Het "communisme"
der eerste Christengemeente
Text: Handelingen 2 : 44, 45.
Een text, waarvan zeker niemand kan zeggen, dat hij tot een voor ons onbelangrijk terrein behoort. Met de stof, hierin vervat, raken wij een vraagstuk van onze tijd aan, dat door velen zelfs als een brandend, ja als „het" vraagstuk beschouwd wordt. Gij gevoelt dit onmiddellijk, wanneer ge let op hetgeen in de aanhef van onze text van de gelovigen gezegd wordt: zij ,waren bijeen en hadden alle dingen gemeen". Deze woorden brengen u immers ineens een reeks van termen in herinnering,die hedentendage bij velen schering en inslag zijn en allen tot uitdrukking brengen, dat „gemeenschap" uitgangspunt en doei is.
Er gaat een stroming door de wereld, waarbij alles om de gemeenschapsgedachte draait. Op allerlei wijze tracht men in te gaan tegen het individualisme, dat de enkeling in het middelpunt stelt en in de grond der zaak de alleenheerschappij van het eigen ik huldigt. Alles staat tegenwoordig in het teken der organisatie ; haast overal stuit ge daar op : bij werklieden en patroons treft ge haar aan, bij dienstboden en huisvrouwen, bij beambten en ambtenaren, ja er bestaat zelfs een Bond van Predikanten ! De idee van „verenigen" heeft hoe langer hoe meer veld gewonnen bij mensen van allerlei stand, die hun belangen geschaad of bedreigd zagen en nu door gemeenschappelijk optreden die belangen pogen te verdedigen en te bevorderen. Één grote gemeenschap van heel het volk, ja van heel de mensheid, staat hierbij velen als het einddoel van alle begeerte voor ogen. De idee der gemeenschap is zeker een heerlijke gedachte. Wij staan niet alléén in de wereld. Wij zijn ook niet bestemd om op onszelf te staan.
) Op gemeenschap heeft God ons aangelegd. Denk maar aan het Paradijs: God gaf Adam een hulp in Eva, omdat het niet goed is, dat de mens alleen zij. Deze kleine gemeenschap wordt voltooid in het met kinderen gezegend huisgezin, dat op zijn beurt weer de cel is, waaruit heel de samenleving wordt opgebouwd. In de gemeenschap ontvangt de enkeling gelegenheid, zijn gaven en krachten naar alle kanten te ontplooien. Zo dient de gemeenschap om de enkeling tot volle ontwikkeling te brengen, terwijl de enkeling weer bijdraagt tot de bloei der gemeenschap. Er is wisselwerking, en er moei ook wisselwerking zijn, zullen mensheid en mens aan hun bestemming beantwoorden: God te verheerlijken in woord en daad.
Maar wat zien we nu in al die gemeenschapsbewegingen hoe langer hoe meer gebeuren ? Dit, dat de verheven gezindheid, die aller belang op het oog heeft, als rook verdwijnt. Dit ook, dat de gemeenschap geen doel is, maar middel; middel om een ander doel te bereiken, n.l. de koestering van het eigen ik ! Op ruwe wijze is dit aan de dag gekomen in het communisme van de daad, zoals wij dat in Rusland zien, en in allerlei oproerige bewegingen in andere landen, waar roof en plundering aan de orde van de dag zijn. Maar dat, waar zulke ruwheid niet tot uiting komt, toch de geest niet anders is, blijkt overal in de praktijk van het leven, die beheerst wordt door de gedachte: als wij het maargoed hebben, wat deert ons dan het lot van anderen ?
Het behoeft ons niet te verwonderen, dat vele voorstanders van al die gemeenschapsbewegingen, met name communisten, zich ter verdediging van hun beginselen beroepen op hetgeen van de eerste Christengemeente geschreven staat. Al moet men overigens van Christendom enKerkniets hebben, — hetgeen in het stelsel te pas komt, kan men gebruiken. Zo heeft men op grond van onze text aan de eerste Christengemeente herhaaldelijk communisme toegeschreven.
Wij moeten eens zien, wat hiervan waar is. Wij gaan dan heden spreken over de gemeenschap in de eerste Christengemeente en overdenken met toepassing op onszelf: I van welke aard zij was, II waaruit zij voortkwam, en 111 welke vruchten zij droeg.
I.
Van welke aard was de gemeenschap in de eerste Christengemeente? Het antwoord op deze vraag ligt opgesloten in onze text. Daar wordt eerst in het algemeen gezegd : „En allen, die geloofden, waren bijeen en hadden alle dingen gemeen". Vervolgens wordt een bijzonderheid medegedeeld, waarin de heersende geest krachtig tot uiting komt: „en zij verkochten hun goederen en have, en verdeelden ze aan allen, naardat elk van node had". Er wordt gesproken van degenen, die tot het geloof waren gekomen. Lukas bedoelt hiermee de kleine schare, waarop de Heilige Geest was uitgestort, met de 3000, die door de prediking van Petrus hun vertrouwen hadden leren stellen op Jezus van Nazareth, de opgestane en verheerlijkte Heiland.
Van heil zegt de Evangelist: zij „waren bijeen en hadden alle dingen gemeen", of korter: zij „hadden tezamen alle dingen gemeen". Dit maakt geen verschil. Als hier staat: „zij waren bijeen", kan dit toch moeilijk betekenen, dat zij allen in één ruimte verblijf hielden of één gemeenschappelijke woning bezaten : welk huis kon een schare van meer dan 3000 personen herbergen ? De bedoeling is wel duidelijk: zij hielden zich aan elkander, zij hadden gevoel van saamhorigheid, zij leefden als broeders en zusters van één huis, als leden van één grote familie, bij wie het was zoals Lukas in Hoofdstuk 4 : 32 schrijft: „één van hart en één van ziel", al hadden zij ieder hun eigen woning.
En die gelovigen „hadden alle dingen gemeen". Bij deze woorden leggen de voorstanders van afschaffing van het privaat-bezit graag de vinger, zeggende : daar hebt ge het gemeenschappelijk bezit en het gemeenschappelijk genot, waarbij de één niet méér recht heeft dan de ander, maar gelijk recht voor allen heerst! — Bij oppervlakkige beschouwing kan dit er inderdaad in gelezen worden. Maar oppervlakkige beschouwing is nu eenmaal niet de juiste. Wij moeten de zaak nader bezien. En wat Ijespeuren wij dan ? Dit, dat deze woorden een andere zin kunnen hebben en ook werkelijk een andere zin hebben. Er is n.1. nog een andere plaats in het Boek der Handelingen, waar Lukas aangaande de Gemeente dezelfde gedachte uitspreekt, n.1. Hoofdstuk 4 : 32. Daar lezen we: „En de menigte van degenen, die geloofden, was één hart en één ziel; en niemand zeide, dat iets van hetgeen hij had, zijn eigen ware, maar alle dingen waren hun gemeen". Merkt ge het wel: „iets van hetgeen hij had" ; zij hadden dus ieder het zijne, als bezitters en eigenaars. Maar;,niemandzeide,datietsvanhetgeen 106 hij had, zijn eigen ware" ; niemand sprak dus uit een gezindheid, die het zijne uitsluitend voor zichzelf bestemde, „maar alle dingen waren hun gemeen". Hier wordt dus de zielsgesteldheid der bezitters beschreven : zij stelden graag hun bezit ten behoeve van de broeders ter beschikking. Dat dit de juiste betekenis is, blijkt duidelijk uit hetgeen Lukas laat volgen : „en zij verkochten hun goederen en have, en verdeelden ze aan allen, naardat elk van node had" (vs. 45). Als wij dat zeggen, tri't de communist van verontwaardiging. Hij vindt immers, dat hier onweersprekelijk dit tot uitdrukking is gebracht: in die Gemeente werden alle bezittingentegeldegemaakt, de opbrengst ervan in een gemeenschappelijke kas gestort, waaruit allen gelijkelijk leefden ! — Maar als dat Lukas' bedoeling was geweest, dan zou hij zich in het Grieks anders hebben uitgedrukt. Hij zegt niet, dat op één bepaald tijdstip alle bezitters al hun bezittingen te gelde maakten. Neen, wat hij schrijft, geeft dit te kennen, dat het herhaaldelijk — misschien zelfs dikwijls — voorkwam, dat eigenaars van goederen hun bezit te gelde maakten en de opbrengst ervan uitdeelden naar de behoeften van het ogenblik ! M, a. w. dit „communisme" — als ik dat woord hier een ogenblik gebruiken mag — was geen stelsel, maar een uiting des harten in verband met omstandigheden, waarin men leefde. Was het een stelsel geweest, dat door de Gemeente aanvaard was, hoe kon Lukas dan nogin Hoofdstuk 4: 32 spreken van het „hebben" van goederen, en hoe konden Ananias en Saffira dan nog in het bezit zijn van een akker, ja hoe kon Petrus zonder enig verwijt aan Ananias voorhouden : „Zo het gebleven ware, bleef het niet uwe, en verkocht zijnde, was het niet in uw macht?" (5 : 4a) — Neen, als wij onbevangen lezen wat Lukas omtrent de eerste Christengemeente bericht dan rijst een heel ander beeld voor onze geest op. Daar is een Gemeente, die uit vele leden bestaat; daaronder zijn, gelijk dit in heel de wereld het geval is, rijken en armen, van laatstgenoemden wel de meesten. Wat doen nu de rijken ? Zij zien, dat er nood is bij broeders en zusters in het geloof. Zij openen hun beurs, en als die leeg is, schromen zij zelfs niet hun kapitaal aan te spreken, om voorzover nodig in de nood te kunnen voorzien. Zij storten niet de totale opbrengst van heel hun bezit in een gemeenschappelijke kas, om daaruit dan zelf met de anderen gelijk op te delen ; neen, zij delen aan de anderen uit naar behoefte, aan de één meer, aan de ander minder; maar zelf houden zij het beheer van wat het hunne is, ook in het uitdelen, in handen !
Mij dunkt, gij zult nu ook wel reeds het diepgaand verschil hebben gevoeld tussen hetgeen de communisten en hun geestverwanten drijft, en hetgeen in deze eerste Christengemeente werd gezien. Een verschil als tussen aarde en hemel! Bij de communisten wordt immers gemist wat in deze Christengemeente uitblinkt, n.1. de liefde.
De jongeren van de Heere Jezus, die goederen en have verkochten, deden dit geheel uit eigen beweging, gedrongen door de liefde, bewogen door de nood der broeders. Bij het gros der communisten echter is juist het tegenovergestelde de drijfveer: niet de begeerte om te geven en zo Ie helpen, maar het verlangen om zelf zoveel van het aardse goed machtig te worden en te genieten, als mogelijk zal blijken ; bij een kleine minderheid, die zelf haar bezit zou verliezen, zit het verlangen voorom maatschappelijke misstanden weg te nemen — wel eerlijk gemeend, maar toch niet staande in het teken der liefde. Want in een communistische maatschappij is er voor liefde geen plaats: daar geschiedt alles werktuigelijk, en het werktuigelijke is het tegenovergestelde van de liefde.
Deze liefde zien wij in de eerste Christengemeente aan de arbeid. Let nog maar eens op hetgeen Lukas straks in vs. 46 schrijft: „ . . . . en van huis tot huis brood brekende, aten zij tezamen met verheuging en eenvoudigheid des harten". Door de milddadigheid der meergegoeaen ontbrak nergens brood. Die het hadden brachten het mee en gebruikten het met de anderen ; het waren echte liefdemaaltijden, waar blijdschap heerste: in eenvoudigheid des harten bracht de één het mee en genoot de ander het met hem, en beiden verheugden zich!
Als wij zo onze text hebben leren verstaan, is het wel duidelijk, dat ons hier geen model voor een communistische samenleving wordt getekend. Evenmin als de Heere Jezus Zich in deze richting bewoog, toen Hij de rijke jongeling de raad gaf, te verkopen wat hij had en de opbrengst ervan aan de armen te geven. Hiermede heeft Hij het persoonlijk bezit van aardse goederen niet veroordeeld : waarom heeft Hij anders ook niet aan de huisvrouw van Herodes' rentmeester Chusas, de bekende Johanna, en aan andere vrouwen, die Hem dienden van haar goederen, aangeraden of bevolen die goederen te verkopen ? De omstandigheden van de rijke jongeling, zijn zielsgesteldheid, maakten, dat de Heere Jezus zo spreken moest, opdat hem de ongerechtigheid van zijn hart ontdekt mocht worden en hij de verlossing daarvan zou zoeken. Zo waren het ook hier de omstandigheden, die m deze eerste Christengemeente het gemeenschapsgevoel en de broederlijke liefde zo deden spreken, dat bezitters herhaaldelijk hun goederen aanspraken, naardat de nood het vereiste.
Wij zijn dus geenszins geroepen tot communisme. Maar het hier beschrevene stelt ons wel voor vragen : hoe beschouwen wij hetgeen wij in deze wereld bezitten ? hoe handelen wij met hetgeen ons hierbeneden uit Gods hand ten deel viel ? ja, hetgeen ons uit Gods hand ten deel viel ! Al hebben wij het ook ontvangen door erfenis of verkregen door noeste vlijt, toch is de hand Gods hier niet te miskennen : die plaatste ons in zodanig verband, dat wij erfgenamen werden ; die zegende de arbeid onzer handen ! Van onrechtmatig verkregen goed willen wij op het ogenblik niet spreken; daar moest men altijd over kunnen zwijgen in de Gemeente, die naar de Naam des Heeren genoemd is. Wie dat heeft, heeft het zeker niet buiten Gods beschikking om, maar hij zal de gevolgen van eigen ongerechtigheid dragen : al weet hij zijn bezit ook te dekken met een schijn van recht, toch is het hem tot een vloek en voert het hem ten verderve, zo hij zich niet bekeert !
Hoe beschouwen wij het onze en wat doen wij er mee ? Helaas houdt menigeen wat hij heeft uitsluitend voor zichzelf en de kleine kring der zijnen. Sommigen zijn nog verder van de wijs : zij durven er nog niet eens ten eigen behoeve aankomen ! Anderen echter nemen het goed voor zichzelf, of voor zichzelf en hun gezin, maar voor een ander kan er niets af! „Ga heen en word warm", dat is het bescheid, dat zij in gedachte of woord geven op de noodkreet van de nooddruftige — misschien met een „God zij met u !" er bij. De hand wordt op de zak gehouden ! Zij mogen wel denken aan het woord van de Spreukendichter: „Die zijn oor stopt voor het geschrei des armen, die zal ook roepen en niet verhoord worden" (21 : 13). God zal Zijn oor ook sluiten ten dage van zijn benauwdheid. Gelukkig, dat er ook anderen worden gevonden.
Gelukkig, dat er ook anderen worden gevonden. Wij mogen het tot onze blijdschap getuigen, dat er ook mensen zijn, die het bewustzijn met zich omdragen : wat ik ontvangen heb, dat heb ik niet uitsluitend voor mijzelf en mijn kleine kring ontvangen, maar ook om er anderen mee te steunen. Die het dan ook in handel en wandel tonen, al brengt het voor henzelf weleens moeilijkheden mee, waarvan de buitenwereld nietsbemerkt! Gemeente ! ieder onzer onderzoeke zichzelf, of de rechte gezindheid bij hem aanwezig is en daarom ook de rechte praktijk. Of hij wel geeft naar vermogen, omdat de liefde er toe dringt. Och, er wordt zoveel gegeven uit fatsoen : wat zouden de mensen anders zeggen ? Er wordt ook zoveel gegeven met de gedachte : met hoe weinig kan ik toe ? Zeker, in alles is er een grens, die men alleen bij uitzondering kan overschrijden. Maar: „naar vermogen", dat beperkt de grens niet hoe langer hoe meer, maar maakt deze juist hoe langer hoe ruimer! En of dit laatste altijd bedacht wordt, dat is nog zeer de vraag, leder geve voor zichzelf het antwoord, ook als hij zijn gave laat glijden in de collectezak, die de armverzorgers der Gemeente hem in onze godsdienstoefeningen voorhouden ....
De liefde vermag veel. Dat toont ons deze bladzijde uit de geschiedenis der eerste Christengemeente. Vanwaar die liefde en die gemeenschap ?
II.
Hiermede komen wij reeds aan het tweede stuk onzer overdenking, de vraag, waaruit die gemeenschap voortkwam ? 107
Het antwoord vinden we in hetgeen Lukas in VS. 42 heeft geschreven : „En zij waren volhardende in de leer der Apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden".
Een bekend getuigenis, nietwaar?
„Zij waren volhardende in de leer der Apostelen". Daaraan hielden zij zich, daarbij bleven zij. Geen stuk daarvan verloren zij uit het oog. — Voor vele leden der hedendaagse Christelijke Gemeente is het geen woord van aangename klank, vanwege die „leer" der Apostelen. Daar moeten ze niet veel van hebben. Liever spreken zij dan ook van „onderwijzing" of „onderricht". Over de naam zullen wij niet twisten De zaak blijft dezelfde. Het onderricht, dat de Apostelen gaven, heeft immers een zeer bepaalde inhoud gehad. Het was allesbehalve vaag. Dat blijkt wel uit de bekende rede van Petrus, waarvan het slotwoord de hoofdinhoud weergeeft: „Zo wete dan ^^ekerlijk het ganse Huis Israels, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, n.1 deze Jezus, Die gij gekruisigd hebt". Jezus is het middelpunt van deze leer der Apostelen. Jezus, gezien in hetzelfde licht, waarin Hij geplaatst wordt door het bekende woord van Paulus : „Weike overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze reclitvaardi^making", welk woord aansluit bij het eigen getuigenis onzes Heeren, dat Hij gekomen is om „Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen". Jezus, als Degene, van Wie Petrus in een latere rede getuigt: „En de zaligheid is in geen ander; want er is ook onder de hemel geen andere naam, die onder de mensen gegeven is, door welke wij moeten zalig worden" (Hand. 4 : 12). En laat mij u nog één karakteristiek woord in herinnering brengen, al is het eerst in later dagen door Paulus neergeschreven : „Want uit genade zijt gij zalig geworden, door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave ; niet uit de werken, opdat niemand roeme. Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen" (Ef. 2 : 8—10). Aan die leer der Apostelen hebben deze mensen zichgehouden. Zij volhardden ook „in de gemeenschap". Dat kan moeilijk iets anders betekenen dan : in de gemeenschap met elkander. Zij gingen niet apart staan, volgden niet ieder zijn eigen weg en lieten elkander niet links liggen. Neen, zij gevoelden zich aan de Apostelen en met de Apostelen aan elkander verbonden door de band van het Woord, dat zij liefhadden. Zij gingen met elkander op en neer, delend in elkanders vreugde, delend in elkanders smart. Dat vloeide vanzelf voort uit hun vasthouden aan de leer der Apostelen, uit hun leven uit de waarheid Gods, die hun verkondigd werd.
Hieruit vloeide ook het derde stuk voort, dat Lukas noemt. Zij waren volhardende ook „in de breking des broods". De bepalende lidwoorden, die wij hier vinden — „Ü?^ brekingrf^s broods" — wijzen wel op een welbekende breking en een welbekend brood. Hier kunnen wij alleen denken aan de Avondmaalsviering. Ook hieraan hebben zij deelgenomen. Het leven klopte in hun boezem. En dat leven had versterking nodig tegen alle inwendige strijd, — en aan de andere kant was er ook de drang om in blijdschap des harten de dood des Heeren te verkondigen.
En eindelijk, zij volhardden ook „in de gebeden". Wij hebben hier misschien in de eerste plaats te denken aan de publieke gebeden — als ik ze zo noemen mag — in de Tempel: wij zien immers in Hoofdstuk 3 Petrus en Johannes opgaan naar de Tempel „omtrent de ure des gebeds, zijnde de negende ure" (vs. 1). Maar daarom zijn de gemeenschappelijke gebeden in de huizen niet uitgesloten. En niets belet ons, ook aan de persoonlijke gebeden te denken, al staan deze niet op de voorgrond: waar gemeenschap is, daar ontbreekt immers ook de voorbede voor elkander niet !
Willen wij alles samenvatten, dan kunnen wij zeggen: hun ziel was naar God gekeerd. Zijn Woord, met de Christus als kern en inhoud ervan, stond in het middelpunt. Zijn waarheid was het kompas, dat hun levensrichting bepaalde. Vandaar ook die onderlinge liefde, die gemeenschap, die zich zo heerlijk uitten. Hier is wel duidelijk, dat „de leer der Apostelen" geen dorre aaneenschakeling van waarheden is, die men aanvaardt, zoals een scholier wiskundige formules in zich opneemt, die nu eenmaal voor een examen nodig zijn, zonder dat hij er zich verder om bekommert. Neen, „de leer der Apostelen" is levende waarheid, die diep ingrijpt in het leven, ja het leven doordringt en omzet, zodat de liefde bloeit! Niet ten onrechte wordt er vaak geklaagd, dat
Niet ten onrechte wordt er vaak geklaagd, dat de gemeenschap tegenwoordig zoveel te wensen overlaat, ja vaak een kwijnend bestaan leidt. Wat een verdeeldheid, twist en tweedracht, om van haat en nijd niet eens te spreken, in huisgezinnen, in families, in Gemeenten, in de Kerk ! — Waaraan is dit te wijten ? Hieraan, dat men zich niet houdt aan de leer der Apostelen. Hier wijkt men openlijk ervan af, door een andere Christus te huldigen dan de Jezus, Die de Apostelen predikten en nog verkondigen door hun geschriften. Daar belijdt men Hem met de mond, maar houdt zich niet aan Hem, en dus ook niet aan de leer der Apostelen, met het hart. Dan zit klaarblijkelijk het „ik" op de troon; het „ik", dat zich niet gevangen geeft onder de gehoorzaamheid van Christus, is het wonder, dat dan de liefde kwijnt en verdwijnt?
Ieder onzer onderzoeke zichzelf!
„Terug tot de leer der Apostelen !" Dat is het eerste, wat onze text ons toeroept. En voorts : „bij die leer der Apostelen gebleven !" Zij leidt ons tot Jezus Christus. Tot Hem, Die voor ons in de dood ging en voor ons uit de doden verrees. Tot Hem, Die zo scheiding gezet heeft tussen zonde en gerechtigheid, zodat Paulus ook ons nog toeroept in Rom. 6 : „dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde teniet gedaan werd, opdat wij niet meer de zonde dienen" (vs. 6). Aan Christusonsvastklemmend worden wij gedompeld in de stroom der liefde Gods, die ons Hem schonk. En dan ondergaan wij zelf ook de machtige invloed dier liefde. Dan wordt ook in ons hart de liefde vaardig, die gloeit voor de broeders, en ook graag de hand uitstrekt om in de nood der broeders te voorzien !
Wie het daarom te doen is, die zal weiervaren, dat blijven in de leer der Apostelen méér omvat dan in mensenmacht staat. Bij hem zal het ook uitlopen op volharden in het gebed tot die God, Die alleen in staat is ook in dit opzicht ons te leiden op de rechte weg. En hij zal ook van harte instemmen met de bede uit Ps. 86 : 6: j,Leer mij naar Uw wil te hand'len ....
111.
En nu nog een enkel woord over het laatste stuk, waarop wij de aandacht willen vestigen : welke vruchten de gemeenschap in die eerste Christengemeente droeg. Hiervan getuigt het slotwoord van ons texthoofd
Hiervan getuigt het slotwoord van ons texthoofdstuk : „En prezen God, en hadden genade bij het ganse volk. En de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden".
Hier is sprake van tweeërlei vrucht. Vooreerst van vrucht, die ten deel viel aan de gelovigen persoonlijk. Vervolgens van vrucht voor de Gemeente in haar geheel.
Voor de gelovigen persoonlijk. Twee stukken vermeldt Lukas hier: „Zij prezen God" èn : „zij hadden genade bij het ganse volk".
^,Zij prezen God". Waarvoor? Dat behoeven wij wel niet te vragen. Het sluit aan bij hetgeen Lukas in het voorafgaande vers schreef: „En dagelijks eendrachtelijk in de Tempel volhardende, en van huis tot huis brood brekende, aten zij tezamen met verheuging en eenvoudigheid des harten". Het is de goedheid Gods, Zijn genade in Christus Jezus, die hun harten vervulde. Zijn genade, die hen uit de duisternis geroepen had tot Zijn wonderbaar licht en hen gezamenlijk deed genieten wat Hij voor zondaren bereid heeft, zodat zij daar stonden als een volk, dat Zijn lof vertelt.
„Zij hadden genade bij het ganse volk". Zij stonden bij dat volk in de gunst. Het ganse volk, al bleef het ook nog op een afstand van hetgeen de harten der gelovigen vervulde, zag hen toch aan met vriendelijke ogen en bejegende hen met welwillendheid. Het mocht hen lijden en toonde dat ook.
Doch hier is ook nog sprake van vrucht voor de Gemeente in haar geheel: „En de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden". De Gemeente kwam hoe langer hoe meer tot bloei : dag aan dag werden er gevonden, die 2ich bij de Gemeente voegden. Mensen, die evenals de anderen gered werden; gered van de toekomende toorn, gered uit de macht van zonde en dood. Dat deed de Heere. Hij voerde het voornemen van Zijn genade uit en bracht er velen tot Jezus Christus en het heil, in Hem bereid. Uit het verband, waarin deze dingen worden medegedeeld, blijkt wel, dat de Gemeente zelf onbewust hierin een rol heeft gespeeld. Door hetgeen bij haar werd gezien zijn velen uit het volk, dat hen met toegenegenheid gadesloeg, tot Christus gebracht.
Ook hierin ligt voor ons veel tot onderwijzing, waarschuwing en vertroosting.
Er wordt tegenwoordig veel geklaagd, dat de Kerk haar invloed op de wereld verliest. In de gunst van het ganse volk mag zij zich niet verheugen. Velen keren haar de rug toe en willen niets weten van al wat Kerk heet. Velen beroepen zich voor hun afkeer op de verdeeldheid, die er op kerkelijk gebied, zelfs binnen de muren van één en dezelfde Kerk, heerst. Nu is dat in de meeste gevallen een uitvlucht: de onverschilligheid jegens God en Zijn dienst neemt toe en men zoekt deze onverschilligheid te dekken met het voorwendsel, dat er in de Keik één en al verwarring heerst en men dus niet weet, waaraan men zich te houden heeft. Dit neemt echter niet weg, dat er wel degelijk schuld ligt aan de zijde van de Kerk. Het is waarlijk geen verkwikkelijk schouwspel: een terrein, waar men elkander steeds bestrijdt, verbijt en vereet, lokt niemand uit om het te betreden.
Alleen als de rechte gemeenschap er is, de ware betoning der broederlijke liefde, waarbij men zich aan elkander wijdt en elkanders belangen bevordert, zal er een goede roep van de Gemeente uitgaan en velen tot jaloersheid verwekken.
Op die gemeenschap komt het dus aan voor allen, die de Heere Jezus Christus belijden. En laat ons nu niet vergeten, dat die gemeenschap er alleen zal zijn, wanneer wij volfiarden in de leer der Apostelen. Dit kan niet genoeg in herinnering worden gebracht !
Men tracht tegenwoordig met allerlei middelen de Kerk op de been te houden en tot bloei te brengen, opdat zij de haar toekomende plaats in ons volksleven weer mag innemen. Van alle kanten heeft men zich de laatste 25, 30 jaar geworpen op het vraagstuk van de predikantstractementen. Enerzijds is dit gelukkig. Al te lang heeft onze
Enerzijds is dit gelukkig. Al te lang heeft onze Kerk met betrekking daartoe in een sleur voortgeleefd. Als gemompeld werd, dat in menige pastorie fatsoenlijke armoede geleden werd, zag men verbaasd op. Men nam de moeite niet, eens uit te rekenen, hoe ver of liever hoe weinig ver de predikant kon komen met het karig tractement, dat hem werd toegelegd. Dat de Dienst des Woords door schrielheid daaronder zou lijden en het zelfs zover zou kunnen komen, dat er geen dienaren des Woords meer zouden gevonden worden, omdat er geen voldoend levensonderhoud werd verstre'd, klonk ongelofelijk. Gelukkig, ja gelukkig, zijn voor dat gevaar de ogen opengegaan. Voor dat gevaar — ja zeker, want als de Dienst des Woords kwijnt, kwijnt de Gemeente ; als de Dienst des Woords ophoudt, gaat de Gemeente te gronde, zoals een kudde zonder herder. Het is de plicht van de Gemeente, te zorgen, dat die het altaar dient, ook van het altaar kan leven. Wee de Gemeente, die het niet doet: die houdt het geld in de zak, met Gods vloek er bij.
Maar wie nu meent, dat de Gemeente gebaat is enkel en alleen met goede financiën en voldoende tractementen, die dwaalt zeer! Het gaat om de prediking der waarheid. Er is dus méér nodig dan geld alleen. Inzonderheid het gebed, dat de Heere Zelf mannen verwekke en aan de Gemeente loebrenge, die haar geen andere leer brengen dan de leer der Apostelen ! O Gemeente ! vergeet het gebed voor uw leraren niet. Alleen in die weg zult gij voorziening verkrijgen in de behoeften van uw ziel.
Waar de Gemeente geleid wordt overeenkomstig de leer der Apostelen — en dus voortdurend geleid tot de Christus Gods, daar zuilen de harten naar God gekeerd worden, altijd weer. Daar zal ook de gemeenschap bloeien. Want daar worden de harten saamverbonden door het Woord Gods en door de liefde Gods in Christus Jezus. En dan geeft men zich aan elkander en vóór elkander, om ook in nood elkander bij te staan, niet alleen met raad en daad, maar ook met geld en goed ; en wederom, niet alleen met geld en goed, maar ook met raad en daad.
En dan blijft ook de blijdschap niet uit. Want men geniet tezamen van het heil, dat God schenkt en dat tijd en eeuwigheid omvat. Men spreekt daarvan onder alle omstandigheden des levens, onder leed en in vreugde. Men versterkt elkander en wekt elkander op tot de lof van God. En die lof des Heeren biedt wederom versterking om op de Heere te blijven hopen, ook onder nood en strijd. Zo staat daar een volk, dat de lof des Heeren vertelt; een volk, dat op deze wijze eerbied afdwingt en ook achting en gunst zal ondervinden. Zo zullen ook door Gods genade nog mensen gelokt worden om te buigen voor Jezus Christus, en zal door onze godzalige wandel ook onze naaste voor Christus gewonnen worden.
AMEN.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 mei 1948
Kerkblaadje | 8 Pagina's