Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

In geen ander is er heil, *

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

In geen ander is er heil, *

20 minuten leestijd

Text: Handelingen 4 : t—22.


Mijn geliefden! In het vorig hoofdstuk zagen wij, hoe Jezus

In het vorig hoofdstuk zagen wij, hoe Jezus Christus, onze Koning en Heere, Zijn zaak uitvoert. Daarbij bedient Hij Zich van mensen om Zijn Koninkrijk uit te breiden, maar toch steeds zó, dat alles onverwacht gebeurt en menselijke hand, menselijk verstand en overleg hierbij niet in aanmerking komen, 's Middags ongeveer drie uur bevindt zich een menigte van volk in de tempel en bidt, zonder echter den levenden Ood, den Ood en Vader van onzen Heere Jezus Christus, te kennen ; integendeel, zij hebben het bloed van den Heilige ;n Rechtvaardige aan hun handen en op hun geweten. Maar hieraan denken zij niet.

Al het volk bidt in de tempel en weet in de verste verte niet, welk een heil hun op deze dag bereid is. Petrus en Johannes gaan ook op naar de tempel omstreeks de tijd, als men pleegt te bidden, dus ook naar hun gewoonte, zonder in de verste verte verder aan iets te denken. Aan de schone deur van de tempel zit een arme lamme van veertig jaar en vraagt om een aalmoes. Petrus en Johannes moeten dezen wel vaker hebben gezien, — hij zat immers elke dag op deze plaats ; maar zij hadden er niet op gelet. Nu opent hij zijn mond en vraagt Petrus en Johannes om een aalmoes. Deze arme denkt er ook in de verste verte niet aan, welk een groot heil hem bereid is. Petrus en Johannes weten ook niet, waartoe zij eigenlijk opgaan naar de tempel en waartoe zij waardig gekeurd zullen worden. Toch ontfermen zij zich over dezen zeer arme en zouden hem graag een grote schat hebben gegeven om hem van alle zorg te ontheffen. Maar die hebben zij nu niet. Zij zullen misschien een paar penningen bij zich gehad hebben, maar dat is niet genoeg; zij willen dezen man hersteld zien. Daarom zegt Petrus: „Zilver en goud heb ik niet", nadat hij eerst gezegd heeft: „Zie ons aan", en de man hen heeft aangezien in de verwachting een aalmoes te krijgen, — „zilver en goud heb ik niet; maar wat ik heb, dat geef ik u: in de Naam van Jezus Christus van Nazareth, sta op en wandel!" Daarbij steekt hij zijn hand naar dezen man uit,

Daarbij steekt hij zijn hand naar dezen man uit, en dadelijk, door het woord: „In de Naam van Jezus Christus", dus door deze Naam komt deze man tot het geloof, hij gehoorzaamt dit woord, en onmiddellijk staan zijn voeten en enkels vast.

Hij springt op, huppelt, gaat met Petrus en Johannes in de tempel, en terwijl hij zich nu aan deze Apostelen vasthoudt en Ood met luider stem looft, stroomt een menigte van volk toe ; zij willen allen zien en horen, hoe toch deze man gezond geworden is. Zo geeft de Heere Jezus Christus, onze Koning, door deze gezondmaking tegelijk gelegenheid, dat het volk in de tempel de machtige prediking hoort: Niet onze kracht, niet onze verdienste, maar het geloof in Jezus Christus ! Dus: de Naam Jezus Christus heeft het gedaan. Verder predikt Petrus aan het volk : „Deze Jezus Christus is niet dood. Hij leeft: Hij was dood, gij hebt Hem gedood, dezen Heilige en Rechtvaardige, en toen waart gij zó verhard, dat, toen Pilatus oordeelde Hem los te laten, gij het desondanks hebt doorgezet, dat Hij ter dood gebracht werd.

Maar Ood heeft Hem opgewekt, en door Zijn Naam staat deze man hier gezond vóór u. En nu: al uw zonde zal u worden kwijtgescholden, Ood zal u de moord op uw Koning niet toerekenen : doet boete! wendt u tot Hem I" Verder houdt Petrus hun voor, welk een heerlijkheid over hen komen zal, als zij boete doen, hoe dan de glorierijke dag van Christus over hen zal opgaan, volgens Jesaja 60 : 1, 2. Dan zal alles hersteld zijn, wat alle profeten tevoren verkondigd hebben betreffende de heerlijkheid der Oemeente in de dagen van Christus. Vgl. Hand. 15 : 16, 17. Intussen, het Koninkrijk Oods wordt door tegen- 137stand verhoogd. De vijftig voorbijgegane jaren, die ik met Christus doorleefd heb, zijn jaren van ervaring voor mij geweest, en het komt mij telkens weer voor de geest, wat in deze vijftig jaren gebeurd is, en ik deel u graag mee, hoe het bij deze tegenstand toegaat. — Nogeens: het Koninkrijk van Christus wordt door tegenstand verhoogd en uitgebreid. Dat kan niet anders, dat leren wij ook hier. De duivel haat de levende prediking van Oods Woord en doet alles, alles wat hij kan om den getuigen des Heeren de mond te stoppen en hun het prediken onmogelijk te maken.

Dat is een zware, maar een heerlijke strijd, waarbij wij ondervinden, dat alles wat de duivel in het werk stelt, slechts dienen moet tot uitbreiding van het Koninkrijk Oods en van de prediking van het Woord. Nogeens: de duivel wil den getuigen de mond stoppen, en zo gaat dan ook, vooral omdat de Apostelen prediken, dat in Christus de opstanding der doden is, de hoofdman van de tempel naar hen toe. Dat was een heiden, een Romein. De tempel was tegelijkerlijd een burcht, een vesting, buitengewoon sterk gebouwd, voorzien van een citadel, zodat de tempel niet in te nemen was. Deze hoofdman van de tempel handhaafde enigszins de orde. Welk een toestand ! Een Romeins soldaat moest in de tempel de orde bewaren, en de Sadduceeën zijn hier de voornaamste offeraars. De Sadduceeën geloofden immers niet aan de onsterfelijkheid der ziel, zij geloofden niet aan de opstanding, geloofden niet, dat er geesten of engelen zijn, — en toch waren zij hier tezamen met de priesters in de tempel en offerden evenals het volk! Was dat niet een gruwel in Oods tempel ? Maar deze gruwel moest plaats hebben ; het Woord, de levende prediking, moest uit de weg geruimd worden, en de arme mensen moesten vastgehouden worden in de strik van den satan. En dat in Oods tempel! De priesters en de Sadduceeën waren zeer ontstemd, dat de Apostelen in de tempel het volk leerden en in Jezus de opstanding der doden verkondigden. Z\\ waren dus zeer ontstemd, dat de Apostelen dit predikten: „Éénmaal komt de dag van het oordeel ; dan komt Jezus Christus op de wolken des hemels en roept de doden uit hun graven, en allen, allen, die hier beneden in Zijn Naam geloofd hebben, worden dan hoog verheven boven dood en graf in eeuwige heerlijkheid". De Sadduceeën wilden dus het volk in de hel houden, in dwaling, ondeugd en zonde. Het volk behoefde alleen maar te komen om te offeren en bij te dragen, opdat de tempel, de godsdienst en de priesterstand in stand gehouden zouden worden. Daarom werpen zij Petrus en Johannes in de

Daarom werpen zij Petrus en Johannes in de gevangenis; want het was avond en zij konden niets meer doen, maar moesten op de morgen wachten. Dat had nu wel een schijn van recht, want de Apostelen waren immers onbekende mensen en schenen geheel en al onbevoegd te zijn om in de tempel te leren. Dat was immers het werk van de priesters en Schriftgeleerden! 138 Het had wel een schijn van recht, maar in de grond van de zaak was het enkel haat tegen de waarheid, haat tegen het getuigenis, dat de discipelen in het openbaar aflegden.

Wat gebeurt er nu op de volgende dag ? Bijeenkomen de Farizeeën en Sadduceeën, de Ouderlingen en Schriftgeleerden,fiföOverpriesters Annas, Kajafas, Alexander en zovelen hunner van het hogepriesterlijk geslacht waren. Mijn geliefden! dat moest gij eens gezien hebben, welk een optocht dat was. Het was voor zulke eenvoudige mensen als Petrus en Johannes om in de grond te zinken. Toen de Hogepriester eens den beroemden overwinnaar Alexander den Orote tegemoet ging, wierp deze zich vóór hem neer. Het was voor het uiterlijk een glans van heerlijk

Het was voor het uiterlijk een glans van heerlijkheid, pracht en schijn van heiligheid om ervoor te sidderen. De duivel brengt dus alles bijeen, wat de hei aan goud en zilver en heiligheid heeft, zolang God haar daarover laat beschikken. Het woord: „Wanneer een mens in waardigheid is en geen verstand heeft, dan vaart hij heen gelijk het vee" (Ps. 4Q : 21), — hadden zij nooit met toepassing op zichzelf gelezen. AI deze glans en deze pracht hadden zij aangewend om Petrus en Johannes beschroomd te maken. Zij laten do Apostelen bij zich brengen en de lamme komt ook mee. Nu zal Petrus toch wel lijkbleek worden en sidderen als een espeblad ? en Johannes ook, en de lamme zal roepen: „Oenade, genade, o heilige vaderen" ? Neen, heel onbevangen, vriendelijk en blij ziet Petrus hen aan, en de lamme — ja, zijn gezicht moet van louter vreugde hebben gestraald, dat hij kon gaan en staan. Wat nu te doen ? Petrus en Johannes moeten ondervraagd worden over de weldaad, die zij aan dezen mens hebben bewezen. Hetgeen zij moeten erea en hoogachten, rekenen zij den Apostelen als een misdaad aan, en de hoogwijze Raad heeft geen andere woorden dan een vraag, die dienen moet om Petrus en Johannes in de war te brengen, om hen van de hoofdzaak af te leiden en hen op zijwegen te voeren. Aldus beginnen zij hun onderzoek: „Door welke macht o f in welke naam hebt gij dit gedaan?" Zij dachten misschien, dat Petrus geantwoord zou hebben: Deze macht heeft Ood ons gegeven! of: wij hebben deze macht van Jezus Christus; Hij is de Man, die ons, toen Hij nog op aarde was, bevolen heeft, dat wij den zieken de handen zouden opleggen enz, — Ja, vanwaar zijn de vragen en de listen der vijanden ? en vanwaar is het antwoord op de tong ? Is het niet van den alleen-wijzen Ood ? Hij Iaat dwaze vragen stellen om hierop een antwoord te geven, waardoor Hij de vijanden verpletteit. Maar ziet hierbij nu, dat Ood alleen Ood is, en dat er bij Hem geen menselijke gedachten zijn, De meest verbitterde vijanden van den Heere Jezus zijn bijeen, ook zij die Hem ter dood veroordeeld hadden en zich daarna verhardden. Heeft Ood hen na de opstanding van Jezus Christus hun eigen wegen laten gaan ? Heeft Hij hen, die geroepen hadden: „Zijn bloed kome over ons en onze kinderen", overgegeven en hen hun eigen wegen laten gaan ? Alles wat in God is, is God, en zo is alles bij Hem genade, alles bij Hem ontferming. Hij weet welk maaksel wij zijn, Hij kent ons, dat wij stof zijn, en daarom moet ook aan de meest vijandigen, die het het allerergst gemaakt hebben, toch nog de gelegenheid worden gegeven, dat hun het heil wordt aangeboden, of zij het zouden aannemen. Zoals gezegd is, na hetgeen deze bloedraad gedaan had, zou men menen, dat er voor hen aan vergeving der zonden niet meer te denken was, en toch moet het hun nog éénmaal gepredikt worden, voordat de tijd kwam, dat heel deze pracht en heerlijkheid ineenstortte en zich verborg in de spleten en holen der aarde. Zó is God, zó geduldig, zó goed, dat het zeker waar is, dat het bloed van Jezus Christus op zichzelf voldoende is om een gehele wereld van zonde te reinigen.

Maar wat de Heere eist, is : erkenning van schuld, bekering en geloof in de Naam van Jezus Christus. Ook hier gaat alles weer toe zonder menselijk overleg. Petrus en Johannes dachten, toen zij naar de tempel gingen, er niet aan, dezen mens te genezen; de lamme dacht er op deze dag niet aan, dat hij genezen zou worden; het volk in de tempel dacht er niet aan, welk een heil het zou zien; de hoofdman dacht er niet aan, wie hij in de gevangenis wierp; en heel deze hoge Raad komt bijeen zonder eraan te denken, dat de Heilige Geest Zelf voor hen een preek zou houden, waarin in korte woorden gezegd wordt: „Gij bouwlieden, — want dat zijt gij, en uw eer moet u gegeven worden, — maar gij hebt den Hoeksteen verworpen ; zo hebt gij dan de stenen verkeerd gelegd, en alles moet weer ineenstorten, wat gij opgebouwd hebt!" En terwijl de Apostelen gevangen zijn en als aangeklaagden vóór de hoge Raad staan, getuigt de Heere Jezus Christus : Bindt Mijn getuigen, zoals gij wilt, werpt hen in de gevangenis, maar geen gevangenis is in staat, het Woord gevangen te houden! Ik heb de gevangenis gevangen genomen en gaven ontvangen voor de mensen I Het Woord van God is dus niet gebonden en kan niet gebonden worden,maar het heeft en behoudt zijn loop onweerstaanbaar als een stroom, die van de rots omlaag stort en zich een weg baant, — geen mens weet hoe. Zo is de macht van Oods Woord (vgl. vers 4). Daarom heeft Petrus niet gezegd: „God heeft ons deze macht gegeven", doch hij antwoordt voorzichtig, bescheiden, maar krachtig: „Oij oversten des volks en gij ouderlingen van Israër. Hij eerbiedigt hen, hij geeft hun de titel, die hun toekomt; maar nu 'xomt er opeens een wending, waarin ook niet het geringste te vinden is, dat op een uitvlucht lijkt. „Daar wij heden terechtstaan om deze weldaad aan den zieken mens, waardoor hij gezond geworden is". Ja, het is niet anders: God de Heere kan niets goeds doen, of het moet steeds voor den rechter komen, als Hij iemand een weldaad bewijst. Zo is van oudsher de levende prediking van het Woord vervolgd. Van oudsher gold het als een misdaad om het geloof te prediken, maar een weldaad moest het genoemd worden om de mis te prediken ; een misdaad moest het zijn, wanneer verkondigd werd, dat de arme Lazarus rechtstreeks in de hemel kwam, maar als een weldaad moest het gelden om het vagevuur te prediken, enz. Het is naar de instelling van den duivel zeker een misdaad, dat een ziel als een vuurbrand uit het vuur gerukt wordt I — Met alle voorzichtigheid en bescheidenheid, en toch tegelijk met alle beslistheid en kracht, zegt Petrus: Oij vraagt ernaar, door wien deze zieke mens gezond is geworden, — dan zij u en het gehele volk van Israël bekendgemaakt — het is immers niet in een hoek gebeurd, hier is ook geen sectenmakerij, maar allen moeten het hebben, en allen moeten het horen, of zij nu Sadduceeën of Farizeeën, Grieken of Romeinen zijn, — enerlei, zij zijn allen voor Gods aangezicht mensen, en moeten het horen : „In de Naam van Jezus Christus van Nazareth", van den verachte, dien gij als met een scheldnaam den „Nazoreeër" noemdet, toen gij Hem in de hof Oethsemané gevangen naamt,-;-maar deze scheldnaam is bij God een erenaam, en in deze Naam, op Zijn bevel dus, staat deze hier gezond vóór u. Dat is het bewijs, wat deze Naam doet. Het is dus niet onze macht, wij hebben het niet gedaan, maar Jezus Christus, dien gij gekruisigd hebt. Dat moest hun worden gezegd en voorgehouden. Alle zonde, al is het ook godslastering, — God 13 bereid die te vergeven ; dat zegt de Heere Jezus Zelf. Er zijn geen zonden, geen gruwelen, al gaan ze nog zo diep en nog zo hoog, die de Heere Jezus niet zou kunnen en willen vergeven. Maar één ding moet den mensen eerst voor ogen worden gehouden, en dat is dit: Oij hebt uw heil verworpen, gij hebt uw leven gedood uit haat tegen het leven en uit liefde tot de dood, uit haat tegen de hemel en uit liefde tot de hel! Dat hebt gij gedaan! Maar wat heeft God gedaan ? Heeft Hij Jezus Christus dood laten liggen ? Neen, God heeft Hem opgewekt! En waartoe heeft Hij Hem opgewekt ? Opdat door dezen Jezus van Nazareth Zijn rijk wordt uitgebreid en de weldaad van de vergeving der zonden aan alle volkeren wordt gepredikt, en zij allen ondervinden voor geest en ziel en ook voor het lichaam, wat voor een man Hij is, een man die iets vermag. Maar de zonde moet eerst aan het licht worden gebracht.

Precies hetzelfde had Petrus de vorige avond in de tempel het volk ook voorgehouden, toen hij zeide: „Den Vorst des levens hebt gij gedood, maar God heeft Hem opgev/ekt!" Precies hetzelfde had Petrus op de Pinksterdag het volk gepredikt. Het is steeds dezelfde prediking. Want wat weten wij eigenlijk van onze zonde af ? Wij kunnen hoogstens één of twee zondige daden opsommen, maar eigenlijk weten wij van onze zonde niets af. Wij moeten echter eerst eens aan onze eigenlijke zonde denken, n.1. aan die zonde, dat wij ons niet bekeren van de wereld tot den levenden Ood, die alles gemaakt heeft, dat wij ons niet bekeren tot den Heere Jezus Christus. Want, wat is toch de mens? Vijandig tegen Ood en Zijn genade, totdat Ood met Zijn liefde hem te sterk wordt; anders blijft hij vijandig tegen Ood en zegt: „Laat mij met rust!" Nooit slaat een kind uit eigen beweging de Bijbel op om woorden des eeuwigen levens daarin te zoeken. Het hart van den mens is ongevoelig voor Oods Woord. Komt Ood met Zijn waarheid, met Zijn leven, dan trekt de mens een harnas aan, stoot het van zich of sluit het op. Dat is de oude en telkens nieuwe geschiedenis. Maar dat moet de mens belijden: „Mijn Ood, wat zijt Oij een genadig Verlosser! Zonder mij, ja tegen mijzelf in maakt Oij mij zalig! Oij komt met Uw Woord, en ik pantser mij daartegen. Maar Oij zijl mij te sterk geworden. Met de macht van Uw liefde hebt Oij mijn hart overwonnen, zodat ik de wapens heb neergelegd en uitgeroepen: Mijn Ood, ik ben een opstandeling, maar Oij zijt genadig!" — Daar wilde Petrus hen heenleiden en daarom zeide hij: „Dat is de steen, door u, bouwlieden, verworpen, die tot een hoeksteen worden is".

O, wat is de tweede Psalm toch een Psalm, die blijde maakt! „Waarom woeden de heidenen en bedenken de volken ijdelheid ? De koningen der aarde maken zich op en de vorsten beraadslagen tezamen tegen den Heere en tegen Zijn Oezalfde : Laat ons hun banden verscheuren en hun touwen van ons werpen! Maar Hij, die in de hemel woont, belacht hen en de lieere bespot hen. Eens zal Hij met hen spreken in Zijn toorn en met Zijn grimmigheid zal Hij hen verschrikken !" Mijn geliefden! tegenover de brug naar Barmen staat een rots. Als nu de gehele stad kwam met al haar aardewerk en dat wierp tegen deze rots, zou de rots dan verbrijzeld worden ? Wat denkt gij ? Ik denk, dat de rots zou blijven staan, maar dat het aardewerk aan stukken zou gaan! Zo is het met alle verzet legen Ood, met al het bouwen zonder de hoeksteen. Hij, dien Ood tot een hoeksteen gemaakt heeft, is door de mensen verworpen. Deze hoeksteen heeft een kenteken. Het is n.1. nooit die hoeksteen, die de bouwlieden, de geleerden, de vorsten, de edelen willen hebben, neen, dezen bouwen allen op een andere. Maar de almachtige God neemt deze steen, legt hem neer, wadr en zoals Hij wil, en bouwt hierop Zijn eigen huis. Het huis der bouwlieden gaat evenwel in vlammen op. Dat is het einde van het werk bij al hel bouwen zonder Jezus Christus. En nu, het bouwen des Heeren, hoe gaat dat toe ? Hier hebben wij de heerlijke woorden: „fn geen ander is er heil, er is ook geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij moeten zalig worden". — Wie zegt dat ? Petrus I 140 ge Het kan zijn, en toch niet Petrus. Neemt deze woorden met alle aandacht ter harte, — de Heilige Oeest heeft ze gesproken, opdat wij zó goed weten, op wat voor een grond ons geloof rust. Petrus, zo staat er in vers 8, was vol van den Heiligen Oeest. Op dit ogenblik kwam dus de Heilige Oeest als het ware zonder mate op hem om juist deze woorden te zeggen. Stelt u nu voor wat gij wilt, — het woord „heir betekent alles wat een mens nodig heeft voor dit en voor het toekomstig leven, wat hij dus nodig heeft om een goed geweten te hebben en om in dit leven waarlijk zó te leven, dat wij ons in het leven mogen verblijden ondanks al de ellende, die in het leven gevonden wordt. Dan betekent het verder: een werkelijk goede gezondheid, zodat wij met ere grijze haren krijgen. Verder, en dat is de hoofdzaak : vergeving van alle zonde, dat Ood de zonde zó vergeeft en uitdelgt, dat gij ze niet meer kunt vinden. Om vergeving van zonde te ontvangen, daartoe behoef ik mij niet te kastijden en te pijningen of te doen naar de leer: „Hier een weinig, daar een weinig", daartoe behoef ik niet als een bedrukte rond te lopen met gebogen hoofd, maar met opgeheven hoofd zie ik op mijn Heere; want, al wordt mij ook alles ontnomen, toch heb ik God tot mijn deel, den levenden Ood, en is Hij mijn verzoende God en Vader, dan kan ik niet arm zijn en ook niet arm worden, — Hij, de Vader, zorgt voor Zijn kind! Hij heeft het kapitaal, heel de erfenis onder Zijn berusting. Dat noem ik „heil". Dit heil is in den Heere Jezus Christus, zodat het dus aan het geloof ten deel valt. Dat is geen dweperij; want het geloof rust op Oods Woord, en wat de Geest Oods getuigt met mijn geest, dat het de waarheid is, dat hebben wij niet in onszelf, maar alle heil is in Jezus Christus. Dal is de Naam, die aan de mensen gegeven is, opdat zij zalig worden. Er zijn hier op aarde machtige namen, en als men deze namen voor zich heeft, dan kan men wat klaarspelen; maar om zalig te worden, — en dat is toch de hoofdzaak, — om zalig te worden, zodat men in waarheid behouden is en behouden blijft en zeggen kan: Ik ben voor eeuwig behouden, — daartoe is alleen deze Naam in staat: Jezus Christus ! En deze Naam is door Ood verordend, niet door mensen, maar door den levenden God. Hij heeft ons deze Naam gegeven tot onze zaligheid, en dan blijft ons dit ene, — al het andere verdwijnt, — dit éne, dat, als wij tegenover smart, zonde en dood, tegenover het aanklagend geweten, de verdoemende Wet en den duivel, die zegt: „Ik krijg u toch wel!" —deze Naam aanroepen, wij dèn ook ervaren, wat deze Naam vermag. Wat vermocht deze Naam dan vóór de hoge

Wat vermocht deze Naam dan vóór de hoge Raad ? Dit vermocht hij, dat allen niets konden zeggen, integendeel moesten belijden: Het is zo! wij hebben deze mensen met Jezus gezien, en dezen man naast hen kennen wij ook, dat hij lam geboren is; wij kunnen het niet loochenen ! Maar wij zullen hen verbieden in deze Naam verder te prediken. — Zij zouden hen graag gestenigd hebben, maar zij waren bang voor het volk. Heel het volk stond achter de Apostelen.

Deze machtige heren, die een pracht tentoonpreidden als geen paus met al zijn kardinalen, .noesten dus belijden, dat zij bang waren voor het volk. Zij verbieden ddarom de Apostelen slechts in deze Naam verder te leren. Maar hetzij paus, hetzij hogepriester, — het zijn allen mensen en niet God. God echter is de Allerhoogste; Hij heeftalles geschapen,en als//^' beveelt de Naam van Jezus Christus te prediken, dan hebt gij geen mens te gehoorzamen. Daarom zeggen de Apostelen : „Oordeelt gij zelf, of het recht is vóór Qod, dat wij u méér gehoorzamen dan Qod". Jat is dus de vraag: Waf is recht vóór God ? slet is recht vóór God, dat wij niet zwijgen over hetgeen wij gezien en gehoord hebben. In vele dingen doet men er goed aan te zwijgen en niet alles te vertellen! Maar in de dingen van het geweten, van de zaligheid, in de dingen Gods móógt gij niet zwijgen. God is de Allerhoogste, en wie mensen vreest, maakt zichzelf en zijn naaste ongelukkig.

>e preek is gehouden. De hoge Raad heeft haar ihoord, het volk heeft haar vernomen; bij de hoge heren is er vrees voor de mensen, maar bij het volk is er in het geheel geen vrees, — velen nemen het Woord met blijdschap aan, bekeren zich tot den Heere en er wordt tot de Gemeente toegedaan een getal van tweeduizend zielen. Amen.

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 10 september 1955

Kerkblaadje | 8 Pagina's

In geen ander is er heil, *

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 10 september 1955

Kerkblaadje | 8 Pagina's