dikwijls wordt het in zogenaamde Christelijke kringen verdedigd met misbruik van Gods Woord. Men zegt: Draagt elkanders lasten (Gal. 6:2a), maar daar is niets van waar. Juist werd de barmhartigheid door die verzekeringen vermoord. Niemand gaat in de verzekering om een ander te helpen, maar zichzelf.
Bovendien zijn al die bonden opgericht tegen elkaar. Om met geweld te verkrijgen wat het vlees wil. Tot de tanden gewapend staan werkgevers en werknemers tegen elkaar. Dat is de vrucht. En, zoals u aanhaalt, in strijd met Gods Woord op zo menige plaats…”
10. Is het Groene Kruis ook een verzekering?
Een lezer dacht dat destijds een Groene Kruisvereniging waarvan de leden gezamenlijk apparatuur en hulpmiddelen voor de thuisverpleging aanschaften om die bij geval van ziekte uit te lenen, ook een verzekering was. Maar Van Leeuwen 13 dacht daar anders over:
“Mij dunkt, dat er wel verschil is tussen een verzekering en het Groene Kruis. Het is niet mogelijk dat elk de instrumenten kan aanschaffen die soms nodig zijn bij ziekte. Bijvoorbeeld ligtenten voor patiënten die de buitenlucht moeten hebben. Nu komt het mij voor dat die benodigdheden gemeenschappelijk worden gekocht en dus bij nood gebruikt worden. Dat is heel iets anders dan verzekeren. Ik heb twee boeren gekend die met elkaar overlegden: de een zou een kaasbrik kopen en de ander een wagentje en dan samen gebruiken. Mij dunkt, dat komt op hetzelfde neer. Dergelijke afspraken zijn er veel. Wat is er veel in ons leven dat wij gemeenschappelijk betalen en nimmer nodig hebben, maar toch niet kunnen missen. Het is gelukkig indien we de rechter nooit behoeven in te roepen, maar daarom veroordelen we de rechtspraak niet. Maar in verzekeringen gaat het niet om gemeenschappelijke hulp, hoe vroom men het ook aankleedt, maar om eigen hulp. En dat vermoordt juist de barmhartigheid. Dus, dunkt mij, moet men dit wel onderscheiden.”
11. In praktijk gebracht
In het oktobernummer van 1938 14 waarschuwde Van Leeuwen ten slotte nog om niet uit de hoogte op iemand neer te zien die wel van de steun trekt of in de verzekering is gegaan. We kunnen een ander er wel fijntjes op wijzen dat verzekeringen ongeoorloofd zijn, maar onze handel en wandel moet er ook naar zijn door in de praktijk hen die in financiële nood verkeren of die het niet breed hebben, financieel te ondersteunen. Van Leeuwen:
“Wat nu betreft het gebruikmaken van de steun enz., daarover hebben we altijd heel voorzichtig te oordelen. Gelukkig wie ervoor bewaard blijft en genade ontvangt om het op de Heere te wentelen. Die zal niet tekortkomen! Daar zou ik u meer dan een voorbeeld van kunnen noemen. Maar laat ons nooit uit de hoogte oordelen over hen die ertoe overgaan, maar eerst de hand in de eigen boezem steken. Er kwam eens iemand bij een vriend en in het gesprek zei hij: ‘Die vrouw, een weduwe, haalt nu ook ouderdomsrente. Had je dat wel ooit gedacht?’ Die vriend vraagt: ‘Hoeveel krijgt ze nu?’ Hij zei: ‘Vier gulden in de week’. Die vriend ging naar de kast en kwam terug met een briefje van honderd gulden en zei: ‘Nu doe jij er een bij (hij kon het best doen), dan behoeft die vrouw in geen jaar die rente te halen.’ Ziet, dat is praktijk. Maar nog eens: mocht de levende Kerk in de schuld komen en de liefde de banier over haar zijn. Dan kon er veel meer gedaan worden, maar elk giert nu voor zijn eigen huis en het huis des Heeren ligt woest. Mochten Gods kinderen met hen die dan bezwijken, meelijden.”
Ten besluite
Van Leeuwen oordeelde zeker niet hard over degenen die in de verzekering zijn, maar hij hield hun wel helder en openlijk voor hoe hij op grond van Gods Woord over deze zaken dacht. Hij dreef deze zaken niet op de spits en hij maakte er geen schibboleth van. Maar hij zei ook niet dat eenieder op dit punt maar moest doen wat goed was in zijn ogen. Nee, hij lichtte zijn lezers ook over deze zaken aan de hand van de Bijbel voor zoals een goed herder betaamde. Onderwijzen en voorlichten is echter wezenlijk iets anders dan een ander iets verplichtend opleggen. Dat onderscheid zien velen in onze dagen helaas niet meer en zo komt het dat men tegen zulk onderwijs ten onrechte de beschuldigende vinger opheft dat men eenieder in deze zaken moet vrijlaten. Het in consciëntie vrijlaten van elkaar sluit echter het onderwijzen en voorlichten van elkaar overeenkomstig Gods Woord niet uit. Wij zijn het met dr. C. Steenblok eens die stelde “dat in consciëntiegevallen uit het Woord voorgesteld dient te worden wat de wille Gods zijn zal.” 15
Noten:
1) Zie: In het spoor, oktobernummer 2014, p. 217-223
2) Maandblad van de Nederd. Hervormde Vereeniging ‘Calvijn’, november 1926, 10 e jrg., nr. 7 (herspeld). Hierna: Maandblad
3) Zie voor meer informatie over hem: H. Hille, Een leesbare brief. Uit het leven van godsdienstonderwijzer W. van Leeuwen, Den Hertog, Houten z.j.
4) Maandblad, februari 1928, 11 e jrg., nr. 10 (herspeld)
5) Maandblad, juni 1928, 12 e jrg., nr. 2 (herspeld)
6) Maandblad, augustus 1932, 16 e jrg., nr. 4 (herspeld) e
7) Maandblad, oktober 1932, 16 e jrg., nr. 6 (herspeld)
8) Maandblad, oktober 1932, 16 e jrg., nr. 6 (herspeld)
9) Maandblad, maart 1934, 17 e jrg., nr. 11 (herspeld)
10) Maandblad, maart 1936, 19 e jrg., nr. 11 (herspeld)
11) Van Leeuwen doelt hier kennelijk op de tekst: … en die God tergen, hebben verzekerdheden, om hetgeen dat God met Zijn hand toebrengt (Job 12:6b). Aan de hand van deze tekst heeft destijds ouderling C. van Eijk (1873-1937) een brochure geschreven tegen het verzekeringswezen. Deze is bij de Landelijke Stichting verkrijgbaar (brochure 1).
12) Maandblad, februari 1938, 21 e jrg., nr. 10 (herspeld)
13) Maandblad, augustus 1938, 22 e jrg., nr. 4 (herspeld) e
14) Maandblad, oktober 1938, 22 e jrg., nr. 6 (herspeld)
15) C. Steenblok, Inenting als voorbehoedmiddel, 1978, p. 14
Fotoverantwoording:
a) Door Bogdan Ilieş.Bogdan salaj at ro.wikipedia [CC- BY-2.5 (http://creativecommons.org/licenses/by/2.5)], via Wikimedia Commons
b) Daniel575 at nl.wikipedia [GFDL (http://www.gnu. org/copyleft/fdl.html) or CC-BY-SA-3.0 (http://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/)], via Wikimedia Commons
Geen bukken onder god
Ds. G.H. Kersten op de partijdag van 1934: “Wij verharden de nek. Alsof Gods roede af te keren ware, beraamt de overheid plannen die naar haar berekening heil brengen zullen, zonder af te staan van de zonde. In de crisismaatregelen tekent zich meer en meer de strijd af tegen in plaats van een bukken onder God. Met straffe hand wordt doorgetrokken. Beperking van voedselverbouw met vernietiging van het overschot. Afslachten van zelfs hoogdrachtig vee, dat [vervolgens] in de weide kalfde en het jong vertrad. Is het geen gruwel? (…) Wij schromen niet ons ernstig bezwaar te uiten tegen de weg die de regering koos om de uitgaven en inkomsten van het Rijk in evenwicht te brengen. Niet tegen het doel, wel tegen de gekozen weg gaat ons bezwaar. Al duurder worden de levensmiddelen, steeds drukkender de belastingen en minder de inkomsten van het volk. (…) Alleen de afschaffing van de verzekeringslast zou veel van de belastingen overbodig maken. (…) Uw afgevaardigden in de Tweede Kamer zullen zich niet dan in uiterste nood met belastingverzwaring kunnen verenigen. Al zouden zij alleen staan, zij zullen zich ertegen keren, zolang er miljoenen aan de verzekeringswetten worden besteed, die nu de bedrijven uitmergelen en de schatkist plunderen.”
-Ds. G.H. Kersten, Hoort de roede, 28 februari 1934, p. 8-9 (herspeld)-
Enige bezwaren tegen de assurantie
Het assurantiewezen zoals het in onze maatschappij bestaat in de vorm van brandassurantie, oogstverzekering, veeverzekering, levensverzekering, reisongelukverzekering enzovoort
• is een vrucht van de geest van de tijd, van de geest die niet uit God is;
• is een openbaring van het materialisme;
• is gebouwd op kansberekening en is gebaseerd op de leer van het toeval, van het noodlot;
• behoort thuis bij het atheïsme;
• heeft burgerrecht bij het deïsme;
• werkt dodend op de organische band van de maatschappij als lichaam gedacht en geeft aan de maatschappij tegenover het verlies van een organische band alleen een mechanische band;
• voedt alzo de geest van socialisme, communisme, nihilisme;
• is een karikatuur van de vervulling van Chris tus’ wet: Draagt elkanders lasten;
• poogt wonden te helen zonder medelijden, zonder deernis, zonder ontferming, zonder liefde;
• spot met de leer van Gods voorzienigheid;
• is een schild tegen Gods slaande of kastijdende hand;
• verhardt de mens tegen Gods slaande hand, tegen de roede door God besteld;
• werkt dodend op het levend geloof van de Christen;
• doodt het gevoel van diepe afhankelijkheid jegens God;
• vernietigt de tederheid van het gemoed die een vrucht is van de ware vreze Gods;
• ontneemt de broederlijke liefde een gunstige gelegenheid tot oefening in liefdadigheid en mededeelzaamheid;
• brengt misbruiken en kwade praktijken in de maatschappij, niet toevallig en bij uitzondering, niet in weerwil van het stelsel, maar als een natuurlijk gevolg van het stelsel zelf;
• vermindert het brandgevaar niet, maar verhoogt het brandgevaar door het in de handwerken van onverschilligheid, roekeloosheid of winzucht.
Het assurantiewezen is daarom op zedelijk standpunt afkeurenswaardig, is op gelovig standpunt geoordeeld en onverdedigbaar en is de Christen niet geoorloofd en zijner onwaardig!
A. Bloot Azn.
-Bron: Ingezonden stuk in De Heraut van de Gereformeerde Kerken in Nederland, 11 november 1888, nr. 568 (herspeld)-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 december 2014
In het spoor | 76 Pagina's