Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Reizen bij dagen en bij nachten

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Reizen bij dagen en bij nachten

Uit het leven van ds. W.C. Lamain

23 minuten leestijd

Onvoorstelbaar veel heeft ds. W.C. Lamain gereisd, te voet, op de fiets, per tram en trein en boot, met de auto en met het vliegtuig. In zijn jonge jaren was hij nooit buiten Zeeland geweest, waar hij geboren en getogen is, maar toen hij in de Gereformeerde Gemeenten aangenomen was tot de opleiding en hij een stichtelijk woord ging spreken, kwam hij op heel veel plaatsen in Nederland en Amerika.

Willem Cornelis Lamain werd op 8 januari 1904 in Kamperland geboren. In 1920 werd de prediking van ds. G.H. Kersten aan zijn hart gezegend. Vanaf zijn kinderjaren voelde hij al een roeping tot het predikambt. In 1924 werd hij op twintigjarige leeftijd toegelaten tot de opleiding tot predikant. Spoedig ging hij een stichtelijk woord spreken. Daarbij legde hij vaak grote afstanden te voet af. Na twee diensten in Bodegraven liep hij bijvoorbeeld naar Woerden, een voetreis van twee uur.

In 1929 werd hij predikant in Leiden en in 1932 in Rotterdam-Zuid. Doordeweeks preekte hij zeer veelvuldig en daarvoor moest hij gebruik maken van trein en tram. In Rotterdam liep hij op zondag ook regelmatig naar de Boezemsingel (Rotterdam-Centrum) en het Rauwenhoffplein (Rotterdam-West).

In 1943 leidde de weg naar Rijssen. Vanuit deze plaats heeft hij enkele keren de gemeenten in het noorden van het land per fiets bezocht, soms onder barre omstandigheden. In 1947 nam ds. Lamain een beroep aan naar Grand Rapids (Amerika). Zeer veel gemeenten in Amerika en Canada waren ook aan zijn zorg toebetrouwd. Hij heeft gedurende een lang leven zijn krachten verteerd in de dienst des Heeren. Hij was gezegend met een ijzersterk gestel. Rusteloos heeft hij gearbeid in de dienst des Heeren. Vanaf 1957 bezocht hij regelmatig het oude vaderland. Op 30 november 1984 is hij overleden.

In De Saambinder en in diverse boeken schreef hij regelmatig over wat hij soms tijdens de reizen meemaakte. In dit artikel lichten we enkele dingen uit hetgeen ds. Lamain over zijn reizen geschreven heeft.

Rammen van Nebajoth

In 1925 sprak Lamain in Scherpenzeel een stichtelijk woord. Daarna wilde hij naar ds. H. Kieviet in Veenendaal gaan, waar hij ’s nachts zou logeren. Met een paard en wagen werd hij naar Woudenberg gebracht, vanwaar de trein zou vertrekken. Vele later jaren schreef hij over wat er toen gebeurde. ‘Toen we aankwamen bij het station, ging de man die mij daar gebracht had, weer terug, en ik ging het station in om aan het loket een kaartje te kopen voor Veenendaal. De man die daar de kaartjes verkocht, vroeg mij: “Voor welke dag is dat?” Ik zei: “Voor de laatste trein vanavond.” Hij zei: “De trein is al een uur geleden in die richting vertrokken. Bent u er niet mee bekend dat het nieuwe tijd is?”

Of die eenvoudige mensen daar in Scherpenzeel van de nieuwe tijd, die toen als zomertijd ingevoerd was, iets afwisten, ik weet het niet. Ik zal het zelf wellicht wel geweten hebben, doch door de ontmoetingen met het volk van God en wat wij daar hadden mogen beluisteren, had ik er geen ogenblik meer aan gedacht. Ja, wat nu? Ik ging het station uit en liep daar maar zachtjes in het donker en stond bij een boom stil, zuchtend tot de hemel: Heere! wijs mij toch Uwe wegen.

Eindelijk, want daar was niemand meer buiten, kwam een voor mij geheel onbekende persoon op mij aan. Terwijl ik daar liep te zuchten, daalden er in mijn hart, zo liefelijk en zo zacht, de woorden: De rammen van Nebajoth zullen u dienen.

Die man vroeg wat ik deed zo alleen in het donker en waar ik heen moest. Ik vertelde hem het verhaal en dat ik beloofd had bij ds. Kieviet te logeren. Hij zei: “Blijf hier bij deze boom staan, dan zal ik proberen om een weg te vinden, zodat u voor de nacht nog komt op de plaats waar u verwacht wordt.”

Wat een verrassing! Diezelfde man kwam met een luxe auto en zei: “Stap maar in.” Onder het rijden naar Veenendaal vroeg hij of ik niet onrustig of benauwd was, omdat ik toch in Woudenberg niemand kende. Ik zei tegen die vriendelijke man: “Nee, ik kreeg te geloven dat de Heere mijn verzuchting had willen verhoren. En dat Hij wegen opent waar wij geen wegen zien.” Ik had die man onder het rijden al gevraagd hoe zijn naam was, maar dat wilde hij niet zeggen. Toen we voor het huis van ds. Kieviet kwamen, het was toen al bijna middernacht, vroeg ik wat ik hem verschuldigd was voor de moeite mij in Veenendaal te brengen. Hij zei: “Nee, daar hoeft u niets voor te betalen.” “Mag ik dan weten wat uw naam is?” Hij zei: “Nee, dat is niet nodig. U bent waar u wezen moet, laat dat genoeg zijn. ‘k Hoop dat u verder een goede reis mag hebben. Gegroet.”

In dezelfde week, op een vrijdagavond, had ik een beurt vervuld in Bodegraven en hetzelfde is toen voorgevallen als op die dinsdagavond. De laatste trein naar Rotterdam, waar ik toen heen moest, was ook weg. Ik kwam weer te laat, liep buiten het station en daar stopte ook weer een auto. De bestuurder vroeg waar ik heen moest. Er was geen trein meer. Hij zei: “Ik moet naar Gouda, u kunt dan verder met een trein naar Rotterdam.” Die man was ook zo vriendelijk en verzocht mij in te stappen. Onder het rijden vroeg hij of ik niet ongerust geweest was dat ik niet meer op de plaats van bestemming komen zou. Ik antwoordde hem ”Nee”, en vertelde wat mij dins-dagavond wedervaren was. Ook over de tekst van de rammen van Nebajoth. Doch dat viel niet in zulke goede aarde. Die man zei: “Als u mij vergelijkt met de rammen van Nebajoth, dan ben ik geneigd om u verder te laten lopen.”

Gelukkig scheen dat een beetje te zakken, zodat ik nog op tijd in Gouda op het station kwam om verder te reizen. Zo weet je maar nooit wat en wie je ontmoet met reizen en trekken.

Toch is die tekst nog vele malen in mijn gedachten teruggekomen en is het vaak door de Heere bevestigd in de oorlogsjaren 1940-1945, en ook bij de vele reizen later in Canada en Amerika vervuld geworden. Vaak zag ik geen weg om thuis te komen, toen er bijna geen openbare vervoermiddelen meer waren. Een weldaad dat de Heere in Zijn Woord zegt: “Ken Hem in al uw wegen” (Spreuken 3:6). Het allernoodzakelijkste is op weg en reis naar de eeuwigheid dat de Heere Zich betoont een Waarmaker van Zijn Woord te zijn. Niettegenstaande onze onwaardigheid en zonden, en dat alleen tot roem van Zijn Naam.”

De Heere heeft kracht gegeven

In de oorlogsjaren werd het reizen per openbaar vervoer steeds moeilijker. Ds. Lamain schreef: ‘Ds. J. Vreugdenhil uit Kampen stierf in 1944. De IJssel werd afgesloten, zodat de gemeenten in Overijssel en Friesland geïsoleerd werden. De Heere heeft ons kracht gegeven om de gemeenten te mogen dienen. Alle verkeer werd bijna stopgezet. Er bleef bijna geen vervoermiddel meer over, zodat we voor een lange tijd op de fiets de gemeenten moesten bezoeken. Soms kwam ik op een morgen om vijf uur van Akkrum naar Rijssen rijden, 125 kilometer door weer en wind, soms onder stortbuien van regen, dat ik op een zaterdagmiddag om drie uur in Rijssen aankwam, zo vermoeid dat ik dadelijk naar bed ging om wat uit te rusten. Toch heeft de Heere ons gesterkt om naar Kampen, Genemuiden, De Lemmer, dan de Noordoostpolder en dan weer een volgende dag naar Oudemirdum en Akkrum te gaan.

Wat zijn er in die dagen vele gebeden opgezonden naar de hemel, ook door de gemeenten die me verwachtten om te catechiseren en te preken. Naar Nijverdal, Wierden, Enter, Almelo, Vriezenveen en Enschede hebben we vele reizen gemaakt, doch dat had vanzelf geen vergelijk met de tocht naar Friesland. Soms stond ik onder een boom op een eenzame weg of tegen een boerderij aan te schuilen voor de regen, of dat ik zo vermoeid was, dat ik bijna niet verder meer kon. Soms heb ik hardop, omdat er toch niemand op de weg was, ook onder gevaar van bommen, tot de hemel geroepen om kracht en sterkte. Maar wat heeft de Heere ook menigmaal wonderlijk uitkomst gegeven. Soms was het zo zwaar onweer en lichten, dat ik tot de Heere smeekte om uitkomst en dat er in de dadelijkheid een vrachtauto stopte, dat ze zo vriendelijk gemaakt werden dat ze mijn fiets op de vrachtauto deden en dat ik dan daarachter in de donker zomaar zat te schudden, ook dat de meeste tijd helemaal onbekende mensen me thuisbrachten in Rijssen, waar ik dan soms midden in de nacht bij de pastorie werd afgezet.

En dat is uitwendig, doch het is voor de eeuwigheid bewaard welk een vrucht het voor de eeuwigheid heeft afgeworpen. Al moest ik mezelf maar afkeuren, toch heb ik weleens mogen en moeten geloven dat het niet altijd tevergeefs geweest is.’

Werp uw brood uit op het water

In oktober 1953 was ds. Lamain in Amerika in een consulentgemeente geweest om een begrafenis te leiden. Hij schreef: ‘Op de terugreis vroeg een man die mij geheel onbekend was, of ik wist hoe het die dag met de voetbalwedstrijd afgelopen was. Eerst begreep ik niet goed wat hij bedoelde, maar hij herhaalde zijn vraag, en ik zei alleen maar dat ik daarvan niets afwist. Nu was het niet zo gemakkelijk op die plaats om een gesprek aan te knopen, maar later gevoelde ik mij toch zo ellendig en schuldig dat ik maar gezwegen had. Wij kunnen de vlag over onszelf en voor onszelf niet uitsteken. Het is maar schuld met schuld vermeerderen. O, wat moet die meerdere Aäron maar gedurig met dat wierookvat haastig door dat leger gaan.’

Kort daarna was er wel de vrijmoedigheid om mensen aan te spreken: ‘Deze week had ik gepreekt voor enkele mensen in South-Holland. ‘s Nachts om 1 uur kwam ik op een station, waar ik twee uren op een trein moest wachten. Binnen gekomen, was er een heel gezelschap zwarte mensen, die op een andere trein wachtten. Daar opende de Heere de weg dat ik een uurtje met die mensen mocht spreken over de noodzakelijkheid der wedergeboorte. Ik durfde eerst ook niet beginnen, maar het besef en de ernst der eeuwigheid ging toch wegen, en de gedachte eenmaal voor het oordeel te moeten verschijnen. Werp uw brood maar uit op het water, want gij zult het vinden na vele dagen.’

Vossen vangen: een onbegonnen werk

Vaak zat ds. Lamain in de trein te lezen, maar vanzelfsprekend keek hij ook wel eens naar buiten. Soms zag hij dan iets wat hem aan het denken zette. In oktober 1957 schreef hij: ‘Onze zonden maken een scheiding tussen de Heere en onze ziel. Er zijn in ons leven wat kleine vossen, die de wijngaard verderven, en wij worden wel gewaar, dat alleen die meerdere Simson ze maar vangen kan. Laatst zat ik in de trein en zag vanuit de trein vier prachtige vossen rennen door een bos. In de winter hebben die beesten zulke prachtige staarten. Het was inderdaad ‘n mooi gezicht, maar ik dacht tegelijkertijd: het zou een onbegonnen werk zijn om erachter heen te gaan, en te proberen om ze te grijpen. Zij zouden eerder mij hebben, dan dat ik ze te pakken kreeg. En zo zal het ook wel zijn met de zonde. Wij zijn al gevangengenomen eer dat wij het beseffen. O, geliefden, wat is het pad ten leven smal. God Zelf moet ons hart nemen, zullen wij het ooit aan Hem kunnen geven. En het is alleen de vrucht van de alles overwinnende genade Gods in Christus, in ons hart, dat wij liever met het volk des Heeren kwalijk behandeld willen worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben, achtende de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom te zijn dan de schatten van Egypte (Hebr. 11: 25, 26).’

Nog kortgeleden gedanst

In maart 1966 ondernam ds. Lamain de reis naar Artesia, Californië. Nooit eerder was hij daar geweest. Het was een reis van 2.500 mijl (4.000 kilometer). Onderweg gebeurde er iets aangrijpends. Hij schreef hierover: ‘Sommige vrienden uit South Holland waren zo vriendelijk mij te halen, zodat ik daar dan ‘s avonds nog preken kon en de nacht overblijven, omdat ik anders vijf uur op het station in Chicago op de trein had moeten wachten. ’s Morgens brachten dezelfde vrienden me naar de trein, die om negen uur vertrok. Achter mij zaten twee bejaarde mensen. Ik had ‘s middags enkele brieven geschreven, en kwam weer terug op mijn plaats, en daar opeens zei de man die achter mij zat tegen zijn vrouw: “Wat krijg ik toch een pijn.” Hij gaf wat bloed op, viel achterover, en hij was een lijk. Het was eeuwigheid.

Voor een ogenblik was er grote ontroering in de wagon van die trein waarin dat gebeurde. Die vrouw kon het niet geloven. Ze zei tegen mij: “Zaterdag op de bruiloft van mijn kleindochter heeft hij nog gedanst. Hij zal toch wel weer bijkomen.”

Ik zei: “Nee, vrouw, het is afgelopen, het is eeuwigheid.” Och, wat een gedachte. Nog kortgeleden gedanst, en nu te staan voor de Rechter van hemel en van aarde. Ik dacht nog aan Abraham: hij was ook 75 jaar oud, dezelfde leeftijd als die man. Toen Abraham zo oud was, lag hij in het stof voor God. Toen riep God hem uit Ur der Chaldeeën, en God heeft Zijn genade aan hem groot gemaakt. En die genade Gods in Christus, die blijft tot in der eeuwigheid. Nooit had ik kunnen denken, ook vooral die morgen niet toen ik in de trein stapte, dat ik die dag nog gelegenheid zou krijgen om daar iets te zeggen over dood en eeuwigheid, en wat er voor een mens nodig is om God te ontmoeten. Ik had echter niet lang hoorders. Slechts één man zei: “Een mens wil God ontlopen, maar we moeten God ontmoeten.”

Het duurde wel een half uur eer we op een volgend station stopten, waar spoedig mensen gereed waren om het lijk uit de trein te dragen — en toen de trein weer verder ging, was bij de meeste mensen de ontroering ook weer geweken. Doch het zal ons wel niet verwonderen, als wij door genade iets hebben leren kennen en inleven van onze doodstaat. Wat de waarheid ons leert ook dienaangaande, hoe ouder we worden, hoe meer dat het waar wordt. Het is wel allemaal waar, maar het moet persoonlijk waar voor ons worden. En dat is alleen als Gods Geest het krachtdadig op ons hart bindt. Gods Geest maakt levend, maar verlevendigt ook degenen die door Hem levend gemaakt zijn.’

Een dag later schreef hij: ‘Het is nu de tweede dag, dat ik in de trein zit, en de hele dag ligt er een wit laken over de plaatsen waar gisteren die man en vrouw zaten. En die plaatsen zullen deze reis wel niet bezet worden. Het is vooral voor ons die in die wagen zitten, een herinnering aan wat gebeurd is, hoewel ik er vandaag niemand meer over gehoord heb. Ach ja, een mens is het zo gewoon geworden dat een mens sterft, dat als het geen naaste familie is, er niet veel aandacht aan geschonken wordt. En vooral in de tijden die wij beleven. De dood is genoemd: een koning der verschrikking. Maar als we alles nagaan, in deze dagen, zoals Rutherford schreef van overheersende zorgeloosheid, dan is het alsof dood zomaar dood is. Dat het met een mens hetzelfde is als met een beest. Werkelijk, het is om er bang van te worden. Godsdienst is er genoeg, maar vreze Gods, en vrees voor dood en eeuwigheid, dat wordt steeds schaarser. Het is over het algemeen maar een dode, koude, ledige godsdienst. Het is zoals Justus Vermeer schreef in zijn Catechismusverklaring: Het is de oude godsdienst van Adam, en dat alles is zonder geest en leven en zonder enig gevoel en besef.

Wat is er een vermenigvuldiging van geesten, die wel menen, ja vast verzekerd zijn dat zij de Geest van Christus hebben, maar niet anders bezield zijn dan met een geest uit de afgrond. Eer ik met de trein in Los Angeles aankwam, kwam ik ook nog in aanraking met een man die alleszins godsdienstig was, en naar zijn gedachten rechtuit op de hemel aanstapte. Hij zei: “Christus woont met Zijn Geest in mij, en is voor mij alles en in allen.” Ik wist niet wat ik er mee beginnen moest, maar zei ten slotte: “Dan zult u zeker Adam ook wel kennen”. Hij zei: “Adam? O, die man die van die verboden boom gegeten had?” Helaas, hij wist van Adam niets meer dan dat. Het is echter alles door Christus voorspeld: Zij zullen roepen: Hier is de Christus, en daar is de Christus, maar gelooft ze niet. Doch het gaat zo ver, dat als God het toeliet, zij zouden zelfs de uitverkorenen verleiden. O wat is het nodig voor jong en oud, klein en groot, door Gods Geest bearbeid te worden. Maak in Uw Woord mijn gang en treden vast.’

Zelfmeelij

Ds. Lamain moest soms voor een klein aantal hoorders een lange reis maken. In South Holland heeft hij veel gepreekt, een plaats in de staat Illinois. De afstand Grand Rapids-South Holland is ongeveer 180 mijl (290 kilometer). Eens heeft hij er voor twintig mensen gepreekt. Ds. Lamain schreef daarover: ‘Het was juist in de tijd dat Billy Graham in het stadion van Rotterdam sprak voor een 60.000 mensen. [Dat was in 1955.] Wat was ik toch moedeloos en wat had ik toch een medelijden met mezelf. Doch terwijl ik voor dat lessenaartje stond, kwam de Heere me zo krachtig te bepalen bij die woorden: Over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal Ik u zetten. Toen vielen die enkele mensen weg en gaf de Heere nog met opening Zijn Woord te spreken.’

Van plaats tot plaats zonder bus of trein

Op 9 juni 1966 blikte ds. Lamain in De Saambinder terug op zijn bezoek aan het oude vaderland. Op woensdag 27 april 1966 arriveerde het echtpaar Lamain in ons land. Diezelfde avond preekte hij al in Rotterdam-Centrum.

Hij verbleef bijna drie weken in ons land. In die korte tijd heeft hij bijna elke dag gepreekt, soms meermalen op een dag. Op maandag en op zaterdag worden er meestal geen kerkdiensten gehouden, maar ook op die dagen heeft ds. Lamain gepreekt. Zo ging hij op maandag 2 mei om half zes voor in Kortgene en om half acht in Kamperland. Op zaterdag 7 mei ging hij om twee uur voor in Dinteloord, om vijf uur in Tholen en om half acht in Sint-Annaland.

Weer thuisgekomen schreef hij: ‘Nu ik weer in welstand thuis komen mocht, bewaard en gespaard door des Heeren hand, wil ik trachten enkele regels te schrijven. De Heere heeft alles wel gemaakt in het komen, in het verblijf, en in het verlaten van het oude vaderland. Mijn vrouw hoopt 7 juni weer op de boot te gaan, en het is ook namens haar dat wij naast de Heere behoefte hebben om de gemeenten, leraars, ambtsdragers en vrienden hartelijk te bedanken voor de liefde ons bewezen. Ik heb van geen bus of trein gebruik hoeven te maken, daar leraars en vrienden zo bereidwillig waren om mij van plaats tot plaats te brengen.

Het was mij tot blijdschap dat de Heere nog opening heeft willen geven om Zijn Woord te mogen brengen. Het is ook de behoefte en de wens van mijn hart om met de dichter van Psalm 115 te betuigen: “Niet ons, o Heere, niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil”.’

De rijken zitten in de laagte

‘We worden steeds blinder en armer’, schreef ds. Lamain eens. ‘Ja, dan komt er een tijd dat er iets van verstaan mag worden: Eén die in Zijn koninkrijk geboren is, verarmt (Prediker 4:14). Op een avond, toen ik eens gepreekt had in Sheboygan, vroeg ik aan een geoefende vrouw, die veel van God ontvangen en geleerd had, hoe het met haar was en hoe het met haar ging. Zij gaf ten antwoord: “De rijken zitten in de laagte” (Prediker 10:6). Dat was alles wat ze zei, doch op zulk een wijze dat het zulk een diepe indruk maakte dat ik het niet meer kwijt kon.

Ik moest diezelfde nacht met de boot over het Michiganmeer, dat ongeveer vier uur duurt om thuis te komen. Ik heb die nacht een preek over die tekst gemaakt en er later wel eens over gesproken. Gods kinderen kunnen ook als middel in Gods hand gebruikt worden om aan een tekst te komen.’

Wonderlijk bewaard

Eens moest ds. Lamain op een vrijdag naar het Westen, om ’s zondags in Sioux Center het Woord en de sacramenten te bedienen. Die reis had hij al vele jaren gemaakt. De trein vertrok altijd ’s avonds om tien over half twaalf van Chicago. Maar veertien dagen tevoren was de vertrektijd veranderd en dat wist hij niet. Onverwachts moest hij naar een andere trein, die de andere dag in een stad in de staat Nebraska zou aankomen. Hij vroeg aan de conducteur of de trein ’s nachts nog stopte, zodat hij de mensen die hem zouden afhalen in Le March zou kunnen bellen om te zeggen dat ze hem daar niet moesten afhalen. ‘Ja’, zei de conducteur, ‘in Bustington stoppen we ongeveer tien minuten.’

Ds. Lamain stapte uit de trein en probeerde de mensen telefonisch te bereiken, maar hij kreeg eerst geen gehoor, maar op het laatste ogenblik kreeg hij toch iemand aan de lijn aan wie hij de boodschap doorgaf. Haastig liep hij naar de trein terug, over drie verschillende rails. Juist één seconde was hij over die rails, toen er een trein van de andere kant over de rails vloog met een snelheid van wel 150 kilometer ‘O God’, riep ds. Lamain uit, ‘bewaard, bewaard, niet vermorzeld onder de trein. O, God, wat een wonder.’ Dat was alles wat hij kon zeggen.

Hij schreef: ‘Ik heb die nacht in de trein niet geslapen. Ik moest maar bewonderen dat God mijn leven nog genadiglijk had willen verlengen. Ik moest maar zeggen: Heere, waarom toch? Ik heb net als andere mensen het leven verbeurd en de dood verdiend. Nog niet weggenomen en afgesneden in het midden mijner dagen. Toen heb ik een weinig mogen verstaan wat Mozes bad in Psalm 90:12: Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen. En dat we zoals Christus vermaande in Mattheüs 24:44 altijd bereid moeten zijn. De meeste tijd leven we zo ver van de dood af; dan zal ik wel zo oud worden als Methusalem. O, die doodstaat van de mens is niet uit te drukken. Nog maar steeds geloven wat de duivel, die bedrieger en verleider, gezegd heeft tot Eva: Gij zult niet sterven. God Zelf moet het krachtdadig door Zijn Geest op onze harten binden, want anders raakt het ons niet.

Maar ook heb ik die nacht er wat van ingeleefd dat we met alles wat er in ons leven gebeurd is niet sterven kunnen. Er is genade nodig om te leven, maar ook genade om te sterven.’

Een reiziger die nooit betaalt

In april 1959 schreef ds. Lamain het volgende. ‘In de jaren, dat ik de gemeenten in Nederland mocht dienen, ben ik veel op reis geweest om de vacante gemeenten te dienen. Toen ik in Amerika ben gekomen, is het niet minder geworden. Dagen en nachten heb ik in de trein doorgebracht, ‘n Enkele maal ging een ouderling met me mee, maar de meeste tijd reisde ik alleen.

Het reizen is hier in Amerika zo geheel anders dan in het oude vaderland. Daar gebeurde het zo vaak dat men op een station mensen ontmoette die meereisden, doch dat is in een land als Amerika zo geheel anders. Hier zijn de keren wel te tellen dat ik op reis iemand ontmoette die behoefte had om een gesprek aan te knopen. Vooral op reis gevoelt men zich dan de meeste tijd als een vreemdeling in een vreemd land. De afstanden zijn ook vaak zo groot, en vanzelf zijn ook de kosten veel groter dan in Nederland. Wij hebben hier uit de aard der zaak al een kapitaal verreisd. Een enkele maal hindert het niet om alleen te zijn. Het gebeurt weleens dat onder het lezen of onder de overdenking de tijd snel gaat. Doch daar zijn ook zoveel andere tijden. Geen lust tot onderzoek, innerlijk onverenigd met Gods wegen, soms dwalen de gedachten overal heen. En soms vermoeid van al de doodslagers.

Op een keer in zware strijd, dacht ik aan die oude ontslapen leraar ds. Van Reenen, die ook eens met de trein mee moest om op een andere plaats te gaan preken. Hij stond met een ouderling, die nu ook al lang juicht voor de troon, op het station. En daar opeens zei die leraar tot zijn metgezel: “Kon ik nu Van Reenen maar eens hier laten staan, en dan zo in de trein stappen, wat zou ik gelukkig zijn!” We nemen overal onszelf maar mee en we lopen en zitten maar met onszelf op de wereld; een vlees dat zich der wet Gods niet onderwerpt. Een bestaan dat nooit wil wat God wil. Maar ook in dat verband dacht ik aan die mensenmoordenaar van den beginne. We stappen de meeste tijd met onszelf maar in de trein, maar daar is nog een andere passagier die ook instapt en de reis meemaakt. Een reiziger die meereist, maar die nooit betaalt. Op grote trajecten komen ze gedurig het reisbiljet nakijken. Doch de duivel heeft het aan de conducteur nooit te tonen. Wat zit hij vaak vlak naast ons, en als hij dan zich maar stilhield, maar och, hij neemt de meeste tijd het woord.

O, dat volk dat door genade uit zijn macht verlost is, leert hem kennen als een briesende leeuw, die rondgaat, zoekende wie hij zou mogen verslinden. Zijn gedachten, zegt Paulus, zijn ons niet onbekend. Hij is een vijand, die nooit slaapt, maar van wie David betuigt in Psalm 25:9:

“En die rusteloos mijn val,

Wreed en wrevelmoedig zoeken.”

Het is waar, de duivel ligt onder de heerschappij van Christus, en hij kan niet één pijl afschieten tenzij hij toelating daartoe uit de hemel heeft verkregen. (…) O, als eenmaal dat volk in de bruiloftszaal is, dan wordt naar Mattheüs 25:10 de deur gesloten; ook voor eeuwig gesloten voor de duivel. Wat zal het zijn om nooit meer door die vijand gekweld te kunnen worden, om nooit meer bevreesd te moeten zijn voor de aanvallen des bozen, en voor eeuwig verlost van die smart, die hier gedurig ons hart maar vervult, bij de herinnering aan onze trouweloze verlating van de God onzes levens.

En het zal niet alleen zijn van de duivel dat Gods volk verlost zal worden, maar de waarheid verzekert ook Gods kinderen, dat vlees en bloed het Koninkrijk Gods nooit zal beërven. Dan zal dat volk lopen en niet moede, wandelen en nooit meer mat worden.

Dit artikel werd u aangeboden door: Oude Paden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 december 2021

Oude Paden | 64 Pagina's

Reizen bij dagen en bij nachten

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 december 2021

Oude Paden | 64 Pagina's