Tot vrijheid geroepen *
(Herdenking van de Kerkhervorming)
Gij zyt tot vrijheid geroepen, broeders! Galaten 5 : 13a (vooraf lezen: 1—15)
Wij willen vanavond de Kerkhervorming herdenen door de Schrift te openen en te luisteren naar lar boodschap, die niet alleen voor de kerk van de jstiende eeuw van beslissende en blijvende betekenis as, maar dat ook is voor de kerk van de twintigste ^uw. We gaan dus nu niet in op de geschiee n i s van de Kerkhervorming. We willen ons )oral richten op het evangelie, dat God in en door • Kerkhervorming in zijn volle kracht en helderheid Miieuw heeft laten doorklinken in deze wereld. We ezen daarvoor een woord uit de Schrift, dat ook in 'L' tijd van de Reformatie een doorslaggevende racht heeft gehad. Het is een woord, dat genomen is Il de Galatenbrief, en dat zich richt op de vrijheid • aarmee Christus Zijn gemeente heeft vrijgemaakt en i'lkens weer moet vrijmaken omdat ze voortdurend t'vaar loopt opnieuw in gevangenschap genomen te orden.
Zoals u wellicht weet heeft de Galatenbrief, naast ^' Romeinenbrief, voor Luther veel betekend. Zijn ilegging van deze Galatenbrief is een van de meest '"kende geschriften geworden en heeft grote invloed iigeoefend, niet alleen in Duitsland, maar in heel iiropa. Om één voorbeeld daarvan te noemen: John Uinyan is door Luthers uitlegging van de Galaten- •iief tot de beslissende geloofskeuze gekomen. En »ie ,,De Christenreis" van Bunyan leest zal ontdekken, dat hier duidelijk de sporen van Luther zijn te- ^ig te vinden.
Wat Luther in die Galatenbrief vooral heeft aan- -ï-sproken is de boodschap van Gods vrije en volkomen genade in Christus, waardoor wij in de weg van ict geloof in Hem worden vrijgesproken van de vloek 'Ier wet. Omdat Christus een vloek is geworden voor ins. En zó worden wij gesteld in de vrijheid der kinderen Gods. Dit evangelie is Luther boven alles dierhaar geworden. Hieraan had hij zijn behoud te danken en hieruit wilde hij ook alleen leven. Hierop heeft hij leren bouwen en hierover wilde hij spreken en verder over niets en niemand anders.
Het heeft Lut'her geweldig aangegrepen, dat de Galatische gemeente, hoewel ze het evangelie van Gods bevrijding in Christus gehoord en geloofd had, toch opnieuw in de gevangenschap van het w e 11 i c i s - m e was terechtgekomen. Hij herkende daarin het beeld van zijn eigen kerk die ook, hoewel ze Christus beleed, toch in de banden van een wettische godsdienst verstrikt was geraakt. En toen hij dat eenmaal ontdekt had, kon hij er niet meer over zwijgen. Een radicale hervorming was nodig, waardoor opnieuw werd gepredikt en geloofd dat alleen wie door Christus is vrijgemaakt, waarlijk vrij is. In diezelfde tijd schreef Luther — en dat geschrift behoort eveneens tot zijn meest bekende werken —: ,,Over de vrijheid van de christenmens". Wat hij daarin schreef was als een fontein van helder, verfrissend water. Daardoor kwam de kerk tot nieuw leven en vonden tal van mensen waarachtige vrede voor hun ziel. Daardooi ontstond een kerkhervorming, die eeuwenlang tot een rijke zegen is geweest voor ontelbaar velen. Dat wij nu echter opnieuw de Galatenbrief heb
Dat wij nu echter opnieuw de Galatenbrief hebben geopend en opnieuw de boodschap van Gods bevrijding in Christus laten horen, heeft een reden. Zoals het Luüher aangreep dat die Galatische gemeente, nadat zij de boodschap van Gods genade gehoord en geloofd had, toch opnieuw in een wettische dienstbaarheid was teruggevallen, zo mag het ook ons wel aangrijpen dat ditzelfde helaas ook nu weer gezegd moet worden van de kerk der Hervorming. Hoezeer is het ook nu van toepassing, wat Paulus schrijft in het zevende vers van Galaten 5: „Gij liept wel; wie heeft u verhinderd de waarheid gehoorzaam te zijn?"\ En hoe waar is het ook voor ons, wat hij in het eerste vers van ditzelfde hoofdstuk schrijft over de Galaten, dat zij wederom met het juk der dienstbaarheid zijn bevangen! Ook in dit opzicht wordt de Schrift bevestigd tot op deze dag. En als de positie van deze Galatische gemeente zo duidelijk blijkt op te gaan voor de gemeente van nu, dan zal het ook nu weer nodig zijn dat de prediking van Paulus opnieuw aan de orde gesteld wordt en ook onder ons doorklinkt, zowel in haar ontdekkende alsook in haar bevrijdende kracht.
Het zou echter kunnen zijn dat wat ik zojuist gezegd heb, niet terstond door iedereen wordt aanvaard. En inderdaad, het zou ook volstrekt onvoldoende zijn, wanneer u dat alleen op mijn gezag moest aanvaarden. Want ik ben een mens van gelijke bewegingen als u. Wel mocht Paulus zijn apostolisch gezag laten gelden, zoals hij dat ook doet in het tweede vers van dit Schriftgedeelte: „Ziet, ik, Paulus, zeg u ". Dan spreekt hij met een apostolische vol-macht. Die volmacht had hij niet zichzelf aangemeten, maar die had hij van Christus ontvangen. Daarom begint hij de brief aan de Galaten met daarop uitdrukkelijk te wijzen. Voor ons is het dus helemaal niet nodig om met ons eigen gezag te komen, omdat wij mogen wegschuilen achter dit apostolisch gezag.
Paulus spreekt hier in de naam en met de volmacht van Christus. Zo mogen ook wij tot u komen in de naam en met de volmacht van Christus en is het slechts onze begeerte om na te spreken wat ons hier door de apostel is voorgezegd. Als het er dus om gaat of de situatie van de Galatische gemeente ook de onze is, willen wij alleen Gods Woord daarover laten beslissen. En dan hebben u en ik slechts van daaruit de vraag op ons af te laten komen of dat werkelijk het geval is.
Ik ga nu enkele aspecten daarvan belichten.
In de eerste plaats blijkt, zoals reeds aangeduid, dat deze gemeente van de Galaten éérst uit het geloof in Christus geleefd had. Zij liepen goed, ze waren op de goede weg. Ze waren door Christus vrijgemaakt. Toch worden ze nu wederom met een juk van dienstbaarheid bevangen. Toch worden ze nu de waarheid ongehoorzaam en laten zich meeslepen door een wettische dwaalleer. Dus — en dat kunnen we eruit leren — het kan met een christelijke gemeente goed beginnen en halverwege toch verkeerd gaan. Een gemeente kan terugvallen in haar oude positie.
Zij kan, na van de wet bevrijd te zijn, opnieuw een wettische gemeente worden. Ze kan, na eerst voluit uit Christus geleefd te hebben, opnieuw andere bronnen gaan aanboren, die naast en in de plaats van Christus komen. Dat dit niet alleen een mogelijkheid is, maar ook een werkelijkheid, daarvan is deze Galatische gemeente het bewijs. Moeten wij nu niet zeggen, dat ook de gemeente der Reformatie daarvan het bewijs is.^ Of is er iemand onder ons, die zou willen beweren, dat wij beter zijn dan de gemeente van de Galaten en ons daarom deze aanklacht niet behoeven aan te trekken.? Wie zou daartoe de moed hebben.? Ik denk, dat dat dan het allerduidelijkste bewijs zou zijn, dat men juist wél in dit verval is terechtgekomen!
Dat moet ons wel aangrijpen. We zien het in de geschiedenis na de Hervorming gebeuren, dat al heel spoedig die terugval naar een wettisch leven voorkomt. Ik denk bijvoorbeeld aan de tijd van de Remonstranten in het begin van de zeventiende eeuw. In feite was dit niet anders dan een terugvallen uit het leven des geloofs in een leven van: doe dat en gij zult leven! Ook in de eeuwen daarna vinden wij dit telkens terug. Ook in onze tijd komen we het volop tegen. Het leven des geloofs is geworden tot een leven van: je moet dit doen en dat doen! Of nog sterker: je moet dit nalaten en je mag dat niet doen! En daaraan zou dan duidelijk kunnen worden, of we ware christenen zijn. Daaraan worden de maatstaven ontleend, waaraan ons christen-zijn gemeten wordt. Het merkwaardige is, dat we dit naar alle kanten, zelfs naar schijnbaar tegenovergestelde kanten, zien plaatsvinden. We herkennen dit in een modern activistisch christendom, waarbij het geloven in Christus tot vergeving der zonden is verworden tot het uit-voeren van een actieprogram tot verbetering van de wereld. Daardoor wordt heel de godsdienst beheerst. Christendom is een echte doe-religie geworden. En men heeft niet in de gaten, dat men daarmee in een enorm wetticisme is teruggevallen.
Maar we moeten niet denken, dat het wetticisme alleen van die kant op ons afkomt. Als dat zó zou zijn, zouden wij ons vanavond hier bchagelijk kunnen voelen. Dan hadden we ook ruimschoots de gelegenheid om de ander zwart te maken als een stroming, als een modaliteit, als een kerk, als een mens, die ontrouw is aan het bijbels en reformatorisch christen-zijn. En we zouden van onszelf kunnen denken, dat w ij op de goede weg gebleven zijn. Denkt u dat nu werkelijk.? Denkt u, dat het juk der dienst baafheid ons ontgaan is.? Ik behoef, om u eraan te ontdekken dat dit volstrekt niet zo is, u slechts deze vraag voor te houden. Het is van tweeën één: als wi| niet in een nieuwe dienstbaarheid leven, dan is de enige andere mogelijkheid dat wij leven in de vrijheid der kinderen Gods. Dan leven wij uit Christus. Dan gaat er van ons leven een bevrijdend getuigenis
Dan gaat er van ons leven een bevrijdend getuigenis uit in onze woorden en daden, in heel ons christenzijn. En is dat nu ook zó? Klopt dat met de werke lijkheid.? U mag voor uzelf het antwoord geven Maar dat moet u wel oprecht doen. En zou u dan nog één ogenblik durven volhouden, dat het bij ons ort'hodox-ihervormden, wel in orde is.? Ik ben ervai overtuigd, dat dit een van de meest ingrijpende oor zaken is van het verval van de gemeente onder ons dat wij juist met onze rechtzinnigheid en met onzi goed-reformatorische belijdenis en persorganen ei scholen en verenigingen en kerken en kerkjes, juis' op deze bedekte wijze' niet minder, maar eigenlijl nog veel gevaarlijker, immers veel moeilijker te ont maskeren, terechtgekomen zijn in een wetticisme da verlammend, ja dodelijk is voor de christelijke ge meente. Galaten 5 wordt nu tot ons gesproken: „Gt liept wel; wie heeft u verhinderd de waarheid ge hoorzaam te zyn?"
Maar opdat wij alleen door het Woord Gods oveiluigd zouden worden, wil ik u vanuit dit Galaten 5 aantonen dat het waar is wat wij zojuist als een aanklacht van Godswege aan ons adres onder woorden liebben gebracht. Het is namelijk onthutsend waniicer wij nu in het kort nagaan, waardoor dit wetticisme in de Galatisohe gemeente zich kenmerkte. Het blijkt zó te zijn dat er dwaalleraars waren gekomen, Jie niet predikten dat Christus niet de Zaligmaker is en dat in Hem niet het heil ligt. Dat predikten zij >vèl, evengoed als Paulus en alle andere apostelen dat ieden. Maar zij voegden aan deze prediking iets toe. )f beter gezegd: ze lieten aan deze prediking iets oorafgaan. Ze zeiden namelijk: ,,Ja, u mag in Chrisus delen, u mag door het geloof in Hem de zaligheid )ntvangen uit genade, maar wel moet er iets aan oorafgaan. U moet u eerst laten besnijden en u zó ; ellen onder het juk van de wet. Als u dat doet, nag u vrijelijk tot Christus gaan en uit Hem leven". Ziet u, Christus werd wèl gepredikt. Natuurlijk
>el! Het waren christelijke predikers. Wat dacht u? Maar om tot Christus te gaan stelden ze een voor- > aarde. En die voorwaarde was: zich laten besnijden, len predikte dus het evangelie, ja, maar wel als een oorwaardelijk evangelie. Men predikte Christus, ja. naar wel moest er eerst aan een aantal voorwaarden vorden voldaan voordat men toestemming kreeg om "hristus in het geloof zichzelf toe te eigenen. De ang naar Christus toe was dus een wettische gang. en gang van: je moet eerst dit doen en eerst dat oen en eerst dit zijn en eerst dat zijn, en dan .'as
Ik heb in dit korte woord niet de gelegenheid om Het telkens toe te spitsen naar de gemeente van vanlaag. Ik heb ook de gedachte, dat dit feitelijk niet ens nodig is. Het spreekt voor zichzelf. Ik stel al- 'en maar telkens de vraag: herkent ti iets daarvan u, om u heen, in de gemeente, bij uzelf.? De toegang >t Christus staat niét meer open. Die toegang is iet meer vrij, maar wordt geblokkeerd door de voor- '• aarden die mensen ons stellen, maar die in feite de • et ons stelt. En de wet zegt niet alleen: u moet dit I dat doen! Maar zij kan ook zeggen: u moet 'rst dit of dat hebben, of dit of dat zijn, of 'Il of dat ervaren!
Datis juist voor ons'het gevaarlijke: wij hebben die oorwaarden van de wet zó gecamoufleerd, zó gere- ' )rmeerd gemaakt, dat ze door ons niet meer als wet- '^che voorwaarden worden herkend, maar veeleer •orden aangezien voor een ernstige, zuivere, gere- "rmeerde evangelieprediking. Maar de dwaalleraars "I de Galaten waren ook ernstige predikers. Zij be- -'huldigden Paulus er zelfs van, dat hij het veel te ^omakkelijk nam door zomaar zonder meer Christus t-' prediken en alleen Christus te prediken. Nee. daar •noest eerst iets anders gebeuren. Om de mensen zo- 'Tiaar tot Christus te brengen, foei! Paulus, dat kan loch niet!
En daarmee komen wij tot een tweede aspect. Het 'ilijkt namelijk, dat die gemeente van de Galaten juist \oor deze wettische verkondiging bijzonder ontvankelijk was. Paulus schrijft in vers 9: ,,Een weinig zuurdesem verzuurt het gehele deeg". Het wjaren waarschijnlijk maar enkele dwaalleraars, die in deze geest spraken. Maar hun invloed was onevenredig groot, was enorm. De mensen luisterden graag naar hen. Zij kwamen onder de mdruk van de ernst van hun woord. En ze dachten: Ja, dat is het! Die stem moeten we volgen! En daar kwam, bij: op deze wijze werd ook hun eigen ernst bevredigd. Nu werd het voor henzelf ook duidelijk, dat zij het zó voor zichzelf ernstig namen. Nee, ze wilden het niet zo gemakkelijk voorgeschoteld krijgen om zomaar tot Christus te mogen gaan. Ze hadden het er graag voor over om eerst nog aan een aantal voorwaarden te voldoen. Dat gaf hun veel meer bevrediging. Ze voelden zich dan veel veiliger. En daarom lieten ze zioh graag op deze wijze voorlichten. Paulus zegt: „Dwaze Galaten, wie heeft u betoverd?" (Gal. 3 : 1). Ja inderdaad, ze waren door deze prediking betoverd.
Ze vonden het zo mooi, zo ernstig. Maar ze hadden niet in de gaten, dat ze erdoor verhinderd werden de waarheid gehoorzaam te zijn, zoals Paulus zegt in vers 7. En zó is het te verklaren, dat binnen zeer korte tijd niet alleen de gemeente van de Galaten, maar spoedig daarna verreweg het grootste deel van de oudchristelijke kerk van ditzelfde wettische zuurdesem doortrokken was. Dat was reeds in de eerste eeuw na Christus het geval. De kerk is in feite al in het eerste begin van haar geschiedenis rooms geworden. Deze wettische prediking ligt de mens, met name de ernstige mens. Zij komt hem zo aannemelijk voor.
Veel aannemelijker dan de boodschap van Gods rijke en vrije genade. De prediking van eerst dit en eerst dat is veel meer in trek dan de prediking van: gelooi alléén en genade alléén en Christus alléén. Sola fide, sola gratia, solus Christus! En toch was dit laatste de boodschap van Paulus en Luther en Calvijn en Kohlbrugge. Ja, dit alleen is het evangelie. En van een ander evangelie zegt Paulus: wie dat brengt, die is vervloekt! (Gal. 1 : 9).
Ik noem nog een derde aspect. Die dwaalleraars zeiden, dat men eerst aan een paar voorwaarden moest voldoen. Of eigenlijk maar aan één voorwaarde: eerst je laten besnijden, en dan pas aan Christus deel verkrijgen. Nu geeft Paulus daar een ontdekkend antwoord op. Hij zegt: „Als u het dan toch eerst met de wet wilt proberen voordat 'u tot Christus gaat, dan moet u wel héél de wet volbrengen en niet maar een klein stukje daarvan: alleen die besnijdenis". Hier ontmaskert Paulus de wettische gezindheid in haar tekort. Want ze kenmerkt zich altijd hierdoor dat ze een stukje van de wet eruit haalt, dat opblaast en dat als voorwaarde stelt, maar de rest van de wet vergeet. En niet alleen de rest van de wet, maar ook het zwaarste van de wet, namelijk de liefde. Want je laten besnijden is tenslotte helemaal geen zware opgave. Dat kost in feite wel iets van je lichaam, maar niet van je ziel, niet van je eigen-ik, niet van je hartstochten en begeerten. De wettische gezindheid is altijd selectief met de wet bezig. Ze richt zich daarbij vooral op het uitwendige. Op een paar naar buiten zichtbare, in het oog vallende dingen, die krampachtig nauwgezet moeten worden nagekomen. En dan denken we, dat dit genoeg is. en dat we dan aan de voorwaarde hebben voldaan. Terwijl wat God echt van ons vraagt: ons hart, ons leven, onze liefde, onze gezindheid, dat wordt nu juist vergeten.
En dat dit inderdaad vergeten wordt door deze Galaten, maakt Paulus wel heel onthullend duidelijk. Hij schrijft in vers 14 en 15: ,,De gehele wet houden, dat is: gij zult uw naaste liethebben als uzelf". ,,Maar", zo zegt Paulus, ,,wat zie ik onder u gebeuren.? Gij bijt elkander en vereet elkander. En het loopt erop uit, dat gij ook door elkander wordt verteerd". Deze mensen die zo graag zelf zich geschikt wilden maken om tot Christus te gaan door een uitwendig wettisch leven te leiden, lieten het eigenlijke van de wet na: de liefde. En waarin kwam dit tot uitdrukking.? Wel, ze konden elkaar niet zetten. Ze leefden in onmin met elkaar. Ze hadden twisten onder elkaar. Ze deden niets dan elkaar becritiseren en afkraken en met elkaar concurreren en zich van elkaar afsdheiden, omdat ze de ander niet goed en niet zuiver en niet ernstig genoeg vonden, vergeleken met zichzelf. En dat ging zelfs zover, dat ze er zelf dooi verteerd werden. Want de verdeelde groepen en groepjes werden door al die twisten en afscheidingen almaar talrijker en daarom ook almaar kleiner, zodat ze tenslotte met een paar man overbleven. En zo werd de gemeente, die het lichaam van Christus is, in een staat van ontbinding gebracht. Zij werd een lichaam, dat bezig was weg te teren.
Nu vraag ik nog één keer; Herkent u iets daarvan, nü, bij ons.? Elkaar bijten, elkaar vereten, zich van elkaar afscheiden, met elkaar concurreren, steeds meer kerken en kerkjes vormen, en de één waant zich nog weer beter en zuiverder en ernstiger dan de ander! En zó het lichaam van Christus in een staatvan ontbinding laten verkeren! Nu begrijp ik waarom er in de kerk zo'n graflucht wordt gevonden: het lichaam van Christus is bezig te verteren, het verkeert in een verregaande staat van ontbinding. En dat is nu juist de vrucht van een wettische godsdienst. Wie staan er schuldig aan de breuk van Gods kerk vandaag.? Wij, niemand anders dan wij, wij die juisl zo ernstig en nauwgezet en trouw en zuiver menen te zijn!
Zo is het wel een scherp en ontdekkend woord van Paulus, dat wij hier horen. Maar u moet niet menen, dat hij dit zegt uit liefdeloosheid of omdat hij zichzelf erboven stelt. Nee, tot tweemaal toe spreekt hij juist hier de Galatische gemeente aan als broe Iers. Paulus heeft die gemeente lief, en juist daarom vermaant hij haar. En Paulus staat naast de Galaten, ook in de erkenning van eigen schuld, als hun broeder, en juist daarom is hij zo scherp. Wilt u van mij aannemen, broeders en zusters! dat dit ook het motief is van mijn spreken.? Ik weet dat het scherp is, maar ik doe het uit liefde en ook vanuit de ootmoedige wetenschap dat ikzelf als uw broeder mee betrokken ben in dezelfde vervallenheid waarin de gemeente verkeert. Alles wat ik vanavond tot u spreek, spreek ik ook tot mijzelf. We behoeven niet op de ander te zien, maar we hebben op onszelf te zien. ieder voor zich en iedere kerk voor zich en iedere gemeente voor zich. Samen zijn wij afgeweken, samen hebben wij onze eerste liefde verlaten, en daarom mogen wij ook elkander toeroepen: Laten wij samen wederkeren tot de Here! Laten wij samen de Here aanroepen om een nieuwe hervorming, een nieuw reveil, een nieuw leven uit de volle bron van Zijn genade in Jezus Ghristus!
Dat laatste horen wij dan ook als een positieve oproep doorklinken in het woord van de apostel. „Want gij zyt tot vrijheid geroepen, broeders!" Dat woord „geroepen" wijst hier terug naar de roeping, die in het verleden reeds heeft plaatsgevonden, toen de gemeente van de Galaten door de boodschap van het Evangelie en door de kracht van de Geest geroepen werd uit de duisternis van het leven in de slavernij der zonde naar de vrijheid van het leven uit Christus. Tot vrijheid waren zij eenmaal geroepen. De uitdrukking die hier gebezigd wordt, werd ook gebruikt wanneer een slaat werd vrijgekocht en uit zijn slavernij bevrijd. Dan werd hij tot de vrijheid geroepen. Zó is nu ook de christen uit de slavernij der zonde tot de vrijheid geroepen endoor het bloed van Christus vrijgekocht om voortaan in vrijheid te laogen leven.
Zó is de christelijke gemeente van de Galaten ontstaan. En wij mogen eraan toevoegen: zó is ook dt kerk der Reformatie opnieuw ontstaan. Zij is geroepen uit de slavernij van de zonde en ook van de wel en van de vloek der wet, om uit de verzoening van Christus te leven in de ware vrijheid van de Geest En nu wordt vanavond ter gelegenheid van de herdenking der Kerkhervorming deze oproep herhaald „Gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders!" Dat is nodig. Want deze oproep wijst ons terug naar ons geroepen-zijn, eenmaal door de overmacht van Gods Geest, uit de slavernij van de zonde, uit de ban van de vloek der wet, omdat wij gekocht en betaald zijn door het bloed van Ghristus om nu als vrijgekochte mensen uit Hem en voor Hem te leven.
Het is dus nodig om opnieuw te worden vrijgemaakt. Want die roeping gaat door. Zoals de Reformatie doorgaat, in overeenstemming met de uitspraak: „Ecclesia reformata, quia semper reformanda de kerk is her-vormd, daarom moet zij steeds het vormd worden". En die roeping wordt herhaald, wanneer de gemeente opnieuw tot dienstbaarheid is vervallen. Dan wordt zij opnieuw geroepen om te lever uit de vrijheid, waarmee Christus haar heeft vrijge maakt. Nu weet ik, dat evenals in Paulus' dagen de stem
Nu weet ik, dat evenals in Paulus' dagen de stem men weer zullen opklinken, die zeggen: ,,Dat is tt gemakkelijk, dat veroorzaakt een geestelijke zorgc loosheid en oppervlakkigheid! Het zal toch ook ii het leven, in het doen en laten van een mens duidelijk moeten worden!" Ja natuurlijk, broeders en zusters! Wat dacht u.? U haalt in uw wettisch leven een klein stukje uit de wet en dan denkt u, dat u de gehele wet hebt volbracht, terwijl u het voornaamste vergeet: de liefde tot de naaste. Maar als wij leven uit de vrijheid van Christus, dan juist worden wr vrijgemaakt om werkelijk de gehele wet te vervullen ,,Want de gehele wet wordt in één woord vervuld, namelijk in dit: gij zult uw naaste liefhebben ah uzelf". Ziet u, er is maar één weg om tot eer van de Here te leven. En dat is: leven uit de vrijheid van Christus. Er is maar één weg, waarlangs wij de andet kunnen dienen. En dat is: wanneer wij zelf leven uil de genade van onze God. Want dan dienen wij de ander door de liefde.
Velen zijn met de wet bezig om zó tot Christus c komen. Dat is dus een wettische toeleidende weg. laar de apostel zegt: ,,Geroepen zijt gij om u i t nristus te leven, en dat alleen door het geloof; dan •rvult u u i t Hem de wet, de gehele wet, door het \en uit Zijn Hefde!" Een christelijke gemeente is L't een gemeente, die naar Christus toe leeft en zich aarvoor inspant en het daarover altijd heeft. Maar •n christelijke gemeente is een gemeente, die van lustus uit leeft. Het eerste is een leven uit de wet, , L tweede is een leven uit de genade en de vrijheid r kinderen Gods. En tot die vrijheid zijt gij op deze Tvormingsdag opnieuw geroepen, broeders en zussi Amen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 oktober 1981
Kerkblaadje | 8 Pagina's