‘Het Geusje’ en Artikel 36 NGB -2-
In het vorige nummer 1 hebben we het uitvoerige en Bijbelse antwoord van Het Geusje weergegeven op de vraag die jhr. mr. A.F. de Savornin Lohman (1837-1924) aan Het Geusje gesteld had, namelijk of Het Geusje hem zou willen opgeven de Schriftuurplaatsen waar God aan de overheid gebiedt om de ware godsdienst te beschermen en de valse uit te roeien. Dit antwoord, waarin het onverkorte artikel 36 krachtig door Het Geusje werd verdedigd en een ‘gelijk recht voor alle gezindten’ resoluut afgewezen, werd gepubliceerd in vier opeenvolgende nummers van dit weekblaadje, te weten in de nummers van 19 april, 26 april, 3 mei en 10 mei 1899. In dit artikel willen we de reactie van De Savornin Lohman op dit gedegen antwoord in ogenschouw nemen en ten slotte wat Het Geusje van Lohmans reactie vond.
De Savornin Lohman heeft kennelijk het geduld niet op kunnen brengen om de publicatie van het volledige antwoord van Het Geusje af te wachten. Want ondanks dat Het Geusje in het nummer van 26 april 1899 aankondigde dat er nog een vervolg zou komen, gaf De Savornin Lohman reeds in De Nederlander van 2 mei 1899 een reactie op het dan nog maar voor de helft gepubliceerde antwoord van Het Geusje. We laten zijn weinig verheffende reactie in De Nederlander onder de titel ‘Niet ernstig’ hier letterlijk volgen:
‘Niet ernstig’
De Savornin Lohman: “Wij vroegen onlangs aan ‘Het Geusje’ ons eens te willen opgeven welke Schriftuurplaatsen het bedoelt, opdat wij ten eerste weten wat de overheid voor de ware godsdienst zal te houden hebben en ten tweede door welke middelen zij de valse zal hebben uit te roeien. Het antwoord, dat wij verkort meedelen, verwijst naar Éxodus 22 vers 20, Deuteronomium 17 vers 2-7 alsmede naar vers 18 en 19. Voorts naar de koningen die, als ze de afgodsdienst uitroeiden, deden wat recht was in de ogen des Heeren. Eindelijk naar Jesaja 49 vers 23. Hierin vindt het blaadje de ‘duidelijke bewijzen dat God door de overheid de ware godsdienst beschermd en de valse uitgeroeid wil hebben’. Deze laatste zinsnede is geen antwoord op onze vraag. Ook wij geloven dat God wil dat van overheidswege de ware godsdienst beschermd en de valse uitgeroeid zal worden. Maar de aangehaalde teksten kunnen wel beschouwd worden als antwoord op onze vragen. Zie hier hun inhoud: ‘Wie den goden offert, behalve den HEERE alleen, die zal verbannen worden’ (Éx. 22:20). Wie zich buigt voor andere goden, voor de zon of voor de maan of voor het ganse heir des hemels, die zal gestenigd worden (Deut. 17:2-7). ‘Voorts zal’ de koning ‘zich een dubbel van deze wet afschrijven in een boek, uit hetgeen dat voor het aangezicht der Levitische priesters is. En het zal bij hem zijn en hij zal daarin lezen al de dagen zijns levens’ (Deut. 17:18-19a). En de opgerichte beelden zullen worden weggedaan.
Wij weten dus nu precies wat ‘Het Geusje’ bedoelt. Verlangt nu dit blaadje, hetwelk poogt het eenvoudige volk op te zetten tegen de Christenen die wensen dat de overheid zich niet rechtstreeks met de godsdienst en ons geloof bemoeit, dat voortaan onze strafwet de steniging zal voorschrijven van de zon- en maan- en sterrenaanbidders, die er niet meer zijn? Of dat Hare Majesteit de koningin dagelijks niet het Evangelie, maar de Joodse wet zal lezen? Men kan ook in populaire vorm diepe en gewichtige waarheden verkondigen en nu vooral is het niet zonder belang wel te letten op datgene wat onder ‘de kleine luyden’ als onomstotelijke waarheid verkondigd wordt. Daarom maakten wij ook van dit blaadje melding. Maar als men ernstige zaken op deze wijze behandelt, is het maar beter er niet dieper op in te gaan”. 2
Tot zover De Savornin Lohman. Een kind kan bij wijze van spreken begrijpen dat Het Geusje met het aanhalen van Deuteronomium 17 vers 2-7 geenszins letterlijk bedoeld heeft te zeggen dat de steniging als straf in de Nederlandse strafwet opgenomen moest worden, maar alleen dat publieke afgoderij thans niet minder dan toen strafbaar gesteld behoorde te worden. En dat Het Geusje met het aanhalen van Deuteronomium 17 vers 18 en 19 niet letterlijk heeft willen stellen dat koningin Wilhelmina dagelijks ‘de Joodse wet’ moest lezen, maar alleen dat zij en alle overheden Gods Woord en Wet tot hét uitgangspunt voor haar en hun regeerbeleid dienden te nemen. Dus niet aan de letterlijke tekst, maar aan de voor alle tijden geldende morele regel in die burgerlijke
geboden hield Het Geusje terecht vast. Door hieraan voorbij te gaan maakte De Savornin Lohman feitelijk van de door Het Geusje gehuldigde Bijbelse visie op de overheid een karikatuur.
Repliek van ‘Het Geusje’
We kennen inmiddels de anonieme redacteur van Het Geusje al goed genoeg om aan te voelen dat deze dit niet stilzwijgend liet voorbijgaan, daar de ere Gods en het welzijn van ons volk ermee gemoeid was. In het nummer van 31 mei 1899 diende hij dan ook De Savornin Lohman grondig en uitvoerig van repliek. Uiteraard weer in de vorm van een samenspraak. Opnieuw komen daarin met het oog op de handhaving van artikel 36 NGB door de overheid diverse leerzame aspecten naar voren. We laten daarom deze samenspraak 3 tussen het bekende drietal Parool, Van Schermen en De Leus in zijn geheel hier volgen:
Parool: “Gaan jullie nu een, twee, drie zitten, want ik heb jullie heel wat te vertellen. Verbeeld je dat we door jonkheer De Savornin Lohman worden uitgemaakt voor twiststokers.
Van Schermen: Wij? Wat hebben we dan gedaan? Wat wordt ons dan ten laste gelegd? En waar heeft de heer Lohman zich zo over ons uitgelaten?
Parool: Daar heb je De Nederlander. Kijk, daar staat het zwart op wit dat we pogen ‘het eenvoudige volk op te zetten tegen de Christenen die wensen dat de overheid zich niet rechtstreeks met de godsdienst en ons geloof bemoeit’.
De Leus: Dus dhr. Lohman is het niet met ons eens?
Parool: Nee, jongen, hij is zelfs niet weinig verstoord over ons bestrijden van de tegenstanders van artikel 36 NGB.
Van Schermen: Dat is te merken aan dat woord ‘opzetten’. Maar hoe komt de heer Lohman erbij om ons van dat ‘opzetten’ te beschuldigen? Is het ons dan te doen om maar mensen afkerig te maken van de heer Lohman en van anderen die met hem gelijk denken? Is het ons om mensen te doen?
Parool: Ons niet, maar de heer Lohman wel, want die ziet een partij in gevaar. En als partijman moet hij natuurlijk in een partij zijn sterkte zoeken. Daarom moeten de mensen voor ons gewaarschuwd worden. Dat vat je. Maar dat hij ons voor stokebranden uitmaakt, dat is niet het ergste. Het ergste is dat hij dat doet om zich in zijn mening of bewering aangaande de roeping van de overheid te handhaven, want daarmee is niets minder dan Gods heilig Woord gemoeid. ‘Onnozele halzen, achterlijke stumperds’, zegt de heer Lohman als het ware, ‘hou je daar nog aan vast dat de overheid zich rechtstreeks met de godsdienst en ons geloof zou moeten bemoeien?’ Verlang je dan ‘dat Hare Majesteit de koningin dagelijks niet het Evangelie, maar de Joodse wet zal lezen?’ Ja, dat laatste zegt hij letterlijk zo!
De Leus: Heb ik van mijn leven! Hoe komt de heer Lohman toch bij zo’n vraag?
Parool: Wel, je weet dat wij ons voor de roeping van de overheid ten aanzien van de godsdienst onder andere beroepen op Deuteronomium 17 vers 18 en 19. En daar staat: Voorts zal het geschieden, als hij, namelijk de koning, op den stoel zijns koninkrijks zal zitten, zo zal hij zich een dubbel van deze wet afschrijven in een boek, uit hetgeen dat voor het aangezicht der Levitische priesters is. En het zal bij hem zijn en hij zal daarin lezen al de dagen zijns levens, opdat hij den HEERE zijn God lere vrezen, om te bewaren al de woorden dezer wet en deze inzettingen, om die te doen.
Oneigenlijke tegenstelling
De Leus: Goed, de voorschriften in dat wetboek bedoelt de heer Lohman als hij spreekt van ‘de Joodse wet’. Maar nu vraag ik toch: hoe komt hij bij zo’n vreemde tegenstelling, de Joodse wet tegenover het Evangelie? Hij had evengoed kunnen vragen of mensen zoals wij soms verlangden dat de koningin de Tien Geboden en niet het Evangelie zou lezen. Maar dat zou toch al een heel onzuivere tegenstelling zijn. Want het is wel waar dat Gods heiligheid volkomen is en van dien aard dat ze geen zonde kan gedogen, waarom Hij een verterend Vuur wordt genoemd. En van die heiligheid is de Wet van de Tien Geboden een volmaakte uitdrukking. Maar toch heeft God Zijn Wet niet gegeven om ons te vernielen, maar veeleer tot ons behoud, tot ons geluk, tot onze zaligheid. En om ons dat te doen gevoelen, plaatste Hij er als opschrift boven: Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid heb (Deut. 5:6). Dat opschrift is Evangelie, want als we door de Wet ter aarde geworpen zijn en als zondaars, dus als mensen die Gode niets volkomens kunnen brengen, onder de vloek van de Wet dreigen om te komen, dan richt ons dat woord dat God boven Zijn Wet heeft geschreven, op en wijst ons op Hem Die ons van al onze zonde en ellende verlost heeft en ons in het pad van Zijn geboden doet wandelen en ons dus geeft wat Hij gebiedt. Zo heeft dus God de Wet niet zonder het Evangelie gegeven.
Ook bestaat het Evangelie niet zonder de Wet. Want het Evangelie wil geloof, en van het geloof zegt de Schrift dat het de Wet bevestigt. Als dus iemand de Wet van de Tien Geboden tegenover het Evangelie plaatst, dan toont hij geen van beide te verstaan, want anders zou hij begrijpen dat ze elkander niet uitsluiten (iets anders is het, wanneer men spreekt van ‘wet en genade’).
Van Schermen: Dat begrijp ik nu heel goed. Maar nu heeft de heer Lohman gevraagd of mensen zoals wij soms verlangden dat de koningin de Joodse wet en niet het Evangelie zou lezen.
De Leus: Goed, maar waartoe dient die zogenaamde Joodse wet? Die inzettingen en rechten des Heeren zoals wij ze behoren te noemen, dienen immers alleen om de Wet van de Tien Geboden te handhaven, zowel in onze persoonlijke verhouding tot God als in de onderlinge verhouding van ons mensen. En dat zowel op staatkundig en maatschappelijk als op kerkelijk en huiselijk gebied. Maar nu spreekt het toch vanzelf dat die inzettingen en rechten, omdat ze op de onderhouding van de Tien Geboden zijn gericht, ook even heilig, rechtvaardig en goed zijn. Dat volgt trouwens ook daaruit al dat ze van God zijn. Is het dan goed die inzettingen en rechten of, zoals de heer Lohman ze noemt, die Joodse wet tegenover het Evangelie te stellen?
Van Schermen: Als ik op deze en gene inzettingen zie, dan zeg ik dadelijk: nee! Maar daar heb je nu het gebod om de afgodendienaars te doden. Dat schijnt toch wel scherp tegenover het Evangelie te staan?
Een afgodendienaar ligt al onder Gods toorn
Parool: Als door het terdoodbrengen van een afgodendienaar zo’n mens prijsgegeven werd aan de verdoemenis, dan, ja, dan zou je gelijk hebben. Maar is dat zo? Ik zeg, ofschoon aan zo iemand het woord vervuld wordt: Als iemand de wet van Mozes heeft tenietgedaan, die sterft zonder barmhartigheid onder twee of drie getuigen (Hebr. 10:28), dat God Zich in dit gebod om de afgodendienaar ter dood te brengen toch niet als een onbarmhartig God doet kennen. Die zijn roede inhoudt, haat zijn zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging (Spr. 13:24). Dat is een woord uit Gods hart dat elke Godvrezende huisvader verstaat. De onbekeerde afgodendienaar is onder Gods toorn, is onder de verdoemenis. Door de terechtstelling wordt hij er dus niet aan prijsgegeven. Veeleer kan de veroordeling van zo’n hardnekkige afgodendienaar nog het enige middel zijn om hem tot inkeer te brengen. Dat deze beschouwing door zo weinigen gedeeld wordt, komt daarvan dat we altijd meer op het lichaam dan op de ziel, meer op tijdelijk bezit dan op eeuwig genot zien. En van Gods barmhartigheid zowel als van Gods rechtvaardigheid niet het minste begrip hebben, maar altijd aanzien wat voor ogen is.
Van Schermen: Je hebt gelijk, de heer Lohman heeft geen recht om de Joodse wet tegenover het Evangelie te stellen.
Lohman klampt zich aan de letter vast
Parool: En ik ontzeg hem ook het recht om zo opzettelijk Gods inzettingen en rechten ‘de Joodse wet’ te noemen, alsof ze ons niet aangaan. Laat hij dat eens bewijzen! Tot zolang zal ik volhouden dat die Joodse wet ook voor ons Christenen geldt, zo waarlijk als God sinds Hij ze gaf, niet veranderd is en nooit veranderen zal. Zijn Wet is eeuwig! De heer Lohman moet dan ook niet denken dat hij ons verlegen maakt of in het zonnetje zet als hij schrijft…, ja, wacht, ik zal het je voorlezen: ‘Verlangt men nu’, zegt hij ‘dat voortaan onze strafwet de steniging zal voorschrijven van de zon-, maan- en sterrenaanbidders, die er niet meer zijn?’ Je weet dat we ons voor de roeping van de overheid ook op Deuteronomium 17 vers 2-7 beroepen, en daar wordt de uitroeiing van de zon-, maan- en sterrenaanbidders geboden. Daarop slaat dan die vraag van de heer Lohman.
De Leus: Wel, die jonkheer Lohman schijnt ons volstrekt in een belachelijk daglicht te willen stellen, maar hij zet er wat lelijk zichzelf in. Zou hij denken dat het God met dat gebod er alleen om te doen is geweest dat zon, maan en sterren geen Goddelijke eer kregen, terwijl aan andere schepselen, bijvoorbeeld aan de engelen of aan enig dier, die eer wel mocht bewezen worden? Dat weet de heer Lohman toch wel beter! God richtte Zijn verbod van afgodendienst eenvoudig in naar de verleiding waarvoor de Israëlieten van de kant van de heidense volken, met wie ze in aanraking zouden komen, het meest zouden blootstaan. Zo klampt de heer Lohman zich aan de letter vast om aan de geest te ontkomen. Maar wat zou hij denken? Dat de vervloekte broodaanbidding van de roomsen niet ruim zo afschuwelijk is als de verering van het heir des hemels? Het is toch maar waar dat de roomse kerk uitdrukkelijk leert dat aan de hostie, dus aan een stuk brood dat in de oven gebakken is, Goddelijke eer moet bewezen worden. Zou Deuteronomium 17 dan niet ook voor die paapse drekgodendienst gelden?
Parool: Ik zou zeggen: ja! Maar op grond van ons beroep op Deuteronomium 17 en dergelijke plaatsen luidt jonkheer Lohmans oordeel over onze bewijs-
voering dat deze ‘niet ernstig’ is. Foei, zulke dingen ‘als onomstotelijke waarheid’ te verkondigen, zegt hij. ‘Als men ernstige zaken op die manier behandelt, is het maar beter er niet dieper op in te gaan’. Met andere woorden, met zulke achterlijke mensen die zulke ouderwetse, verouderde en versleten ideeën hebben, is het eigenlijk geen praten. Dus, jongens, je houdt voortaan je mond maar, versta je? Over zulke dingen kun je althans niet meespreken. Dat vat je? En als je het waagt om bij degenen die wat minder vasthoudend zijn, met de Joodse wet aan boord te komen, dan zal de heer Lohman de mensen voor je waarschuwen als voor lieden die het eenvoudige volk willen opzetten tegen zijn leidslieden.
Gods Wet is bindend voor alle tijden
De Leus: Het zou me van de heer Lohman spijten en ik wil voorlopig nog wat beters van hem geloven. Maar wat hij ook wil doen, dat zal ons niet beletten om de waarheid te laten horen. Dat kunnen we immers met een goed geweten doen. We handhaven eenvoudig Gods onveranderlijke Wet als bindend voor alle tijden. Is dat onze zonde in de ogen van de heer Lohman, wil hij daarom onze bewijsvoering ‘niet ernstig’ noemen en ons voor twiststokers uitmaken, welnu, het zij zo. Onze vaderen hielden er ook aan vast dat wat voor het volk Israël gold, ook voor ons bindend is (het ceremoniële alleen uitgezonderd). En zij gaven voor die belijdenis het hoofd onder het beulszwaard. Zouden wij ons dan door wat minachting laten terug houden om hetzelfde te belijden?
Parool: Dan zouden we de Christennaam onwaardig zijn, want wie eventjes doordenkt die ziet terstond in dat in artikel 36 met het weren en uitroeien van ‘alle afgoderij en valsen godsdienst’, het te grond werpen van ‘het rijk van den antichrist’, het bevorderen van ‘het Koninkrijk van Jezus Christus’ en het overal doen prediken van ‘het woord des Evangelies’, de ware Christus, de Christus der Schriften, wordt gehandhaafd tegen de valse Christus, de Christus van eigen fatsoenering.
De Leus: Wel terecht, Parool! En ik begrijp er dan ook niets van hoe de heer Lohman ons kan beschuldigen van ‘het eenvoudige volk op te zetten tegen de Christenen die wensen dat de overheid zich niet rechtstreeks met de godsdienst en ons geloof bemoeit’. Met zo te spreken werpt hij - dat is zeker! - een smet op het Christendom van de Christenmartelaars, die het zich liever het hoofd lieten kosten dan dat ze uit eigenbelang, uit zucht tot zelfbehoud, niet zouden vasthouden aan de roeping van de overheid ten aanzien van de godsdienst. Er schijnt bij hem helemaal geen oog voor te zijn dat hij zodoende mede schuldig wordt aan…, maar nee, laat me dat harde woord nu niet uitspreken. Ik weet bij ondervinding wat het zegt gedrenkt te zijn met de zwijmelwijn van de Revolutie. En als de heer Lohman even nadenkt, dan weet hij toch ook wel dat hij zijn voorstelling van artikel 36 niet heeft van onze gereformeerde vaderen, maar van dr. A. Kuyper, die de Revolutie Christelijk maakt. Niet de Heilige Schrift, maar het duivelse evangelie van de revolutiemannen predikt gelijkstelling van alle gezindheden voor de landswet. Daarom zal het waarlijk ‘eenvoudige volk’ ook niet nodig hebben door ons opgezet te worden, want wie nog zo eenvoudig is dat hij zich aan de onfeilbare regel van Gods Woord houdt, - en die is immers alleen in waarheid eenvoudig! -, die staat vanzelf aan onze zijde.
Geuzen- en papenpenning
Parool: En die draagt ook met eer de naam geus. Dat juist maakte vroeger de naam geus zo bij uitstek verachtelijk dat wie met die naam werd aangeduid, werd aangemerkt als iemand die tegen het woord van de trotse paus, tegen de leer van de pralende roomse kerk in, het Woord Gods handhaafde. Zulk volk moest een snood gespuis, zulke lieden moesten bedelaars, schooiers, fielten, geuzen genoemd worden. Met dat woord geuzen werden bovenal, zoals we de vorige maal aan de papen- en de geuzenpenning hebben gezien, ketters bedoeld. 4
Van Schermen: Wat stond er dan eigenlijk op die penningen, Parool?
Parool: Op de geuzenpenning stond aan de ene kant het borstbeeld van koning Filips II en aan de andere kant een bedelzak met twee ineengesloten rechterhanden. En het randschrift luidde: ‘De koning in alles getrouw tot de bedelzak toe’. Met zo’n penning te dragen wilden de geuzen zeggen dat ze geen oproermakers waren, maar de koning gehoorzaam wilden zijn in alles wat niet tegen Gods Woord inging, al moesten ze er ook door tot de bedelstaf komen. En ofschoon er nu op die penning op zichzelf niets viel aan te merken, droegen voortaan de fijne roomsen als onderscheidingsteken een andere penning waarop aan de ene zijde een borstbeeld van Christus en aan de andere zijde een beeltenis van Maria stond. Dit soort penningen waren door de paus plechtig gewijd en hij had aan het dragen ervan verscheidene aflaten van zonden en straffen verbonden. Aan dat alles zie je klaar dat de bedoeling van die papenpenning was om de dragers van de geuzenpenning als ketters, als ontrouwen of afvalligen voor te stellen. En verder golden ze ook voor oproermakers die het eenvoudige volk poogden op te zetten tegen zijn wettige regering.
De Leus: Maar die verachte en belasterde geuzen hadden met dat al Gods Woord voor zich en ze lieten zich door de vervolging niet verleiden om aan de roeping van de overheid ten aanzien van de godsdienst tekort te doen, maar schreven met een moed die uit God is, in hun Belijdenis dat de overheid van Godswege geroepen is om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valse godsdienst en te beschermen de ware godsdienst, óók met het zwaard. Die belijdenis, die Gode de eer gaf en de koning in zijn ambt liet, maakte dat ze, hoewel voor een partij aangezien, inderdaad geen partij waren. Die kunnen immers geen partij zijn die vasthouden aan hetgeen God Zelf gegeven heeft en dus het van God verordende willen? Juist omdat de geuzen geen partij waren, konden ze de kern van een natie worden. In de erkenning van Gods recht, waarmee erkenning van het recht van de overheid noodzakelijk gepaard gaat, ligt immers het levensbeginsel voor de vorming van een natie. Wie voortaan Gods Woord als hoogste Wet voorstond en de kerk eerbiedigde, sloot zich bij de geuzen aan. En zo ontstond een natie waarin - bij alle gebrek in de staatsvorm - God als alleropperste Soeverein gevreesd en de overheid geëerd werd.
Een miskennen van Gods Woord
Parool: Zeer juist, De Leus! Maar dat levensbeginsel waarin de levenskracht van een natie ligt, wordt bij de heer Lohman gemist. Dientengevolge zoekt hij zijn kracht in partijvorming, naar de kwade betekenis van dat woord. Een partij vraagt allereerst plaats voor zichzelf, daarna pas voor Gods Woord. Maar dat is niets anders dan een miskenning van het recht van God waarnaar wij voor en boven alles hebben te vragen. Gods recht geëerbiedigd en naar onze eer niet gevraagd, voor Gods Woord plaats gezocht en voor onszelf geen voet gronds geëist, dan zal God wel voor onze eer en voor ons bestaan zorgen. Waar men de zaak omkeert, daar staat men niet recht! Daar stelt men zich tegen God en Zijn Woord en daarom ook tegen wie alleen aan Gods Woord zich vasthoudt.
Het partijbelang overheerst bij hem alles. Hij ziet zijn partij in gevaar en bestrijdt wat de partij afbreuk kan doen. Of hetgeen een ander belijdt, volgens of tegen Gods Woord is, daar wordt niet naar gevraagd. Dat het tegen zijn partijprogram ingaat, is al genoeg om het te weren. En zo mag dan Gods Woord niet aan het woord komen. Maar zo wordt de partij dan ook als partij openbaar, dat is als iets beogende buiten Gods Woord, buiten het uitdrukkelijke gebod van God.
De Leus. Dat geve God aan jonkheer Lohman in te zien, opdat hij alzo ten spijt van al het razen van de goddeloze en de schijnvrome wereld, naar niets vrage dan naar het bij goddelozen en schijnvromen verachte Woord Gods. Dat is Christen zijn, dat is geus zijn, dat is eenvoudigheid en ernst. En zo alleen stelt men zich als de edelen van 1566 in de bres voor de ‘kleine luyden’.”
Ten besluite
Evenals in het in het vorige nummer gepubliceerde antwoord hamert Het Geusje er ook nu op dat toch de overheid in alles Gods Woord en Wet tot uitgangspunt dient te nemen. Handhaving van de eerste Tafel van Gods Wet houdt onder meer in dat de overheid de ware godsdienst beschermt en de valse uit de publieke ruimte weert, zoals in het onverkorte artikel 36 verwoord is. Het Geusje liet zich daarbij niet van de wijs brengen dat de tijdomstandigheden nu anders zijn. Toen veranderde tijdsomstandigheden werden aangevoerd om een minder stringente openbare zondagsrust en zondagsheiliging goed te praten, antwoordde Het Geusje resoluut:
“Wat veranderde omstandigheden en wat nieuwe behoeften en verhoudingen! Laat je toch niet van de wijs brengen door het geschreeuw van de lieden die met Gods gebod hebben afgedaan of er een Tien Geboden van koekdeeg op na houden! Zal ik je eens wat zeggen? Als maar voorop staat dat Gods Wet moet geëerbiedigd worden, dan zullen die omstandigheden geen hinderpaal zijn, want dan tracht men niet Gods Wet te wringen naar de omstandigheden, maar dan regelen de omstandigheden zich naar Gods Wet. Ken je een drukker wereldstad dan Londen…? (…) Maar kom nu eens te Londen op een zondag [1899], weg is al het rumoer en je staat verbaasd over de stilstand van handel en verkeer, over de algemene rust die er valt waar te nemen! Nu vraag ik: als zo’n ontzettend drukke wereldstad zo’n rustige zondag kan hebben, waarom zou dan bij ons zoiets niet mogelijk zijn?” 5
Ten tijde van de Republiek van de Verenigde Nederlanden erkende de overheid “Gods Woord als grondwet van de staat”, aldus Het Geusje, maar nu leven we onder een staatsregeling die Gods Woord “met het woord van mensen” gelijkstelt. “Daar komt het van dat er van staatswege, ook op het punt van zondagsheiliging, dingen gebeuren die ons Christenland verlagen tot beneden de heidenwereld.” 6
Dat was in 1899 al zo, maar dat is nu in veel en veel ergere mate zo. Gods Woord en Wet hebben thans voor de Nederlandse overheid en veruit de meeste inwoners geheel afgedaan. Nu is ten volle van toepassing op ons volk en op onze overheid wat de profeet Hoséa over Efraïm zei: Ik schrijf hem, ik schrijf Nederland, de voortreffelijkheden Mijner wet voor, maar die zijn geacht als wat vreemds (Hos. 8:12). Israël had zijn Maker vergeten (Hos. 8:14), Nederland niet minder. Wij zijn van ’t heilspoor afgegaan. Wij hebben vergramd en vergrammen de God des levens Die zoveel wonderen onder ons heeft verricht. Dat het ook onder ons in waarheid tot die erkenning mocht komen in plaats van de Bijbelse beginselen aan te passen aan de tijdsomstandigheden, in plaats van Gods recht in te wisselen voor de hedendaagse godsdienstvrijheid voor alle gezindten. Die Mij eren, zal Ik eren, spreekt de HEERE, maar die Mij versmaden, zullen licht geacht worden (1 Sam. 2:30)!
Noten:
1) Zie: In het spoor, meinummer 2016, p. 76-95
2) Zie: ‘Niet ernstig’, in: De Nederlander, 2 mei 1899 (herspeld)
3) Zie: ‘Over een antwoord van Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman’, in: Het Geusje. Wekelijks verschijnend Blaadje voor alle Vrienden van Kerk, Oranje en Vaderland, 1 e jrg., nr. 40, 31 mei 1899, p. 1-8 (herspeld en hier en daar licht hertaald en van tussenkopjes voorzien). Hierna: Het Geusje. e
4) Zie: Het Geusje, 1 e jrg., nr. 39, 24 mei 1899, p. 5-6 e
5) Het Geusje, 1 e jrg., nr. 20, 11 januari 1899, p. 3 (herspeld)
6) Het Geusje, 1 e jrg., nr. 20, 11 januari 1899, p. 4 (herspeld)
Fotoverantwoording:
a) By Carolus (Own work) [CC BY-SA 2.5] via Wikimedia Commons
b) Foto: collectie Haags Gemeentearchief.
c) C. van der Pols [CC-BY-SA-3.0] via Wikimedia Commons
Als voorop staat dat Gods Wet moet geëerbiedigd worden, dan zullen de huidige, veranderde omstandigheden geen hinderpaal zijn, want dan tracht men niet Gods Wet te wringen naar de omstandigheden, maar dan regelen de omstandigheden zich naar Gods Wet!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juli 2016
In het spoor | 68 Pagina's